De tijd des tands

Toen ik ons bankje bij de haven naderde viel me op, dat ome Arie er wat verlaten bij zat. Zonder pijp en zonder aanstalten te maken deze te gaan stoppen. Ik nam plaats en zocht mijn rookgenot wél op, als altijd. Ome Arie zuchtte: “De tijd is onherroepelijk en onbarmhartig…” Ik keek stomverbaasd opzij, niet gewend aan dergelijk zwaarmoedig taalgebruik van mijn bankgenoot. Hij glimlachte kort om mijn reactie, maar zijn stemming veranderde niet echt. Er spookte van alles door mijn hoofd: zou hij gestopt zijn met roken en daarom zo neerslachtig? Hij vervolgde: “Wanneer je kind bent, kan de tijd soms niet snel genoeg gaan. Dagen duren weken in je verlangen naar een volgende verjaardag of een Sinterklaasfeest. En later kijk je reikhalzend uit naar je zestiende verjaardag waarop je je eerste legale rit op je Kreidler zou mogen gaan maken” Mijn mond viel open van verbazing, zo had ik ome Arie nog nooit meegemaakt! Hij zuchtte nogmaals en had moeite met zichzelf, zo zonder pijp. Ik kreeg medelijden met hem, al begreep ik niet waarom eigenlijk… “Daarna het hunkerend verlangen naar andere hoogtepunten. Je trouwdag, je eerste huwelijksnacht!” “Ach, ome Arie, dat zijn nu toch geweldige herinneringen, daar hoef je toch niet zo melancholiek over te doen?” trachtte ik verdere intieme ontboezemingen te voorkomen. “Op onze leeftijd leven we nu eenmaal met de dag. En zo moeten we het ook leven, denk ik; met de dag!” Het klonk zelfs voor mezelf niet echt overtuigend. Want ik besefte net zo goed als ome Arie, dat we gewoon een paar gepensioneerde ouwe kerels waren, die onze tijd verkwanselden op een bankje bij het prachtige haventje van Oud-Beijerland. Ome Arie werd er ook niet echt vrolijker door: “Het is net of de tijd na je afdanking uit het werkzame leven sneller gaat. Weken duren dagen. Alsof magere Hein je nazit op een dikke Harley Davidson!” Ik moest nu wel lachen om zijn beeldspraak. Ik zag het voor me: ome Arie op zijn elektrische fiets, aangedreven door magere beentjes met klompen en daarachter een zeis-dragend skelet op een motorfiets. “Ja, lach maar!” bromde mijn metgezel. Even was het stil. Toen ging me een lichtje op: “Moet je soms voor je halfjaarlijkse controle naar de tandarts, ome Arie?!” Brommend stond hij op; “Hoe raadt u het zo, meneer Ype, hoe raadt u het zo!” en hij fietste weg, zijn noodlot tegemoet…

Stofzuigen

Door het miezerige weer genoodzaakt ons goed in te pakken zaten ome Arie en ik, gehuld in dikke jassen op ons bankje onze handen te warmen aan onze pijp. De wind maakte het kouder dan het eigenlijk was. Ome Arie was wat stil, die ochtend. Ik besloot rustig de reden van zijn neerslachtigheid af te wachten. Die kwam pas toen hij zijn pijp uit klopte en zijn vertrek aankondigde: “Ik moet gaan, meneer Ype, want ik moet nog boodschappen doen.” Ik keek verbaasd. “Riek is gisteren gevallen en zit met een dikke enkel op de bank.” “Da’s niet zo best, ome Arie! Wat is er gebeurd?” Hij stond op. “Sinds ik met pensioen ben hebben we al de discussie over wie wat moet doen in het huishouden.” Ik knikte begrijpend, want deze situatie kwam me bekend voor. “Uiteindelijk ben ik qua stofzuigen overstag gegaan…” Ik glimlachte, want kreeg een beeld van onze ouwe boer achter een stofzuiger. Hij raadde mijn gedachten: “Maar ik zag mezelf nou niet bepaald achter zo’n lawaaiig geval door het huis drentelen, dus ik kocht een stofzuigrobot!” Ik keek bewonderend; “Slim bedacht, ome Arie!” Hij nam het compliment met een glimlach in ontvangst. “Dat ding werkt prima, slaat geen plekkie over, gaat onder het bed door, kan zelfs onder het lage dressoir en dat, terwijl ik mijn krantje lees!”  Ik vond zijn vindingrijkheid wanneer het op vermijden van huishoudelijke taken aan kwam bewonderenswaardig. “Geweldig bedacht ome Arie, maar wat heeft dat met de enkel van Riek te maken?” Ome Arie zwaaide zijn been over zijn fiets. “Die robot kwam net onder het dressoir vandaan toen Riek met een blad koffie de kamer in kwam.” En, terwijl hij wegfietste: “nu zit zij met haar voet omhoog en ik met de gebakken peren…”

