Nederland in beweging

Sinds ik met pensioen ben, nu zo’n twee weken, kijk ik ’s ochtends regelmatig naar omroep Max. Zeer vitale bejaarden bezweren me, dat oud worden erg leuk moet zijn. Een hoogleraar, die een soort ‘Prins Claus-Nederlands’ spreekt weet heel veel over oud worden en vertelt blijmoedig over honderdjarigen in Japan. Daarbij laat ze een foto zien van een oud vrouwtje met diepe rimpels en een tandeloze lach. Of ik daar nou naar moet verlangen… 
De hoogleraar benadrukt, dat we vooral meer moeten bewegen. 
Daarna komt ‘Nederland in beweging’. Olga Commandeur (zeer toepasselijke naam!) en de één of andere blijmoedige jongeling staan op een soort rond podiumpje te stappen, waarbij ze ook nog erg overdreven met hun armen meebewegen. “De paden op, de lanen in, akela Beemsterboer!” mompel ik. Op de achtergrond staan nog een stuk of vijf fitness-senioren in gebloemde leggings op ronde verhoginkjes mee te marcheren. En allemaal met zo’n blije grijns op hun gezicht. 
Het is maandag, dus Elly vertrekt rond 11.00 uur naar haar vrijwilligersbaantje, mij volledig gelukkig zittend in mijn luie stoel, achterlatend. 
Maar dan begint het te knagen. Die hoogleraar-brilslang had misschien wel een punt. ‘Stilzitten is het nieuwe roken’ is wel weer zo’n vreselijke slogan, maar ik wil toch nog wel even van mijn pensioen genieten. Ik doe het gordijn maar even dicht, want niemand hoeft mijn vertwijfelde poging om jong te blijven te zien, en zoek ‘Nederland in beweging’ op bij ‘uitzending gemist’. Nu nog zo’n rond podiumpje vinden. Het kussen van de poef lijkt uiterst geschikt. Het feest kan beginnen. Blijmoedig commandeert Olga dat we moeten stappen. Ik stap en dat valt niet mee op het kussen van de poef. Ik besluit mijn badjas uit te doen, want die is erg zwaar en gaat door al dat bewegen steeds los. De gordijnen zijn toch dicht. Olga stapt vrolijk verder op de maat van het één of andere saaie kólere-muziekje. Ik begin er nu al moe van te worden. “En dan doen we nu een side-step!” commandeert Olga enthousiast. Iedereen stapt opzij, alleen ik ben natuurlijk te laat. Dus ik doe het bij de volgende stap, terwijl de groep op tv alweer de andere kant op gaat, stap vervolgens naast mijn poefpodiumpje en kan me nog maar net vastgrijpen. Mijn poef is duidelijk kleiner dan het podiumpje van Olga. Ik verzwik mijn enkel gelukkig niet helemaal en ga buiten adem maar gauw weer zitten. “En dan nu een dubbele side-step de andere kant op!”, Olga is in haar element. 
Ik dus niet, ik zit amechtig in mijn stoel te hijgen en krijg opeens erg veel zin in een hele dikke sigaar.

de Harmsen

“Daar zijn de Harmsen!” riepen wij als kinderen wel eens, wanneer we grappig wilden zijn. Want de familie Harms kwam altijd onverwachts en vaak ongelegen. Wanneer mijn vader lekker zijn krantje zat te lezen en mijn moeder met haar krulspelden in door het huis rommelde. Wanneer er dan aangebeld werd, brak er volledige paniek uit, want de Harmsen invaseerden met een horde losgeslagen kinderen, en namen het hele huis over. Niets was meer veilig. En wij werden geacht aardig te blijven, hetgeen best lastig is, wanneer je werd geconfronteerd met de perfectie van de familie Harms. Het jongste zoontje kon perfect judo-en, en dan mocht ik hem niet eens zand laten happen in de achtertuin. Wanneer het arrogantje dan met zijn bekkie vol zand zijn beklag ging doen, moest ik natuurlijk toegeven, dat ik vals had gespeeld en kreeg straf.
De oudere broers leerden me zelf vuurwerk te maken van een oude ballpoint-vulling, waar we schraapsel van luciferkoppen in deden, dichtknepen en in een prop papier aanstoken. De knal was van dien aard, dat bijna het luchtalarm afging. En wie kreeg de schuld? 
Wanneer er na die keer ‘Harmsen-alarm’ was, smeerde ik hem dus zo snel mogelijk door de achterdeur.
Pa Harms, of oom Frits, zoals van ons verwacht werd dat we hem noemden, was een oude studievriend van mijn vader. Uit de tijd dat hij nog straatarm was. Ze gingen dan met drie studenten zeilen in Friesland en mijn vader en ene Jelleke Bos betaalden, maar dan moest Frits koken. Want dat kon hij goed. Frits was die vakanties niet vergeten en zei telkens weer, dat mijn vader en Jelleke waarschijnlijk zijn enige échte vrienden waren. Want oom Frits en tante Elien waren inmiddels schatrijk, en alle andere vrienden waren van nà het vergaren van die rijkdom. Van na de oorlog, waarin tante Elien met haar familie ondergedoken zat en oom Frits hun redder was. 
Vaak gingen oom Frits en tante Elien met mijn ouders duur uit eten. Mijn vader heeft van oom Frits nooit mogen betalen. 
Toen ik pas geleden mijn zus nog een keer voor de grap hoorde zeggen: “Daar zijn de Harmsen!” had ik toch nog steeds de neiging hem snel te smeren door de achterdeur….

