Familieweekend

Ondanks het aanhoudende mooie weer had ik ome Arie een paar dagen gemist. Ik was dan ook opgelucht toen hij weer aan kwam fietsen. Het verbaasde me iedere keer weer, dat hij kon fietsen met klompen. Hij stapte af en ging een beetje moeizaam zitten. Ik besloot niet naar deze moeizaamheid te vragen. “Goeiemorgen, ome Arie!” begon ik vrolijk. “moggûh”, bromde hij terug en begon zijn pijp te stoppen. “Ik heb je een paar dagen gemist.” probeerde ik. Hij blies zijn eerste rookwolkje uit en antwoordde niet. Ik besloot niet aan te dringen en trok aan mijn pijp. Ik kende hem langer dan die dag en wist, dat er vanzelf wel iets zou komen. Inderdaad, na een minuut of vijf bromde hij: “Ik was naar een familieweekend.” Ik reageerde even niet. “Bij de verre nicht van mijn vrouw in de Achterhoek.” (zie eerder verhaal op swartboek.nl: ‘Puur natuur’) Hij vertrok zijn gezicht toen hij even ging verzitten. “De hele familie van mijn vrouw was er. Vreselijk.” Ik moest wel even lachen om zijn gemopper en kon het niet laten hem een beetje te plagen: “Dus je schoonzus Agaath was er ook?” Hij knikte slechts. Ik wist, dat de relatie tussen hem en de zus van Riek niet bepaald vriendschappelijk was. “Inderdaad!” Hij zuchtte, “En die had bedacht, dat we wel op de camping bij nicht Marieke konden kamperen.” Deze mededeling moest even bezinken. Ik durfde het bijna niet te vragen: “Maar dat is toch ook een ‘Puur natuur’ camping?” Ome Arie knikte. Ik vervolgde aarzelend: “En het was prachtig weer…” Ome Arie zuchtte diep: “En Riek vond, dat ik niet kinderachtig moest doen!” Ik schoot in de lach: “Dus jij hebt daar in je blote kont rondgelopen!?” Hij keek erg ongelukkig en er kwam een zielig wolkje uit zijn pijp: “Ik heb wel mijn klompen aangehouden en geweigerd mijn pet af te zetten!” Een statement om aan te geven, dat hij, ondanks zijn naaktheid, niet zijn hele identiteit had willen opgeven. Ik zag het voor me en kon met moeite mijn lachen inhouden. “Dus je liep daar slechts met je pet op je kop en je klompen aan je voeten rond?” “Nou, ook mijn geitenwollen sokken, natuurlijk, want met blote voeten in je klompen is geen doen.”  Nu schoot ik echt in de lach. “Ja, lach maar, dat deden de anderen ook, vooral schoonzus Agaath!” Ik keek even opzij: “Die liep daar ook ‘puur natuur’?” Ome Arie zuchtte weer eens: “Inderdaad, en daar wordt een gezonde vent niet blij van, zal ik je zeggen.” Hij stak zijn pijp, die was uitgegaan, weer aan. “En ze werd behoorlijk nijdig, toen ik zei, dat ze haar bonten slip ook wel uit mocht doen.” “Bonten slip?” vroeg ik. “Fout, natuurlijk, het was helemaal geen slip; ze bleek een bontmuts te hebben…” Hij lachte nu zelf ook, maar vertrok gelijk weer even zijn gezicht. Ik keek hem vragend aan. Hij legde uit: “Mijn billen vergeten in te smeren, en die zijn geen zon gewend! Hopeloos verbrand door de zon. Dus nu moet ik op de blaren zitten.” 

