Mijn blaas heeft een eigen wil. Vaak moet ik aan die wil toegeven en mijn bed uit. Soms probeer ik het uit te stellen, maar dat is geen optie voor die zeikerd. Meestal is het tussen 05.00 en 06.00 uur, zodat het nog erg kort is voordat mijn wekker gaat. Die nacht maakte het niet uit; ik hoefde toch de ochtend erna niet te werken. Als altijd voelde ik even voorzichtig naast me. Even mijn vertrouwde warme rots in de branding voelen, waarop steevast de rustige ademhaling even stokte, en er een zacht gegrom klonk als reactie op mijn streling. “Laat me slapen..”
Maar nu was het bed leeg. Ik draaide me om en keek op de klok. 05.04 uur. Misschien moest zij ook een plas. Ik hoorde echter geen vertrouwde Niagara-watervalgeluiden, alleen wat gepiep en het geluid als van een slecht startende auto. Door de open deur van de slaapkamer en de glazen deur van de woonkamer zag ik een flauw licht schitteren. Dat kon niet waar zijn. Ze zat een computerspel te doen. Midden in de nacht! Elvenar of zoiets. Dat geluid van die weigerende auto hoorde daarbij.
Ik moest denken aan Rob de glazenwasser. Een paar weken geleden had hij op een vrijdag afscheid moeten nemen van zijn lief. De dag erna zat hij in zijn vertrouwde hoekje aan de bar van de Zinkwegse boys. Ik schudde hem de hand, zonder iets te zeggen. Er valt niets te zeggen, wanneer de dood te snel komt. “bedankt”, mompelde hij zachtjes. Niet lang daarvoor, zijn vrouw lag toen nog in het ziekenhuis, had hij me verteld, dat hij vooral dat lege bed naast zich zo vreselijk deprimerend vond. Het gaf de naderende leegte zo helder weer.
Na die zaterdag heb ik hem niet meer gezien. De barkruk in het hoekje van de bar, waar je zo fijn tegen de muur kunt leunen, bleef leeg. Het zal even tijd nodig hebben, voordat deze vrijwilliger weer in staat is om als clubscheidsrechter zijn wedstrijdjes te fluiten.
Ik deed mijn plas en ging weer mijn bed in. In de huiskamer hoorde ik zacht gemopper over het verloop van het spel. Glimlachend viel ik weer in slaap.
De WAO
Het is al heel wat jaren geleden, nog in de vorige eeuw, dat op mijn massagebank Dirk, een grote marktkoopman met lage rugklachten, lag. Hij was aan een hernia geopereerd en revalideerde daarvoor bij ons in de praktijk. Gelukkig konden zijn kinderen zijn werk op de markt voor hem doen. Eigenlijk deden ze dat al een paar jaar en de zaken gingen goed. Dirk had de zaak al een paar jaar geleden aan zijn kroost overgedragen en was zelf in loondienst bij zijn spijkerbroeken-imperium gegaan. “Dat was achteraf gezien een slimme zet” zei hij, terwijl ik me in het zweet stond te masseren, “Want nu heb ik recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering”. “O?” zei ik, “Maar ben je geen groot-aandeelhouder meer dan?” “Nee, alles is overgedragen aan mijn kinderen”
Het was even stil. “Dus ik krijg nu een uitkering, al heeft dat best wat voeten in aarde gehad” Ik zweeg en werkte door. “Ik moest bij zo’n controledokter komen. Deze zag nog wel wat in me en stuurde me door naar een arbeidsdeskundige, zo’n jochie met een net pakkie en een brilletje” Ik had een beeld. Dirk ging verder: “Deze wijsneus keek in mijn papieren en vroeg hoe het met me ging. “Dat vroeg die dokter ook al”, zei ik. “Het gaat prima, maar zware pakken spijkerbroeken tillen en sjouwen kan ik niet meer, dus mijn huidige werk kan ik niet meer doen” De knul keek even op uit zijn papieren. “Jaja” mompelde hij.” Dirk was een echte marktkoopman; altijd vol verhalen en altijd goedgemutst. “Toen keek die krullenbol weer in zijn papieren en vroeg of omscholing misschien een idee voor me was. Omscholing! Op mijn 63e! Dus ik antwoordde, dat ik dat een uitstekend idee vond” Zijn buik begon te schudden van het lachen. “Wat zou u zelf het liefste willen doen, qua omscholing?” vroeg die kanjer. Ik aarzelde geen moment en zei: Tandarts!” Nu lag hij hardop te lachen op de massagebank, een prachtig gezicht; die schuddende buik. “Dat genie keek me aan, en weer op zijn papieren en zei toen: “Tandarts? Maar u bent 63 jaar oud, en de opleiding tot tandarts duurt zeker 4 jaar!” De patiënt lag nu echt helemaal te gieren. Ook ik kon er de humor wel van inzien. Dirk vervolgde: “Ik hoefde hem alleen maar aan te kijken, even te knipogen en te zeggen: “Hebbie ‘m?” De snotneus gaf het op en niet veel later kreeg ik bericht, dat ik was afgekeurd.”
