Stroom

Er was alweer bijna een week voorbij gegaan zonder dat ik ome Arie had gezien. Wellicht weerhield zijn (vermeende) status van ‘bekende Hoeksche Waarder’ hem ervan zijn ochtendpijpje te komen roken op ‘ons’ bankje aan het fraaie haventje van Oud-Beijerland.
Het speet mij wel, dat ik nu zonder gesprekspartner zat te roken. Het was net of mijn pijp minder goed trok ondanks dat ik deze gisteren nog zorgvuldig had schoongemaakt. Ik besloot de rook-poging te beëindigen en stapte op mijn scootertje voor een ‘stukkie Hoeksche Waard’, mezelf voornemend een keer bij mijn vriend langs te gaan.
Ik reed langs het Spui richting Heinenoord toen mijn trillende broekzak een telefoonoproep aangaf. Het lawaai van mijn vervoermiddel had de ringtoon overstemd. Ik stopte. Het was ome Arie. Alsof hij mijn zorg had gevoeld. Uit het telefoongesprek bleek, dat hij zijn toevlucht had gezocht bij ‘Klein Profijt’, het natuurbezoekerscentrum van stichting Hoeksche Waards Landschap. Ik was daar net langs gereden. Ik draaide mijn scootertje en ging er naar toe. Onze gepensioneerde veeboer zat met zijn vertrouwde pijp in zijn mond, pet op zijn kop en klompen aan zijn geitenwollen voeten te genieten van het uitzicht. Hij begroette me enthousiast. Ik keek rond naar iemand bij wie ik een bakkie koffie kon bestellen. Ome Arie begreep mijn zoekende blik: ” Ze is verse koffie aan het zetten”. Ik ging zitten en pakte mijn tabak. Het uitzicht op de kruising van het Spui met de Oude Maas was geweldig. Een zichtbaar oud motorbootje zwoegde tegen de sterke stroom op. Ik stopte mijn pijp en genoot van het eerste trekje. “Een redelijk alternatief voor ons bankje aan de haven, ome Arie!” prees ik. De aangesprokene glimlachte: “En hier kennen ze me nog niet!” Het leven van een bekende Hoeksche Waarder is niet altijd eenvoudig, dacht ik, ook met een grijns op mijn gezicht. Het terras was verder leeg op één heer van middelbare leeftijd na. Ik groette hem. Hij beantwoordde mijn groet. Op dat moment kwam de vrijwilligster van het bezoekerscentrum naar buiten met een blad met koffie. Ze zette er één voor ome Arie op tafel met een vriendelijk: “Alstublieft, ome Arie!” Ik schoot in de lach, vooral om het verbouwereerde gezicht van onze bekende Beijerlander. Ik bestelde ook een koffie, waarop de dame direct een kop troost voor me op tafel zette. “Zo snel heb ik nog nooit een bestelling gekregen!” Ze lachte; “Die was eigenlijk voor mezelf bedoeld!” Ze bracht de derde kop naar de andere bezoeker, die nu iets aan het schrijven was. Ze haalde voor zichzelf ook en ging bij hem aan het tafeltje zitten. “Nog druk vandaag?” De man nam een slok, haalde zijn schouders op: “Ach, ik ga naar waar de stroom me heen brengt!” Ome Arie keek me aan en ik begreep meteen waar hij aan dacht:
Ongeveer een jaar geleden was er op een zonnige dag een oudere man met enorme bakkebaarden naast ons op het bankje aan de haven komen zitten. Hij had zijn kleine schipperspijpje gepakt en dit gestopt met Coopvaert-tabak. Pas daarna had hij ons gegroet en met het korte pijpensteeltje gewezen: “Da’s mijn schip.” Aan de andere kant van de haven had een prachtige motorvlet met een enorme leguaan en dikke kabelaring gelegen. ‘Le Grand Marnier’ had erop gestaan. “Sinds de dood van mijn vrouw is dat mijn huis.” Hij had de brand in zijn pijp gestoken. “En ga ik naar waar de stroom me heen brengt.” Hij had een wolk uitgeblazen als rook uit een stoomboot. “Ik heb in mijn leven genoeg tegen de stroom op moeten zwoegen. Daar heb ik geen zin meer in. Ik heb alles tot zelfs mijn huis verkocht. Te veel herinneringen.” Hij had even zwijgend zijn Coopvaert gerookt. Ome Arie had uiteindelijk de wat ongemakkelijke stilte verbroken: “Waar komt die naam vandaan, ‘Le Grand Marnier’?” De schipper had geen spier vertrokken: “Die marinier heeft mijn vrouw eronder gekregen, iets wat mij nooit gelukt is!” Ik had ome Arie aangekeken en ome Arie had mij aangekeken; we begrepen er niets van. “Eronder?” had ik gestameld. “Onder de groene zoden!” Alsof het de normaalste zaak van de wereld was. We hadden direct begrepen dat de alcohol in de Grand Marnier (sinaasappellikeur) haar fataal moest zijn geworden. “Van de levensverzekering heb ik mede die beauty…”, hij had weer naar de vlet gewezen, “…kunnen kopen!” Vervolgens was hij met zijn pijp in zijn mondhoek en zijn ruwe handen op zijn rug terug gewandeld naar zijn nieuwe liefde.
Inmiddels had de man aan het tafeltje bij het bezoekerscentrum zijn koffie op. Hij trok een jas aan, waar met grote letters de naam van het energiebedrijf op stond. Terwijl hij wegliep zuchtte de dame van ‘Klein Profijt’: “Gelukkig weer stroom. Toen die vanmorgen uitviel en ik geen koffie meer kon zetten, stroomde mijn terras binnen no-time helemaal leeg!” Ze zag, dat onze kopjes leeg waren. “Nog een bakkie, heren?”