Bruidspaar

De rust was weergekeerd in ons haventje. De Titanic had haar reis naar Willemstad  voortgezet. De wasmachine op het achterdek, Marietje aan het roer en de anderen klaverjassend aan de kaarttafel. Gelukkig was er weinig kans op ijsbergen op haar route… Ome Arie stopte zijn pijp uit een nieuw baaltje en ik genoot van mijn vertrouwde Mac Baren mixture. Het was prima weer en we genoten van ons simpele geluk. Ter vergroting hiervan had ik zelfs een thermosfles koffie meegenomen met een paar plastic bekertjes. Ome Arie nipte net aan zijn bakkie toen er een blinkende auto stopte. De handvatten en de antenne waren versierd met linten. Er stapte een drukdoend jongmens uit, die de deur openhield voor een bruid. Aan de andere kant verscheen een knul uit in een onwennig zittend donker kostuum. “Verrek”, zei ome Arie, “Dat is Sjaak!” De herkenning was wederzijds want er werd gezwaaid. Het jongmens pakte wat fototoestellen en begon erg artistiek te doen. Het stel bij een dukdalf, het stel op de steiger, de bruid voor een roestige schuit, de bruid met een hengel (die de artiest uit de handen van een nietsvermoedende visser had gerukt!). De bruid genoot van de aandacht; de bruidegom stond er wat lullig bij. Zoals alle bruidegommen op alle bruiloften. Opeens hield het op. We konden niet goed zien wat de oorzaak van de plotse onderbreking van de fotosessie was. Er werd druk getelefoneerd en de bruidegom kwam onze kant op. “Dit geloof je toch niet!” klonk hij niet erg gelukkig en hij ging naast ons zitten. Ome Arie schonk een bakkie koffie voor hem in. “Laat die eikel van een fotograaf zijn autosleutels in het water vallen, en over een uurtje moeten we bij het stadhuis zijn!” Ome Arie wilde hem geruststellen: “Dan breng ik je toch even achterop mijn fiets en de bruid kan wel bij meneer Ype op de scooter.” Dit leek mij met de jurk niet echt een geschikte oplossing en de bruidegom ging hier ook niet verder op in. “Ze gaan de sleutels proberen boven te krijgen met een hele sterke magneet”, bromde hij en hij vroeg aan ome Arie: “mag ik uw telefoon lenen, dan bel ik even een taxi, want dat wordt natuurlijk niks.” Ome Arie had medelijden en overhandigde hem het gevraagde. “Het komt wel goed, knul, heus. Daar hoef je toch niet om te huilen?” De knul nieste en brieste: “Huilen? Die rooie ogen heb ik door die verrekte hooiberg waar we de eerste fotosessie hebben moeten  ondergaan!” Hij nieste nog een paar keer. “Ik heb al jaren last van hooikoorts, maar dat fotogenie zei, dat dat niks gaf omdat er een rode ogen correctie op zijn camera zit!” Op dat moment kwam de taxi de hoek om en snelde de bruidegom naar zijn bruid. De fotograaf haalde met een rood hoofd een oude fiets uit de haven en zag daar wel een mooie foto in: de bruid bij een roestig rijwiel. Maar hij kon dit niet meer voorstellen, want het bruisdspaar reed al weg in de taxi. “Hatsjoe!” klonk het nog.

Vergeetachtig

Het klokgelui van de zondagmorgen was net afgelopen. Ik zat met ome Arie te genieten van een weldadige rust toen er een oud vrouwtje plompverloren tussen ons in kwam zitten. “Even genieten van die heerlijke geur van jullie pijpen, heren!” Ze snoof de lucht luidruchtig naar binnen. “Mijn man rookt ook pijp, weet u, maar nu even niet…” Ze snoof weer. “Ik mis het wel, hoor, maar hij is zijn pijptabak kwijt. Hij is wel meer kwijt de laatste tijd!” Ome Arie keek achter haar voorovergebogen gestalte langs onbegrijpend mijn kant op. De oude dame wees: “Kijk, de ‘Nescio’, dat is onze boot. We wisten zo gauw geen naam en dat klonk wel chic.” De ‘Nescio’ was een fraaie motorvlet van zo’n twaalf meter. Rondom een dikke kabelaring en een gigantische leguaan op de boeg. (Voor de landrotten: Dat zijn beschermingen van touwwerk rondom!) “Mijn man heeft het touwwerk allemaal zelf gemaakt! We hadden vroeger een binnenvaartschip.” Alsof ze mijn gedachten had gelezen. “Dat hebben we verkocht en nu varen we nog voor ons plezier.” Ze zwaaide naar haar man, die de stuurhut uitgekomen was en zoekend rondkeek. “Hij is altijd ongerust, wanneer ik even weg ben.” Ze zuchtte; “Heeft u misschien een beetje tabak voor hem? Ik ben het gisteren vergeten en het is vandaag zondag?” Ome Arie haalde zijn bijna volle pakje tabak uit zijn zak en gaf deze aan haar; “Hier, dat moet voor vandaag voldoende zijn!” Het oudje nam het heel blij aan: “Dank u wel, hij zal er erg blij mee zijn.” Ze glunderde: “En ik ook, want ik vind het toch zo lekker ruiken!” Ze slofte terug naar de vlet. Voor ze onderdeks verdween zwaaide ze naar ons. “Ik heb thuis nog een nieuwe baal.”, zei ome Arie. “Je mag er straks wel één van mij stoppen, ome Arie!” waardeerde ik zijn gulheid. Even later zagen we de oude baas tevreden met een rokende pijp op het dek plaatsnemen. Het dametje kwam nu met een jerrycan uit het stuurhuis en maakte een praatje met de zojuist wakker geworden Tattoo van de ‘Titanic’. (zie vorig verhaal!) Even later zagen we hem een fiets van het dek halen, de jerrycan op de bagagedrager vastbinden en onze kant opfietsen. “Heren, waar kan ik hier ergens diesel halen?” Ome Arie wees hem de weg en fluitend ging hij op weg. Ondertussen bleek ons lieve oude wijffie al eerder Blondy zo gek gekregen te hebben, dat deze een was voor haar ging doen, want de wasmachine stond op de steiger luid stampend te centrifugeren, terwijl opoe er met haar wasmand naast stond te wachten. Ome Arie volgde het gedoe en stopte een nieuwe pijp met mijn tabak. Blondy hielp het vrouwtje de was op te hangen aan een geïmproviseerde waslijn aan boord van de ‘Nescio’. Niet veel later kwam de jerrycan vol met diesel terug en hielp Tattoo met het vullen van de brandstoftank met een grote trechter. Het oudje had inmiddels de koffie klaar en iedereen dronk tevreden een bakkie. Wij ook, want ze bood ons ook een vrij stug kopje koffie aan. Blondy had er nog een koekje bij en iedereen was tevreden. Na een tweede bakkie ging ieder zijns weegs. De ‘Nescio’ werd gestart en voer,  de was wapperend aan het mastje, langzaam de haven uit, nagezwaaid door ons allemaal. 