Dirk’s behandeling was klaar en hij kwam zuchtend en steunend van de bank. “En wat doe je tegenwoordig?” vroeg ik, een beetje tegen beter weten in. “Op de markt staan met spijkerbroeken, natuurlijk. En af en toe wat spullen ophalen en wegbrengen voor mijn kinderen” zei hij. “Die markt zit in mijn bloed, dat krijg je er niet zomaar uit. Maar het zware tillen laat ik wel aan de kinderen over”
zeilschool
Op de folder van de zeilschool scheen het zonnetje. Opvallend was, dat het een behoorlijk oude foto was, gezien de kleding en de haardracht van de vrolijk lachende zeilers op de plaat. De foto was volgens ons instructeurs op de laatste zonnige dag in Zeeland gemaakt.
Inderdaad, ik heb vroeger (opa verteld) les gegeven op een zeilschool. En inderdaad, vaak regende het. Dan lag je zeilboot, bemand met jouzelf en 5 drijfnatte kinderen in een enorme hoosbui te dobberen ergens op het Veerse meer. De stemming diep onder NAP. Als schipper moest je dan iets verzinnen. Ik ging vaak heel hard hele vrolijke liedjes zingen, in de hoop, dat ik de rest van de bemanning mee kon krijgen. Ondertussen zaten die gastjes zich kleurenblind te hozen, omdat ik had gezegd, dat er absoluut géén druppel water in de boot mocht komen te staan. Omdat we dan mogelijk zouden zinken… Dat hield ze lekker bezig.
Soms hadden we geen kinderen, maar volwassenen, die wilden leren zeilen aan boord. Dat was een stuk lucratiever. Vooral wanneer je het slim aanpakte kon je aan het einde van de week een behoorlijke fooi incasseren.
Wanneer je een cursiste aan boord kreeg, die verliefd op je werd, kon zulks aardig oplopen. Een doorgaans niet erg knappe verschijning (tenminste in mijn geval), die heel erg haar best deed om aardig gevonden te worden en alles wat je zei opschreef in een notitieboek. (Uiterst lollige bezigheid was, om bij het voordoen van een manoeuvre, dat boek drijfnat te krijgen)
Wanneer je het goed speelde, ging zo’n bakvis aan het einde van de cursusweek met de pet rond bij alle cursisten om voor jou een kado te kopen of om jou een fooi te geven, en ze liet zich niet afschepen met een schamel muntje. Je kon de hoogte van de fooien zelf ook nog wel beinvloeden. Wanneer je zei, dat je student medicijnen was, haalde je absoluut de grootste fooienbuit binnen. Student fysiotherapie deed het redelijk, maar student belastingrecht scoorde dramatisch. Dus alle instructeurs waren opeens artsen in spé. (Wel was er een risico: Wanneer één van de cursisten zelf arts was. Dat kon vervelende vragen opleveren. Dus je moest altijd eerst de beroepen van de bemanning inventariseren)
Ook belangrijk was dat je de collectante nooit mocht zoenen. Want wanneer er in haar ogen sprake was van een relatie ging ze vaak niet meer aan je fooi werken en de andere cursisten gingen dan ook echt niks meer in de pet gooien. Bovendien vond de baas van de zeilschool relaties van instructeurs met cursistes niet wenselijk.