Handtekening

Toen ik ‘ons’ bankje aan de haven naderde, viel mijn mond open van verbazing. Op de plek van mijn compaan zat een man met grijs krullend haar, slippers aan de voeten met een zonnebril op een sigaar te roken. Ik stalde mijn scooter en keek nog eens goed. Het was ome Arie. Zonder de vertrouwde pet en klompen. Hij fluisterde: “goeiemorgen…”, keek schichtig om zich heen en bood me een sigaar aan. Ik accepteerde het rokertje met enige tegenzin, want had me al verheugd met het vooruitzicht op een lekker pijpje. Ik wilde het aangeboden rokertje dan ook wegbergen voor een geschikte gelegenheid, maar ome Arie siste: “Wilt u hem nu oproken, meneer Ype?” En weer keek hij speurend om zich heen. “Door al die verhaaltjes van u komen er steeds mensen op me af, die een handtekening van me willen. Zonder mijn pet, pijp en klompen herkennen ze me waarschijnlijk niet, maar als u naast me gaat zitten met een pijp vrees ik het ergste…” en weer keek hij angstig om zich heen. Ik schoot in de lach: “Vind je die bekendheid echt zo vervelend, ome Arie? Het is toch juist leuk om een bekende Hoekschewaarder te zijn?” Hij trok aan zijn sigaar, keek me aan met een beetje triest hoofd en fluisterde: “Ik kreeg van de week opeens een weekblad over naakt tuinieren!” “Naakt tuinieren? Wat moet je daar nou mee”, vroeg ik. “Nou, niks, dus, maar ik bleek, dat ik daar bij een hele vriendelijke juffrouw een aanvraag voor te hebben getekend.” Hij wees omlaag: “Hier op dit bankje!” Ik gierde het uit. “Ik dacht, dat het een bewonderaarster was en voelde me gevleid.” Hij blies met een verontwaardigd wolkje uit. “Het is weliswaar een proefabonnement, maar u begrijpt, dat Riek zich toch ging afvragen of ik niet een tikkie dement aan het worden was!” “Vanwege dat naakt?” leek mij logisch. “Nee, vanwege dat tuinieren. We hebben al heel lang geen tuin meer!” Hij kon er nu gelukkig zelf ook om lachen. En gierend voegde hij eraantoe: “Als welkomstcadeautje kreeg ik twee plankjes, die ik met riempjes onder mijn blote voeten kon bevestigen. Voor het naakt spitten!”