Toen ome Arie zijn pijp uit klopte en op huis aan wilde kwam Blondy voorbij. “Wel leuk oud stel, vind je niet?” zei ik, “Toch jammer, dat die oude schipper wat vergeetachtig wordt…” Ze keek niet blij: “Heel jammer, inderdaad. Haar geheugen is helaas ook niet al te best. Ze hebben de diesel niet betaald! Ze gaf mij zo’n gehaakt hoog hoedje op een wc-rol en zei even later tegen mijn vent, dat ze alles met mij ‘geregeld’ had!” Ome Arie schoot in de lach: “Zijn jullie even beetgenomen!”, gierde hij. En ik lachte: “Nescio is toch de schrijver van ‘De uitvreter’, een knul, die op andermans zakken leeft?” en daarna, gierend van het lachen: “En andermans tabak oprookt?!” Ome Arie keek nu net zo besodemieterd als Blondy.

Titanic

Ome Arie’s pijp viel uit zijn mond van verbazing, hij kon hem nog maar net opvangen: “Moet je nou kijken!” mompelde hij. Door het sluisje van ons prachtige haventje voer een antieke motorkruiser met een uitgebreide ‘deklading’. Op het voordek stonden fietsen, in de gangboorden hingen allerlei skateboards, een hele trampoline en op het achterdek stond een heuse wasmachine. ‘Amsterdam’ stond in grote letters op de spiegel. (=achterkant.) “Dat verbaast me niks”, doelde ome Arie op de vermelding van de thuishaven. Op de boeg was met grote letters ‘Titanic’ geverfd. “Dat verbaast me ook niks!” Ome Arie nam weer een trekje van zijn pijp. We keken toe hoe het geval werd afgemeerd. De bemanning bestond zo te zien uit twee echtparen en een meisje van een jaar of tien. Één van de mannen had een tatoeage op zijn bovenarm. Een anker. Samen met de andere zeeman pakte hij de wasmachine van het achterdek en zette deze op de steiger. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. “Je denkt toch niet, dat…” zei ik. Ome Arie wees en knikte slechts. De Mokumers koppelden het apparaat met een tuinslangkoppeling aan de kraan op de steiger en deden de stekker in het stroomkastje, ook op de steiger. De ene dame begon er was in te doen, terwijl de andere dame, een volslanke blondgeverfde struise figuur met een peuk in haar mondhoek zoekend om zich heen keek. Ze kon zo te zien niet vinden waar ze naar zocht en kwam vervolgens op ons af. “Nou zul je het beleven”, mompelde ome Arie. “Mijne heren,” klonk het met een onvervalste Amsterdamse tongval, “waar staat hier ergens een molen?” Deze vraag hadden we niet zien aankomen. “Molen?”, vroegen we dan ook in koor. “Ja, een molen,” reageerde de blonde, “jullie weten toch wel wat een molen is? Volgens tante Marie uit het café is er in het straatje achter de molen een supermarkt. De boot…” ze wees naar het drijvend antiek, “was van haar en haar man, maar me vent heeft hem van haar gekocht, toen ome Krelis de pijp uitging”. Wij keken elkaar verbaasd aan. “Waar denkt u te zijn?” Durfde ik te vragen. “Willemstad!” was het stellige antwoord. Ze wees om zich heen; “Oude geveltjes, terrasjes bij de haven, alleen mis ik die molen!” Ome Arie schoot in de lach. Ik kon me nog net goedhouden; “Dit is Oud-Beijerland!” Ze keek nu erg verbaasd en herhaalde: “Oud-Beijerland?! Krijg nou tieten!!” En schreeuwde naar het vaartuig: “Hee, Sjaak, volgens die boeren hier leggen we hier helemaal niet in Willemstad, breng jij de kaart ‘es!” Ze draaide zich weer richting boeren, ons dus, en vroeg: “ken u dan effe aanwijzen waar we nou eigenlijk wèl zijn?” Sjaak kwam met een dik boek onder zijn getatoeëerde arm aangesloft. “Kijk, kaarten van de ANWB!” Hij overhandigde ons trots ‘Het beste boek voor de weg’ van zo’n dertig jaar oud. “Is dat jullie kaart?”, vroeg ik, stomverbaasd. “Wat is daar mis mee?!”, vroegen Blondy en Tattoo in koor. Ome Arie had de grootste pret, wees op de kaart de Dordtse Kil aan en hikte van het lachen: “Jullie hebben bij Dordrecht de afslag naar Willemstad gemist!!” De twee keken nu erg besodemieterd. “Toen zaten we in de kajuit te klaverjassen,” mopperde Tattoo. “Klopt,” zei Blondy, “toen zat Marietje aan het stuur!” Ome Arie en ik sloegen op onze knieën van het lachen…

