Gevlucht

Ome Arie zat diep ineengedoken in zijn dikke jas, met een winterpet over zijn oren getrokken op ons bankje aan de haven. Ik moest wel lachen om deze aanblik: Een enorme baal stof waar een dun sliertje rook uit kwam. Ik besloot ook tot een pijpje en stalde mijn scootertje. De baal stof had me opgemerkt en groette me: “Môgge, meneer Ype.” En zweeg verder. Ik stopte mijn pijp, genietend van het uitzicht op het rustige haventje. Het was herfst, dus er was geen maritieme activiteit. Door de wind klapperde ergens een val tegen een mast. Het typische geluid van dun staaldraad tegen aluminium. “Tik-tik-tik!” Een medewerker van de plantsoenendienst blies met een lawaaiig apparaat gevallen bladeren in een voor mij onbegrijpelijke richting. Ook ome Arie bekeek de noeste arbeid en schudde onbegrijpend zijn hoofd. Maar zei niets. Ik glimlachte; alleen mannen kunnen zo zitten, zonder een woord, maar elkaar volkomen begrijpend. Zo rookten we samen ons pijpje, onverstoorbaar genietend van de stilte in ons, de rust. Alsof de tijd even stilstond. Toen ging er diep in de berg textiel een telefoon rinkelen. Ome Aries’ mobiel klinkt, naar hijzelf vindt, zoals een telefoon hoort te klinken. Zoals het oermodel van de telefoon van vroeger op de boerderij. Na wat paniekerig gezoek vond hij zijn mobiel en het lukte hem zelfs verbinding te krijgen. Uit het gesprek dat volgde begreep ik, dat het Riek moest zijn. Zijn eega. Hij knikte wat, hij bromde wat en verstopte het communicatiemiddel weer diep in de berg kleding. En zei niks. Nu werd mijn nieuwsgierigheid sterker dan mijn behoefte aan stilte: “Het thuisfront?” Ome Arie knikte en zweeg. Ik keek weer vóór me en trok aan mijn pijp. Het ging me ook niks aan. Zo paften we nog even verder tot ome Arie zijn pijp uit zijn mond nam en de tabak aanstampte. “De kust is weer veilig.” Hij nam zijn pijp weer ter mond en stak hem aan. “Ik was gevlucht voor schoonzus Agaath, en Riek belde, dat die weer is vertrokken, dus ik kan weer met een gerust hart op huis aan…” Hij maakte echter nog geen aanstalten. “Vlucht je echt je eigen huis uit, wanneer je schoonzus komt?” daagde ik hem uit, “is ze zo erg?” Ome Arie zuchtte, “Het is net of ze steeds erger wordt!” Hij blies een geïrriteerd wolkje uit. Ik besloot hem niet verder te plagen en stak mijn gedoofde pijp opnieuw aan. Onze weldadige rust was verstoord. Ome Arie had duidelijk een enorme hekel aan zijn schoonzus, maar dat wist ik al een tijdje. “Dat mens is zo gruwelijk dwars, vreselijk!” Ik knikte begrijpend. Iedereen heeft wel zo iemand in zijn omgeving. Iemand, die je liever niet in je omgeving hebt. “Ze heeft een nogal vertekend wereldbeeld. Dat kan natuurlijk ook door dat dikke brilletje komen…” bromde ome Arie. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ik wist inmiddels, dat de oude boer er geen extreme standpunten op nahield. Hij was door het leven getekend en schudde over veel zaken slechts het grijze hoofd. Een verstandig man.

