Dierenarts

Joseph en ome Arie waren al bij de haven, toen ik, goedgemutst, met mijn scootertje kwam aangereden. De teckel zat achter zijn oor te krabben met zijn achterpoot. Ook ome Arie krabde zich net even achter het oor, alleen deed hij dat met zijn voorpoot. Ik moest er een beetje om grinniken. Na een week gingen ze al een beetje op elkaar lijken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. De oude boer tikte als groet met zijn pijpmondstuk tegen de rand van zijn pet. Het zonnetje scheen wat bleekjes door de dunne sluierbewolking. Ik was blij, dat ik toch een jas had aangedaan, want de wind was fris. “Zo, dus Joseph weer terug van zijn weekendverlof!” begon ik een gesprek. “Praat me er niet van, meneer Ype! Ik ben gisteren al met hem naar de dierenarts geweest.” Ik pakte mijn pijp en ging er eens goed voor zitten, want er kwam weer wat. “Dat moest van Agaath!” Zoals altijd sprak hij de naam van zijn schoonzus met enig misprijzen, bijna walging, uit. “De dierenarts, ome Arie, wat is er met hem?” Ome Arie zei heel zachtjes, alsof hij zich er voor geneerde: “Ontstoken, eh, piemeltje…” en keek wat schichtig om zich heen, of iemand het gehoord had. Ik lachte niet om het hem niet nóg moeilijker te maken. Toch kon ik het niet laten om plagerig tegen het teckeltje te zeggen: “van de wc-bril zeker, Joseph!?” Ome Arie kon er niet om lachen: “Ja, maak er maar grappen over, meneer Ype. Ik kon er niet om lachen, vooral niet, omdat ik bij de dierenarts die getatoeëerde kale baard met zijn pitbull tegenkwam…”(zie verhaal ‘Pitbull’) Hij keek weer om zich heen, bang voor meeluisteraars: “Toen ik belangstellend vroeg wat er met zijn hond was werd die grote vent helemaal rood en fluisterde, dat ze een ontstoken je-weet-wel had!” Nu kon ik mijn lachen heel moeilijk inhouden. “Toen hij dezelfde vraag aan mij stelde heb ik maar gezegd dat Joseph voor zijn gewone inentingen kwam!” Ik schoot nu in de lach. Ome Arie kwam wat dichterbij en fluisterde: “Zouden hondjes ook Soas kunnen krijgen? U weet, dat Joseph en die pitbull, eh…” Hij gebaarde veelbetekenend richting hond. Joseph leek schuldig omhoog te kijken. Ome Arie fluisterde: “Ik ben ‘m stiekem gesmeerd en naar een andere dierenarts gegaan!” Nu hield ik het helemaal niet meer en gierde het uit. “En wat zei die, ome Arie?” vroeg ik toen ik uitgelachen was. “Ik heb het maar niet over de one-night-stand van Joseph gehad, meneer Ype.” Hij stak zijn pijp opnieuw aan, daar deze door alle emotie was uitgegaan. “We hebben een zalfje voor zijn jongeheer gekregen en hij heeft een spuit in zijn donder gekregen. Dat zal hem leren!”

Door het oog van de naald

Door het oog van de naald
Stiekem de grootste lol
De schuur nokkie vol
Drank en sjans
Muziek en de dans
Net op tijd ontsprongen
door het oog van de naald
Wij zijn heiliger
Dan de wet
Bij God veiliger
Zingen wij in koor
Wij zullen ontspringen
Door het oog van de naald
Kruipt de buurman
Over de grond, bijna dood
Hoe het kan?
Hij haat muziek
maar ontspringt ternauwernood
Door het oog van de naald
Over een jaar
Nog bij elkaar?
De dans ontsprongen
Kerngezond?
Of met z’n allen
Gezellig onder de grond…