IJsheiligen

Het is alweer ijsheiligen, meneer Ype!” Verzuchtte ome Arie, terwijl hij zijn pijp stopte. Een ietwat andere begroeting dan ik gewend was. Ik stalde mijn scootertje achter ‘ons’ bankje bij het haventje van Oud-Beijerland en pakte mijn pijp. “Is dat zo, ome Arie?” Ik ben niet zo op de hoogte van al die katholieke heiligendagen. Hij knikte. “Voor boeren een belangrijk begrip. Na ijsheiligen is nachtvorst uiterst zeldzaam.” Hij stak met zijn aansteker de tabak in zijn pijp aan. De wind was mijn kant op en een prettige geur kwam mijn kant op. “Mamertus, Pankratius, Servatius en Bonifacius.” somde de oude veeboer op. Ik keek verbaasd zijn kant op: “Dat je ze allemaal kent! Je bent toch helemaal niet katholiek?” Hij glimlachte; “Daar heeft u gelijk in, meneer Ype, maar voor boeren is het een mijlpaal in het seizoen. Om te zaaien of te poten.” Ik knikte, maar besloot toch tot een kritische vraag: en voor veeboeren dan toch minder belangrijk?” Hij keek mijn kant op en blies een wolkje rook uit. Even was het stil. “Vooral voor gepensioneerde veeboeren, meneer Ype!” Ik begreep er niets van, maar besloot er verder niet op in te gaan. Bovendien was mijn pijp uitgedoofd, dus ik zocht mijn aansteker. Een groepje jeugd kwam op ons af. Ik herkende er een paar: nazaten van mijn mede-bankzitter. Zes ondeugende koppies. “Het is ijsheiligen, opa Arie!” De opa leek hen al te verwachten: “zo, jongelui, en wie zijn die ijsheiligen dan wel?” De grootste, een lijzige knul van een jaar of dertien antwoordde: “st. Mamertus!” Het meisje naast hem, iets jonger zei: “st. Pankratius!”, “st. Servatius”, piepte de jongste, “st. Bonifacius!” maakte de laatste het rijtje af. Ome Arie keek trots mijn kant op. En ik was inderdaad behoorlijk onder de indruk. Maar de bollebozen waren nog niet klaar, want nummer vijf ging verder: “st. Stracciatella!” En in koor: “en st. Malaga!” Ome, eh, opa Arie pakte zijn portemonnee en overhandigde één hunner een bankbiljet met de woorden: “Voor mij een st. Malaga, en voor u, meneer Ype?” Ik koos voor een st. Stracciatella, waarna het stelletje bijdehandjes triomfantelijk lachend vertrok, richting ijssalon Gebo.

Muntjes

Op ons bankje aan de haven zat mijn vriend ietwat ineengedoken zijn pijpje te stoppen. Hij leek wat teneergeslagen. Ik groette hem, ging naast hem zitten en haalde mijn pijp en tabak tevoorschijn. Bij de eerste rookwolk kwam pas zijn antwoord-groet: “Goeiemorgen, meneer Ype.” Hij keek nu  recht voor zich naar de uitgang van het haventje en het daarachter voorbij stromende water in het Spui. Achter ons reden wagentjes van de reinigingsdienst voorbij. Op weg om de laatste sporen van het kermis-vertier van de vorige dagen uit te wissen. Ome Arie zuchtte, ik zuchtte gezellig met hem mee.  De zon scheen. De vogeltjes floten. Een vlaagje geur van pas gemaaid gras overheerste even onze tabak-melange. Redenen genoeg om het leven te vieren.       “De kermis trekt verder, het leven gaat door…” mompelde de oude boer, meer in zichzelf, maar goed hoorbaar. Hij leek een beetje down, iets wat ik totaal niet van hem gewend was. Even bleef het stil.  Hij zuchtte nogmaals en diepte iets uit zijn broekzak. Twee ronde plastic schijfjes. Ik keek hem verbaasd aan, waarop hij, ietwat ongeduldig omdat ik niet direct zag, wat er op die stoere boeren-hand lag, uitlegde: “Botsauto-muntjes!” Hij blies een wolk teleurstelling de lucht in, “Die vond ik vanmorgen in mijn broekzak! Vergeten! En de kermis is vertrokken…” Ik schoot bijna in de lach, maar, wetende, hoe hij met zijn achterkleinzoon had genoten van de kermisattractie, hield ik me goed. “Twee ritten, gewoon nog in mijn broekzak!” mopperde onze gepensioneerde veeboer nog even verder; “Zonde van het geld!”  En een boze rookwolk verliet zijn mond. “Nou, ome Arie, dat valt nog te bezien…” zei ik voorzichtig. Hij keek me vragend aan. “Die botsautootjes komen vast volgend jaar weer terug, toch?” Nu nam ik de tijd voor een trekje aan mijn pijp; “En dan kun je die muntjes vast gewoon weer gebruiken…” Hij keek nog steeds niet begrijpend. Ik ging heel serieus verder: “En met de huidige inflatie zouden die muntjes volgend jaar wel eens véél duurder kunnen zijn!” Hij krabde nu onder zijn pet, nog steeds niet begrijpend. “Dus die ‘bots-coins’ zouden in een jaar tijd wel eens veel meer waard kunnen worden!” Mijn vriend keek nu beurtelings van mijn gezicht naar de plastic muntjes in zijn hand en weer terug. Er kwam een glimlach op zijn verweerde kop, alsof de zon opkwam door de donkere wolken van zijn depressie: “Zo had ik er nog niet over nagedacht, meneer Ype! Dus ik had er misschien nog meer moeten bewaren?” Tevreden stopte hij het bots-geld weer diep in zijn zak en genoot van zijn pijp. En ik genoot mee met een vette grijns op mijn gezicht.