Ook hielp het, wanneer je je cursisten deed geloven, dat er sprake was van een unieke week. “Echt jongens, dit is de léukste bemanning, die ik ooit aan boord heb gehad!!” Het werd graag geloofd, en het fooienniveau schoot omhoog.
Jaren later ben ik ooit een keer op wintersport geweest en heb me kostelijk vermaakt om de skileraar, inderdaad: een student medicijnen…
Cursus Claudicatio
Soms moet ik voor mijn werk naar een cursus. Als fysiotherapeut ben ik verplicht een bepaald aantal dagen per jaar bij te scholen. Als acupuncturist ook en voor mijn werk als Claudicatio-therapeut (claudicatio intermittens is beter bekend onder de naam: ‘etalagebenen’) en oedeemtherapeut ook. Dat zijn heel wat dagen bij elkaar. Ik heb dan ook al heel wat cursusjes bij elkaar gesprokkeld. Maar of ik er veel wijzer van ben geworden?
Niet lang geleden moest ik leren hoe ik een patient van zijn slechte gewoontes af moest zien te lullen. Motiverende gespreksvoering heet dat. Erg gewild bij brilslangen zoals dieetistes en huisarts-assistentes. Er werd ons geleerd hoe we iemand ertoe moesten brengen zijn leefstijl aan te passen. Bijvoorbeeld iemand zien te motiveren om te stoppen met roken.
Zoals bij veel cursussen had de docent niet genoeg stof om het hele weekend (inderdaad, deze cursussen zijn vaak in het weekend) te vullen, dus hij gebruikte veelvuldig de truc van ‘het opdelen in groepjes’. Dat kost veel tijd. In de groepjes moesten rollenspellen gespeeld worden. Er werd een vrijwilliger aangewezen, die de rol van patient moest spelen, een ander moest deze om zien te kletsen en weer een ander moest opschrijven of de ’therapeut’ het wel goed gedaan had. De resultaten moesten dan ‘plenair’ besproken worden. Dat kost toch zeker een dagdeel en de cursusleider hoeft zelf alleen maar, al koffiedrinkend langs de groepjes te lopen en belangstellend te vragen hoe het gaat, en dan, al slurpend aan zijn bakkie, bedachtzaam knikkend “Heel interessant” te mompelen.
Ik was de patient en mocht zelf mijn ‘gedragsprobleem’ kiezen.
Dat was dé kans om nog wat van mijn verspilde weekend te maken! De omluller vroeg mij wat mijn probleem was. “Ik heb last van anorexia” zei ik, zonder een moment te aarzelen. Mijn interviewer keek mij aan, vervolgens naar mijn imposante buik en toen weer naar mijn gezicht, dat volkomen in de plooi bleef. En begon te stotteren. De schrijver zat te proesten van het lachen. De cursusleider vond het natuurlijk “heel interessant”
Het is dat weekend niet meer echt goed gekomen.
Kolerejong
Het is een grijze zaterdag. De eerste grieppatiënten liggen in hun bed zich beroerd te voelen. Zo ook onze verzorger, Leo. “Hij is te beroerd om uit zijn ogen te kijken en te lamlendig om op zijn benen te staan!” verklaar ik zijn afwezigheid. “Dat weten we, maar waarom is hij er vandaag niet?” krijg ik als antwoord. (Dit is maar een grapje, hoor)
Dus ik sjouw de tas met EHBO spullen mee, de bidons en de waterzak met wonderspons.