Pakketje

De toegang tot ons bakkie koffie met appelgebak was hermetisch afgesloten. Barona was dicht vanwege Corona. Ome Arie kwam met de pet op winterstand en gehuld in een dikke jas naast me op ons bankje zitten. Op gepaste afstand, natuurlijk, want gezien onze leeftijd was voorzichtigheid geboden. Hij pakte zijn pijp en tabak en begon zijn rookgenot voor te bereiden. “Sorry, dat ik zo laat ben, maar ik werd opgehouden door een pakketbezorger.” Hij stak zijn pijp op. “Riek had voor het eerst iets via internet besteld: een nieuw oplaadkabeltje voor haar laptop. Daarom hielden we in spanning de brievenbus in de gaten. Vanmorgen, net toen ik hierheen wilde komen stopte er zo’n busje van een koeriersbedrijf: het pakje!” Ik genoot van mijn pijp en ome Arie’s verhaal. “Ik ging naar de hal van ons appartementencomplex om het pakje op te halen, maar de jonge bezorger kreeg het niet goed door de gleuf.” Hij trok aan zijn pijp en blies zonder het te beseffen een mooi O-tje uit. “Dus ik doe de buitendeur open en vraag aan die knul: “Zal ik u even helpen? Die gast kijkt me aan en zegt: “Die brievenbusopening is net te klein!” Ome Arie nam zijn pijp even uit zijn mond. “Dus ik zeg tegen hem: ‘u kunt het pakje ook aan mij geven.’ Die knul stopt met proppen en vraagt: “bent u een buurman?” Ik antwoord: ‘nee, ik ben geen buurman’ “dan mag ik het pakje niet aan u geven. Mijn instructies zijn heel duidelijk: ‘in de brievenbus en als dat niet lukt bij de buren afgeven!” Ome Arie nam weer een trekje teneinde zijn pijptabak brandend te houden. “Dus ik zeg tegen dat licht: ‘ik ben het zelf!’ En wat zegt hij? ‘U bent toch geen mevrouw?'” Nu schoot ik in de lach, ook vanwege het verongelijkte hoofd van de verteller. “Dus er zat niks anders op: ik moest ervoor zorgen, dat dat pakje in onze brievenbus terecht zou komen. Samen duwen was vanwege de Corona geen optie, dus ik ging naar binnen, deed de brievenbus met de sleutel vanaf de halzijde open en begon aan het pakje te trekken. Het zat echter muurvast. Op een gegeven moment zegt ons genie: ‘het gaat niet, laten we het er maar weer uit trekken, dan neem ik het maar weer mee naar ons uitgiftepunt in Rotterdam dan kan mevrouw het daar ophalen!’ U begrijpt, meneer Ype, dat ik het daar niet mee eens was, dus terwijl hij het pakje er weer uit probeerde te trekken, trok ik aan de binnenkant om het toch naar binnen te krijgen!” Dit beeld bezorgde mij tranen in mijn ogen van het lachen en van spijt, dat ik het niet gezien had. “Toen kwam Riek gelukkig kijken waar ik zo lang bleef…” Hij kon er gelukkig zelf ook om lachen. “Die stond natuurlijk stomverbaasd te kijken naar twee kerels, die aan haar pakketje stonden te trekken, liep naar buiten en vroeg: “Waar zijn we hier mee bezig?” De pakketbezorger liet los en ik niet. Wonder boven wonder schoot het pakketje nu wel door de gleuf naar binnen. Ik viel achterover de hal in.” Hij voelde aan zijn rechter heup, waar wellicht de blauwe plek was ontstaan.” Ik kon wel lachen bij dit beeld. “Gelukkig was de inhoud niet beschadigd…” lachte ome Arie nu ook; “want hoe hadden we dat uitgelegd….”

