Toen ik aankwam bij ons bankje zag ik ome Arie in gesprek met een klein mannetje. De waarschijnlijke moeder stond er geamuseerd bij te kijken. Ik hield een beetje afstand, teneinde het moment niet te verstoren. Aan de passantensteiger lagen drie scheepjes: een lelijk modern polyester strijkijzer, een lelijke ‘plamuur-kuip’ (Een stalen motorkruiser, die er strak uitziet door het nodige plamuurwerk) en een sloep. De haven was nog behoorlijk vol. Het hoogseizoen was dan wel voorbij, maar het was nog te vroeg om het vaargenot aan wal te takelen voor het winterse onderhoud. Inmiddels was de audiëntie bij ome Arie afgesloten. Ik ging naast hem zitten en pakte mijn pijp en mijn tabak. “Dat was mijn kleinzoon,” zei ome Arie, “tenminste: één van mijn kleinzonen,” hij stopte nu ook zijn pijp. “In het bijzijn van de kleinsten rook ik niet.” Ik knikte begrijpend. Hij stak zijn pijp aan. “Dit is de jongste”. Hij blies een wolkje uit. “Ik heb grote en kleine kleinzoons. Die grote zijn al in de twintig. Deze is vier.” Ik kon het nog volgen. “Er is nog een kleine, die is niet zo groot als deze.” Klonk logisch. Maar toen werd het lastiger: “Dat is mijn kleine kleine kleinzoon.” Nu begon het mij te duizelen: “Dus er bedtaat ook een grote kleine kleinzoon?”, vroeg ik verbaasd. De oude veeboer knikte: “Dat is dus deze!” Hij leunde achterover. “Zo houd ik ze uit elkaar!” Ik begon het spoor bijster te raken. “En je weet ook hoe ze heten?”, vroeg ik, “Ook handig om ze uit elkaar te houden!” Ome Arie keek opzij: “Natuurlijk,” zei hij, ietwat beledigd, dat ik aan zijn geheugen dorst te twijfelen: “de oudste heet Arie!” Ik wist nu nog weinig; “De oudste van de groten of de oudste van de kleinen?” Het begon op een sketch van Snip en Snap te lijken. “Allebei!” “En deze?”, vroeg ik. “Omar!,” was het antwoord, “Maar omdat deze arabische naam bij sollicitaties later wellicht problemen geeft, hebben ze hem nog een naam gegeven!” Het klonk triomfantelijk. Hier was over nagedacht: “Arie!” Ik herhaalde de hieruit volgende totale naam: “Omar Arie!”, en probeerde mijn lachen in te houden.
Fakenieuws
De nazomer was mooi. De ‘Indian Summer’. De eerste bladeren vielen. Een in een oranje wegwerkers-pak gestoken man blies ze weg met een lawaaierig apparaat. Ome Arie zat met zijn pijp driftig wolkjes uit te blazen terwijl hij iets op zijn telefoon zat te lezen. Hij zag mij, bromde: “goeiemiddag”, en las verder. Ik zei vrolijk “goeiemiddag!” terug. Ik pakte mijn pijp. Hij las verder, duidelijk geïrriteerd. Ik liet hem rustig begaan, terwijl ik mijn pijpje aanstak. Er zat hem iets dwars en daar zou hij vanzelf wel over beginnen. Zo zaten we even, samen in stilte te roken. Na een tijdje keek hij me aan: “Dit geloof je toch niet!” Hij wees met zijn pijp op zijn telefoon en herhaalde: “Dit geloof je toch niet?” Ik zei niets, maar keek hem vragend aan. Ik was niet van hem gewend, dat hij zo boos ergens op reageerde. Doorgaans was hij een voorbeeld van rust en waardigheid. Dat waardeerde ik juist zo aan hem. Rust en waardigheid worden heden ten dage meestal overschreeuwd door minkukels met gebrek aan decorum. Hij wees nogmaals op zijn draagbare beeldschermpje: “De commentaren, die ik krijg op uw stukje van enige dagen geleden!” Ik keek verbaasd, me van geen kwaad bewust: “Over Agaath in de bramenstruik?”, vroeg ik, me van geen kwaad bewust. Hij knikte: “Wat ze daarvan maken!” Woedend trok hij aan zijn pijp. Hij opende de bewuste app. “Hier:” Hij gaf mij zijn telefoon. Met stijgende verbazing las ik de kop van het stukje: ‘bejaarde vrouw ontsnapt aan poging tot groepsverkrachting door losgeslagen, met messen gewapende, asielzoekers!’ Verbaasd trok ik mijn wenkbrauwen op. “Maar dat heb ik helemaal niet zo beschreven!” Nu begreep ik zijn boosheid. “Het is gewoon niet waar!” Ik werd nu ook boos. Zo zaten we samen even boze wolken uit te blazen. Reageren op dit soort haatdragende leugens is zinloos, dat beseften we allebei. Haat is lastig te bestrijden. Hooguit met relativerende humor: “Agaath kennende, komt iedereen, die haar probeert te verkrachten in aanmerking voor slachtofferhulp!”, zei ik zachtjes, niet wetend of mijn metgezel deze opmerking kon waarderen. Ome Arie keek verbaasd mijn kant op en er verscheen weer een klein glimlachje op zijn verweerde kop: “Dat zal ik er maar niet onder zetten, want ik weet niet of Agaath dat leest” zei hij, nu weer rustig, “maar ik denk, dat u gelijk hebt, meneer Ype!” Even was het stil. Hij keek me bezorgd aan: “Zou Agaath dit stukje lezen?” Ik blies een wolkje uit: “vast niet, ome Arie, vast niet!”