Koningsdag

Het zonnetje scheen op ons bankje en op de achtergrond van ons haventje klonken kermisgeluiden. Een luide stem galmde aansporingen om vooral niets te missen van de één of andere sensatie dan wel buitenkans. Er liep een verliefd stel gehuld in een tweetal in elkaar verwikkelde suikerspinnen voorbij. Zoete herinneringen. (Vlak na ons trouwen, op 10 september gaf ik mijn lief een suikerspin voor haar verjaardag, op 13 september. Ergens op een aggenebbis kermisje in Frankrijk. Onze huwelijksreis, ach, alweer meer dan 40 jaar geleden…)
Ome Arie kwam uit de richting van de herrie gestrompeld. Hij zakte kreunend op ons bankje en pakte zijn pijp. Ik stak net de mijne aan en keek ondertussen opzij. “Gaat het een beetje, ome Arie?” Hij knikte, maar zat met trillende handen zijn pijp te stoppen. “Ik ben gek op de kermis, moet u weten, meneer Ype!” Hij zuchtte: “Vroeger was dat één van de grootste feesten van het jaar in ons dorp. Vooral de botsautootjes waren altijd mijn favoriet!” Hij stak zijn pijp aan: “Maar helaas ben ik er te oud voor geworden, vrees ik…” Ik zuchtte gezellig met hem mee: “Helaas, beste vriend, dat is niet meer voor ons weggelegd. Ik zou niet weten, hoe ik in zo’n karretje zou moeten komen!” De oude baas keek me verdrietig aan: “Daarnet lukte het me prima om er in te klimmen, samen met mijn achterkleinzoon als excuus, maar nadat de tien muntjes op waren hebben twee kermisklanten me er uit moeten tillen onder luid gelach van de omstanders!” Hij vertrok zijn gezicht van de pijn: “Man, ik ben gebroken!” Hij blies een pijnlijk wolkje uit en hij voelde aan zijn rug.

Otto

Achter ons bankje aan de haven stond de fiets van ome Arie te blinken. De best wel grote jongen had dus zijn woord gehouden. (Zie verhaal: Sprookje)
De oude baas zat tevreden zijn pijpje te stoppen, waaruit bleek, dat hij er ook nog maar net was. Ik volgde zijn voorbeeld na de gebruikelijke begroeting: “goeiemorgen!”
Zo zaten we samen te genieten van het weer, het uitzicht en de rust. Tot we het boze geklikklak van hoge poten op hoge hakken hoorden naderen. Ome Arie keek om en schrok. “Oh, jee, daar zul je Katho de Verschrikkelijke hebben!” Een dame kwam, zo te zien nogal nijdig, op ons af gebeend, voor zover iemand met hoge hakken kan benen. Ik keek ome Arie verbaasd aan: “Cato de Verschrikkelijke?” herhaalde ik. Hij knikte: “Wat mij betreft met een K en een H. Het summum van negativiteit. Dit is Agaath in het kwadraat!” Ik had inmiddels begrepen, dat schoonzus Agaath niet ome Arie’s favoriet was, dus het moest wel erg zijn…” ‘Agaath in het kwadraat’ liet er geen gras over groeien: “Zo, eindelijk tref ik je een keer!” Ome Arie keek verbaasd mijn kant op, maar zei niets. “Ik vind het een schande, dat je kinderen onzinnige sprookjes vertelt, terwijl je ook nog zit te roken!” Ze stond nu voor hem met haar handen strijdbaar in haar zij. Ome Arie trok aan zijn pijp en zei niets. “Nee, daar heb je niks op te zeggen, zeker!” Nu priemde een boos vingertje mijn kant op: “Met die mooie vriend van je, die al die onzin opschrijft en publiceert op facebook en op zijn website (swartboek.nl red.), en er bovendien ook nog met zo’n stinkpijp bij zit!” Nu keek ik beteuterd ome Arie aan, die als een soort verontschuldiging zijn schouders optrok.
“Mijn Otto is acht jaar. En dan hiermee geconfronteerd worden!” Uit haar gebaar bleek, dat ze ons beiden bedoelde. Wij keken omlaag. Ik naar mijn sloffen, ome Arie naar zijn klompen. “Maar, eh…” schutterde ik, na een korte, beklemmende stilte: “wat is er dan mis met zo’n onschuldig verhaaltje?” Ome Arie schudde zijn oude kop om aan te geven, dat mijn vraag uiterst onverstandig was, maar het kwaad was al geschied.
“Wat is er mis?” En daarna, nogmaals, maar langzaam doch nadrukkelijk: “Wat is er mis??!!” Een onheilspellende stilte. “Mijn Otto wilde vanmorgen in plaats van water BIER bij zijn eten, omdat water hem ziek zou maken! En hij wil een pijp voor zijn verjaardag!” Ome Arie keek mij aan en toen schoten we in de lach. Cato beende daarop, diep beledigd, weer weg, richting haar Otto, die thuis weigerachtig met een glas water voor zijn neus zat.

