De Tandem

Bij de eerste zonnestralen in de lente was het in ons haventje een drukte van belang. Een nieuw vaarseizoen voor hobbyschippers lag in het verschiet en er werd verwoed geschuurd, geschilderd en proefgedraaid met motoren. Ik zat het gedoe samen met ome Arie te bekijken, onderwijl genietend van mijn pijpje en het besef, dat ik zelf geen boot had, welke al deze zorg behoefde. Mijn medebankzitter genoot ook zichtbaar van het uitzicht en zijn rustige bestaan, omringd door de heerlijke geur van een zojuist opgestoken pijp. Hij zuchtte eens diep, haalde daarna diep adem en wees met zijn pijp mondstuk naar al de ijver vóór ons: “Die lui werken zich in het zweet om straks in drie weken op en neer te varen naar god-weet-waar om er vervolgens achter te komen, dat hun thuishaven de mooiste haven van de hele reis is!” Ik keek even verbaasd opzij en vroeg me af of hij zich de schoonheid van deze zin bewust was. Ik vermoedde van wel, want hij had me al vaker versteld doen staan van zijn wijsheid. Hij glimlachte slechts. Achter ons stopte een tandem met twee grijze bodywarmers. Ze stapten af en keken zoekend om zich heen. “Weet u of we hier ergens onze tandem-accu op kunnen laden?” Het bodywarmer-mannetje stond met een stekker in zijn hand vragend ome Arie aan te kijken. Deze keek op zijn beurt mij weer vragend aan. Ik wees naar de haven: “op de steigers zijn stopcontacten!” Alle ogen volgden de richting van de steel van de pijp, waarmee ik wees. “Wanneer jullie snoertje lang genoeg is, of jullie de accu van de tandem los kunnen koppelen, moet dat lukken.” Het bodywarmer-vrouwtje keek mijn kant op: “Mag dat dan?” Zes ogen keken nu vragend mijn kant op. “Dat weet ik niet…” antwoordde ik, een beetje bedremmeld. “Misschien kunt u dat aan iemand van de watersportvereniging vragen.” En ik wees weer richting bedrijvige schippers. Het stel stalde de tandem tegen een lantaarnpaal, zij nam plaats op het bankje naast het onze terwijl hij de afneembare accu van de fiets haalde en met de oplader  in zijn andere hand op zoek ging naar een hulpvaardige watersporter. Zij keek blij om zich heen: “Wat een prachtig haventje!” Wij beantwoorden deze observatie met een bevestigend rooksignaal. Ze ontwaarde de achteringang van onze onvolprezen ijssalon ‘Gebo’. “Kun je daar ijsjes kopen?” Ome Arie knikte: “En patat!” Hij is nog uit de tijd, dat de woorden ‘snackbar’ of ‘cafetaria’ nog niet bestonden en een patattent slechts gefrituurde aardappelen en hooguit kroketten verkocht. De vrouwelijke tandemhelft reageerde enthousiast: “Geweldig, dan kunnen we hier ook wat eten, terwijl de accu wordt opgeladen!” Op de achtergrond leek de accu-expeditie succesvol te zijn verlopen want de mannelijke tandemhelft was met lege handen op de terugweg. Ome Arie trok tevreden aan zijn pijp: “zo, uw accu is straks weer helemaal opgeladen voor de rest van de reis!” “Ben benieuwd hoever we komen…”, zuchtte de dame. Ome Arie keek haar verbaasd aan. Ze vervolgde: “We moeten helemaal naar Heerhugowaard, zeven uur fietsen!” Ome Arie keek even verbaasd mijn kant op en vervolgens weer naar de ongelukkige fietster. Deze zuchtte weer diep: “Daar wonen we. We zijn vanmorgen van huis vertrokken en pas hier door de politie van de weg gehaald.” Wij keken nu allebei erg verbaasd. “Onze camper staat hier vlakbij. Ik heb wel drie keer tegen die snuggere vent van me gezegd, dat die tandem op de fietsendrager aan weerskanten veel te veel uitstak!”