Controle

Het was prachtig weer. Ik was even met mijn scootertje een stukje door de polder gereden vóór dat ik naast ome Arie op òns bankje bij het mooie haventje aan het Spui ging zitten. De oude baas zat tevreden zijn pijp te stoppen. “Je kunt de lente gewoon ruiken, meneer Ype, heerlijk; voor de boeren is het de geur van de hoop! De hoop op een goed jaar, op een goede oogst!” Ik knikte, de meststank was mij tijdens mijn ritje inderdaad ook opgevallen. En de keurig voorbewerkte akkers, klaar om aan een nieuw gewas te beginnen. Bijna gelijk staken we onze pijpjes aan. “Binnenkort worden de avonden weer langer, heerlijk! Wanneer dan die avondklok weer wordt opgeheven kunnen we ook ‘s avonds nog even langs de velden fietsen en genieten van het voorjaar…” Hij snoof met zijn ogen dicht een diepe haal lucht in, alsof het al zo ver was. Ook ik verlangde naar het nieuwe seizoen. Twee tevreden ouwe baasjes op hun bankje bij de haven rookten hun pijpje en genoten van het leven. “Waar is Joseph, ome Arie?” vroeg ik. Het viel me nu pas op, dat hij zonder teckel was. “Die is met Riek mee op bezoek bij schoonzus Agaath. Die miste dat mormel.” Ik begreep dat wel. “En dan haalt Riek hem maandag weer op. Dus dit weekend geldt de avondklok ook gewoon voor mij!” Hij knipoogde. “Ach, wie controleert er nou?” zei ik, en ik nam een trekje van mijn pijp. De heerlijke geur van tabak verschafte me het gewenste genot. Hoe ongezond het ook mocht zijn. “Nou, dat moet u niet zeggen, meneer Ype, want Joseph en ik zijn heus deze week gecontroleerd!” Hij klonk nog een beetje verontwaardigd. “Twee handhavers hielden me staande en vroegen, of Joseph een hond was!” Ik schudde verbaasd mijn hoofd: “Dat meen je niet, ome Arie! Dat zie je toch gelijk?” Ome Arie knikte: “Ze vroegen of dat beest van mij was, en toen ik vertelde, dat hij van mijn schoonzus was, wilden ze weten of die ook in de Hoeksche Waard woonde en waar precies, zelfs haar adres! Dat hadden ze nodig om te controleren!” Ik zat hem nu met open mond van verbazing aan te kijken: “Maar dat slaat toch nergens op? Je mag toch ‘s avonds gewoon je hondje uitlaten?” Ome Arie knikte: “Dat zei ik dus ook en ik vroeg wat dat allemaal met de avondklok te maken had!” Hij blies een grote wolk rook uit, alsof hij stoom afblies. “En, wat hadden ze daarop te zeggen!?” vroeg ik, nu ook hoogst verontwaardigd. Ome Arie keek me aan: “Niets!” “Niets, hoezo niets?” Ome Arie keek weer vóór zich: “ Het had niets met de avondklok te maken. Ze waren van de hondenbelasting…”