Vacature

Het was koud, vooral op de scooter. Ik had mijn dikke jas aan en ook mijn handschoenen opgezocht. De herfst had de laatste bladeren van de meeste bomen doen vallen. Ook op ons bankje bij de haven. Ik veegde ze er af met mijn verpakte hand en ging zitten op het koude hout. Een lichte trilling door de kou golfde vanaf mijn achterwerk omhoog. De tijd verwarmde gelukkig mijn zitplaats. En later deed mijn pijp hetzelfde met mijn inmiddels naakte handen. Ome Arie was laat. Hij hijgde licht toen hij voor zijn doen lenig van zijn elektrische fiets stapte. Zijn pet stond redelijk vrolijk. Hij stopte snel zijn pijp alsof hij mijn rooktijd wilde inhalen. Ik glimlachte. “Heb je je verslapen, ome Arie?”, kon ik niet nalaten hem te plagen. “Nee, meneer Ype, maar toen ik net weg wilde gaan wees Riek me op een stukkie in de krant.” Hij stak zijn pijp aan. “Een vacature..” Ik keek hem verbaasd aan: “Een vacature?” Hij knikte, blies een grote wolk rook uit en zuchtte; “Ze zoeken een nieuwe ‘dichter van de Hoeksche Waard’!” Ik had het artikeltje inderdaad ook gezien en er verder weinig aandacht aan besteed. Er werd gezocht naar een rijmelaar, die iedere maand iets zou moeten dichten over een gebeurtenis in onze geliefde Hoeksche Waard. De vorige ‘Jules Deelder van de polder’ vond ik persoonlijk geen groot poëet, maar dat leek voor deze functie geen bezwaar. “Volgens Riek is het echt iets voor mij, maar dan moet ik voor één december vijf gedichten en een motivatie insturen. En ik heb het al zo druk met andere sinterklaasgedichten…” Hij keek niet erg enthousiast. Ik kreeg medelijden; “Je hebt mij wel eens wat gedichten laten horen, ome Arie. Die waren best goed. Dat is toch al een begin?” (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Het viel me op, dat zijn pet nu op standje ‘zorgelijk’ stond. En dat terwijl hij er volgens mij niet met zijn handen aangezeten had. Ik zat me daar nog over te verbazen, toen ome Arie zijn pijp uit zijn mond nam en begon te declameren: “Op een bankje bij de haven zit ik lui…..En kijk door de open sluis naar het snelstromende Spui….ik weet dat het na enige uren dromen….De and’re kant op zal stromen….Dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, heen en weer…Tot in lengte van eeuwen, maar dan ben ik er niet meer….” Hij nam snel weer een trekje van zijn pijp teneinde te voorkomen, dat deze zou uitdoven. Ik wilde hem net complimenteren met deze poëzie, toen hij vervolgde: “Onlangs waren de deuren dicht….Het spui volledig uit het zicht…De tijd stond stil…” Hij keek mij wanhopig aan: “Wat rijmt er op ‘stil’?” Ik zat hem bewonderend aan te kijken. “Dat is niet nodig, ome Arie, dat is echt niet nodig! Je moet het zo laten. Juist het contrast van het niet rijmen van de laatste zin vind ik prachtig!” Hij keek verbaasd. Ik zuchtte: “Ik vrees echter, dat je niet geschikt bent voor de baan van ‘Dichter van de Hoeksche Waard!” Hij keek me verbaasd aan: “Niet?” Ik knikte: “Daar ben je veel te goed voor!”

Rap

Er waren een paar onstuimige herfstdagen gepasseerd sinds mijn laatste ontmoeting met ome Arie. (Zie ‘Arie2’) Ik had een lijst met Hoeksche Waardse woorden en uitdrukkingen gevonden en trachtte daar iets ‘rapperigs’ mee te maken om de Aries op gang te helpen. Maar dat viel niet mee. Ik zat in het zachte herfstzonnetje op ons bankje aan het pittoreske haventje van ons dorp zachtjes voor me uit te rappen, toen ome Arie naast me plaats nam. Hij zag er moe uit. “ Ik heb nachten bijna niet geslapen,” bevestigde hij mijn vermoeden, “En Riek wordt gek van mijn gerap…” Ik begreep zijn gevoel. “Je bent niet de enige, ome Arie. Het valt niet mee.” Hij stopte zijn pijp. Ik had dat nog niet eens gedaan en volgde zijn voorbeeld. Een zorgelijke stilte volgde. We rookten grote wolken en dachten diep na. “Hebt u al wat?” Vroeg ome Arie. Ik haalde diep adem: “heb jij een ritme voor me?” Ome Arie begon nogal klungelig met zijn pijpe-stampertje op ons bankje te timmeren. Een nabij lopende mevrouw met een keeshondje aan een roze lijntje schrok. Toen ik hardop begon te rappen: “Op mijn trekker zat neffe mij een mooie meid, niet van hier maar van gunterweid…” sleurde ze in paniek het arme beest aan zijn riempje de straat over, alwaar het beest luidruchtig kokhalsde. Ome Arie keek me bewonderend aan. “Zo-o”, zei hij slechts, “Zo-o!” Gesterkt door deze bijval ging ik verder: “verliefd pakt ik heur hand, maar reed weid, want het regende hoekvurrekies en de errepele moste van ’t land…” Ome Arie had dikke pret en deed ook een duit in het zakje: “het Groenjassie heette Aol, maar zo heetten ze daor allemaol…” We begonnen er net lol in te krijgen, toen ‘kleine Aai’ kwam aangefietst. “Wat doen jullie?” vroeg hij verbaasd. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan: “Wat doen jullie? Wij zijn voor jou aan het rappen, weet je nog?” Het ventje keek verbaasd: “Rappen? Maar dat was vorige week!” Wij keken hem verbijsterd aan, toen hij er, alsof dat allang bekend was, aan toevoegde: “Sinds gisteren wil ik toch liever vlogger worden, da’s simpeler…” Hij wees op zijn mobieltje op een stokkie en keek daarna vragend zijn opa Arie aan: “maar daar heb ik eigenlijk een betere camera voor nodig, wil je daar iets in investeren, opa?” Ome Arie keek mij even aan, knipoogde en antwoordde: “Jij denkt, dat ik mijn harses op het besteebord hè laete leggen, zeker?”(Groenjasse: inwoners van Maasdam)