Het roze pijpenzakje

Pijp roken is nog een hele toer bij windkracht zes. Ik zat dan ook behoorlijk te tobben om mijn tabak in de brand te krijgen toen ome Arie aan kwam lopen. Met een rokende pijp. Hij zag mijn geploeter en wees met zijn rookwortel naar het bushokje, even verderop in de straat langs ons prachtige haventje. “Daar kunt u uit de wind staan, meneer Ype!” Hij ging zelf zitten. Ik volgde zijn raad op en voegde me niet veel later, met een brandende pijp, bij hem op ‘ons’ bankje. We zaten het matig naar ons zin te hebben, want de tabak waaide zowat onze pijp uit, terwijl het juist getuigt van ultiem genieten wanneer de geurige wolkjes langzaam omhoog cirkelen. Ome Arie haalde een felroze gebreid zakje uit zijn jaszak en uit dat fraaie stukje huisvlijt diepte hij een pijpenstampertje. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Hij zag het en glimlachte zelf ook. “Van mijn nichtje. Heeft ze speciaal voor mij gemaakt op de dagbesteding. Ik was zo dom om te zeggen, dat ik de kleur niet belangrijk vond!” Ik knikte begrijpend. “Het is mijn favoriete nichtje, een mongooltje…” Ik keek even een beetje afkeurend opzij. Alsof hij mijn gedachten kon lezen vervolgde hij: “Tegenwoordig mag je dat niet meer zeggen. Ik weet het, meneer Ype, want dat is beledigend. Al is dat zo niet bedoeld. Het is tot ziekte gebombardeerd. Of syndroom.” Hij bekeek het roze stukje huisvlijt. “Alsof het dan minder erg is.” Ik begreep hem. Het gaat over de gedachte erachter. “Dit rare roze pijpenzakje heeft mijn nichtje heel veel moeite gekost.” Hij hield het vast alsof het zijn kostbaarste bezit was. “Door de Corona mocht ze een tijdlang niet naar de dagbesteding en dan zat ze thuis met haar tong uit haar mond verwoede pogingen te doen om het pijpenzakje voor haar ome Arie klaar te krijgen. Hopeloze pogingen, want ze kan niet zelfstandig breien. Desondanks pakte ze het iedere morgen weer op om er een vruchteloze dag haar best op te doen. Alleen, thuis.” Hij liep even naar het bushokje om zijn pijp weer aan te steken. Terug vervolgde hij zijn verhaal: “Uiteindelijk mocht ze weer mondjesmaat naar de dagopvang. En kon ze het roze pijpenzakje eindelijk afmaken. Maanden is ze bezig geweest met dat stomme ding!” Hij zweeg even, rookte zijn pijp. “Zij klaagde nooit, ze accepteerde gewoon haar lot. Ze wilde alleen zo graag dat breiwerkje voor mij afmaken. Vandaar dat dat ding zo belangrijk voor me is. Ik ben trots, dat ik ermee voor gek mag zitten” Hij keek opzij. “Eigenlijk mag je haar inderdaad niet vergelijken met de mongolen, die vinden, dat ze recht hebben het kampioenschap van hun voetbalclub te vieren, of feestjes te houden in het park.” Ik knikte: “De echte mongolen…” Een windvlaag deed mijn woorden vervliegen. Maar het gaat om de gedachte.