Pitbull

De eerste lente-symptomen dienden zich aan: teckel Joseph liep zonder coltruitje buiten en ome Arie rookte pijp zonder handschoenen aan. Ze waren naar ons mooie haventje gewandeld en blij mij daar te zien. Joseph kwispelde en ome Arie groette me met een glimlach en tikte daarbij aan zijn pet: “Goeiemorgen, meneer Ype!” “Goeiemorgen ome Arie!”, antwoordde ik en ik gaf teckel Joseph een aai over zijn kop. Ik genoot al een tijdje van mijn pijp en het uitzicht. Ome Arie ging op ons bankje zitten met Joseph op de grond naast zich. Teckels kunnen ‘nonchalant’ zitten: met de achterpootjes niet recht onder het achterlijf, maar iets opzij, als een mens met de knieën over elkaar. Ik bekeek het met verbazing. Joseph bleek rechts-zittend. Hij hield duidelijk rekening met een langdurige wandelpauze. En berustte daarin. “Eindelijk weer een beetje weer om naar onze vaste stek te komen”, opende ik het gesprek. “Zo is ‘t, meneer Ype, zo is ‘t!”. Mijn gesprekspartner zat weer helemaal op zijn gemak en blies tevreden wolkjes uit. “Wanneer je met zo’n beest aan een touwtje rondloopt ontmoet je de vreemdste types.” Ik knikte, want ik kende het fenomeen. “Maar of je daar altijd blij mee moet zijn…”, antwoordde ik veelbetekenend. Ome Arie knikte: “Wat u zegt, meneer Ype! Gisteren nog. Een enorme kale baard met tatoeages en een pitbull. Doortje.” Ik glimlachte: “Zo heette de pitbull, neem ik aan?” Ome Arie knikte: “Hoe die baard heette weet ik niet. Maar die ging uitgebreid vertellen over zijn kickboks overwinningen en daarna kwamen er allerlei complottheorieën over de Corona!” Hij zuchtte: “Na de nogal gewelddadige inleiding durfde ik hem niet tegen te spreken, dat begrijpt u wel, meneer Ype!” Ik begreep het. Ome Arie wees op Joseph: “Die vent had Doortje even losgelaten, zodat ze op het veldje kon rondrennen. Dus ik maakte Joseph ook maar los. Maar of dat nou zo’n goed idee was!?” Hij nam een trekje aan zijn pijp. “Rothond!”, mompelde de oude boer vervolgens, naar de teckel kijkend. Joseph keek schuldbewust terug, voor zover teckels schuldbewust terug kunnen kijken. “Die twee honden bleken het uitstekend met elkaar te kunnen vinden. Heel erg goed zelfs!” Ik begon een angstig vermoeden te krijgen. “Terwijl die tattoo-figuur uitgebreid uit de doeken stond te doen hoe onze regering ons manipuleert en de Corona misbruikt om ons onder de duim te houden, zat achter hem Joseph bovenop Doortje te rijden! Hoe ‘ie het voor mekaar kreeg met die korte poten snap je niet; volgens mij was Doortje voor hem door haar kniëen gegaan.” Ik schoot in de lach.“Gelukkig was die rot-teckel nėt amechtig van haar afgestegen, toen de baard zich na dat onzinnige verhaal omdraaide en zijn pitbull weer riep: “Doortje, hier!” En tegen mij: “We gaan weer eens op huis aan!” De pitbull kwam natuurlijk direct. En Joseph slofte er zowaar hijgend achteraan. “Slechte conditie, die teckel van u, meneer!” zei die kale nog, “Dat gaat ons niet gebeuren, hè Doortje; wij trainen iedere dag! Wìj laten ons door die Corona mooi niet naaien!” Ome Arie had een gemeen grijnsje op zijn verweerde kop: “En ik zweer u, meneer Ype, die rot-teckel zat volgens mij stiekem te lachen!”