Lingerie

Er brandden grote rode lichten aan weerszijden van de uitgang van ons haventje. De sluisdeuren waren gesloten. Voor mij één van de tekenen van de herfst met hogere waterstanden en wateropjagende stormen. Ons bankje bij de haven was leeg en nat. Waterdruppels dropen van de rugleuning. Voorbijgangers snelden richting warmte en droogte. Voor zover mijn heup het toeliet haastte ik me richting mijn auto. Toen ik langs Barona liep werd er stevig op een raam van de genoeglijke serre geklopt. Ome Arie zat met zijn Riek aan een tafeltje met een dampende kop koffie en een forse appelpunt voor zich te gebaren, dat ik naar binnen moest komen. Ik aarzelde even, maar ik draaide toch om en trad het etablissement binnen. “Ga zitten, meneer Ype!” Ome Arie was duidelijk blij me te zien. Ik wist niet goed, of ik me nog voor moest stellen aan Riek, want we hadden elkaar slechts terloops ontmoet. (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Ik groette haar beleefd: “Goedemorgen, mevrouw!” Ze groette hartelijk terug. Ik nam plaats en bestelde ook koffie met appelgebak. Na wat gebruikelijk gezwam over het weer stond Riek op. Ze had haar koffie haastig naar binnen gewerkt. “Ik ben even een boodschap doen.” En weg was ze. Ik kreeg mijn versnapering en nam een slok hete koffie. “Ze is even naar hiernaast…” fluisterde ome Arie zachtjes, bevreesd gehoord te worden, terwijl de zaak verder vrijwel leeg was. Ik keek waarschijnlijk niet erg snugger, want hij fluisterde een nadere toelichting: “Hunkermuller!” Ik schoot in de lach om dat ‘hunker-‘, maar hij was bloedserieus. “Ze moet een nieuwe BH…” Nu knikte ik begrijpend: “En daar wil je als vent liever niet bij zijn.” Hij knikte. Ik begon aan mijn appelgebak en vroeg langs mijn neus weg: “Heb jij wel eens lingerie voor je vrouw gekocht?” Tot mijn verbazing kreeg ome Arie een iets rode kop. “Ja, en daarom ga ik absoluut nooit meer zo’n winkel binnen!” Hij fluisterde nu nog zachter. “Ik wilde Riek eens echt verrassen en kocht hiernaast het meest sexy setje wat ze hadden!” Ik kon me er even weinig bij voorstellen; een wat oudere boer, die lingerie voor zijn vrouw ging kopen. “Die verkoopster deed vrij onbeleefd tegen me en daar begreep ik niets van. Tot ze vroeg, wat voor maten mijn ‘neem-ik-aan-uw-vrouw’ dan wel had.” Ik begreep wat hij bedoelde. “Ze pakte het met tegenzin in als een cadeautje en keek me vernietigend de deur uit…” Ik moest wel lachen om dit relaas. “Maar dat is niet alles: toen ik thuiskwam verstopte ik het setje. Het was een paar dagen vóór onze trouwdag moet u weten…” Ik begreep zijn goede bedoeling en vond het eigenlijk wel erg romantisch voor de nuchtere ome Arie. “En wat vond Riek van je cadeau?” Was ik toch wel benieuwd. “Ze vond het te vroeg.” fluisterde onze Amor. “Te vroeg?” Ik begreep hem niet. “Ze vond het een dag te vroeg in mijn sokkenla!” Nu begon ik een vermoeden te krijgen; “en Leiden in last?” Ome Arie knikte: “En hoe! Ze was razend en verdrietig tegelijk, want ze dacht, dat het voor een ander bedoeld was, ook vanwege de volkomen verkeerde maat!” Hij nam een hap appelgebak. “Het heeft me heel veel moeite en rozen gekost om het weer recht te zetten. En ik ben samen met haar teruggegaan naar hiernaast om de zooi te ruilen voor een degelijk badpak!” Ik nam ook een hap van mijn appelgebak. Toen ik mijn mond weer leeg had vroeg ik nieuwsgierig: “en wat zei die verkoopster, toen je echt met je eigen vrouw kwam?” Ome Arie glimlachte: “Ze was alleraardigst, maar kon het niet nalaten even te benadrukken, dat kerels eigenlijk niet in de hunkermuller thuishoren…”