Avondvrijheid

Het was al donker, maar ik moest toch even een rondje met mijn scootertje. De avondklok was afgeschaft en ik wilde de herkregen vrijheid op passende wijze vieren. Gewoon even ’s avonds laat langs ons haventje rijden. Zomaar. Omdat het weer kon. Fluitend reed ik langzaam de dijk over en zag toen tot mijn stomme verbazing ome Arie zitten. Het was al donker, maar het donkere silhouet was onmiskenbaar. Een pet, een rookwolk en een pijp. Ik stalde het scootertje pakte mijn pijp en mijn tabak uit de bergruimte onder het zadel en ging naast mijn oude vriend op het bankje zitten. Hij keek even opzij en tikte met zijn pijp aan zijn pet, een potsierlijk gebaar, maar typerend voor ome Arie, dus was ik het gewoon. “Nog laat op pad, meneer Ype?” Het was meer een constatering dan een vraag, dus ik knikte slechts, pakte mijn pijp en stopte deze langzaam en zorgvuldig, daar haast hierbij geen pas heeft. “Vrijheid, iets om te koesteren, ome Arie! Na die weken avondklok voelt het gewoon als een nieuwe vrijheid, dat ik weer na tien uur ’s avonds een stukje op mijn scootertje kan gaan rijden!” Ik pakte m’n aansteker en stak de brand in mijn tabak en blies grote rookwolken alsof die mijn woorden als rooksignalen van een vredespijp bestemd waren voor een wijde omgeving. Ome Arie keek opzij en grijnsde: “Weet u zeker, dat u überhaupt  nog wel op uw scootertje mag rijden, meneer Ype?” Ik schoot in de lach, stond op en pakte uit mijn scooter twee in een theedoek gewikkelde glaasjes en een fles lekkers. “Jij ook een drankje, ome Arie?” De oude veeboer knikte en ik schonk voor ons beide een slokkie ultiem genieten in. “Ik hoopte eigenlijk al een beetje, dat ik je hier zou treffen, Arie.” Ik zei het bewust zonder het gebruikelijke ‘ome’, om het moment extra lading te geven. En dat deed het; we klonken op een gezonde toekomst en dronken zwijgend en uiterst langzaam, genietend van het schijnsel van de maan in het water van ons prachtige haventje. Als twee oude vrienden.

Bubbel

Toen ik met mijn scootertje welgemutst aankwam bij onze vaste rookplek zag ik, dat het anders was dan anders. Ome Arie stond met een ongelukkig hoofd met zijn fiets aan de hand bij de haven. ‘Ons’ bankje was bezet door een ruziënd stel. En het bankje ernaast had gewoon niet zijn voorkeur, dat wist ik. Waarom dat was wist ik niet. Toen hij toch zijn fiets stalde en op het andere einde van ons bankje ging zitten snauwde de dame van onder haar hoogpolig tapijt: “Wil je wel uit onze bubbel blijven!” Ome Arie keek verbaasd opzij: “Hebt u het tegen mij?” “Wie anders, zie je iemand anders, dan!?” Ome Arie wees naar mij. Ik bekeek alles zittend op mijn scooter. De bitch had me nog niet gezien en keek nu ook mij vuil aan. Onze veehouder vroeg mij met een heel onschuldig klinkende stem: “U kent deze dame, meneer Ype?” Ik schudde mijn hoofd, maar begreep waar hij heen wilde. “Waarom deze vraag, ome Arie?” Hij glimlachte en knipoogde naar me, “Omdat ze ‘je’ zei, meneer Ype, en ik kan me niet herinneren ooit met haar geknikkerd te hebben, of dat ze familie van me is, dus ik dacht, dat ze wellicht tegen u praatte!” Ik keek erg verbaasd: “Maar ik kom net aanrijden, ome Arie, en ík zit toch niet in haar bubbel?” Het stel zat ons gesprek duidelijk geïrriteerd aan te horen. Ome Arie stond op: “Bubbel, meneer Ype, bubbel?” Hij keek even geringschattend opzij en omlaag naar het ‘gelukkige’ paar, “Aan het gesprek te horen is het meer een ‘trubbel’! Daar wil toch niemand in zitten…” Hij wandelde, nagestaard door het verbouwereerde koppel rustig naar het andere, bovenwinds gelegen, bankje en begon zijn pijp te stoppen. Ik stalde mijn scooter, nam plaats in ‘onze bubbel’, en volgde zijn voorbeeld. Binnen twee enorme, gezamenlijk uitgeblazen rookwolken hadden we het stel van ‘ons’ bankje verdreven.