Joseph 2

Het dooide dikke druppels. Slechts hier en daar lag nog een restje sneeuwpop en het verkeer was weer als vanouds. Onderweg voor een boodschap zag ik ome Arie. Mèt teckel Joseph (Zie mijn vorige verhaal ‘Joseph’). Laatstgenoemde wederom gehuld in zijn bontgekleurde coltruitje. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn haast om vers brood te halen dus ik parkeerde mijn gouden koets. Ome Arie had weer gewoon zijn pet op en zijn klompen aan. Hij wist inmiddels, dat hij toch wel aan zijn grijze krullen herkend zou worden. Al zou hij een jurk aantrekken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. Hij groette terug, waarbij hij aan zijn pet tikte. Hij had een pijpje in zijn mond en leek het leven wel te omarmen, ondanks de aanwezigheid van Joseph. Ik wees naar het kleurige worstenbroodje en keek ome Arie vragend aan: “Is de logeerpartij niet doorgegaan?” Ome Arie nam een trekje aan zijn pijp. “Jawel!” Klonk het vrolijk, “hij is één nachtje weg geweest.” Joseph snuffelde aan een struik en toen deze was goedgekeurd tilde hij parmantig zijn achterpoot omhoog voor een plas. “En toen hebben ze hem weer teruggebracht!” Het kwam er vrij vrolijk uit. “Riek vond een paar weken het beest uitlenen zeker ook geen goed idee?”, raadde ik op goed geluk, want ik vermoedde bij het ontstaan van het idee om het mormel uit te lenen aan een verliefd stel met als enig doel het omzeilen van de avondklok al, dat ome Arie’s wederhelft hier niet zo blij mee zou zijn. Ome Arie grijnsde: “Riek was razend! Ze vond het niet kunnen tegenover haar zus. Het is immers haar hond!” Ik knikte begrijpend; dat viel te verwachten. “Maar inmiddels begrijpt ze het!” Hij nam vergenoegd een diepe haal rook en de grijns bleef. Ik begreep er niets van. “U :moet weten, meneer Ype, dat Joseph een vervelend verwend kolere-teckeltje is. En jalóers, niet te geloven!” Het hondje leek ons nu heel schuldbewust aan te kijken. “Hij kan er niet tegen, dat anderen aangehaald worden. Wanneer die vrijer van mijn kleindochter iets te aanhalig werd, ging hij blaffen en tegen hem opspringen. Dus van een romantisch Valentijns-avondje is weinig gekomen!” Hij lachte nu hardop. “Bovendien heeft hij, toen ze de gang in gevlucht waren om te zoenen, een halve pizza opgevreten…” Nu lachte ik ook. “En die heeft’ie ‘s nachts bij vriendje Derk thuis uitgekotst. De volgende morgen stond die knul al om negen uur bij ons voor de deur met teckel Joseph en al diens spullen!” Ik kon er wel om lachen. “Maar niet voor het één of ander, ome Arie, jij wist zeker, dat dat beest zo vervelend zou zijn?” Ome Arie knikte en zei, toen hij uitgelachen was: “Ik mag nog niet eens bij Riek in de búúrt  komen, of hij begint al zo te klieren!!” En met een vette knipoog: “ik was blij, dat het mormel op Valentijns-avond weg was….”