‘Hoe-heet’i

Er zijn dit seizoen veel nieuwe gezichten in het eerste van de Zinkwegse Boys. De harde kern had het er maar moeilijk mee bij de bekerwedstrijd, uit tegen NTVV. Tineke van Hengel ging eerst met assistent-trainer Peter van Dam alle namen doornemen. Daarna kwam Jan Schipper ook even bij Peter langs. En het commentaar langs de lijn was soms moeizaam. “Wie is die snelle aan de overkant” “Eh, hoe heet’ie ook alweer…” “Sjongejonge, wat is dat nou toch weer voor een zaadpass van, eh, hoeheet’ie”. 
Al onze zekerheden waren verdwenen. Aad had zelfs geen Mees meer om over te mopperen. Het voelde nog niet erg vertrouwd. Het gesprek in de rust, aan een grote tafel in de gezellige kantine, verliep gelukkig wel als vanouds. Met als hoogtepunt de mededeling van Daan, dat hij zijn Ford had ‘ingerolen’ voor een vertrouwde Opel. Na een dwaling van vier maanden. De hele tafel was er even stil van. We hadden ons vier maanden geleden al zorgen om hem gemaakt, toen hij plots met een Ford aan kwam rijden. Daan, die at met een Opel-mes en -vork, die sliep onder een Opel-dekbed, die kakte op een Opel-bril! Een Ford! Het voelde gewoon verkeerd, als een eerste symptoom van Alzheimer. Maar verder merkten we nog niks aan hem. 
Algauw werd de stilte verbroken door een lacherig geplaag. Hij moest het natuurlijk even ontgelden. Maar daar kan Daan gelukkig goed tegen, zelfs wanneer zijn eigen vrouw er aan meedoet. Het was weer vertrouwd. Ik genoot!
De tweede helft begon en iedereen ging weer gezellig commentaar leveren langs de lijn. De Boys wonnen met 2-4, maar het vertoonde spel was volgens de ouwe knarren natuurlijk nog niet geweldig. Want ‘hoeheet’ie’ had er natuurlijk best nog twee kunnen maken.