Vóór de wedstrijd is er gelukkig weinig te verzorgen. Een paracetamolletje hier, wat vaseline daar, verder niet. Het met de waterzak en bezorgde kop het veld oprennen, iets waar Leo erg goed in is, laat ik aan een ander over. Vooral het rennen is vanwege mijn afbrokkelende heup een probleem. Tegen de tijd, dat ik bij een gewonde speler aangestrompeld kom, is deze al op en neer naar het ziekenhuis geweest om Röntgenfoto’s te laten maken. Dus een ander (Henk, bedankt!) neemt die honneurs waar.
Zodra de wedstrijd begint en de tegenpartij al snel gescoord heeft, ga ik een broodje halen. Het gaat vandaag niet echt een spannende wedstrijd worden.
Bij het frietloket staat vóór me een klein donker mannetje met kort kroeshaar en een paar donkerbruine erg ondeugende kooltjes als ogen. Met een enorme schattigheidsfactor. Hij legt de centjes uit zijn knuistje voorzichtig op de toonbank en kijkt verwachtingsvol de blonde, volop getatoeëerde, struise Rotterdamse vrijwilligster van de snacktoonbank aan en mompelt zachtjes zijn wens. “Dat is niet genoeg, jong” zegt de dame streng maar rechtvaardig, wijzend naar het schamele geldbedrag op de toonbank. Hij kijkt teleurgesteld, pakt de centjes, en draait zich om. Ik heb de neiging mijn portemonnaie te pakken om het verschil bij te leggen, maar de strenge dame is me voor. “Hé knul”, roept ze en geeft hem een snoepje als troost. Het mannetje loopt met een heerlijke glimlach weg. “Het lukt hem altijd iets te scoren”, zegt de Rotterdamse, “Maar zo’n kolerejong is toch niet te weerstaan?” verontschuldigt ze zich. Ik krijg mijn broodje worst en geef haar een fooitje. Zo’n heerlijk Rotterdams kolerewijf is toch ook niet te weerstaan?
De familie
Altijd wanneer ik de hoek omga bij de kantine van de Zinkwegse Boys heb ik een ’thuiskomgevoel’. Zo ook gisteren, waarbij dit gevoel nog versterkt werd door de heerlijke geur van gebakken uien. Onze Robert (den Blijker, noemde iemand hem al in een appje..) was zich aan het voorbereiden op een drukke middag aan zijn barbecue-kraam. Hamburgers en Frankfurters lagen vredig naast elkaar op de bakplaat en voor deze gelegenheid stond er een grote ketel met echte snert. Ik kon de verleiding niet weerstaan en kocht een bakkie. Overheerlijk. In plaats van te moeten zoeken naar de worst en het vlees moest ik zowat zoeken naar de erwten. De middag kon voor mij al niet meer stuk. Chapeau voor weer zo’n vrijwilliger, die er gewoon is.
Er klonk luide muziek. Donderdagavond waren er extra geluidsboxen opgehangen. Balancerend op een keukentrapje. Alles voor een voetbalfeestje.
En een feestje werd het, ondanks het resultaat. (3-1 verlies)
Het veld werd omringd door een grote schare toeschouwers. De hamburgers en worsten waren niet aan te slepen, de snert was al gauw op. Achter de bar wisten een paar dames (Natasja wist ik, maar die andere kanjer?) en natuurlijk Jan van aanpakken.
Het lijkt zo gewoon.
Soms zonder ik me een beetje af om alles goed te kunnen bekijken. Dan ga ik alleen aan de bar zitten. Dat deed ik zaterdag ook. Naast me kwam een oude ploegmaat zitten. Hij gaf me een biertje en we dronken. “Ik kan er niet wakker van liggen, dat we verliezen, wanneer ik dit allemaal zie” zei ik. Hij zweeg en nam een slok. “Nou lig ik eigenlijk nergens van wakker” voegde ik eraan toe. En dat klopt; ik slaap doorgaans als een os. “Ik lig wel eens wakker, hoor” zei hij. Hij klonk triest. “Niet van een voetbalwedstrijd, dat is maar een spelletje.” Hij nam nog een slok. Ik keek hem vragend aan. Hij haalde diep adem en vervolgde: “wel van de zorgen om mijn vrouw” Ik nam een slok en zweeg. Soms moet je even je mond houden. Hij vertelde over bestralingen, operaties en chemokuren. Over de gevolgen daarvan. Dat zijn lief de badkamertegels niet meer onder haar voeten kon verdragen. Over de onzekerheid. Ik keek hem aan en zag zijn ogen in diepe meren van verdriet liggen. Er sprak angst uit. Angst te verliezen, angst voor de pijn van zijn maatje, zijn wederhelft. Ik kende hem zo niet. Het was een intiem moment. Hij moest het even kwijt.