Speedboot

De zon scheen meedogenloos. Het was zo heet, dat ome Arie in een kaki korte broek kwam aangefietst, maar nog niet zo heet, dat hij zijn geitenwollen sokken, gestoken in de vertrouwde klompen, had thuisgelaten. “Zeg maar niks,” bromde hij, “Riek moest zo nodig al mijn lange broeken in de was doen ‘omdat het vandaag zo lekker droogt'” deed hij haar stem na. Ik moest lachen. We voerden ons ochtendritueel op: we stopten onze pijpen. Een blonde dame met haar zonnebril bovenop haar kop en twee puberkinderen in haar kielzog zeulde een koelbox, een enorme boodschappentas en een paar handdoeken onder haar armen onze kant op. De knul en zijn zus droegen hun telefoontje. Hij zag er koddig uit met een bolletje haar bovenop een kale kop. “Het lijkt wel een poedel, die net van de trimsalon komt”, vond ome Arie. “Ach, een puber.” Zei ik begripvol. De zus had zwart haar, zwarte lippen en zwarte kleren, voornamelijk van leer. “Vroeger heette dat een punker, toch?”, reageerde ome Arie en trok aan zijn pijp. “Op die leeftijd moeten ze ‘een statement maken’,” onderwees ik. Ome Arie was niet onder de indruk. “Zoals jij vroeger met je Kreidler-brommer!” Hij glimlachte bij de herinnering: “Dat was om indruk te maken bij de meisjes…” zuchtte hij in zoete herinnering. Hij keek mijn kant op: “En u, meneer Ype, hoe probeerde u indruk te maken?” Ik nam mijn pijp uit mijn mond en hield deze omhoog: “Door pijp te gaan roken, ome Arie. Ik dacht, dat de meisjes mij dan razend interessant zouden gaan vinden, maar dat viel tegen. De meeste meisjes hielden niet van pijpen.” Ome Arie vertrok geen spier: “Riek wil me vanwege die pijp zelfs niet meer kussen!” Daarna schoten we allebei in de lach. De moeder had inmiddels de pompeuze speedboot bereikt, welke recht voor onze voeten lag. Het was hoog water dus ze kon zo het steigertje opstappen en haar lading in de polyester badkuip laten vallen. De pubers bleven op enige afstand geboeid op hun telefoonschermpjes staren. Het: “Komen jullie nou ook even helpen!” resulteerde in een diep gezucht. “Ik doe dit ook voor jullie! Ik heb niet voor niks moeite gedaan om mijn vaarbewijs te halen, zodat we niet meer hoeven te wachten tot jullie vader eens een keertje zin heeft…” De pubers reageerden niet. “Golfen! Meneer is gaan golfen, terwijl de mussen van het dak vallen!” Ome Arie keek mijn kant op, maar durfde weinig te zeggen; de speedboot lag binnen gehoorsafstand. Er werden wat spullen opgeborgen, deurtjes opengemaakt en ons verse vaarbewijs wilde de enorme buitenboordmotor starten. Dat ging niet echt soepel. Er klonk wel een startmotor, maar het gevaarte bleef verder stil. Net op dat moment kwam de rubberboot van de waterpolitie zachtjes de haven binnen gevaren. “Daar zul je agenten Waakzaam en Dienstbaar hebben.” zei ome Arie. Ik glimlachte. De roerganger was een struise agente, die aan haar mouw te zien een streepje vóór lag op haar mannelijke collega. Ze meerden af naast de badkuip. “U weet, dat voor een snelle motorboot als deze een vaarbewijs nodig is, mevrouw?” vroeg Waakzaam, terwijl zijn meerdere het opgeblazen politierubber aan de steiger vastbond. Moeder toonde trots haar verse vaarbewijs. Ze mopperde: “Niet, dat er veel te varen valt, want het kreng wil niet starten!” Agente Dienstbaar klom op de steiger en bood hulp aan. “Gaan jullie even een ijsje halen!” opperde de moeder en ze gaf de pubers wat geld. De agente had de enorme kap van de motor afgehaald, liet haar ondergeschikte een gereedschapskist uit de politieboot toveren en begon wat te sleutelen. Toen de likkende pubers terugkwamen stond ik op: “Ome Arie, laat die kinderen maar even hier zitten, daar verderop is een bankje in de schaduw.” Ome Arie aarzelde. “Vanwege je blote witte benen! Straks verbrand je nog!” Hij liet zich overhalen. De ijseters bedankten zelfs beleefd. Vanaf onze schaduwplek konden we het getob op de speedboot gelukkig verder goed volgen. “Die motor is verzopen”, zei de agente, “Even wat meer gas geven, dan krijgt’ie meer lucht.” Vaarbewijsje duwde de gashendel een stuk naar voren. “Moet je opletten”, verkneukelde ik me. De motor sloeg inderdaad met donderend geraas aan. Gelukkig lag de boot goed vast, want hij wilde full speed de haven in. Een enorme golf spoot omhoog recht over ons bankje. Punky en Poedel waren drijfnat. Het bolletje op poedels kop hing er nu triest bij, de bolletjes op de ijsjes dropen over hun handen. Ome Arie en ik hadden de grootste pret, evenals agent Waakzaam. “Jij zag dit al aankomen, zeker?” vroeg ome Arie, toen we uitgelachen waren. “Welnee”, loog ik, en ik knipoogde.