Arie 2

Ome Arie zuchtte diep, toen ‘kleine’ Arie weer enthousiast op zijn gammele fietsie was gesprongen en, sneller, eh, rapper dan normaal was weggefietst. “Kun jij eigenlijk rappen, ome Arie,” vroeg ik, het antwoord eigenlijk wel wetende. Hij schudde zijn grijze krullenkop. Z’n pet stond zorgelijk. Hij keek me met erg trieste ogen aan. “Maar zo’n gast wil je toch ook niet teleurstellen…” Ik begon medelijden met hem te krijgen. “Kunt u ons helpen, meneer Ype? U schrijft toch ook wel eens stukkies?” Hij bracht me in een lastig parket. Mijn dichterlijke dienstverband bij de qua omvang van zijn oeuvre grootste dichter van alle tijden was niet bepaald een aanbeveling betreffende de kwaliteit van mijn werk. (Inderdaad, ik bedoel een heden ten dage nogal omstreden bisschop uit Spanje). Ome Arie begreep mijn zwijgen. We keken beiden weer zorgelijk voor ons naar de uitgang van het schilderachtige haventje van ons dorp. En dachten diep na. “Bovendien gebruiken rappers ook nog veel straattaal, en daar weet ik helemáál niks van”, droeg ome Arie niet bepaald bij aan het verbeteren van de stemming. Toch bracht hij me hierdoor op een idee: “Straattaal? Voor een rapper uit de Hoeksche Waard zou dat toch Hoeksche-waards moeten zijn?” Hij keek me met grote ogen aan: “Natuurlijk! Dat is het: de rapper van de Hoeksche Waard!” Alsof er een wereld voor hem openging. Vrolijk stapte hij, nadat hij zijn pijp had uitgeklopt, weer op ‘hum’ fiets, allerlei Hoeksche Waardse gezegden en woorden mompelend: “Gunterweid rijmt op mooie meid, neffen op beffen, maar dat gaat misschien te ver…” En zo fietste hij ‘hoiswaerts’. Ik kon er wel om lachen, klopte ook mijn pijp uit en startte mijn scooter. “Toch eens googelen naar woorden uit het Hoeksche Waards,” mompelde ik in mezelf, terwijl ik gas gaf.

Arie V.