Ook dat is de ZWB. Een thuis waar je even naar toe kunt vluchten om je zorgen en verdriet te delen met je familie. Want dat zijn we: een grote familie.
Opeens was mijn eigen lief er. Ze kwam langs om de oude kranten in de oud-papiercontainer te gooien. Ik legde even mijn arm om haar heen, ik moest haar kerngezonde lijfje even voelen. Mijn vriend dronk zijn biertje op, sloeg mijn aanbod voor een nieuw af en ging naar huis. Ik keek hem na en telde mijn zegeningen. Sterkte, gozer!
de Zinkweg-groep
Dus even later waren we op weg naar de ‘lokatie Heenvliet’. Met verbrande vingers en een gebakken tong door de te snel opgedronken hete koffie.
Ik moest van de week weer aan dit voorval denken, toen ik het verslagje van het hoofdbestuur zag. ‘Een stip-aan-de-horizon- sessie’. Ik leer iedere dag wat bij. Vroeger hadden we ‘brainstorm-sessies’ of we bekeken de zaken met een ‘helikopterview’.
Maar nu heet dat stip-aan-de-horizon-sessie.
De twee lokaties van GHVV’13 zijn een gevolg van een fusie. Men vertelde mij, dat het eerste de ene helft van het seizoen op de lokatie Heenvliet speelt en de andere helft van het seizoen op Geervliet. Ze spelen dus altijd een beetje uit. Ik keek naar een-stip-aan-de-horizon en zag de Zinkwegse boys in de toekomst.
Ietwat overmoedig zag ik, dat er, behalve de ongewijzigde ‘lokatie Beijerse polder’ als trainingslokatie een kunstgrasveldje aan de Langeweg, als een soort Milanello van de ‘Zinkweggroep’ (De locatie ‘Kikkershoek’) zou komen. Lachend werd ik wakker. Laten we maar gewoon Zinkwegse boys blijven.
de stofzuigrobot
We hebben een stofzuigrobot. In het kader van de modernisering van het huishouden overweegt Elly de aanschaf van zo’n ding, maar ze wil geen overhaaste beslissing nemen, dus eerst de robot van Janneke geleend.
Het is een rond geval met allerlei lampjes en er steken borsteltjes onderuit, als oorharen bij een oude man. Hij weegt niet veel, zodat iedere werkster hem naar haar werk mee zou kunnen nemen in haar fietstas. Ik zie dat al voor me: de werkster zet de robot aan en gaat zelf met een bak koffie en de Libelle op de bank zitten.
Na een nacht opladen brengen we alles in gereedheid, zodat Roby zijn werk ongestoord kan doen. De snoeren worden van de vloer gehaald, want daar kan hij in verstrikt raken, de stoelen opzij, want dan kan hij beter onder de tafel komen, de lectuurbak op de tafel, want daar kan hij niet onderdoor. Na een uur voorbereiding kan het feest beginnen. El drukt verwachtingsvol op de startknop. Roby zet zich in beweging en begint te brommen en te borstelen. Na 2 minuten keert hij terug naar zijn oplaadstation. Heimwee.
El zit verbouwereerd te kijken op de bank, met haar benen omhoog voor haar schoonmaakheld, maar er gebeurt verder niets. Hij hangt tevreden aan zijn navelstreng en reageert op geen enkel commando van de afstandsbediening. (De enige reactie: de televisie gaat aan…)
Misschien moet hij eerst even wennen.