Zeeverkenners

“Daar zul je de marine hebben!” wees ome Arie met het mondstuk van zijn pijp. Een zeeverkennersvlet kwam de haven ingeroeid. Twee knulletjes zaten aan de riemen, een jongmens van een jaar of zestien stond aan het roer te commanderen: “Riemen op, riemen ìn en haal!” De roeiers zaten te zweten onder hun petjes. “Dat zijn waterpadvinders, ome Arie!”, verbeterde ik hem. Ome Arie trok aan zijn pijp. De lelievlet, want zo heten die bootjes nou eenmaal, dreef vlak bij ons naar de kant. Het was vrijwel hoog water, dus we konden alles goed volgen. De roeiers ruimden hun riemen op en stapten met een lijntje in hun handen op de steiger. De kapitein pakte een steekkar en zette deze op de kade. “Goedemorgen heren”, zei hij vrolijk. Ome Arie keek niet echt vrolijk. “De jongens oefenen voor hun roeibrevet”, verklaarde de puber, “En ze doen het erg goed, vindt u niet?” Ik knikte beleefd. De twee mannetjes stonden zwetend te zwijgen. “We liggen met ons moederschip hier aan de overkant bij de Berenplaat voor anker en moeten een paar kratten bier halen voor de leiding. Is hier in de buurt een Albert Hein?” Ome Arie glimlachte: “Ja, hoor, maar dat is een stief kwartiertje lopen!” en begon de weg te wijzen. Ik vond de AH een wat ongelukkige keuze, maar liet hem even. “Het is maar goed, dat we de steekwagen hebben meegenomen, jongens!” Er trots aan toevoegend: “Zo zie je maar: een goede schipper is op alles voorbereid!” Welgemutst wilde hij aan de wandeling beginnen. “Maar je kunt dat bier ook bij de Dirk halen, dat is vlakbij.” Hij wees. Ik glimlachte. De drie gingen op pad. “Ik wilde het die twee gastjes niet aandoen”, verklaarde ome Arie toen ze weg waren. Ik keek opzij: “Wat heb je tegen de padvinderij?” Hij antwoordde niet gelijk, maar trok aan zijn pijp. “Ik kan niet zo goed tegen uniformen en zo.” Het bleef even stil. Ik probeerde te begrijpen en stopte een nieuwe pijp. Ook ome Arie zei even niets. Opeens begon hij te lachen: “Hij had die gastjes beter eerst hun knopenbrevet moeten laten halen!” en wees. De lelievlet dreef midden in de haven. “Is het afgaand tij?” vroeg ik. “Dat zal nu wel begonnen zijn”, glimlachte ome Arie. De vlet dreef inderdaad tergend langzaam richting Spui. Gelukkig waren de scouts snel terug. De kapitein vloekte niet, toen hij het onheil zag, maar begon zijn uniform uit te trekken. “Eigenlijk mag je hier niet zwemmen”, wees ome Arie plagerig op een bordje. “Nood breekt wet,” bromde de roei-instructeur, die onder zijn kleding gelukkig een zwembroek droeg. Hij voelde met zijn voet de temperatuur van het water. “Kan je hier staan?” vroeg hij aan ome Arie. “Ja, hoor!” was het stellige antwoord van mijn bankgenoot die glimlachend een trekje van zijn pijp nam. De knul stapte het water in. Helemaal kopje onder. “Maar dan moet je wel je adem even inhouden…” maakte ome Arie zijn zin af. Het petje van de zwemmer bleef drijven. Het zag er best lullig uit. De havenwandelaar kwam al snel proestend weer boven en pakte woedend zijn pet. “Je kon hier toch staan!” brieste hij richting ome Arie. “Ja, bij eb”, antwoordde deze rustig. “Je hebt, als goede schipper toch zeker wel opgezocht hoe groot het verval hier is?” Met een hoogrode kop zwom de zeeman naar de lelievlet, trok deze naar de kant, laadde zijn kleren, het bier en zijn grinnikende bemanning in en vertrok. Aangedreven door de buitenboordmotor.