Het was eindelijk weer weer voor het bankje bij ons haventje. Na wat herfstbladeren te hebben weggeveegd en mijn pijpje te hebben opgestoken genoot ik van het najaarszonnetje. Het was fris, dus de dikke jas was niet overbodig. Na een klein kwartiertje kwam ome Arie aangefietst. Zijn pet stond op vrolijk. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik, “Je hebt je klompen weer terug, zie ik?” (Zie verhaal ‘bushokje’) Ome Arie knikte en pakte zijn pijp. “Inderdaad, meneer Ype, de klompendansers hebben alle bejaardenhuizen in de Hoeksche Waard bezocht.” Hij stopte tabak in de ruime kop van zijn rookgerei. Tevreden stak hij zijn pijpje aan. Zo zaten we te genieten van de herfst. In de haven waren leden van de watersportvereniging druk bezig een niet meer zo goed drijvende steiger uit het water te takelen voor reparatie. Een voor ons heel onderhoudend gedoe. Opeens stopte er een aan de krakende en piepende remmen te horen nogal bejaarde fiets achter ons haven-bankje. “Hoi, opa Arie!” Een jongmens met zijn petje achterstevoren op zijn kop stapte af. “Als dat mijn favoriete kleinzoon niet is!”, groette ome Arie, zoals hij iedere kleinzoon begroette. “Natuurlijk, opa, maar dat komt natuurlijk omdat ik naar jou vernoemd ben!” De knul geloofde het echt. “Hoe gaat het, Arie?” De naamgever klonk opgelucht. Ik wist, dat hij wel eens de namen van zijn 13 kleinkinderen door elkaar haalde. “Redelijk, opa. Door dat corona-gedoe is het leven wel erg saai!” Ome Arie knikte want hij begreep best, dat het voor jongeren geen gemakkelijke tijd was. Hij keek de knul aan: “Wel een goed idee om je pet zo te dragen, dan kan je nek nooit verbranden door de zon!” En hij draaide zijn eigen pet ook om. Jonge Arie schoot in de lach: “Maar jouw pet heeft een veel te korte klep, opa!” Quasi-teleurgesteld draaide de oude Arie zijn pet weer in de ‘boerenstand’. Ik kon wel lachen om het gedol van de twee Aries. ‘Kleine’ Arie had zijn fiets tegen een hekje geparkeerd en kwam bij ons zitten. De bank was groot genoeg om voldoende afstand te bewaren. “Ik wil rapper worden, opa!” Opa keek opzij: “Daar zal je moeder blij om zijn jongen, want ze maakte zich best wat zorgen over je tempo…” Hij meende het! Het joch zuchtte: “Zo bedoel ik het niet, opa!” Ik lachte nu nog harder. “Rèpper, opa, je spreekt het uit als rèpper, da’s Engels!” probeerde hij zich te verduidelijken, maar ome Arie wilde het niet begrijpen. De knul keek mij ietwat wanhopig aan, zoekend naar steun. Ik kreeg medelijden en probeerde te helpen: “Net als Ali B. Ome Arie!” Deze knipoogde naar mij, stiekem achter de rug van zijn kleinzoon om. Die had inmiddels een rood hoofd gekregen. Ome Arie kreeg medelijden. “Die ken ik wel. Dat is toch die Marokkaan, die steeds met zijn stoel zit te draaien?” Nu begreep kleine Arie, dat opa hem zat te dollen en schoot in de lach. Even was het stil. Ome Arie stampte de tabak in zijn pijp een beetje aan en stak hem opnieuw aan. Mijn pijp had dit onderhoud nog niet nodig. Kleine Arie schraapte weer wat moed bij elkaar: “jij bent toch dichter, opa?” Ome Arie keek verbaasd, maar beaamde het. “Kun je me helpen met mijn teksten?” Ome Arie keek nu nog verbaasder. “Dus je wil rapper worden, maar je kunt niet rappen?” Onze rapper knikte. Ik durfde niet te lachen, maar ome Arie dus wel. Kleine Arie keek beteuterd. Opa kreeg medelijden: “Heb je al een artiestennaam, Arie?” Nu klaarde onze artiest een beetje op: “wat dacht je van Arie V., opa?” Ouwe Arie dacht na. “Waar staat die V. dan voor?” “Geen idee opa, maar het klinkt toch goed?” “Dan zou ik er Arie 2 van maken!,” bemoeide ik me er ook mee. De Aries keken ietwat verstoord mijn kant op. “Omdat jullie samenwerken!” verduidelijkte ik mijn vondst. De rappers keken elkaar aan en er volgde, geheel tegen de regels van deze tijd, een innige high five. 

Poëtische larie van ome Arie

De dichter zette, trots als een pauw

Onder zijn nieuwste rijmelarij

Achter zijn naam een ©-tje erbij

Alsof iemand zijn kunstwerk stelen zou.

Ome Arie ©

Alles moest de Korendijkse slikken

Daarom liet ze alles stikken

Verliet huis en haard

En de Hoeksche Waard

ze was klaar met pikken

Ome Arie © 

Toen hij hoorde hoe, gelijk een sirene, de Rhoonse griende

Sprong de Hoeksche waard, aangestaard door alle drie zijn vrienden

Zo uit de kroeg in de Oude Maas

Alwaar hij verzoop, de domme dwaas

Tot ongenoegen van de klant, die hij net bediende.