Joseph

Vanwege mogelijke gladheid liep ik uiterst voorzichtig langs de vijver vlakbij mijn huis om wat foto’s te maken van de ijspret, toen ik een duistere gestalte zag. Diep in zijn jas gedoken, een zonnebril op, zonder pet en op onopvallende schoenen in plaats van op klompen. Ome Arie. Hij keek schichtig om zich heen en voelde zich duidelijk betrapt toen ik hem groette: “Goeiemorgen, ome Arie!” “Sssst, zachtjes!” fluisterde hij, “straks ziet iemand me!” en hij keek al een beetje betrapt. Toen zag ik de reden van zijn schaamte: hij had de teckel van schoonzus Agaath weer bij zich. Het worstenbroodje had nu een coltruitje aan! Een fel gekleurd zelfgebreid wollen geval, met een gat voor het vrolijk zwaaiende staartje en ruimte rond het piemeltje, zodat het beest ongehinderd de achterpoot kon optillen voor een plas. Ik moest moeite doen om mijn lachen in te houden. Ome Arie zag me kijken en keek me aan met een dieptrieste blik. “Erg, hè!” zei de oude boer, “en daar laten ze mij mee buiten lopen!” Ik kreeg toch een beetje medelijden met hem. “Maar eerder deze week had hij dat geval toch niet aan?” Ome Arie schudde het grijze hoofd: “nee, toen had ik hem in zijn adamskostuum meegesmokkeld. Maar dat is me nu dus niet gelukt…” Inmiddels besloot het coltruitje er een flinke drol uit te persen. Ome Arie en ik keken vol walging naar de voor zo’n klein hondje imposante dampende hoop. Zoals het hoort pakte het baasje de poep op met een speciaal poepzakje. Hij stond er een beetje ongemakkelijk mee in zijn grote knuist en keek zoekend rond naar een prullenbak. Gelukkig bleek er niet ver bij ons vandaan één te staan, vlakbij het ijs. We liepen er naartoe. Op dat moment werd ome Arie gespot: “Hey, opa Arie!” Een jongedame kwam op ons af geschaatst. “Ik had u bijna niet herkend, zo zonder klompen en zonder pet!” Ome Arie zuchtte. “En is dat Joseph?” Ze wees op het mormel in zijn truitje. “Joseph!?”, vroeg ik. Ome Arie had die naam al die tijd voor me verborgen weten te houden. “Naar Joseph Luns, vanwege zijn enorme neus…” Ik kon er wel om lachen. Het meisje zat inmiddels op haar hurken Joseph te knuffelen. Het beest kwispelde luid van herkenning. “Maar waarom loopt u met Joseph, opa? Is er iets met tante Agaath?” Ze werd op de hoogte gebracht van het gebroken been van haar oudtante. Het was een mooie meid van een jaar of achttien, maar ik ben nogal slecht in het schatten van leeftijden. Zeker wanneer alles zo goed ingepakt zit. Een knul kwam onze kant op geschaatst. “Kijk, opa Arie, dat is Derk, mijn vriend!” Ze was duidelijk trots op haar verovering. “Hij heeft bonbons voor me gekocht! Voor Valentijnsdag!” De knul was met veel opspattend ijs-schraapsel bij ons tot stilstand gekomen en stelde zich voor. Ome Arie bekeek hem, ietwat geringschattend, en bromde: “goed zo, zorg maar heel goed voor mijn favoriete kleindochter!” De knaap keek het wicht heel verliefd aan: “natuurlijk, meneer!” Ome Arie leek tevreden over dit antwoord. Het stel stond nu dicht tegen elkaar. “We waren  vanavond graag samen geweest. Pizzaatje eten en filmpje kijken, maar vanwege de avondklok moet Derk om negen uur weer thuis zijn!” En nog meer teleurgesteld: “En van mijn ouders mag hij nog niet blijven slapen.” Ome Arie knikte goedkeurend. Inmiddels zat Derk op zijn hurken met Joseph te spelen. Opeens kwam er een klein grijnsje om ome Arie’s mond: “Woont Derk op loopafstand bij jou vandaan?” vroeg hij zijn kleindochter. Ze knikte. Het grijnsje werd iets breder en een tikkie vals: “jullie mogen Joseph wel een paar weekjes lenen, dan kunnen jullie ‘s avonds wat langer bij elkaar blijven!” Het stel begreep direct wat hij bedoelde. De teckel was dè oplossing om onder de avondklok uit te komen! Ze gingen gelijk hun schaatsen uitdoen om de spullen van Joseph op te gaan halen. Ome Arie gaf een rukje aan de lijn van onze Cupido: “kom op, mooie jongen, we moeten het goede nieuws aan Riek gaan vertellen!” Samen gingen ze huiswaarts. Ik vroeg me alleen af hoe de reactie van het thuisfront op dit mooie plan zou worden. Ik hield mijn hart vast…