De bladblazer voorkwam met zijn kabaal een verder gesprek.
Bramenstruik
Bramenstruik
Ome Arie veegde de eerste herfstbladeren van dit jaar van zijn kant van ons bankje. Hij ging met een diepe zucht zitten en pakte zijn pijp. Ik besloot niet naar de reden van zijn zwaar gemoed te vragen. Ik was die middag ook nog maar net gaan zitten op ‘ons’ bankje aan de haven. Ik stak mijn pijp aan. Het was vrijwel windstil. De wolkjes kringelden bijna recht omhoog. Ook bij mijn bankgenoot ging de vlam in de pijp. Weer volgde een diepe zucht, waarmee de rook met kracht het luchtruim koos. Ik keek opzij. “De opwarming van de aarde heeft bij mij thuis enige vertraging opgelopen,” zuchtte hij. Ik keek verbaasd opzij. “Riek is boos!” Hij trok aan zijn pijp. “En daarmee is er een nieuwe ijstijd aangebroken…” Ik grinnikte: “Ach, beste vriend, dat zal ook wel weer goed komen.” Hij reageerde niet. Ik vervolgde: “Maar wat is er dan gebeurd?” Mogelijk moest hij gewoon even zijn verhaal kwijt. Hij keek mijn kant op: “Klein ongelukje in de keuken. Riek was naar Agaath, want die had ook een ongelukje gehad!” Hij kreeg nu zelf ook weer een lachje op zijn gezicht: “Ze reed in het Zuid-Beijerlandse bos en is daar pardoes een bramenstruik in gereden. Alleen het fascistische oranje-wit-blauwe prinsen-vlaggetje dat achterop haar scootmobiel op een lange fiberglas-steel is gemonteerd, stak nog boven het groen uit.” Ik kreeg een beeld van de situatie. “En als steun voor de boeren heeft ze dat vlaggetje ook ondersteboven gehangen!” Ik zag er de humor wel van in. “Maar net op dat moment kwam er een groepje jongens voorbij.” Hij stopte even en keek om zich heen. “Buitenlanders. Die liepen zich daar te vervelen. Agaath zou zeggen, dat ze daar rondkeken of er nog iets te verkrachten viel.” Ome Arie kon wel lachen om deze grap. “Die gasten schoten gelijk te hulp. Met hun vervaarlijke zakmessen sneden ze takken weg en ze tilden met elkaar de scootmobiel, met Agaath er nog op, uit de braamstruik.” De verteller kreeg een grote grijns op zijn gezicht: “En al die tijd zat Agaath met haar armen gekruist voor haar borst!” Ik keek even opzij: “Was ze bang, dat ze haar borsten wilden betasten?” “Neen,” gierde ome Arie, “Ze had een t-shirt aan, waarop met grote letters stond: IK REM NIET VOOR ALLOCHTONEN !”