Ome Arie © (uit de bundel ‘poëtische larie van ome Arie’.)

Bushokje

Het was een grauwe dag. Er hing een nevel over het haventje van ons dorp. Het bankje bij het stille haventje van ons dorp stond al heel lang leeg. Zo lang, dat ik me zorgen ging maken over ome Arie. Tijdens de oneindig lange zomer was het nooit in me opgekomen naar zijn adres te vragen. Alsof dat het sprookje abrupt zou doen eindigen, alsof ome Arie dan té echt zou worden, het mysterie voorbij. Nu speet me dat, daar ik me zorgen over hem maakte. 

Tot vanmorgen. Opeens zag ik hem voorbij-fietsen door de nevels, diep over zijn stuur gebogen in een dikke winterjas en een pet met oorkleppen. Maar zonder klompen. Hij dreef zijn pedalen aan met huiselijke geruite huis-slippers. Ik schoot in de lach, hetgeen door onze held op slippers werd opgemerkt. Hij stopte en kwam naar me toe: “Meneer Ype, dat is weer even geleden!” Hij leek oprecht blij me weer te zien. “Ome Arie!” was mijn opgeluchte antwoord, ook blij hem weer in levende lijve te zien. 

“Het is geen weer voor een pijpje”, bromde hij. Ik knikte: “Laten we even schuilen in dat bushokje.” Hij zette zijn fiets tegen de zijkant van het wachthok en leek tevreden over deze schuilplaats. En pakte, ondanks hetgeen hij zojuist gezegd had, zijn pijp en begon deze te stoppen. Ik volgde zijn voorbeeld en zo genoten we, als was het zomer, van onze heerlijk geurende tabak. Een dame kwam op ons aflopen, maar deinsde bij het bushokje terug door de melange van onze pijprook. Ze keek niet blij en keek op haar horloge. “De bus komt zo!” pafte ome Arie, die het dichtst bij haar zat, goedmoedig. De dame was niet gevoelig voor zijn goedmoedigheid: “Wel beetje asociaal, die stank in een bushokje!” Mijn goedmoedige vriend nam een trekje van zijn pijp. Ik nam een trekje van mijn pijp. “Het is wel een manier om mensen op anderhalve meter afstand te houden”, zei ik bijdehand, doelend op de corona-regels. Ome Arie glimlachte, de mevrouw niet: “u mag in de bus toch ook niet roken!” bitste ze. “We hoeven helemaal niet in de bus!” antwoordden wij in koor. De chagrijnige dame was even met stomheid geslagen. Gelukkig kwam, voordat ze kon reageren, de bus. Mopperend besteeg ze het openbaar vervoer. De buschauffeur keek ons verbaasd aan, wilde wat zeggen, maar zei toch maar niks en sloot hoofdschuddend zijn deur alvorens hij wegreed, richting Rotterdam. Ome Arie keek me aan en we schoten beiden in de lach. De volgende bus werd op een scherm op een paal voor onze zitplaats aangekondigd. Nog zeker zo’n twintig minuten rust. Tevreden leunden we weer achterover in de luwte van het bushokje en rookten ons pijpje. Ik keek ome Arie aan en wees op zijn sloffen: “Hoe zit het met je pantoffels, ome Arie? Is er een klomp gebroken?” De oude baas keek eerst naar mij en daarna naar zijn eigen voeten en haalde zijn schouders op: “Die zijn uitgeleend…” Hij keek een beetje ongelukkig en was duidelijk wat verlegen met de situatie; “Riek en die zus van haar doen opeens heel erg aan volksdansen.” Ik keek erg onbegrijpend. “Volksdansen? Met Agaath?” (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Ome Arie knikte; “Agaath kreeg het lumineuze idee te gaan volksdansen voor zielige bejaarden. Buiten, voor het raam van verzorgingshuizen hier in de Hoeksche Waard. Als afleiding in de Corona-isolatie.” Ik kon een glimlach niet onderdrukken: “En dan met name een klompendans, zeker?” “Hoe raadt u het zo, meneer Ype. En daar Agaath nogal lange tenen heeft, waren er behoorlijk grote klompen nodig…”