Woensdag

Mijn huisdokter vindt het gezellig, wanneer ik af en toe eens bij haar langskom. Dat begrijp ik best, want ik vind mezelf ook best gezellig en zo’n hele dag van die klagers is ook niet prettig. Bij zo’n bezoekje constateerde ze eens een iets verhoogde bloeddruk, welke volgens mij grotendeel te wijten was aan haar iets voorovergebogen houding tijdens de bloeddrukmeting. Ik deed echt mijn best om de andere kant op te kijken, maar dokters’ voorgevel was lastig te missen. Dus ik kreeg pilletjes voorgeschreven. Op zich geen punt; iedere ochtend neem ik zo’n tabletje mee onder de douche en neem daar een doorslikslokje. Om vervolgens mijn tanden te poetsen en alle andere hygiënische ochtendrituelen af te werken. 
Maar juist nu ik geacht word een onhandige bejaarde te zijn geworden kreeg ik er een extra pilletje bij. Tegen het eerste pilletje, want onderzoek had uitgewezen, dat dat eerste pilletje niet meer zonder tegengif kon. Nadeel van dat tweede pilletje is de afmeting. Piepklein. Wellicht om te benadrukken dat pil 1 toch echt het belangrijkst is. Maar, zoals gezegd, ik ben nu een onhandige bejaarde. Vanmorgen ging het mis bij het doordrukken van het stripje van de minipilletjes. Het mediklein sprong weg; de wasbak in. En die was niet afgesloten. Het witte kogeltje stuiterde twee keer om mijn hand heen het afvoertje in. Ik was duidelijk te traag geworden. Gelukkig was Elly even de honden aan het uitlaten en hebben we geen buren. Nadat ik mijn monoloog met onze-lieve-heer had afgesloten dook ik met pilletje 1 nog tussen mijn lippen het toiletkastje in om de sifon los te draaien. Gelukkig lukte dat zonder dat ik naar het schuurtje hoefde voor een waterpomptang. Een koud uitstapje in je douche-kostuum. In de smerige sifon vond ik pilletje 2, maar pas, nadat ik mijn bril had gepakt. Ik spoelde het pilletje af en deed het naast de hoofdpil tussen mijn lippen terwijl er water vrolijk uit het toiletkastje kwam sijpelen. Ik keek wat ezelachtig naar de sifon in mijn hand en was blij, dat Elly deze stommiteit gemist had. Mis, want ze was net terug en stond achter me te lachen. “Ben je nou nog niet klaar?” En toen ze de lekkage zag: “Wat ben je nou weer allemaal aan het doen?” Ik kon niet antwoorden vanwege de pilletjes tussen m’n lippen, dus gromde wat, terwijl ik met een rood hoofd op mijn knieën met een handdoek het kastje droogmaakte. Mijn bloeddruk was waarschijnlijk nu toe aan een hele strip pillen.

Dagboek

Aanvankelijk dacht ik erover een dagboek bij te gaan houden. Vanaf de dag, dat ik met pensioen ging. Één september dus. Maar dat was op een zondag en er gebeurde niet veel. Dus dat telde niet. Dan maar op maandag proberen. Dat viel tegen. Mijn lief moest naar haar vrijwilligersbaantje en daarna invallen bij Bibelot, het winkeltje waar ze vroeger werkte. Dit vanwege de vakantie van de eigenaren Patty en Arno. En ik bleef alleen thuis. Dus er gebeurde weer weinig. Daan kwam gelukkig een bakkie doen en we bespraken de toestand van de wereld. ’s Middags deed ik uren over het plakken van een latje op een plankje en kreeg een hekel aan mijn eigen tempo. 
Gelukkig gingen we s’avonds uit eten met vrienden, die op doorreis naar het zonnige zuiden even langskwamen. Om mijn pensioen te vieren. Inmiddels begon ik eraan te twijfelen of er iets te vieren viel. Tijdens de maaltijd werd me op het hart gedrukt, dat ik aan mezelf moest denken, veel moest gaan bewegen, en op het moment, dat ik net een perfect gebakken Rosevalaardappeltje met een heerlijke klodder mayonaise met mijn ogen dicht genietend in mijn mond wilde stoppen, dat ik vooral moest afvallen en me moest laten opereren aan mijn soms uiterst van pas komende versleten heup. Op een wijze, alsof ik na mijn pensionering in één klap seniel geworden was. Ik zag mezelf in gedachten als zittend in een bejaardenhuis: “Opa, u moet toch zelf ook begrijpen, dat het zo niet verder kan?!” Waarbij de aansprekende brilslang liefst ook nog iets voorover en omlaag buigt naar de in zijn rolstoel ineengedoken zittende, chagrijnig kijkende dwarslig-bejaarde, die het gewoon niet WIL begrijpen. Oost-Indisch dement. 
Voor mij hoefde het echt niet, hoe goed bedoeld ook.
Vandaag, de derde, ging ik maar eens kijken bij mijn geliefde Zinkwegse Boys. Daar wordt op dinsdagmorgen geklust door senioren. Er waren twee koffiedrinkende klusbejaarden. Ze zaten gezellig over van alles en nog wat te griepen. Er was gereedschap niet opgeborgen en er waren allerlei klussen stiekem in hun afwezigheid uitgevoerd. En dan gaat het natuurlijk niet goed. 
Ik besloot gezellig mee te griepen, schudde mijn hoofd op de juiste momenten, beaamde hetgeen de klager van dienst zei en besloot vooral niet vrolijk te doen of grappig proberen te zijn. Om de sfeer niet te verpesten.
Vanavond ga ik bij de training kijken. Als een echte gepensioneerde.