Sprookje

In ‘ons’ haventje was een hobby-kapitein druk bezig woestijnzand van zijn boot te spoelen. De wind was inmiddels gedraaid, zodat de rest van de Sahara bleef waar hij hoorde: in Afrika.
Toen ik mijn scootertje op zijn standaard zette had Ome Arie zijn pijp al brandend en zat op ons bankje met een schare klein-familie om zich heen, een stuk of tien, variërend van best wel klein tot best wel groot. Hij had het prima naar de zin en tikte vrolijk aan zijn pet: “Kom erbij, meneer Ype, kom erbij!” Mijn plekje werd terstond vrijgemaakt en ik pakte mijn pijp. “Vertel nog eens een verhaal, ome Arie!” Een best wel klein meisje keek met prachtige blauwe ogen naar hem op. Zulke ogen kun je niks weigeren. Ome Arie keek de groep eens rond en begreep, dat hij er niet onderuit kwam. “Dan wassen wij het woestijnzand van uw fiets!” beloofde een best wel grote jongen. Onze verhalenverteller kon een glimlach niet onderdrukken, dacht even diep na, schraapte zijn keel en begon:
“Ergens, hier vlakbij, woonde, nu een paar honderd jaar geleden, een alchemist, Alerimus geheten, samen met zijn dochter Esmeralda in een simpel huisje.” Hij trok even aan zijn pijp. “Zijn vrouw was ziek geworden en na een lang ziekbed overleden toen Esmeralda nog een klein meisje was. Alerimus had van alles geprobeerd zijn lief te laten herstellen van haar ziekte, maar de door hem met veel zorg gemaakte medicijnen mochten niet baten.” Hij keek even naar mij en knipoogde. “Vanaf die dag zwoer hij de alchemie af!” De kinderen luisterden aandachtig, sommigen met open monden. “Het enige brouwsel wat hij nog maakte was bier.” Hij blies een wolkje uit. “Bier was in die tijd heel belangrijk, omdat toen het water niet zo betrouwbaar en zuiver was als tegenwoordig. Van ongekookt water kon je doodziek worden!” Ik knikte, want dat was een waarheid als een koe. “Naast zijn simpele huisje had hij een simpel brouwerijtje waar hij heerlijk bier brouwde. Zo leefde hij, ondanks het enorme gemis van zijn lief redelijk gelukkig, vooral doordat Esmeralda opgroeide tot net zo’n prachtige vrouw als haar moeder!” Hij streek even over het blonde koppie van het best wel kleine meisje, dat bij hem op schoot gekropen was: “Net als jij: met prachtige goudblonde lokken en ogen als meren, die niet konden jokken!” Ik knikte en zong het bijna mee. Het was een regel uit een liedje van Jaap Fischer, uit onze jeugd: ‘Sprookje’
“Helaas was deze schoonheid ook de heerser van het stadje opgevallen. Deze, de boze baljuw Balthasar, was alom gehaat om zijn heb- en drankzucht. In de plaatselijke herberg was hij elke avond te vinden, omringd door zijn trawanten.” Een boze rookwolk begeleidde zijn onheilspellende woorden. “Zij lieten zich daar bedienen door de zoon van de waardin, de brave Hendrik. En ze kleineerden en pestten dat arme jong, die natuurlijk niks terug kon doen. En ook zijn alleenstaande moeder was machteloos.” De kinderen waren muisstil.
“Op een hele donkere avond lachten ze hem uit, toen ze hoorden, dat hij en Esmeralda verliefd op elkaar waren. De baljuw greep hem bij zijn wambuis en siste: ‘morgen ga ik jouw liefjes vader om haar hand vragen en je weet, dat niemand mij iets durft te weigeren!’
De brave Hendrik durfde niks terug te zeggen en rende onder hoongelach huilend naar de achterkamer. Hij wist, dat Alerimus inderdaad gedwongen zou worden Esmeralda aan de wrede Balthasar te geven!” Ome Arie pauzeerde even om zijn pijp opnieuw aan te steken. “Het enige, wat hij kon doen, was naar het huisje van de bierbrouwer te rennen om deze en zijn dochter te waarschuwen voor het naderende onheil. En dezen besloten direct te vluchten voor het naderend onheil. Terwijl de baljuw en zijn trawanten stomdronken in de herberg in slaap gevallen voeren ze met een klein bootje met slechts wat kleding en wat brouwbenodigdheden de haven uit, zo de donkere nacht in. Ze hesen het zeil en tuurden en tuurden, maar zagen helemaal niets. De overkant van dat water was overdag al moeilijk te zien, dus in deze maanloze nacht moesten ze wel verdwalen!” Hij keek even rond en hield zijn hand aan zijn oor, alsof hij iets hoorde. “Twiet, twieeet, hoorden ze opeens. Het was de roep van een tureluur. ‘Daar moet de overkant zijn’ fluisterde Esmeralda, ‘want die wonen in het moerasgebied aan de overkant!’ Alerimus knikte. Ze had gelijk. Hij stuurde de boot op het geluid af en pas de volgende morgen zou blijken dat de tureluur hen door de verraderlijke kreken het moeras in had geloodst naar een voor eventuele achtervolgers veilige plek.” Het best wel kleine meisje lag nu met haar goudblonde lokken tegen de borst van onze verteller. “Alerimus en Esmeralda bouwden daar een hutje en toen bleek, dat er een stukje verderop een klein boerengat was, dat door iedereen Niemandsdorp werd genoemd, begonnen ze een klein bierbrouwerijtje. Ze verkochten het heerlijke gerstenat en waren veilig voor de boze baljuw. En toen deze toch een keer kwam zoeken werd hij belaagd door zwermen luid schreeuwende tureluurs, die om zijn kop vlogen waarop hij uiteindelijk afdroop, terug naar de overkant. Tureluurs geworden door de vogels.” Een best wel bijdehand meisje stak haar vingertje omhoog: “Maar ging brave Hendrik zijn Esmeralda dan niet zoeken?” Ome Arie trok bedachtzaam aan zijn pijp, wellicht zoekend naar het antwoord: “Natuurlijk, maar hij werd dan steeds gevolgd door een Bot!” “Een Bot?” klonk het in koor. “Een Bewust Onbeschonken Trawant!” antwoordde de verteller, alsof hij dat niet zojuist bedacht had. De kinderen lachten evenals een aantal omstanders, die nieuwsgierig dichterbij waren gekomen en genoten van het verhaal en vooral van het prachtige tafereel.
“En omdat hij de overkanters natuurlijk niet in gevaar wilde brengen keerde hij dan weer terug naar de ellende van alledag.” De vragenstelster zuchtte om al deze misère. “Zo gingen enige jaren voorbij. Alerimus en Esmeralda konden zich goed redden, maar aan de overkant groeide de ontevredenheid onder het volk. Door het vertrek van de sublieme brouwer moest er bier van elders gehaald worden en dat was zo slecht, dat de boze baljuw en zijn trawanten zelfs wijn gingen drinken. Iedere opstand van het gepeupel werden wreed neergeslagen. Totdat de waardin een list bedacht!” Hij wachtte even, stampte de tabak in zijn pijp aan en stak deze weer aan. “Ze deed iedere dag een beetje water bij de wijn!” Zijn gehoor keek nu verbaasd. “Want, wat heb ik in het begin van het verhaal verteld? In die tijd werden de mensen ziek van het smerige drinkwater. De baljuw werd ziek en al zijn trawanten werden ziek.” “De Bot ook?” vroeg een best wel oplettend jongetje. “De Bot ook, want de trawanten waren om de beurt de Bot, en de waardin deed iedere dag een klein beetje water bij de wijn, zodat het enige tijd duurde, voordat iedereen ziek werd!” Triomfantelijk blies hij een wolkje uit. “Toen de heersende orde doodziek was kon deze met gemak overmeesterd worden door het verzet onder leiding van, inderdaad, onze brave Hendrik! Het tuig werd ingesmeerd met pek en veren, op een boot gezet en verbannen naar Tiengemeten. Vervolgens voer onze aanvoerder naar de overkant, alwaar hij door een oude tureluur naar zijn Esmeralda werd geloodst!” Het publiek haalde opgelucht adem. “Alerimus ging, eenmaal terug in zijn oude brouwerij, een enorme hoeveelheid heerlijk bier brouwen voor het grote feest: de trouwerij van zijn Esmeralda met verzetsheld Hendrik! Maar eerst hing hij een bord buiten met de nieuwe naam van zijn brouwerij: ‘Tureluur’, want hij was ervan overtuigd, dat de tureluur de geest was van zijn overleden vrouw, de moeder van Esmeralda. Toen hij op de trouwdag van zijn dochter de brouwerij verliet zat de oude tureluur op dat bord! En het was net of ze knikte, dat het goed was. Hij vroeg die avond, toen alle gasten al weg waren, de waardin ten huwelijk.” “En??” vroeg een best wel ouder meisje. “Ze kusten elkaar alsof ze twintig jaar jonger waren, en niet lang daarna moest er weer een enorme hoeveelheid bruiloftsbier gebrouwen worden!”
Het meisje met de goudblonde lokken was op zijn schoot in slaap gevallen met haar duim in haar mond.