De tijd des tands

Toen ik ons bankje bij de haven naderde viel me op, dat ome Arie er wat verlaten bij zat. Zonder pijp en zonder aanstalten te maken deze te gaan stoppen. Ik nam plaats en zocht mijn rookgenot wél op, als altijd. Ome Arie zuchtte: “De tijd is onherroepelijk en onbarmhartig…” Ik keek stomverbaasd opzij, niet gewend aan dergelijk zwaarmoedig taalgebruik van mijn bankgenoot. Hij glimlachte kort om mijn reactie, maar zijn stemming veranderde niet echt. Er spookte van alles door mijn hoofd: zou hij gestopt zijn met roken en daarom zo neerslachtig? Hij vervolgde: “Wanneer je kind bent, kan de tijd soms niet snel genoeg gaan. Dagen duren weken in je verlangen naar een volgende verjaardag of een Sinterklaasfeest. En later kijk je reikhalzend uit naar je zestiende verjaardag waarop je je eerste legale rit op je Kreidler zou mogen gaan maken” Mijn mond viel open van verbazing, zo had ik ome Arie nog nooit meegemaakt! Hij zuchtte nogmaals en had moeite met zichzelf, zo zonder pijp. Ik kreeg medelijden met hem, al begreep ik niet waarom eigenlijk… “Daarna het hunkerend verlangen naar andere hoogtepunten. Je trouwdag, je eerste huwelijksnacht!” “Ach, ome Arie, dat zijn nu toch geweldige herinneringen, daar hoef je toch niet zo melancholiek over te doen?” trachtte ik verdere intieme ontboezemingen te voorkomen. “Op onze leeftijd leven we nu eenmaal met de dag. En zo moeten we het ook leven, denk ik; met de dag!” Het klonk zelfs voor mezelf niet echt overtuigend. Want ik besefte net zo goed als ome Arie, dat we gewoon een paar gepensioneerde ouwe kerels waren, die onze tijd verkwanselden op een bankje bij het prachtige haventje van Oud-Beijerland. Ome Arie werd er ook niet echt vrolijker door: “Het is net of de tijd na je afdanking uit het werkzame leven sneller gaat. Weken duren dagen. Alsof magere Hein je nazit op een dikke Harley Davidson!” Ik moest nu wel lachen om zijn beeldspraak. Ik zag het voor me: ome Arie op zijn elektrische fiets, aangedreven door magere beentjes met klompen en daarachter een zeis-dragend skelet op een motorfiets. “Ja, lach maar!” bromde mijn metgezel. Even was het stil. Toen ging me een lichtje op: “Moet je soms voor je halfjaarlijkse controle naar de tandarts, ome Arie?!” Brommend stond hij op; “Hoe raadt u het zo, meneer Ype, hoe raadt u het zo!” en hij fietste weg, zijn noodlot tegemoet…

Stofzuigen

Door het miezerige weer genoodzaakt ons goed in te pakken zaten ome Arie en ik, gehuld in dikke jassen op ons bankje onze handen te warmen aan onze pijp. De wind maakte het kouder dan het eigenlijk was. Ome Arie was wat stil, die ochtend. Ik besloot rustig de reden van zijn neerslachtigheid af te wachten. Die kwam pas toen hij zijn pijp uit klopte en zijn vertrek aankondigde: “Ik moet gaan, meneer Ype, want ik moet nog boodschappen doen.” Ik keek verbaasd. “Riek is gisteren gevallen en zit met een dikke enkel op de bank.” “Da’s niet zo best, ome Arie! Wat is er gebeurd?” Hij stond op. “Sinds ik met pensioen ben hebben we al de discussie over wie wat moet doen in het huishouden.” Ik knikte begrijpend, want deze situatie kwam me bekend voor. “Uiteindelijk ben ik qua stofzuigen overstag gegaan…” Ik glimlachte, want kreeg een beeld van onze ouwe boer achter een stofzuiger. Hij raadde mijn gedachten: “Maar ik zag mezelf nou niet bepaald achter zo’n lawaaiig geval door het huis drentelen, dus ik kocht een stofzuigrobot!” Ik keek bewonderend; “Slim bedacht, ome Arie!” Hij nam het compliment met een glimlach in ontvangst. “Dat ding werkt prima, slaat geen plekkie over, gaat onder het bed door, kan zelfs onder het lage dressoir en dat, terwijl ik mijn krantje lees!”  Ik vond zijn vindingrijkheid wanneer het op vermijden van huishoudelijke taken aan kwam bewonderenswaardig. “Geweldig bedacht ome Arie, maar wat heeft dat met de enkel van Riek te maken?” Ome Arie zwaaide zijn been over zijn fiets. “Die robot kwam net onder het dressoir vandaan toen Riek met een blad koffie de kamer in kwam.” En, terwijl hij wegfietste: “nu zit zij met haar voet omhoog en ik met de gebakken peren…”