Afstandsbediening

Er wordt hard gewerkt aan de sluisdeuren voor ons haventje. Ome Arie zat het gedoe al pijpstoppend met grote belangstelling te bekijken. Ik zette mijn scooter op de standaard, pakte mijn rookgerei en ging op het bankje mijn pijp zitten stoppen. “Goeiemorgen, ome Arie!” De oude baas tikte ter begroeting met het mondstuk van zijn pijp tegen z’n pet. Vervolgens wees hij met hetzelfde pijponderdeel naar het gedoe in de havenmond. “Geen idee, wat ze daar allemaal uitspoken!” bromde hij. “Ik wel”, antwoordde ik trots. Er werd vragend opzij gekeken. “De deuren worden zo aangepast, dat ze op afstand bediend kunnen worden!” Trots over mijn eigen kennis leunde ik achterover en nam een fikse haal aan mijn pijp. Ome Arie keek beurtelings naar de werkzaamheden en weer naar mij. “Dus dan kun je, bij wijze van spreken, vanaf ons bankje met een afstandsbediening de sluisdeuren dicht doen?” Ik knikte. “Dan is het te hopen, dat bij hoogwater de afstandsbediening niet zoek is, zoals laatst bij ons thuis. Heb ik op een zondag een uur lang naar een kerkdienst zitten kijken, terwijl Riek aan het zoeken was!” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. “Zelfs uitzetten kon niet…”, mopperde hij verder. “Tot ik mijn zoon ging bellen, of hij een oplossing wist.” Hij blies een wolkje rook uit. “Lukte dus ook niet!” Klein bejaarden-leed; verplicht naar een kerkdienst kijken, verstoten van communicatie met je kinderen. De oude baas zuchtte: “Zat ik met de afstandsbediening te bellen…”

Dooie mus

Het was redelijk weer. Er was weinig wind met een behoorlijk verwarmend zonnetje. Ome Arie zat al op ons bankje toen ik met mijn scootertje aankwam bij het prachtige haventje van ons dorp. Een jongedame in een vakantie-achtige outfit wilde foto’s van hem maken met een imposante camera. Ik hield eerbiedig wat afstand van fotografe en fotomodel en volgde het moeizame gesprek: “Genädige herr, bitte?” Ome Arie schudde zijn boerenkop: “Nee, veeteelt!” De dame dreigde teleurgesteld af te druipen. Ik besloot te helpen. “De dame vroeg of ze een foto van je mocht maken, ome Arie!” Ons fotomodel vond zulks natuurlijk geen probleem, en nadat ik het de fotografe had uitgelegd schoot deze haar plaatjes. Helemaal gelukkig met haar onderwerp: een bejaarde boer met echte klompen en een pet. Nadat ze vertrokken was ging ik zitten en stopte mijn pijp. “Maar ome Arie, je hebt me wel eens verteld, dat je vroeger regelmatig ging wintersporten. Hoe deed je dat dan, wanneer je geen woord Duits spreekt?” Aangesprokene trok aan zijn pijp. “Er waren altijd wel mensen, die net als u me wilde helpen. En Riek spreekt wel wat Duits en Engels.” Ik kon me er wat bij voorstellen en genoot verder van mijn pijp. Er hipten een paar geile mussen rond ons bankje. Voorjaar. Ome Arie bekeek het tafereel en leek mijn gedachten te lezen. “Het is weer voorjaar. Stomme beesten!” Ik lachte. “Vroeger waren wij ook stomme beesten…” De klompenier keek opzij; “Maar niet zo stom, dat we met onze stomme snavel tegen een keukenraam aan vlogen, zoals die mus bij ons gisteren!” Ik schudde mijn hoofd, nee, zo stom waren we inderdaad nooit geweest, maar we konden ook niet vliegen. “We konden ook niet vliegen…” las ome Arie mijn gedachten weer eens. “Afijn, die stomme vogel ligt op ons balkon nog wat stuip te trekken en sterft.” Ik nam een trek van mijn pijp. Ome Arie nam een trek van zijn pijp. “Riek stond net in de keuken toen het gebeurde. Die was helemaal overstuur.” Ik knikte. “En toen deed ik iets stoms…” Hij keek schuldbewust, “Ik lichtte de deksel van de braadpan, die op het fornuis stond, op en zei tegen het lekker bruin gebakken haantje: “Jij kon gelukkig niet vliegen, hè, ouwe jongen!” En toen werd ik de keuken uit gescholden.” Ik schoot in de lach.