Het lijk

De haven bij eb toonde het verval. De kademuren waren getekend met grauw, de palen vol aanslag. De geur dieper. Ome Arie ging zitten op ons ‘leugenbankje’ en pakte zijn pijp. Ik zat er ook maar net.  We stopten onze tabak simultaan in onze pijp. Zwijgend staken we, als in een ballet, het rookgerei in onze mond en de tabak aan. We bliezen samen stoom af. Zondagmorgen, zonnig en geen wind, zodat voor mijn bankgenoot één lucifer volstond. Ondanks de weldadige rust was ome Arie mopperig: “Er gebeurt hier nooit wat.” Ik knikte en vond het best. Beneden ons zwom een rat voorbij. Doodgemoedereerd met de snorharen trots omhoog. (Ik had die ochtend mijn bril schoongemaakt!) “Kijk, een rat”, wees ik met de steel van mijn pijp. “Kijk, een lijk”, ging Arie daar spectaculair overheen. Je hebt altijd baas boven baas. Hij wees. Niet ver van ons vandaan dreef iets groots in het water. De rugzijde van zo te zien een blauwe overall dreef boven water en lange blonde  haren golfden eroverheen. “Moet je dan één-één-twee bellen of dat andere nummer?” vroeg ome Arie. “Echt spoedeisend is het zo te zien niet echt’” Ik knikte. “Kost dat andere nummer eigenlijk beltegoed?” Ik wist het niet. Gelukkig was het onderwerp van ons dispuut nu ook door een voorbijganger opgemerkt die direct zijn mobiel pakte en er, vóórdat hij belde, eerst een foto van maakte. Wij gingen er eens goed voor zitten. Al gauw hoorden we naderende sirenes. “Die herrie lijkt me wat overbodig.” bromde ome Arie. Ik knikte. Vijf minuten maken voor iemand, die de tijd verlaten heeft, niet meer uit. Gelukkig stopte de herrie toen de agenten uitstapten. De beller was snel gevonden evenals het lijk. Vreemd genoeg leken de dienders nu weinig haast meer te maken. Er werd wat in mobilofoons gebabbeld en twee erg jonge meisjes-agenten ging linten spannen. “Lintwurmen”, typeerde ome Arie. Ik vond hem wel grappig. Het ene wurm rolde haar lint onze richting uit. “Mag ik het hier even vastmaken ome Arie?”, vroeg ze vriendelijk, terwijl ze het lint aan het bankje vast knoopte.  Ik keek hem stomverbaasd aan. “Tuurlijk, Mariska”, bleek hij haar inderdaad te kennen. “Oud buurmeisje”, verontschuldigde hij zich bij mij. Ze ging aan de andere kant verder met haar afzetlint. Door het aanvankelijke gebruik van de sirenes stroomden de nieuwsgierigen toe en waren de linten nodig. Wij zaten goed, want het lint zat zo, dat we eigenlijk vanaf onze knieen in overtreding waren. Ons uitzicht werd derhalve niet belemmerd. “Wat is hier aan de hand, ome Arie?” Een verfomfaaide kater was achter ons komen staan. “Zo, Dirk,”, gaf ome Arie geen antwoord, “Feestje gehad?” Het jongmens grijnsde pijnlijk: “Vrijgezellenfeest, gisteravond. Ik heb bij Sjaak geslapen. Door het grind rond de boerderij kan ik onmogelijk stilletjes laat thuiskomen.” Ome Arie knikte begrijpend: “Dan slaan die rothonden aan, natuurlijk,” Hij wees: “Er schijnt een lijk in de haven te drijven!” De agente kwam terug met een lege rol. “We wachten op de waterpolitie”, informeerde ze ons, “Dat is standaardprotocol in dit soort situaties. Die doen dan het sporenonderzoek, met duikers en zo!” Ze klonk enthousiast. Eindelijk gebeurde er iets in het dorp. “Dan kunnen ze misschien gelijk naar mijn ketelpak zoeken, dat ben ik hier vannacht ergens verloren,” zei Dirk. Iedereen werd stil.  Doodonschuldig vervolgde hij: “Gevuld met blonde Debby, van de Pabo!” Achter ons klonk nu geroezemoes: “Het is een schooljuf!” “Nee!” trachtte Dirk nog te verbeteren; “Een opblaaspop, van die andere Pabo, vanwege het vrijgezellenfeest!” Op dat moment stoof de opblaasboot van de waterpolitie het kleine haventje in…