Pensioen

Nog een paar dagen en dan ga ik met pensioen. Ik heb mijn steentje aan de maatschappij bijgedragen en mag nu schaamteloos gaan genieten. Op zich is dat een vrij normaal gegeven en voor mij hoeft dan ook niet de fanfare op te komen draven om mijn afscheid een feestelijk tintje te geven. Alsof iedereen blij is, dat je eindelijk weggaat. Het moeilijkste is het afscheid nemen van die patiënten, die vrienden zijn geworden. Die bij je kwamen om hulp en steun en die je zo goed mogelijk hebt geholpen. En die daar heel blij mee waren. Heel blij, dat je ze weer aan het lachen kreeg, of ze een schouder kon bieden om uit te huilen. Heel blij, wanneer je gewoon luisterde zonder ze te vermoeien met je adviezen en meningen. Gewoon luisterde. Ik kreeg een brief van één van hen. Een stukje hieruit: ‘Het was altijd fijn om op maandag bij jou te komen en dan even heerlijk te kunnen lachen en praten ondanks de soms pijnlijke behandeling. Die fijne gesprekken en je humor ga ik vreselijk missen’. Ze overhandigde deze brief en verdween door die deur, voor de laatste keer. Haar ogen rood en tranen over haar wangen. Ik was ook geraakt. Ik hoorde, hoe ze in de hal haar neus luidruchtig snoot. Geen fanfare, maar slechts één trompet. Dat is voldoende. Het is goed geweest.

De VerhalenKaravaan

We moesten een smal steil betonnen trapje af naar het huisje, dat schattig stond te wezen beneden aan de dijk naast de molen. We moesten naar achteren, want de VerhalenKaravaan streek vrijdagavond jongstleden neer in ‘De koffiemolen’ in Puttershoek. Geweldige naam voor een theetuin.
Het was druk. Ik verbaasde me over een stokoude dame met rollator, die toch ook dat trapje afgekomen moest zijn. En vroeg me af, hoe ze ooit weer boven moest komen. 
Verder zaten er vooral wat oudere luisteraars. Jonge mensen hebben Youtube of storytel op hun telefoontjes. Toch zullen ze onze VerhalenKaravaan nog wel gaan ontdekken en het Vintage vinden. 
Mijn collega-vertellers deden weer geweldig hun best. Licht voorovergebogen vertelden ze hun vaak historische vertellingen alsof ze een groot geheim verklapten, en bouwden door hun gedoseerde stiltes de spanning op. 
Iets minder voorovergebogen vertelde ik op mijn beurt mijn verhaaltje. Een gebeurtenis uit mijn werkverleden als fysiotherapeut. Er werd gelukkig gelachen. Tevreden ging ik na mijn slotapplaus weer zitten en nam een slok water. De stokoude dame met de rollator stond kreunend op, ondersteund door de uitbaatster van ‘De koffiemolen’. Ze moest naar het toilet, en dat was nog een hele toer met haar rollator over grind en gras. Op dat moment liet ik het dopje van mijn waterflesje vallen. Ik hoorde het stuiteren op de grinttegel onder mijn stoel. Ik probeerde het te te lokaliseren, maar geen spoor. Naast me zat Elly te sissen, dat ik stil moest zitten. “Het dopje van mijn waterflesje…” fluisterde ik. “Laat liggen!” siste ze dwingend terug. We luisterden naar het volgende verhaal. Ondertussen keek ik telkens stiekem onder de tafel en naast me, waar dat rotdopje gebleven was. El porde in mijn zij. Inmiddels werd het donker en ik gaf de hoop op. 
In de pauze kwam de duidelijk opgeluchte stokoude dame teruggerollatord. Gelukkig, want na de pauze kon ze, net als wij allemaal, genieten van het verhaal van molenaar Jesse. Uit de losse pols vertelde deze een verhaal over een vroegere molenaar van zijn korenmolen ‘Lely’: Gerrit Korporaal. Fantastisch.
Terwijl na afloop de stokoude dame het betonnen trapje op gezeuld werd, vond ik het dopje van mijn waterfles. Onder mijn stoel, vlak naast mijn linkervoet. De avond was perfect.