Dierenarts

Bij ons bankje aan de haven stond de fiets van ome Arie. Hij zat zijn pijp te stoppen en groette me uiterst vriendelijk: “Goeiemorgen, meneer Ype!” Ik ging zitten en pakte mijn pijp, “Goeiemorgen, ome Arie!” en ik maakte een wijzend gebaar naar de leegte naast de bank: “Geen Joseph?” Van de teckel ontbrak inderdaad ieder spoor. “Inderdaad, die is weer gewoon terug bij Agaath.” Hij stak zijn pijp aan. “En dat werd tijd, want Doortje loopt op alledag…” Hij doelde op pitbull Doortje die een kortstondige, maar uiterst vruchtbare relatie met teckel Joseph had beleefd. En zonder dat haar baasjes, een grote baardige Feyenoord-hooligan, daarvan op de hoogte was, daar druk bezig met het uiteenzetten van de nodige complottheorieën aan Ome Arie. Maar dit staat uitgebreid beschreven in een eerder verhaal. Ik knikte, want ik kende ome Arie’s zorgen. Het resultaat van Joseph’s amoureuze escapades zou nergens op kunnen lijken, maar zou natuurlijk ook wèl ergens op kunnen lijken. Op Joseph. En zulks zou zelfs bij de verder niet zo snuggere hooligan een sterk vermoeden kunnen doen ontstaan. En daar zat onze gepensioneerde veehouder niet echt op te wachten ervan uitgaand, dat het hier toch mogelijk om een nogal ongewenste zwangerschap ging. Zo zaten wij, ieder met onze gedachten, ons pijpje te roken. Het was nog behoorlijk fris, dus we zaten diep in onze jassen gedoken. Ome Arie met zijn winterpet. Af en toe kwam er een wolkje rook uit de hoop kleding. Ik kon er wel om grinniken. Na een tiental minuten kwam het ‘ijsjesmeisje’ weer aangehuppeld. (Zie vorig verhaal) Met een uitzonderlijk groot ijsje. Ze ging triomfantelijk tussen ons in zitten. “Ik word toch maar geen fotomodel!” Ome Arie knikte, ik knikte. Dat leek ons duidelijk, gezien de enorme ijsberg. “Ik word dierenarts!” Ome Arie keek verbaasd, maar er volgde een nadere uitleg: “Gisteravond was de dierenarts bij ons thuis!” Ze klonk erg enthousiast. “Want onze Doortje heeft puppy’s gekregen. Lief joh, ze lijken wel een beetje op het hondje, dat u van de week bij u had, meneer!” Haar onschuldige grote blauwe ogen keken diep in de kleine bruine schuldige kijkertjes van ome Arie. “En daarom heb ik van pappie dit ijsje gekregen…” Vlak achter ons stond een enorme kerel met een volle baard: “Ga je mee, meisje, want pappie wil vanmiddag nog wel even op televisie naar Feyenoord kijken!” Ome Arie dook tegen een mogelijk herkenning nog dieper in zijn jas en ook ik durfde niet nòg eens om te kijken. “Dag, oude meneren!” riep de ijsprinses, terwijl ze weg huppelde.