Nu schoot ik ook in de lach. Nadat we uitgelachen waren zat ik nog wel met de vraag waarom Riek boos was geworden. Op mijn vraag hierover verdween de lach van ome Arie’s verweerde kop: “Omdat Riek er niet was besloot ik voor mijn lunch een lekker bakkie erwtensoep uit de vriezer op te warmen in de magnetron. Toen het belletje ging, wilde ik door het ruitje kijken, maar dat was groen. Net als de rest van het interieur van de magnetron.” Hij zuchtte weer. “En toen kwam Riek binnen…”
Links- of rechtsom
Ik had ome Arie al een tijdje niet gezien. Ons treffen berust op toeval. Soms komen we allebei ‘s ochtends, soms ‘s middags. ‘s Avonds heel zelden. We hebben hier geen duidelijke afspraken over. Maar dit keer trof ik mijn oude vriend in de middag. Het weer nodigde uit tot een pijpje op ons bankje, dus ik stalde mijn scootertje bij ons haventje. Niet veel later kwam ome Arie. “Goeiemiddag, meneer Ype”, klonk het welgemutst. “Goeiemiddag, ome Arie!”, antwoordde ik, blij hem weer eens te zien. We stopten onze pijpjes en genoten van het gedoe in de haven. Een in onze ogen lelijk jacht probeerde bij de passantensteiger te draaien. De haven bleek op dat punt echter te smal voor de pompeuze tupperware-bak (zo noemden wij polyester schepen meestal). Of het jacht te lang. We hoorden het hoge gegil van boegschroef en ook nog van een dwarse hekschroef (echt, dat bestaat!), maar de haven bleef even smal en de boot even lang. Bovenop de ‘flying bridge’ (een stuurstand bovenop het stuurhuis) stond een bebaarde schipper met kapiteinspet erg zijn best te doen. Hij keek neer op het veel lager gelegen dek, waar een vrouwelijke lichtmatroos nerveus heen weer huppelde met een stootwil aan een lijntje in haar gemanicuurde handen. Ze durfde duidelijk niets te zeggen. Ome Arie bekeek het gedoe met leedvermaak: “Kapitein Iglo kent de lengte van zijn eigen schip niet zo goed.” Hij trok aan zijn pijp. “De beste stuurlui zitten aan wal,” plaagde ik hem. “Dat kan, maar in ieder geval niet daar aan boord”, antwoordde de oude baas gevat. De schipper gaf de eerste poging op en probeerde het vervolgens andersom! Gedoemd te mislukken: de haven bleek linksom net zo smal als rechtsom. De lichtmatroos huppelde nu aan de andere kant het dek op en neer. “Ozosnel,” grapte ik, maar ome Arie leek deze verwijzing naar ‘s lands beroemdste schimmel niet te snappen. Eigenlijk best begrijpelijk. Inmiddels koos de visstick-schipper eieren voor zijn geld en meerde zonder te zijn gedraaid met veel hulpmotor-gegil met de boeg richting einde van de haven aan. “Ik ben benieuwd of hij de schuld van dit falen nu bij zijn bemanning legt”, lachte ome Arie. Daar gingen we niet achter komen, want het evaluatiegesprek tussen de bemanningsleden vond benedendeks plaats.
Stroomnet
Stroomnet.
Op ‘ons’ bankje bij de haven zat iemand. Zonder klompen. Het was neef Nitus, zo genoemd vanwege zijn nimmer aflatende overal tegen zijnde. Een teken des tijds. Na enige twijfel besloot ik toch naast hem plaats te nemen, daar ik ome Arie ook nog verwachtte. “Goeiemorgen, Tinus (zijn echte naam)”, groette ik. “Goeiemorgen, meneer Ype (zo noemt ome Arie mij ook altijd)”, antwoordde hij; “Ome Arie is er nog niet!” Ik knikte, pakte mijn pijp en mijn tabak. Neef Nitus volgde nauwlettend mijn bewegingen. Ik keek, terwijl ik de geurige melange zorgvuldig in mijn pijp stopte even zijn kant op. Hij liet me trots een pijp zien: “Ome Arie zou me leren pijp te roken!” Ik stopte even met stoppen. “Hoe dat zo, knul?”, vroeg ik. Ieder manlijk persoon onder de vijftig is voor mij een ‘knul’. “Het is veel gezonder dan vapen en het staat veel interessanter!” Dat laatste klopte wel. Het eerste zou ik eerder omschrijven als ‘minder slecht’, maar ik hield mijn mond. Dat wist hij zelf heus wel.