Schoonvaders’ urn

Het was een prachtige dag. Door het zonlicht kleurde de sneeuw witter dan wit en ik zag veel zonnebrillen op het ijs. Er werd druk geschaatst op een vijver vlakbij mijn appartement. De vrolijke gezichten waren een verademing in de dagen van klagen en chagrijn. Opeens zag ik ome Arie. Hij liep met een hond aan een riempje. Een teckel. “Zo, ome Arie, carnaval aan het vieren?” Hij keek verbaasd om. “Goeiemorgen, meneer Ype! Carnaval aan het vieren? Hoezo?” “Vanwege dat worstenbroodje aan een touwtje!” lachte ik, maar ome Arie deelde mijn humor niet. “Dat is niet mijn hond, dat beest is van schoonzus Agaath.” Het klonk weinig enthousiast. “Ze passen bij elkaar: net zo eigenwijs!” Ik knikte, want ik heb ooit zelf teckels gehad. “Mooi, hè, die ijspret”, wees ome Arie, en er kwam een glimlach op zijn verweerde kop. “Ja, geweldig, ome Arie! Eindelijk hoor en zie ik weer lachende mensen!” De teckel deed een plas. Een klein geel plekje ontsierde de sneeuw. “Agaath zit met haar been in het gips. Door dat mormel…” zuchtte de oude boer, “dus nu is hij voorlopig even bij ons.” Het beest leek schuldbewust omhoog te kijken. “Hij zag een kat en vloog vlak vòòr Agaath de spekgladde weg over. Het was een perfecte tackle! Been gebroken, net boven de enkel.” “Zo, daar zal ze even zoet mee zijn!” gemeenplaatste ik ernstig terug. De teckel ging zitten, maar de koude grond deed hem direct weer omhoog veren. Ome Arie zag het ook en schoot in de lach: “Ja, dat is koud aan je ballen, hè, jongen?” Het beest keek besodemietert. We keken weer naar de ijspret. “Waar komt die hekel aan je schoonzus toch vandaan, ome Arie? Volgens mij zit het nogal diep.” Hij antwoordde even niet. Ik besloot niet aan te dringen, want mogelijk wilde hij er niet over praten. Zo stonden we even en net, toen ik huiswaarts wilde gaan, begon hij te vertellen: “Het zal heus een best mens zijn, maar ze is zo eigenwijs en daarbij ook nog koppig. Ze heeft de neiging iedereen haar wil op te leggen. En ik ben een boer die  wel voor zichzelf kan denken.” Ik knikte begrijpend. “Aanvankelijk liet ik haar maar kletsen, maar sinds de begrafenis van mijn schoonvader zijn de betrekkingen ietwat bekoeld, zullen we maar zeggen!” Hij keek even opzij. “Ze wilde echt álles bepalen, zogenaamd omdat haar vader het zo had gewild…” Wanneer hij nu een pijp brandend zou hebben gehad, zou hij een trekje genomen hebben. “De arme man moest een pak aan, terwijl hij nooit een pak droeg. Er werd klassieke muziek gespeeld, terwijl hij het liefst doedelzakken hoorde. Allemaal háár idee!” Ik schudde mijn hoofd. “Nou kon ik er wel mee leven, want de beste man was toch al dood. Ik heb me er maar bij neergelegd. Je gaat op een crematie toch geen ruzie schoppen, meneer Ype?” Ik begreep het, “dat vind ik ook ome Arie, heel wijs!” Het was even stil. Er kwam een klein vals grijnsje op ome Arie’s gezicht. “Maar dat ze vervolgens zijn as wilde uitstrooien over de binnenmaas ging me te ver!” Ik keek hem vragend aan. “Moesten we met de hele familie in een roeibootje een rot-eind roeien naar een geschikte plek, kreeg ze het deksel niet van de urn…” Het lachje werd nog valser. “Dus de hele rouwvloot weer terug. En tot op de dag van vandaag zit hij nog in zijn urn…” “Die deksel was niet meer los te krijgen?” vroeg ik, eigenlijk ten overvloede. “Twee componentenlijm, meneer Ype, prima spul!” Nu lachte we samen hardop. “Maar, waarom heb je dat eigenlijk gedaan, ome Arie? Die andere dingen liet je toch ook gebeuren?” De oude baas werd weer even serieus: “Dit ging me gewoon ècht te ver, meneer Ype! Mijn schoonvader uitstrooien over de Binnenmaas, het idee! Die arme man kon glad niet zwemmen….”