Fotomodel

Na een schijnbeweging van enkele dagen bleef het voorjaar koud. Ome Arie zat met teckel Joseph naast zich zijn handen te warmen aan zijn dampende pijp. “Goeiemorgen, meneer Ype!” groette hij, toen het lawaai van mijn scootertje was uitgedoofd. Wellicht moest ik eens naar de uitlaat laten kijken. “U moet eens naar uw uitlaat laten kijken!”, las ome Arie mijn gedachten. Ik knikte: “Inderdaad, ome Arie, dat zal ik doen.” Ik ging op ons bankje bij het haventje zitten en pakte mijn pijp. Een meisje met een wollen mutsje op en wantjes aan ging tussen ons in zitten. In haar rechter wantje hield ze een enorm ijsje geklemd. Ze likte een enorme lik met haar ogen dicht. Puur genot. Ome Arie bekeek het tafereel vol verbazing: “Is het niet veel te koud voor een ijsje?”, kon hij niet nalaten te vragen. Het meisje keek vernietigend opzij. Een paar eigenwijze blonde haartjes loerden achter onder het mutsje vandaan. “Je bent oud!” zette ze de vraagsteller eerst op zijn plek. “Voor jonge mensen is het nooit te koud voor een ijsje!” Hier viel weinig tegenin te brengen. “En roken is veel slechter voor je…” Schaakmat. Ome Arie knikte. Ik glimlachte en stak mijn pijp op. De rook werd geroken en twee blauwe oogjes priemden mijn kant op. “Bah!” zei ze slechts, maar de smog verdreef haar niet van haar plek. Ik voelde me schuldig en probeerde mijn rook de andere kant op te blazen, hetgeen hopeloos mislukte. Ze wendde haar gezicht af richting ome Arie, die alles met een zachtaardige glimlach zat te bekijken. “Ik word later fotomodel!” Een ferme lik volgde. “Zo”, zei ome Arie, “dat is geweldig!” De kleine glom. Ome Arie knipoogde naar mij: “maar fotomodellen mogen eigenlijk niet snoepen!” Hij blies een vals wolkje rook uit.”Want dan worden ze te dik!” Deze waarschuwing  kwam wel aan. De glimlach verdween van het blonde koppie. “En daarom kijken al die fotomodellen op televisiereclames net zo boos en chagrijnig als jij nu!” Het meisje keek even mijn kant op. Ik maakte ome Arie’s zin af: “omdat ze dus geen ijsjes meer mogen eten!” Het arme kind keek naar de koude lekkernij en beurtelings naar ons, vòòrdat ze opstond en het ijsje in een prullenbak gooide. Ik heb me nog nooit zo schuldig gevoeld.

Online shoppen

Teckel Joseph lag besodemieterd te kijken, tenminste voor zover teckels besodemieterd kúnnen kijken, naast ons bankje bij de haven. Waarschijnlijk omdat het gure weer hem zelfs nog in april weer opgezadeld had met dat weerzinwekkende coltruitje. Ook ome Arie zat dik ingepakt in een winterjas  met een sjaal, zijn winterpet met oor-flappen en handschoenen met open vingers zijn pijp te stoppen. Ook ik had de nodige maatregelen getroffen tegen de kou. We hadden elkaar alweer een paar dagen niet gezien door onze wederzijdse ‘paas-verplichtingen’. En nieuwsgierig als ik was kon ik niet nalaten naar de uitwerking van zijn ‘puppy-grap’ te vragen. (Zie verhaal ‘teckbulls’) Hij stak zijn pijp op en van wal: “Toen ik vorige week woensdag thuiskwam zat Riek heel ingespannen voor de computer. Ik durfde niet te storen, want de combinatie Riek en computer is geen erg gelukkige. Meestal zit ze flink te mopperen op de hedendaagse techniek. Dit keer leek het mee te vallen, maar ze was zo ingespannen bezig, dat het me beter leek haar niet te storen tot ze vrolijk: ‘klaar!’ zei en het programma afsloot. Ik wilde haar net op de datum wijzen toen ze begon op te sommen: ‘Een hondenmand, een halsband, een drinkbakje, een voederbak, een bench voor in de auto, een hondenmandje voor op de fiets en wat leuke speeltjes! Allemaal besteld voor onze nieuwe pup. Je kunt er in deze coronatijd niet vroeg genoeg bij zijn!’ U begrijpt, meneer Ype, dat ik even met stomheid geslagen was…” Ik begreep het: “Was ze al van alles aan het bedenken voor die eerste nestkeus?” “Aan het bedenken? Ze had het al besteld! Ze zei, dat er zeker zes weken overheen gingen voordat die zooi uit China hier in Nederland aankwam, dus dat ze nog maar nèt op tijd was! U begrijpt, dat ik toen even niet durfde te zeggen, dat het een 1-aprilgrap was!” Ik begreep zijn probleem. “Ze had natuurlijk wel gelijk. Dat zag je natuurlijk ook toen dat schip dwars lag in het Suez-kanaal…” deed ik nog een schepje op zijn ellende. Er kwam een zuchtende rookwolk uit onze ome Arie: “En ze zei er ook nog bij, dat het mijn hond wordt en ik dus voor de kosten opdraai. Om er sadistisch aan toe te voegen, dat dat een mooie aanleiding is om te stoppen met roken.” Hij bekeek ter ondersteuning van deze trieste mededeling zijn pijp en vervolgens bijna smekend mijn kant op: “ Maar dan kan ik toch nog wel eens een pijpje tabak van u bietsen, meneer Ype?” Ik kreeg medelijden met hem en knikte bemoedigend. “Tuurlijk, ome Arie!” Zo zaten we nog even van onze luxe te genieten, tot mijn bank-genoot huiswaarts slofte met teckel Joseph achter zich aan. Hij liep iets gebogen alsof de toekomst zwaar op zijn schouders rustte. Mijn pijp was nog niet aan een retourtje naar de warme kachel toe, dus ik bleef nog even zitten.