Online Chinees

Er stond een ijzig zonnetje aan de blauwe hemel, maar het zou later op de dag warmer worden. Na een sombere week krabbelde de lente weer op. Gehuld in een dikke jas stopte ik met ietwat verkleumde vingers mijn pijp, toen ik vanuit mijn ooghoek ome Arie zag. Hij fietste naderbij, stalde zijn stalen elektro-ros achter ‘ons’ bankje, nam plaats en pakte zijn pijp. “Goeiemorgen!” groetten we elkaar gelijktijdig, hetgeen nogal koddig klonk en ons beiden deed glimlachen. “Geen Joseph?” vroeg ik nogal overbodig, daar ome Arie de teckel van schoonzus Agaath nooit op de fiets meenam. “Nee, die is weer naar huis.” Hij stopte even zwijgend zijn pijp. Bij onze vorige ontmoeting had hij verteld hoe de baasjes van de teckel al ijsbadend en boomknuffelend hun relatie trachtten te redden. (zie verhaal ‘Bonsai’) De oude baas stak zijn pijp op, blies een grote rookwolk uit en vervolgde: “Het stel is weer gelukkig met elkaar. Vooral vanaf het moment dat Boudewijn stopte met de ijsbaden ging het bergopwaarts!” Daar kon ik me iets bij voorstellen. “En om het te vieren hebben wij de geliefden zondag getrakteerd op een Chinese maaltijd voor de hele familie.” Ik glimlachte, want dit typische ‘ome-Arie-gebaar’ was een waardig slot van het verhaal: eind goed, al goed! 

 We genoten even zwijgend van onze pijp. De haven lag er vredig en nog rustig bij. “Houdt U van Chinees eten, meneer Ype?” verbrak mijn vriend de stilte. “Ik ben er wel een liefhebber van…” antwoordde ik naar waarheid, “Hoezo dat, ome Arie?” Hij stond op, liep naar zijn fiets en haalde een paar volle plastic tasjes uit zijn fietstassen, overhandigde ze mij met de woorden: “Dan wilt u mij hier vast wel vanaf helpen.” Ik keek hem verbaasd aan. Hij zuchtte: “Tegenwoordig kun je je bestelling bij de afhaalchinees online doen, en ik maakte de fout mijn telefoon aan mijn neefje van tien te geven met de vraag bij de gasten langs te gaan en te vragen wat men lekker vond. Nou, dat deed hij, en hoe, als een volleerde ober nam hij met het mobieltje met daarop de menulijst van de Chinees de bestelling op! Stom natuurlijk, want toen ik de bestelling ging ophalen in de Julianastraat stond daar een grijnzende Chinees al klaar met een steekwagen om een enorme hoeveelheid voedsel in mijn auto te laden. De ‘ober’ had inderdaad alles aangevinkt, wat de gasten ‘wel lekker’ vonden… En ik moest een gigantisch bedrag afrekenen!” Hij keek nu wat minder blij. Ik nam de tasjes met aan en moest toch even lachen. “Zal ik meebetalen, ome Arie?” bood ik nog aan, maar daar wilde hij niks van weten. “Ik eet al een week lang alleen maar Chinees, het begint me aardig de keel uit te hangen. Ik kan er niet op wachten weer eens een lekkere stamppot zuurkool op mijn bord te vinden!”



Bonsai

De rook uit mijn pijp kringelde vredig omhoog de wolkenloze lucht in. Ik zat op het bankje bij de haven te genieten van mijn pensioen en liet de onrust van de wereld aan me voorbijgaan. Van ome Arie was nog geen spoor. Daar hij wel eens vaker wat later was maakte ik me daar ook al geen zorgen over. 