Er staat een kruisje achter mijn naam

“Er staat een kruisje achter mijn naam”, zei mijn patiënt met een zucht. Het ultieme slachtoffer. “Dat was al op de middelbare school. Wanneer er voor een les dia’s vertoond werden kreeg ik altijd de afstandsbediening door de leraar in mijn handen geduwd. “Jij wilt me wel even helpen met de dia’s, Emiel?” Altijd was ik de pineut.”
Ik besloot even niet te reageren en dacht terug aan mijn eigen middelbare schooltijd. Dia’s. Dat waren foto’s, die met een projector op een schermvertoond konden worden. Ze zaten op raampjes in een soort magazijn en door op een knopje te drukken kwam de volgende (of de vorige) op het scherm. De voorloper van de powerpoint.
Emiel lag ondertussen gezellig verder te klagen. “Bij dansles bleef ik altijd als enige over. Dan moest ik met de vrouw van de dansleraar dansen. Of met zijn moeder van 70.” 
Het leven is voor sommige mensen niet gemakkelijk. “Ik moest van mijn ouders naar dansles, want dat hoorde nou eenmaal zo in die tijd.” Hij kreunde even, omdat ik een pijnlijk plekje raakte. “Ik was niet erg populair op school, werd soms gepest.” “Daar is tegenwoordig wel veel aandacht voor”, zei ik, ook om het gesprek wat ‘om te buigen’. “Nou, het was niet zo heftig als tegenwoordig, hoor. Ik werd meer genegeerd. Misschien waren ze jaloers, omdat ik hoge cijfers haalde.”
Ik dacht weer terug aan mijn schooltijd. Ook bij ons in de klas zat zo’n figuur, die altijd hoge cijfers haalde. En zei, dat hij voor een repetitie ‘helemaal niks’ geleerd had. Door zo’n typje voelde ik me dan erg dom. En wanneer er dan bij de nabespreking van een door mij nèt onvoldoende gemaakt proefwerk discussie ontstond over een mogelijk onjuiste vraag, waardoor er hoop op nèt een voldoende aan de horizon gloorde, was het altijd een Emiel, die dat versjteerde: “Nou, ik vond die vraag toch heel duidelijk, hoor!” Lul. Hij kon ook gewoon zijn snavel dicht houden! Hij had een 8! 
Sommige eikels vragen er gewoon om gepest te worden, maar dat mag je tegenwoordig niet hardop zeggen.
“Of zou het door mijn rode haar komen?” maakte mijn patiënt mij weer wakker uit mijn dagdroom. 
“Die diaprojector op uw middelbare school, had die ook zo’n afstandsbediening aan een kabeltje?” vroeg ik langs mijn neus weg. “Ja, dat was zo in die tijd. Dat weet u, omdat u natuurlijk ongeveer even oud bent als ik” antwoordde Emiel. 
Ik was klaar met de behandeling en liet de massagebank zakken en zei: “Alleen zorgde ìk er vroeger altijd voor, dat ik verder van de diaprojector af zat, dan het kabeltje van de afstandsbediening lang was…”