Toilet

Er heerste een gezellige drukte in het prachtige haventje van ons dorp. Het was de laatste decennia helemaal opgeknapt met gevels, die oudheid suggereerden. De meeste mensen, die ik erover sprak, vonden het een geslaagde suggestie. Twee pijprokende oudere mannen pasten daar uitstekend bij, vonden ome Arie en ik over onszelf. We bespraken oude tijden en nieuwe waarden en waren het bijzonder met elkaar eens zonder echt naar de ander te luisteren. Een ‘oudemannenhuisgesprek’. Het gaf niks; ons pijpje rookte er niet minder om en de zon scheen op onze kop. “Vroeger was ‘nabuurhulp’ of ook ‘nabuurschap’ genoemd iets volkomen normaals op het platteland.” oreerde ome Arie, toen ik even niks zei. Ik knikte. “Wanneer iemand overleed gingen de gordijnen dicht of werden er lakens voor de ramen gehangen. Ook bij de buren.” Ik knikte. “Dus toen onze buurvrouw in ons appartementencomplex haar man onlangs verloor probeerden wij haar met van alles te helpen.” Ik knikte, maar vermoedde al een vreemde wending van dit verhaal. “Dat is nu drie weken geleden en ze komt nog steeds bij ons een kakkie doen.” “Een bakkie, bedoel je!” verbeterde ik. “Nee, een kakkie!” zei ome Arie, en hij trok zonder een spier te vertrekken aan zijn pijp. “Haar man is op het toilet gevonden, morsdood! Dat schijnt wel vaker te gebeuren.” Ik kon er niet om lachen. “En nu durft de buurvrouw niet meer naar haar eigen toilet. Het is net een camping op de galerij, wanneer ze met haar wc-rol onder haar arm naar ons oversteekt.” Het was best een triest verhaal, maar het lachen stond me nu toch nader dan het huilen. “Maar het duurt nu al drie weken…” Hij keek me een tikkie ongelukkig aan. “En wanneer ik een keer nodig moet terwijl de weduwe op onze doos zit moet ik met de wc-rol onder mijn arm naar hààr toilet rennen.” Hij kreeg het al benauwd bij de gedachte. “En hoe gaat dat dan ‘s nachts?”, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ome Arie trok aan zijn pijp en een heel vies gezicht; “Dan doet ze alles op een vies antiek po-otje, dat dan ‘s ochtends weer onze kant op klotst.” Zijn gezicht sprak wanhopige boekdelen terwijl hij mijn kant op keek: “Ze zal toch wel weer eens thuis gaan poepen?” Ik lachte niet. Ome Arie klopte zijn pijpje uit en vroeg: “Gaat u mee een bakkie koffie met appelgebak doen bij Barona, meneer Ype?”, om daar met een zucht aan toe te voegen: “Dan kan ik daar ook even naar het toilet!”

Verjaardag

Er hingen wat grijze wolken, maar het zonnetje prikte er lekker doorheen. Ik zat alleen op het bankje bij de haven te genieten van de bedrijvigheid op een aantal bootjes. Achter in de haven, vlakbij het sluisje, werd een jachtje uit het water getakeld. Van ome Arie geen spoor. Desondanks haalde ik mijn tabak tevoorschijn en stopte mijn pijp. Het bootje stond al op de kant te druipen toen ik genietend mijn pijp aanstak. “Eh, ahem”, kuchte iemand achter me. Een struise grijze dame stond achter me. Ze wees op de lege plek naast me: “Die andere meneer is er nog niet?” Ze was iets verlegen. “Ome Arie?,” ik schudde mijn hoofd, waarbij mijn pijp nogal koddig heen en weer slingerde. “Nee, die heb ik vandaag nog niet gezien.” Toen kreeg ik een vermoeden: “Bent u zijn vrouw?” En ik maakte een uitnodigend gebaar om haar op het bankje te laten plaatsnemen. Ze knikte en ging zitten. “Hij heeft de autosleutels nog in zijn zak en ik wil zo naar de verjaardag van mijn zus.” Ik knikte begrijpend. “Hij zal zo wel komen.” bemoedigde ik, en genoot van mijn pijp. Het was even stil. “Gaat hij niet mee naar verjaardagen?” won mijn nieuwsgierigheid. “Normaal wel, maar deze verjaardag laat ik hem liever thuis!” Net op dat moment kwam het onderwerp van onze conversatie aangefietst. De sleutels werden overhandigd met wat familiezakelijke mededelingen en Riek vertrok. Ome Arie nam haar plek in en stopte zijn pijp. “Ik heb even nieuwe tabak gekocht”, zei hij teneinde zijn verlate komst te verklaren. “Heeft Riek lang moeten wachten?” Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Lang genoeg om te vertellen, dat je niet mee mag naar de verjaardag van je schoonzus…” Hij grijnsde. “De verjaardag van Agaath. Die mis ik graag!” Gezien onze ontmoeting met de dame in kwestie (lees op swartboek.nl het verhaal ‘roken’) enige dagen geleden kon ik me daar iets bij voorstellen. Ome Arie stak zijn pijp op, pafte een paar wolkjes en vervolgde: “Het zal u wellicht zijn opgevallen, meneer Ype, dat ik haar niet erg mag…” Dat was me inderdaad wel duidelijk. “Ze heeft erg veel mening en zelf erg lange tenen. Een nare combinatie.”.” Inderdaad, dat was ik met hem eens. Ook ik word wel eens geconfronteerd met zo’n brilslang, die tijdens een verjaardag of zoiets een uitgebreide verhandeling begint over de psychische zwakte van mensen, die te dik zijn, of van mensen die roken. Al naar gelang degene, die ze wil kwetsen. En haar slachtoffers zijn vrijwel altijd te beleefd om een dergelijke irritante op hààr onbeschofte gedrag te wijzen. Ik ga meestal gewoon weg. Ome Arie wekte me uit mijn overpeinzingen: “Vorig jaar was ik het gewoon helemaal zat! Het begon al bij onze binnenkomst: ‘Zo, Truus (de echte naam van Riek), ben je nou wéér aangekomen!’” Om dan vervolgens mij van top tot teen in ogenschouw te nemen en veelbetekenend te zuchten.” Ik zag het voor me. “En dat sarren ging maar door. ‘Jij zeker geen taart, Arie?’ was de druppel. Ik stond op en ging de tuin in, waar de jongere gasten allemaal zaten. Veel gezelliger.” Er kwam een klein glimlachje; “Ik wist, dat dat lieve, ideale zoontje van haar wel eens zat te blowen. En zo te ruiken was dat nu weer het geval.” Hij praatte nu zachtjes, samenzweerderig, alsof niemand het mocht horen. “Dus ik vroeg aan die gast, of ik ook een beetje van dat spul voor in mijn pijp mocht…” Ome Arie keek om zich heen of niemand meeluisterde. “Die gast lachte en die gaf me inderdaad wat weed…” Ik lachte nu ook. Echt weer een actie voor ome Arie. “Dus dat spul in mijn pijp. Ik rook die pijp nooit over mijn longen, dus dacht, dat er niet veel kon gebeuren.” Ik lachte nu hardop; “dat denkt iedereen ome Arie: dat er niks gebeurt!” Ome Arie knikte: “Ik dus ook. Ik voelde er helemaal niks van. Ik vond het dan ook volkomen normaal, dat ik met mijn pet achterstevoren op mijn kop de Marseillaise zat te klepperen met twee eetlepels op mijn been, omdat het die dag Quatorze Juillet was!” Hij lachte nu zelf ook hardop, “en het Wilhelmus begon te zingen als antwoord!” Hij had tranen in zijn ogen van het lachen. “Riek heeft me toen gauw de auto ingesleurd. Tot spijt van mijn neefje, want die vond zijn ome Arie helemaal geweldig!” Ik vond het ook geweldig en sloeg op mijn knieën van de pret. Toen we uitgelachen waren zei ome Arie, zogenaamd heel triest: “en daarom mag ik nu niet meer mee naar de verjaardag van schoonzus Agaath…” En na een korte stilte: “Hahahahaha!”