Op dat moment kwam ome Arie aanfietsen. Hij stalde zijn ebike, pakte zijn rookbenodigdheden en kwam bij ons zitten. “Goeiemorgen!”, groette hij, “Ik ben wat later dan anders, maar ik moest omfietsen. Het hele dorp ligt overhoop voor allerlei nieuwe leidingen.” Ik knikte, want ook ik had hierdoor wat vertraging opgelopen. “Weet u, waar al die nieuwe leidingen voor dienen, ome Arie?”, vroeg Tinus. “Natuurlijk, knul, natuurlijk weet ik dat.” Hij pakte zijn pijp. “Maar eerst mijn pijp stoppen. Let goed op knul: wanneer een pijp nieuw is, moet je deze inroken.” Neef Nitus hing aan zijn lippen. “Dan vul je de kop niet verder dan de helft en druk je de tabak lichtjes, maar wel stevig aan.” De neef zat met zijn tong in zijn mondhoek zorgvuldig de instructies op te volgen. “Is het zo goed?”, vroeg hij, terwijl hij zijn pijp aan professor Arie gaf. Deze voelde in de pijpenkop of de tabak strak genoeg zat. Hij keek er heel gewichtig bij. “Zo moet het lukken, knul, zo moet het lukken!” De knul pakte de pijp weer aan, nam deze in zijn mond en trachtte de tabak brandend te krijgen. Met een lucifer. Dat was onbegonnen werk bij windkracht vijf. Ome Arie schudde het grijze hoofd. Hij gaf de stuntelende neef zijn gasaansteker. Al gauw proestte Tinus zijn eerste rookwolken uit. Ook ome Arie stak zijn pijp aan. De mijne brandde al even. Zo rookten twee van ons genoeglijk en één wat ongemakkelijk ons pijpje. “Maar hoe zit het nou met die leidingen?”, vroeg neef Nitus. Ome Arie blies een wolkje uit. “Nou, dat zit zo: het elektriciteitsnet raakt overbelast.” Neef Nitus knikte. Daar had hij wel eens iets over gehoord: “Met al die elektrische auto’s en datacenters en zo, toch, ome Arie?” “Nou, in ons dorp zit geen echt datacentrum, volgens mij.” Neef Nitus wist hier niets op te zeggen. “Maar wel veel zonnepanelen!”, sprak onze oude veeboer. Hij trok heel interessant aan zijn pijp. Tinus was één en al oor. “En bij zonnige dagen leveren die zonnepanelen stroom aan het net!” Tinus trok verwoed aan zijn gedoofde pijp. Ome Arie gaf hem zijn aansteker weer. Nadat de pijp van de neef weer rook voortbracht, vervolgde ome Arie: “En dat stroomnet is geschikt voor stroom leveren, en dus niet voor stroom ontvángen!” Ik verslikte me bijna in een rookwolkje. “Voor terugleveren liggen de kabels verkeerd om.” De neef begreep er niks meer van. “De stroom kan niet heen en weer in 1 kabel. Dat is toch logisch!” Tinus keek mij aan, maar ik keek zeer ernstig terug. “Daar heb ik nog nooit bij stilgestaan…”, stamelde hij. Ome Arie dus wel: “Dus nu leggen ze extra kabels in de straat, speciaal voor de teruglever-stroom. Die liggen ook andersom!” De neef dacht diep na, mompelde iets in de trant van “klinkt logisch, maar…”, en liep, al rook uitblazend, twijfelend richting de dijk. Daar keek hij nog eens om. Ome Arie en ik vertrokken geen spier tot de beginnend roker uit het zicht verdwenen was. Toen gierden we het uit.
Eva
Het was zonnig, maar minder warm dan de vorige dag. Ome Arie zat genoeglijk zijn pijpje te roken, tevreden als altijd. Ik parkeerde als altijd mijn scootertje achter ons bankje. Het water in ‘ons’ haventje stond laag. Het klinkt misschien vreemd, maar het is net of het verschil tussen hoog- en laag-tij te ruiken is. Net of hoogtij frisser ruikt. Ik snoof de lucht nog eens op voor ik naast mijn vriend op het bankje plaats nam. “Goeiemiddag, meneer Ype”, groette hij, “goeiemiddag”, antwoordde ik. Ik pakte mijn pijp en mijn tabak ter voorbereiding van mijn rookgenot. Het haventje was nog grotendeels leeg. Wachtend op de zomerdrukte. Een enkel scheepje werd door een verveelde bejaarde schipper afgespoeld en gezwabberd, zoals hij die week al drie keer eerder gedaan had. Als tijdverdrijf in saaie tijden. We wisten, dat zijn ‘matroos’, zoals hij zijn vrouw altijd plagerig noemde, deze winter was afgemonsterd. Voorgoed. De man was sindsdien vaak op zijn bootje, de Eva, genoemd naar zijn lief, bezig de herinneringen op te poetsen. Hij was ooit eens bij ons komen zitten om wat van die herinneringen met ons te delen. Over hoe ze, nog niet zo lang geleden, samen hadden genoten van de rust van het voor- en naseizoen. Helemaal alleen in een kreekje in de Brabantse Biesbosch. Ze hadden, begeleid door een koor van vogels en kikkers, stiekem naakt rond hun bootje gezwommen, vrij, haast gewichtloos en ondeugend als in hun jonge jaren. Hij had na deze intieme bekentenis uitvoerig zijn neus gesnoten, was weer naar zijn Eva gesjokt om haar nog maar eens af te spoelen, liefdevol, geen plekje vergetend.