Lekkerbekje

Toen we op onze maaltijd-bezorg route langs een sneeuwpop met klompen, een boerenpet en een pijp kwamen op de plek, waar ome Arie bij een vorige rondgang met zijn kleinkinderen druk in de weer was geweest, konden we een brede glimlach niet onderdrukken. “Kijk, een standbeeld voor je boerenvriend!”, zei mijn lief. “Dan zal hij het verdiend hebben!”, grapte ik terug, toen ze uitstapte met zo’n thermodoos met eten voor een oudje. Eigenlijk meende ik het wel. Ome Arie verdient een standbeeld, omdat hij het voorbeeld is van iemand, die in deze periode niet zeurt. Die zichzelf niet hèt grootste slachtoffer voelt van de Covid-ellende, zoals zovele anderen. Mijn eega kwam terug met een lege doos en we zetten onze route voort. Toen we klaar waren gingen we wat boodschappen doen. Ik ging, zoals altijd, niet mee de winkel in. Er stond een grote grijze bus vis te verkopen. En daar stond ome Arie. Hij pakte net een dampende bak vis aan. Ik stapte uit de auto om even een praatje met hem te maken. “Eet smakelijk, ome Arie!”, groette ik. Hij had net, met zijn ogen dicht van het verwachte genot, een hap genomen, dus kon slechts knikken ter wederbegroeting. Toen de eerste hap z’n weg omlaag gevonden had, wees onze lekkerbek naar de visbus: “Lekker, hoor, meneer Ype! En hartstikke vers, vannacht was het op de Noordzee zò koud, dat de vis al diepgevroren het net in zwom!” De omstanders moesten lachen. Ik sloeg toch even over, hoewel het water me in de mond liep. “Eigenlijk zou ik het moeten doen, want de vissers hebben het toch al moeilijk genoeg.” Ome Arie knikte, inmiddels de tweede hap doorslikkend. “Inderdaad, meneer Ype, een neef van me is eigenlijk visser, maar die heeft zijn kotter om laten bouwen voor uitvaarten…” Ik begreep er weer eens niks van: “Uitvaarten, maar dat deed hij toch al, hij bleef toch niet in de haven liggen?” Ome Arie lachte, voor zover zijn volle mond dat toeliet. Toen hap drie weg was, vervolgde hij: “Nee, ùitvaarten, zoals het uitstrooien van as van overledenen. Een gat in de markt, want dat is mode. Hij heeft soms wel drie uitvaarten per week!” Hij nam weer een hap. Een andere man mengde zich ook in het gesprek: “Dat klopt, mijn schoonvader wilde ook zo’n zeemansgraf. Het was wel duur, maar het was nou eenmaal zijn laatste wens!” Er werd instemmig geknikt. “Gisteren is die grafkotter nog uitgevaren. Geen pretje met die kou, maar vissen ook niet.” Hij wilde net zijn laatste hap nemen toen de andere viseter op zijn lekkerbekje wees en opmerkte: “Nu maar hopen, dat hij met die harde wind van gisteren tijdens het uitstrooien niet vlak naast het schip voer, dat nèt jouw vis binnen haalde, ome Arie!” Laatstgenoemde keek de man vragend aan: “want anders kon dat lekkerbekje wel eens behalve diepgevroren ook nog eens vers gepaneerd het net ingezwommen zijn!”  Ome Arie’s eetlust was opeens een stuk minder.

Sneeuwpret

De voorspelling kwam uit: sneeuw! En hoe! Geen dun laagje poedersuiker, maar een dikke laag basterdsuiker, perfect voor sneeuwballen en sneeuwpoppen. Ik moest samen met mijn lief maaltijden bezorgen voor de plaatselijke gaarkeuken en was al vroeg in de weer gegaan om mijn autootje sneeuwvrij te krijgen. Toen niemand keek probeerde ik toch even een sneeuwbal en was tevreden over het resultaat. Alleen bleken slippers niet het beste sneeuw-schoeisel. Mijn ijsvoeten ontdooiden gelukkig snel in de auto toen we eenmaal met onze bezorg-ronde bezig waren. Ik zocht tergend langzaam mijn weg, want het was glad en de weg verstopt onder een dikke witte laag waardoor haar ligging niet altijd duidelijk was. Opeens zag ik ome Arie bij een groepje kinderen staan.  Ze keken naar een oud Volkswagentje Golf, dat er verfomfaaid uit zag. De hele voorgevel lag in puin en er stonden vier bedremmelde jongens omheen.  Ik stopte en draaide mijn raampje open om de oude baas te vragen of hij hulp nodig had.  Ome Arie schudde zijn hoofd terwijl hij de onfortuinlijke chauffeur niet erg troostte.  De gasten duwden het wrak huiswaarts en ome Arie knipoogde naar mij. Toen ze uit het zicht waren raapte hij zijn pijp op. “Hoe komt je pijp nou op de grond, ome Arie?” vroeg ik. “Die hadden mijn kleinkinderen geleend voor de sneeuwpop.” Ik keek rond, maar er was alleen een grote hoop sneeuw te zien. “Sneeuwpop?” “Ja, de tweede al, die de kinderen gebouwd hebben, hè, jongens?” betrok hij het kleine spul in het gesprek. “Maar die stoute grote jongens hebben de eerste met hun auto kapot gereden, toch?” De kinderen stonden om het hardst ‘ja’ te knikken. “En daarbij is opa Arie’s andere pijp gebroken. En dat vond opa Arie niet leuk, daarom heeft hij jullie geholpen met jullie nieuwe sneeuwpop!” De kinderen knikten blij. “Maar toen kwamen die rot knullen weer en wilden de nieuwe, nog mooiere sneeuwpop met opa’s nieuwe pijp in zijn kop weer kapot maken, hè jongens?!” Weer eenstemmig geknik. “Maar dat is toch gelukt?” kon ik niet nalaten op te merken. “Maar hun auto doet het geen derde keer!” zei ome Arie. Hij veegde wat sneeuw opzij. “We hadden deze sneeuwpop om zo’n Amsterdammertje heen gebouwd, zo’n keihard paaltje, en daar kon dat oude Golfje niet zo goed tegen. Waarschijnlijk vragen die gasten zich nog steeds af hoe wij die sneeuwpop zo hard gekregen hebben…” Achter hem stonden glunderende bekkies: “En uw pijp is nog heel, hè, opa!” Gierend van het lachen vervolgden mijn lief en ik onze maaltijd-bezorg-ronde.