Met een zucht staat Elly op en gaat stofzuigen met de oude Miele. Dat is in een halfuurtje gebeurd.
Op Roby brandt een rood lampje. Zou hij zich toch een beetje schamen?
Puntschoenen
Telefoon. Een oude bekende, die eerder bij me onder behandeling is geweest. “Ik heb ontzettende pijn in mijn rug! Het schoot er vorige week opeens in en ik heb aanstaande zondag een golftoernooi in Miami! Kan het vandaag, want er is dus wel veel haast bij. En kan het na zessen, want ik heb het razend druk”. Zijn en mijn definitie van een spoedgeval zijn niet dezelfde, maar ik ben hem ter wille, dus ik spreek met hem af voor het eind van de dag.
Hij komt die avond binnen in een stofwolk van belangrijkheid. “Kun je mij garanderen, dat ik zondag kan golfen?” is zijn eerste vraag. “Dat hangt van je handicap af”, antwoord ik gevat, maar dat gaat volledig aan hem voorbij. Ik leg hem uit, dat ik alleen kan garanderen, dat ik mijn uiterste best zal doen. Gezondheid is niet te garanderen, hoe rijk iemand ook is. Herstel van klachten is afhankelijk van zoveel factoren, dat het voorspellen van genezing onmogelijk is. Alleen goede kwakzalvers kunnen dat. (En medicijnenfabrikanten: “Wanneer u dit zalfje op uw knie smeert, kunt u weer voetballen met uw kleinkind!”)
Terwijl ik mijn handen was ontkleedt hij zich tot op zijn ondergoed. Zijn grijze pak hangt erg belangrijk te zijn aan het kledinghaakje. Dan vallen zijn schoenen me op. Puntschoenen. Vóór het eindpunt van zijn tenen zit nog zeker zes centimeter, en hij heeft al redelijk grote voeten. Waarom wil iemand met dergelijke clownsstappers rond-struikelen? Een soort langlaufen zonder sneeuw… Misschien vanwege het verhaal, dat de grootte van het mannelijk geslacht gerelateerd zou kunnen worden aan de grootte van zijn voeten? (Of neus?) En hij zo verwachtingen schept bij het vrouwelijk geslacht? En ik weet, dat het niet klopt, want ik heb zelf ook maat 46, maar toch een relatief kleine neus…
Na de behandeling staat hij redelijk tevreden op. De pijn is al wat minder. Ik wil afspreken voor twee dagen later, maar hij wil graag afspreken voor de volgende dag, want het golftoernooi in Miami is erg belangrijk.
De volgende dag belt zijn secretaresse rond 10.00 uur af. Te druk. Zij belooft, dat hij zelf later terugbelt voor een afspraak voor de daarop volgende dag. Mijn collega heeft de boodschap aangenomen en aan mij doorgegeven. Ik hoor niets meer van hem tot de dag erna. Druk, druk, druk. Of hij later op de dag nog even langs kan komen, want hij heeft nog steeds last van zijn rug en een golftoernooi in Miami. Helaas: mijn agenda staat helemaal vol. Bovendien is de garantie op een mogelijk succes verlopen. Wanneer ik hem dat mededeel reageert hij als te verwachten viel: “Dan zoek ik wel een andere oplossing”. Ik wens mijn collega van de andere praktijk, die hem daarna waarschijnlijk onder behandeling heeft gekregen, veel sterkte.