Pakketje

De toegang tot ons bakkie koffie met appelgebak was hermetisch afgesloten. Barona was dicht vanwege Corona. Ome Arie kwam met de pet op winterstand en gehuld in een dikke jas naast me op ons bankje zitten. Op gepaste afstand, natuurlijk, want gezien onze leeftijd was voorzichtigheid geboden. Hij pakte zijn pijp en tabak en begon zijn rookgenot voor te bereiden. “Sorry, dat ik zo laat ben, maar ik werd opgehouden door een pakketbezorger.” Hij stak zijn pijp op. “Riek had voor het eerst iets via internet besteld: een nieuw oplaadkabeltje voor haar laptop. Daarom hielden we in spanning de brievenbus in de gaten. Vanmorgen, net toen ik hierheen wilde komen stopte er zo’n busje van een koeriersbedrijf: het pakje!” Ik genoot van mijn pijp en ome Arie’s verhaal. “Ik ging naar de hal van ons appartementencomplex om het pakje op te halen, maar de jonge bezorger kreeg het niet goed door de gleuf.” Hij trok aan zijn pijp en blies zonder het te beseffen een mooi O-tje uit. “Dus ik doe de buitendeur open en vraag aan die knul: “Zal ik u even helpen? Die gast kijkt me aan en zegt: “Die brievenbusopening is net te klein!” Ome Arie nam zijn pijp even uit zijn mond. “Dus ik zeg tegen hem: ‘u kunt het pakje ook aan mij geven.’ Die knul stopt met proppen en vraagt: “bent u een buurman?” Ik antwoord: ‘nee, ik ben geen buurman’ “dan mag ik het pakje niet aan u geven. Mijn instructies zijn heel duidelijk: ‘in de brievenbus en als dat niet lukt bij de buren afgeven!” Ome Arie nam weer een trekje teneinde zijn pijptabak brandend te houden. “Dus ik zeg tegen dat licht: ‘ik ben het zelf!’ En wat zegt hij? ‘U bent toch geen mevrouw?'” Nu schoot ik in de lach, ook vanwege het verongelijkte hoofd van de verteller. “Dus er zat niks anders op: ik moest ervoor zorgen, dat dat pakje in onze brievenbus terecht zou komen. Samen duwen was vanwege de Corona geen optie, dus ik ging naar binnen, deed de brievenbus met de sleutel vanaf de halzijde open en begon aan het pakje te trekken. Het zat echter muurvast. Op een gegeven moment zegt ons genie: ‘het gaat niet, laten we het er maar weer uit trekken, dan neem ik het maar weer mee naar ons uitgiftepunt in Rotterdam dan kan mevrouw het daar ophalen!’ U begrijpt, meneer Ype, dat ik het daar niet mee eens was, dus terwijl hij het pakje er weer uit probeerde te trekken, trok ik aan de binnenkant om het toch naar binnen te krijgen!” Dit beeld bezorgde mij tranen in mijn ogen van het lachen en van spijt, dat ik het niet gezien had. “Toen kwam Riek gelukkig kijken waar ik zo lang bleef…” Hij kon er gelukkig zelf ook om lachen. “Die stond natuurlijk stomverbaasd te kijken naar twee kerels, die aan haar pakketje stonden te trekken, liep naar buiten en vroeg: “Waar zijn we hier mee bezig?” De pakketbezorger liet los en ik niet. Wonder boven wonder schoot het pakketje nu wel door de gleuf naar binnen. Ik viel achterover de hal in.” Hij voelde aan zijn rechter heup, waar wellicht de blauwe plek was ontstaan.” Ik kon wel lachen bij dit beeld. “Gelukkig was de inhoud niet beschadigd…” lachte ome Arie nu ook; “want hoe hadden we dat uitgelegd….”