Toevallig kwam Riek, ome Arie’s echtgenote, niet veel later op de fiets langs. “Is Arie al naar huis?” vroeg ze mij. Ik knikte: “Hij is net weg. Ik had met hem te doen; hij was best een beetje zielig. Misschien moet je hem nu maar eens vertellen, dat je hem teruggepakt hebt met die puppy-spullen…” Ze schoot in de lach: “dus u hebt me wèl door, meneer Ype!”

Teckbulls

Het beloofde een mooie dag te worden. Ik twijfelde over welke jas en besloot toch nog maar voor de zekerheid van de dikke. Op de scooter de juiste keuze, op het bankje bij de haven toch al gauw te warm. Ome Arie bleek hetzelfde probleem te hebben; hij zat met zijn winterjas los nog puffend zijn pijp te stoppen. Na de gebruikelijke begroetingen volgde ik zijn voorbeeld: jas los en puffend mijn pijp stoppen. De oude veehouder glimlachte: “Best wel warm, toch, meneer Ype..” Ik knikte: “Niks mis mee, ome Arie!” Zo genoten we van de eerste lentezon. Teckel Joseph was er bij gaan liggen. We staken onze pijpjes vrijwel gelijktijdig aan, hetgeen een behoorlijke rookwolk opleverde. Ome Arie keek omlaag naar Joseph: “Je hebt me weer behoorlijk in de problemen gewerkt, Don Juan!” Ik keek hem verbaasd aan: “De zwangere Pitbull Doortje?” Ome Arie knikte; “Hoe die hooligan het te weten is gekomen, weet ik niet, maar ik zit met de gebakken peren!” (Zie verhaal ‘Pitbull’ op swartboek.nl) Ik blies ook niet begrijpend een grote rookwolk uit; “En nu?” De oude veeboer zuchtte: “Die tattoo-gast was niet blij. Hij verwacht er niet veel van. Pittels of teckbulls. “Onverkoopbaar!” brieste hij. En daar kan hij wel een punt hebben…” Ik schudde mijn hoofd. Arme ome Arie. “Riek was ook razend! Vooral toen ik zei, dat ik verplicht eerste nestkeus had!” Hij keek bezorgd. “Eerste nestkeus? Maar Joseph is toch van Agaath?” “Ja, maar die zegt, dat ik dan maar beter had moeten opletten! En daar heeft ze wel een punt. Het gebeurde vlak voor mijn neus!” Ik begreep het probleem: “Dus binnenkort heb je een puppy, ome Arie! Dat is toch ook wel een beetje leuk?” De oude baas leek niet vrolijk: “Nou, Riek is er behoorlijk chagrijnig door. Ik ben dan ook vroeg de deur uit gevlucht. Het was even stil. “Wilt u misschien een leuk puppy, meneer Ype?” Hij keek me hoopvol aan. “Nee, bedankt, ome Arie; Ik heb al twee honden!” Weer was het even beklemmend stil. We rookten onze pijpjes tot ome Arie de zijne leeg klopte tegen de zijkant van ‘ons’ bankje aan de haven. “Ik ga maar eens op huis aan, kijken hoe het met Riek gaat.” En met een vette grijns erachteraan: “En haar maar eens opvrolijken door naar de kalender te wijzen!” Niet begrijpend keek ik op mijn horloge: één april! Schaterend liep Ome Arie richting huis gevolgd door een vrolijk kwispelende Joseph.