Vergadering
Vroeger vond ik mijn vader altijd erg achterdochtig. “Hmmm”, zei hij dan veelbetekenend, wanneer ik iemand of iets erg geweldig vond. Nu ik zelf wat ouder ben geworden betrap ik mezelf ook op vele ‘Hmmms’. Veel geweldige dingen en vooral veel geweldige mensen blijken vaak niet zo geweldig te zijn.Zo’n gevoel had ik tijdens de vergadering van gisteravond. Het begon om 17.30 en er waren broodjes en er was soep. De broodjes waren klef door de sla, die ertussen schijnt te horen bij vergaderingen, maar de soep was wel smakelijk. Juist toen ik op wilde staan voor een tweede bakje soep en een derde broodje begon de huisarts aan mijn tafeltje uitgebreid te vertellen over hoe succesvol hij aan het lijnen was. “Echt, het kost me totaal geen moeite!” sprak hij, bewonderend aangestaard door zijn tafelgenoten. “Hmmm”, dacht ik en Ik zakte weer terug in mijn stoel, zodat mijn buik wat minder opviel. Ik durfde geen eten meer te pakken. De arts bleef zichzelf maar geweldig vinden en diste wat recepten op om aan te geven, hoe smakelijk zijn dieet wel was. (pastinaakpuree met kabeljauw, Griekse yoghurt met havermout en meer van dat soort smakeloos voer) Hij was wel drie kilo afgevallen. De dames aan onze tafel hingen aan zijn lippen.
Gelukkig begon de vergadering. Met een licht knorrende maag probeerde ik de powerpoint-presentatie te volgen. Deze zag eruit als veel powerpoint-presentaties: een poppetje met wat items eromheen, suggererend, dat de patiënt centraal stond bij de spreker. Of zoiets. Ik was het gewauwel al gauw niet meer aan het volgen en keek om me heen. Vóór me zat een kale man met zijn bril bovenop zijn hoofd. Het viel me op, dat er veel kale mannen zaten met hun bril bovenop hun hoofd. Ik vroeg me af, of ze na hun vakantie naar het zonnige zuiden twee witte plekken van hun zonnebril op hun schedel zouden hebben. Ik ging iets omhoog om even stiekem op het hoofd van de man vóór me te kijken. Niets te zien. Toen viel me op, dat er ook dames met hun bril bovenop hun hoofd zaten. Dat stond blijkbaar erg interessant, dus ik probeerde het ook. Helaas bleek mijn schedel geen brildragend vermogen te hebben. Bij de eerste beweging van mijn kop viel de bril op de grond. Terwijl ik tussen wat benen op zoek was naar mijn optisch hulpmiddel hoorde ik Nienke achter me grinniken. Ik zette de bril maar weer gewoon op mijn neus en deed net of ik de voordracht weer volgde. De bril vóór me zakte steeds lager. Bij ieder instemmend knikje. Uiteindelijk bleven de jampotjes in Dior-montuur steken op ’s mans wenkbrauwen. Ik zat het met open mond te bekijken. Bril-jant vond ik het.
De huisarts stelde een vraag aan de spreker, en ik probeerde weer even heel belangstellend te kijken. Schuin achter me zat de wethouder. Vanwege haar was de huisarts waarschijnlijk gekomen. Om te netwerken. Informele babbels na een saaie vergadering kunnen uiterst lucratief blijken te zijn. Vandaar ook de vraag van onze afslanker: Hij moest gezien worden. Het pleitte wel voor hem, dat hij geen bril op zijn hoofd droeg. De wethouder reageerde: “Zoals die meneer zojuist zei…” Ik gniffelde even. ‘Die meneer’. Ze had hem niet herkent. Terwijl hij net als zij diverse van dit soort vergaderingen had bijgewoond. Vernietigend. Of zou hij teveel zijn afgevallen?
Juist vóór het einde van de bijeenkomst verontschuldigde de wethouder zich en vertrok. De beste manier om te voorkomen, dat ze tot zeker een uur ná de vergadering nog steeds zou worden aangeklampt door allerlei netwerkers. Onze dieetgoeroe keek teleurgesteld.
We moesten nog in groepjes discussiëren over hoe geweldig we het gevonden hadden en dat op grote vellen papier noteren alvorens we naar huis mochten. Veel verder dan “Hmmm”, kwam ik niet. Ik word oud; ik heb al te vaak dit soort vergaderingen bijgewoond.
Daarna dropen we af. De huisarts naar zijn pastinaakpuree met kabeljauw. Ik had geen trek meer.