de verjaardag van tante Nel

De verjaardag van tante Nel is klein, knus en gezellig. Harm en Rita zijn er, en mijn lief. Vriend Bert is er niet. Vriend Bert is ‘een’ vriend niet ‘de’ vriend van tante Nel. Hij mag eten koken, op de hond passen, voetballen kijken en dan weer lekker naar zijn eigen huis. Tante Nel heeft geen behoefte aan bijslaap. 
Ze heeft het niet altijd gemakkelijk gehad. Na een paar jaar al gescheiden van een verkeerde echtgenoot en tobbend met een kwakkelende gezondheid. Ze heeft lang voor haar moeder gezorgd, en voor Dirk, de kostganger van haar moeder, wiens neus erg veel op de hare leek. Ze deed dat steeds met veel liefde en toewijding. 
Ze schonk koffie en we kregen heerlijke appeltaart. “Wat is dat voor tasje van de Action?” vroeg mijn lief, nieuwsgierig als altijd. “Dat is Dirk”, was het nuchtere antwoord. In de tas zat een urn met de as van de kostganger. “Dirk wilde eigenlijk, als echte Rotterdammer, worden uitgestrooid over de Maas”, zei tante Nel, terwijl ze Harm zijn appeltaart overhandigde, “Maar dat is mislukt.” “Mislukt?” vroeg Rita. Terwijl tante Nel ook mij voorzag van een enorm stuk van haar beroemde appeltaart ging ze verder: “Ik ben met de urn naar de Maasbrug gegaan, heb er op gelet, dat de wind goed stond, zodat ik Dirk niet in mijn gezicht zou krijgen, haalde het deksel van de urn en wilde de inhoud in de maas strooien, maar er kwam niks. Dirk wilde zijn urn niet uit”. Ze liep naar het kleine keukentje voor nog meer taart. Toen ze terugkwam, ging ze verder: “De as was vochtig geworden en helemaal versteend, en ik heb de volle urn dus maar weer mee naar huis genomen.” Ze vertelde het, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, dat je midden op de Maasbrug probeerde je biologische vader in het water te strooien, maar we zijn wel wat van haar gewend. Het bleef even stil, en tante Nel ging nu zelf ook zitten om een shaggie te draaien. “Nu probeer ik Dirk weer klein te krijgen met een breinaald”, ze likte aan de lijmrand van haar vloeitje, “Maar dat valt niet mee, want hij is keihard!” Ik zag het voor me, hoe ze met een breinaald in de urn zat te hakken en vroeg: “Kun je dan geen ander gereedschap dan een breinaald gebruiken?” Ze stak haar shaggie aan. “Ik heb het met een vork geprobeerd, maar die was te slap, de tanden bogen helemaal krom!” Naast me zette Harm, heel langzaam, het bordje met het laatste stukje appeltaart terug op tafel. En het kromme vorkje ernaast…
Nadat we uitgelachen waren, en Harm een andere vork had gekregen, ging ze verder: “En ik heb verder alleen een hamer, en met een hamer alleen lukt het niet.” “Heb je geen oude schroevendraaier of beitel?” vroeg Harm, die nog niet aan zijn laatste restje appeltaart durfde te beginnen. “Jawel,” zei tante Nel, “maar daar kan ik niet bij.” Het bleef even stil. We keken allevier nogal niet begrijpend, dus ze legde het uit: “Het deurtje van mijn dressoir hing scheef, omdat er een scharniertje was losgekomen” Wij keken nu waarschijnlijk erg dom. “En dat heb ik gerepareerd met een spijker.” Ons begrip bleef uit. “En nu kan het laatje ernaast opeens niet meer open, en daar zit de beitel in…” Ze drukte haar peuk uit, stond op en vroeg: “Iemand nog koffie?”

Fikkie

“Ik ben een beetje gestresst, meneer Swart, want Fikkie, mijn poedeltje, heeft diarree.” Het huilen stond mijn patiënte nader dan het lachen. Ik liet haar maar even uitpraten. “En nou ben ik naar de dierenarts geweest, maar dat was zo’n jong ding en ze heette Desiree.” Ze zuchtte. “Zegt u nou eerlijk, meneer Swart, een dierenarts, die Desiree heet, dat kan toch niks zijn?” Ik besloot maar niet te reageren. “Ze onderzocht mijn Fikkie nauwelijks, voelde wat aan zijn buikkie en schreef toen pillen voor.” Ze werd nu echt nijdig, “En zei, dat dat wel zou helpen, want het was een echt paardenmiddel!” Ik durfde nu even niet te reageren. “Een paardenmiddel! Voor mijn Fikkie van vier en een halve kilo!” De communicatie tussen dierenarts en baasje was hier duidelijk mislukt. “U begrijpt, dat ik dat paardenmiddel niet aan mijn Fikkie heb gegeven!” Ik knikte begrijpend, want stel je voor, dat die poedel straks zou staan te hinniken bij de voordeur als de postbode iets in de bus gooit. Ik durfde uiteindelijk te vragen hoe het nu met Fikkie ging. “De diarree is wel iets minder, maar hij is nog wel wat lusteloos. Zou Fikkie een burn-out kunnen hebben? Want echt, mijn Fikkie is zichzelf niet meer, zo zielig. Het ging pas beter met hem, toen ik hem een zenuwe-tabletje van mezelf heb gegeven…”
Nu moest ik heel erg mijn best doen om niet hardop in lachen uit te barsten. Ze zou het vast en zeker niet begrijpen…