Oud en wijs
Oud en wijs
De verkiezingen voor de gemeenteraad waren weer voorbij. Het was net of ons haventje er weer wat vrediger bij lag. Ik rookte tevreden mijn nieuwe pijpje. Ome Arie kwam rustig aangefietst. Zo rustig, dat het mij verbaasde, dat hij niet omviel. Knap! Hij stalde zijn trouwe ros achter ons bankje. “Goeiemorgen, meneer Ype!” Ik groette hem terug. Hij pakte zijn pijp en een zakje tabak en ging naast me zitten. “Zo, mooi weer voor een pijpje en een goed gesprek!”, zei hij monter. Ik moest glimlachen. “De verkiezingen zijn gelukkig voorbij, dus kunnen de mensen weer normaal doen tegen elkaar!” Ik begreep hem. Ook in mijn omgeving had ik veel discussies vermeden. Oost-Indisch doof en oost-Indisch dement. Ik ben te oud geworden om te strijden. Waar is de tijd van de onverzettelijk zachtmoedigen? “Ik bedoel u niet, hoor, meneer Ype!”, onderbrak ome Arie mijn gedachten. “Dat begreep ik, ome Arie!” Ik trok aan mijn pijp. “Wij zijn het ook niet altijd eens, maar wij luisteren nog wel naar elkaar!”
“En respecteren elkaar”, voegde de oude melkveehouder eraan toe. We rookten even stil onze pijpjes. Een paar minuten stilte voor de slachtoffers van de blinde en dove haat, die helaas vaak gepaard gaat met domheid. Ome Arie zuchtte: “Ach, meneer Ype, wij zijn ook te oud geworden om te haten. Daar wordt een mens zo moe van.” Ouderdom heeft zo zijn voordelen.
Valentijn
Een stralende dag sierde ons haventje. Op het ‘leugenbankje’ zat ome Arie duidelijk te genieten van zijn pijp. Het water stond laag, de jachtjes kwamen maar net boven de kade uit. Ik parkeerde mijn gouden koets en voegde me bij mijn vriend. “Goeiemorgen, meneer Ype!” Hij was duidelijk goedgemutst. “Goeiemorgen, ome Arie!”, antwoordde ik, “Vrolijk weertje, nietwaar?” De oude baas knikte. Ik pakte mijn pijp. Op het Spui voer een jachtje voorbij. “Die zijn er vroeg bij,” wees ome Arie met zijn pijp. “Valentijnsdag is best vroeg om te varen voor je lol,” beaamde ik. “Valentijnsdag,” herhaalde onze gepensioneerde veeboer, “vandaar die croissantjes en dat eitje bij mijn ontbijt!” Ik schoot in de lach: “Had je dat niet door?” Hij keek even opzij: “Ik ben niet zo goed in dat soort dingen…” Hij nam een trekje aan zijn pijp, “Wij zijn al heel lang samen, Riek en ik. Dan heb je geen speciale dagen meer nodig.” Ik knikte. We rookten even in stilte, denkend aan onze liefdes, die we iedere dag vierden. Ieder op zijn eigen wijze. Ik kan intens genieten van een simpele streling over mijn schouder, wanneer ik net doe of ik slaap. Kleine dingen. Ome Arie blies een wolkje uit. “Wanneer voelt u echte, pure, warme liefde, meneer Ype?” Die vraag had ik even niet verwacht van de oude veeboer. Ik moest toch maar heel even nadenken over mijn antwoord: “Die voel ik, wanneer mijn kleindochter Lilly (2 jaar) de door ons samen gebouwde duplo-toren gierend van het lachen omgooit!” Ome Arie keek even opzij. Hij zag de traan van geluk in mijn ogen en zweeg begrijpend.