Na een kwartiertje kwam hij over de dam langs ‘De oude hoorn’ aanlopen. Met teckel Joseph aan een lijntje. Een mooi gezicht: een klein kwispelstaartend mormel snel trippelend naast de enorme klompen gelijk een kano naast twee Staverse jollen. Het beest deed een poging zijn poot op te lichten voor een plas tegen een boom, maar ome Arie trok hem van dat voornemen af. De eerstvolgende lantaarnpaal werd wel goedgekeurd. Ik verbaasde me hierover nog  toen ome Arie me groette door even aan zijn pet te tikken, plaats nam, zijn pijp uit zijn jaszak haalde en deze begon te stoppen. Hij had mijn verbazing opgemerkt: “U zult zich afvragen, waarom Joseph niet tegen bomen mag plassen, meneer Ype…” Dat vroeg ik me inderdaad af. De oude baas stak zijn pijp aan. “De blaadjes komen aan de bomen en dan krijgt Agaath het altijd op haar heupen”. Ik knikte begrijpend, maar snapte er weer eens geen snars van. “Nu is het weer ‘bomenknuffelen’!” “Bomenknuffelen?” herhaalde ik verbaasd. Ik had daar wel eens wat over gehoord, maar het nooit serieus genomen. Ik keek verbaasd beurtelings van ome Arie naar teckel Joseph en zelfs de laatste keek bevestigend en ietwat droevig terug. Ik trok aan mijn pijp in afwachting van het ongetwijfeld sappige vervolg. 

“En ijsbaden!” Hij schudde zijn grijze kop. “Daar zou je van afvallen en ze is graatmager!” Dat wist ik, want ik had haar nog niet zolang geleden nog gezien. “Maar die arme Boudewijn moet altijd met haar grillen meedoen. Daar moest wel ellende van komen!” Teckel Joseph had zich onder ons bankje bij de situatie, dat hij niet tegen knuffelobjecten mocht plassen, neergelegd. 

“Agaath is razend enthousiast. Ze zegt, dat ze door het contact met de krachtige bomen en het ijskoude water weer helemaal jong wordt…” Hij nam een trek aan zijn pijp en blies de rook weer met zijn ogen dicht uit. “En dan wil ze het liefst vrijen…” Ik keek even verbaasd opzij, onzeker of ik de rest wel wilde horen. “Maar wanneer Boudewijn uit het ijsbad komt, valt er weinig meer te knuffelen met zijn bonsaiboompje!” Ik schoot in de lach. “Ja, lach maar. Ik zit mooi opgescheept met Joseph omdat het stel nu in therapie is!” Hij nam weer een haal. “Ze zitten ergens in een bos. De laatste berichten zijn, dat Agaath op een els is gevallen! Arme Boudewijn, hij schijnt zelf nu het meest op een treurwilg te lijken!” Onder de bank zuchtte teckel Joseph, alsof hij wel ieder woord had begrepen.



Vredespijp

Bij het naderen van ons bankje aan het fraaie haventje van het dorp rook ik al de heerlijke geur van een vers opgestoken pijp. Ik stalde met een glimlach op mijn gezicht mijn scootertje. Ome Arie zat met zijn ogen dicht intens te genieten van de melange van zonnestralen met de rook uit zijn nieuwe pijp. Ik ging stilletjes zitten en wachtte even voordat ik zachtjes mijn gebruikelijke ‘goeiemorgen’ uitsprak. De oude baas beantwoordde mijn groet door even zijn aanwinst omhoog te steken. Daarna wees hij ermee naar de ingang van de haven: “De sluisdeuren zijn weer open.” Ik knikte. Na dagenlang dicht te zijn geweest in verband met het hoge water stonden ze nu weer wagenwijd open, uitzicht biedend over het nu rustige Spui. “Soms geven gesloten sluisdeuren me een veilig gevoel,” zuchtte ome Arie, “net of we even afgesloten zijn van de wereld…” Hij trok bedachtzaam aan zijn pijp. Ik begreep hem. Een afgesloten veilige haven bestand tegen hoog water, bestand tegen de snel voort stromende onrust van daarbuiten. Vredige rust. Ik pakte mijn pijp en mijn tabak. De oude veeboer haalde een blikje uit zijn jaszak en overhandigde dat met de woorden: “Gefeliciteerd met uw verjaardag, meneer Ype!” Blij en verbaasd, dat hij wist, dat ik jarig was nam ik het cadeautje aan. Het was exquise pijptabak. “Ik ben naar Breda geweest om mijn nieuwe pijp te kopen. Daar hadden ze dit spul. Het rook zo lekker, dat ik zo vrij ben geweest er ook zelf wat van te nemen…”, hij hield zijn nieuwe rookgerei omhoog, Ik glimlachte, bedankte hem, stopte mijn eigen pijpje met de nieuwe tabak en samen rookten we zonder wat te zeggen onze vredespijp. Als nietig voorbeeld voor de hele wereld.