Vragen

Sinds ik ome Arie heb leren kennen word ik bestormd met vragen. Helaas weet ik weinig meer over hem te vertellen dan al verteld aan mijn trouwe lezers. Ome Arie is gewoon ome Arie. Een simpele boer met genoeg ‘gezond boerenverstand’, zoals mijn vader zou zeggen. Over onderwerpen, waar wij ons druk maken lijkt hij geen mening te hebben. Rassendiscriminatie?: “Er zijn witte koeien, zwarte koeien, zelfs rooie koeien, en van alles daartussenin. De één is een melkkoe, de ander een vleeskoe. De opbrengst hangt vaak van het ras af. Maar het zijn allemaal runderen en eten allemaal gras…” bromt hij dan tussen een paar rookwolkjes uit zijn pijp door. Ik laat zo’n onderwerp dan maar rusten. Over Corona?: “Riek en ik zijn al jaren heel gelukkig met elkaar op anderhalve meter.” Vaak komt er dan nog de vaststelling dat zulks volkomen normaal is. “D’er zit niet zoveel trek meer in de schoorsteen”, is dan weer zo’n aparte uitspraak. Ome Arie vindt een mening iets voor kapitaalkrachtigen. Over politiek: “Ik stem nooit uit mijn portemonnee. Dat heb ik van mijn moeder geleerd. Een uitkeringstrekker, die op een partij stemt, welke op zijn uitkering, in mijn geval AOW, wil bezuinigen is niet slim. Voor allerlei idealen heb ik gewoon niet genoeg geld.” En hij kan me dan enorm verbazen, wanneer hij er vervolgens aan toevoegt: “Nur die allerdümmsten Kälber wählen ihre Metzger selber*”. En wanneer hij dan mijn verbazing ziet, met een glimlach: “Bertold Brecht, toch, meneer Ype?” Ik moet hem dan het antwoord schuldig blijven. (En het later opzoeken.) Ome Arie paft simpelweg zijn pijpje op het bankje bij het kleine haventje, blijft mij respectvol, zij het met een licht spottende ondertoon, ‘menéér Ype’ noemen, en beschouwt het leven. Ongecompliceerd, met zijn gezonde boerenverstand.

(*: Vertaling: ‘alleen de allerstomste kalveren kiezen hun eigen slager’ en waarschijnlijk niet oorspronkelijk van Bertold Brecht)