Uitslag
Het zonnetje stemde de dag blijmoedig. Ik wilde net mijn pijp pakken, toen ik achter me de karakteristieke stem van ome Arie hoorde: “Wacht even met die pijp, meneer Ype!” Verbaasd haalde ik mijn hand zonder pijp terug uit mijn broekzak. “Ik heb wat beters!” Hij haalde een dikke sigaar uit een kistje in zijn fietstas. “Deze!” Met een groot gebaar overhandigde hij me het rookgenot. “Ik heb wat te vieren.” Hij had voor zichzelf ook zo’n dikke paffer gepakt. We staken simultaan de brand in deze traktatie. Dikke, welriekende rookwolken vulden de lucht. “Het onderzoek naar mijn prostaatklachten was relatief goed.” “Er is natuurlijk wel iets mis, maar het is in ieder geval geen kanker!” “Dat is goed nieuws, vriend!” Ik sloeg hem op de schouder, iets wat ik nog nooit gedaan had: “Dat is heel goed nieuws!” “Dat verdient zeker een dikke sigaar!” We leunden achterover en genoten van het moment. Het was net of het een beetje lente was geworden.
Prostaat
Het haventje van ons dorp was een oase van rust. Veel plezierjachtjes waren uit het water gehaald voor hun jaarlijkse onderhoud, waardoor veel ligplaatsen leeg waren. Ome Arie zat er al toen ik mijn gouden koets achter de GEBO parkeerde. Plek genoeg, want de ijsverkoop was waarschijnlijk ook op een winters niveau. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. De oude baas tikte ter begroeting met het mondstuk van zijn pijp tegen zijn pet. Ik pakte mijn pijp. “Hoe gaat het zo, ome Arie?”, vroeg ik, echt geïnteresseerd, daar hij een beetje somber leek. “Ach,”, mompelde hij, “voorlopig gaat het goed.” Hij trok aan zijn pijp. Er zat hem duidelijk iets dwars. “Ik ben gisteren voor onderzoek naar het ziekenhuis geweest.” Ik schrok een beetje van zijn neerslachtige toon. Ik durfde niets te vragen. Het bleef even stil. Hij keek mijn kant op: “Oudemannenkwaal…” Hij keek omlaag, “Ik had opeens een rode straal, terwijl ik geen rode bietjes had gegeten.” Ik knikte, want begreep, dat hij bloed geplast had. “De huisarts stuurde me gelijk door naar de uroloog.” Hij zocht weer even troost in zijn pijp. “Dus daar was ik gisteren.” “Het onderzoek werd gedaan door een vriendelijke juffrouw met allerlei tatoeages op haar gespierde armen.” Ik kreeg er een beeld bij. Ome Arie vervolgde: “En die tattoo-mop ging met een dun buisje mijn gevalletje in om naar het binnenste van mijn blaas te kijken…” Hij keek opzij: “Het was niet pijnlijk, hoor, de handeling zelf, bedoel ik.” “Maar je ligt daar toch, eh, nogal bloot, zal ik maar zeggen.” Ik snapte het. Het was weer even stil. “En daarna moest ik op mijn zij gaan liggen, want ze wilde even…” Hij maakte een gebaar met zijn hand, wat niets aan mijn verbeelding overliet: Het inwendig onderzoek. Via de anus op zoek naar de prostaat. “En nu is Riek nijdig op me…” Deze wending overviel me:”Riek boos?” “Was zij er bij?” Hij knikte. “Ze had me gewaarschuwd, dat ik geen, zoals zij dat noemt: ‘zogenaamd’ geestige opmerkingen mocht maken.” “Want in mijn zenuwen gebeurt me weleens, dat ik er opeens wat uit flap!” Ik knikte begrijpend. “Dus die juffrouw zit in mijn gevoel tot haar elleboog in mijn achterste, vraagt ze: ‘heeft u ook wel eens erectieproblemen?’ Die vraag overviel me nogal, en ik was toch wat nerveus, meneer Ype. Dus ik flap er uit: ‘Normaal niet, maar op dit moment zou u hiervoor toch heel erg uw best moeten doen!’.” Ik schoot in de lach: “Dus nu is Riek een beetje pissig?”, zeg ik, zonder me de wat ongelukkige woordkeus te realiseren. Ome Arie kon er gelukkig wel om lachen.