Sneeuw

Toen ik aan kwam rijden bij ons bankje aan het mooie haventje van ons dorp zat ome Arie daar al zijn pijpje te roken. Hij zat in diep gepeins verzonken en schrok een beetje, toen ik hem begroette. “Goeiemorgen, ome Arie! Ben je aan het mediteren?” Zei ik goedgemutst, want dat was ik. “Goeiemorgen, meneer Ype! Mediteren? Dat heb ik ooit geprobeerd, maar dat was geen succes. Ik moest het van Riek eens proberen, omdat het héél goed voor me zou zijn. Die verrekte ‘eigen bestwil’. Het was in de periode, dat mijn schoonvader net was overleden. Een geweldige man. Ik moest net aan hem denken.” Er verscheen een glimlach op het verweerde gezicht van de bejaarde boer. “Door het weerbericht: meneer Ype, door de voorspelling van sneeuw!” Ik kreeg ook een glimlach op mijn gezicht. Sneeuw is een toverwoord voor herinneringen. “Mijn schoonvader leek zelfs op hoge leeftijd nog een jonge hond wanneer het ging sneeuwen!” Ik stak mijn pijp op. “Wie niet, ome Arie, wie niet!” Ook ik kan het niet laten minimaal één sneeuwbal in iemands richting te gooien, wanneer de wereld wit gekleurd is. Ome Arie blies een wolkje de grijze lucht in. “Hij sleepte dan met zijn oude tractor, een immense rij sleetjes door het dorp, onvermoeibaar! Onze kinderen als voorsten, apetrots, omdat de voerman hún opa was!” Ik zag het beeld voor me. Niks zo mooi als sneeuwpret in verse sneeuw. Ook ome Arie zat zichtbaar te genieten van de herinnering. “Wanneer hij dan ging trekken steeg er zo’n zwarte rookpluim omhoog uit de uitlaatpijp van die oude diesel en gejuich uit al die kinderkelen!” Hij stak zijn pijp in de lucht en riep, als was hij er weer bij: “vooruit met de geit!!!” Ik kon er wel om lachen; hij ging helemaal op in zijn verhaal. “Ondertussen maakte Riek en haar moeder dan warme chocolademelk en dikke erwtensoep!” Ik knikte:  het water liep me in de mond bij de gedachte. Ook ik had prachtige herinneringen aan sneeuw. Hoe we zelf op ons sleetje werden voortgesleurd, hoe we sneeuwpoppen bouwden. Hoe we onze eigen kinderen eens op een avond, dat het gesneeuwd had, uit hun bed haalden om ze, verlicht door een prachtige volle maan, op hun slee door de nachtelijke sneeuwstraten te sleuren. Zo zaten twee sentimentele oude mannen met een glimlach op hun gezicht te verlangen naar sneeuw. Ik moest er wel om lachen. Ook ome Arie zat te lachen. “Ouwe gekken!” Bromde hij, en hij trok aan zijn pijp. “Maar hoe zat het nou met dat mediteren, ome Arie?” kon ik niet nalaten hem een beetje te plagen. “Dat was een onderdeel van de yogales, waar Riek me voor opgegeven had. Zij ging daar zelf ook heen. Ik ben maar één keer geweest.” Hij zweeg even. Ik voelde dat er meer moest komen en keek hem verwachtingsvol aan. “Ik ben van yoga afgetrapt!” Ik schoot in de lach. “Afgetrápt? Hoe kwam dat dan?” Hij zuchtte: “ik zat tijdens het mediteren nogal hard te snurken…”