Japans

De herfst was nu duidelijk ingetreden. ‘Ons’ bankje aan de haven was nat en leeg. Ik speurde vanachter de iets beslagen ramen van mijn auto in het rond naar een spoor van ome Arie. Een rookwolk uit zijn pijp of zijn tegen een lantaarnpaal gestalde fiets. Dat laatste ontdekte ik niet ver van ‘Barona’. Ik parkeerde mijn auto en vond mijn vriend aan de bar van zijn vaste regen-schuilplaats. “Ome Arie,” groette ik. “Meneer Ype,” bromde hij. Zijn pet stond als het weer; een beetje depressief. “Dit weer stemt niet echt vrolijk, ome Arie,” begreep ik. Hij kreeg een kop koffie van de barman. “U ook een appelgebakkie koffie, meneer Ype,” vrolijkte hij al wat op. “Zeg ik geen nee tegen,” en klom ietwat moeizaam op de barkruk naast ome Arie. “Gisteren was het ook zulk triest weer.” Hij nam een slok koffie, terwijl het appelgebak vóór hem neergezet werd. Ook ik kreeg de lekkernij met een flinke dot slagroom. “Laten we het ons dan maar binnenshuis naar de zin maken,” doelde ik wijzend op de taart. Ome Arie glimlachte, voor zover dat ging met zijn mond vol. Hij werkte alles in een rap tempo weg en veegde zijn mond af met een grote rode boerenzakdoek. “Zo, dit gaat beter dan dat getob van gisteravond!” Klonk het, nu behoorlijk opgevrolijkt. Ik had mijn mond nog vol, dus kon niet vragen, wat er dan de avond ervóór gebeurd was. Maar ik wist, dat ome Arie geen aansporing behoefde. “We kregen visite van oude vrienden en besloten buiten de deur te gaan eten.” Hij wenkte de uitbater en wees op zijn lege kopje. “Ook nog een appelgebak erbij?” grapte de tapgast. Ome Arie lachte en schudde zijn hoofd; “ik heb mijn buik nog vol van gisteren!” De man ging koffie inschenken en ik vroeg ook om nog een bakkie: “deze is van mij!” Ome Arie vervolgde: “die gasten houden nogal van meedoen met allerlei nieuwigheden, dus ze wilden naar een Japans restaurant.” Ik zag de bui al hangen, daar hoefde het geen herfst voor te zijn. “Gelukkig hoefde ik niet op mijn knieën te zitten, maar ik moest wel mijn voer met stokjes naar binnen zien te krijgen!” Ik zag zijn kop vóór me, welke hij gehad moest hebben bij deze constatering. Daar ik zelf ook wel eens met tob-sticks had geprobeerd te eten begreep ik zijn verontwaardiging. “En, is het gelukt?” vroeg ik, eigenlijk tegen beter weten in. “Praat me er niet van!” gromde de oude boer, “het is net hooien met twee stelten! Die Jappen zijn gestoord!” Verontwaardigd nam hij een slok koffie. “Ik heb Rieks’ tas gepakt, omdat ik wist, dat daar altijd van alles in zit. En inderdaad: de oplossing!” Zoals altijd wist hij me tot op het laatst in spanning te houden. Ik keek hem vragend aan. Hij nam de laatste slok koffie. “Ze heeft altijd een puntenslijper bij zich?” “Een puntenslijper?” herhaalde ik met een vermoeden waar hij heen ging. “Een puntenslijper! Die gebruikt ze voor zo’n make-up potlood, geloof ik…” hij schoof zijn petje naar standje ‘slim’: “daarmee sleep ik een punt aan zo’n chopstick en kon vervolgens alles vastprikken. Die spleetogen kunnen nog wat leren van een ouwe boer!” 

Coronatest

Het was miezerig weer. Ome Arie zat diep verscholen onder een grote paraplu zijn pijp te stoppen, hetgeen nog best lastig gaat terwijl je regenscherm dreigt weg te waaien. Ik had dat voorzien en vooraf thuis mijn pijp al gestopt, zodat slechts het aansteken nog voor wat problemen kon zorgen. Maar daarvoor had ik een creme-brûlée-brandertje als oplossing bij me gestoken. Terwijl ome Arie nog zat te worstelen met zijn rookgerei pafte ik al mijn eerste wolkjes onder mijn paraplu vandaan. Mijn compaan vloekte inmiddels binnensmondkaps, waarop ik hem mijn vlammenwerper aanbood. Al gauw zaten we gezamenlijk te genieten. “Hoe was de uitslag van de coronatest van je schoonzus eigenlijk, ome Arie?” (zie verhaal mondkapje op swartboek.nl) Hij blies een wolkje uit vanonder zijn mondkapje en bromde: “Niks aan de hand, natuurlijk!” Alsof Corona geen optie was in zijn directe omgeving, trouwens een breedgedragen misvatting. “Maar nu moet ze in therapie.” “In therapie?” herhaalde ik verbaasd, “maar er was toch niks aan de hand?” Ome Arie snoof een rookwolk onder zijn mondkapje en kreeg een hoestbui daar de rook niet weg kon. Nadat hij weer op adem was gekomen gromde hij: “In therapie bij een zielknijper vanwege haar ‘bijna-dood-ervaring’.” Ik schoot in de lach. “Ik weet dat je een hekel aan Agaath hebt, maar nu overdrijf je toch zeker?” Ome Arie was bloedserieus: “Nee, echt!” Mijn lach verstomde in pure verbazing. “Eerst is ze jaren op zoek geweest naar zichzelf, maar door de corona-dreiging is ze zichzelf tegengekomen. Gevonden! Dus moest ze een nieuw probleem bedenken!” Nu schoot hij zelf ook in de lach. “Volgens mij is ze gewoon gek op die therapeut.” Hij trok aan zijn pijp en tilde zijn mondkapje op om de rook uit te blazen. “Maar waarom draag je dan eigenlijk nog steeds dat mondkapje?” vroeg ik, echt verbaasd. Ome Arie keek opzij, trok aan zijn pijp en haalde langzaam de elastieken van het mondkapje van achter zijn oren. Hij wilde het beschermmiddel net met een grote boog de haven ingooien toen hij er net op tijd achter kwam, dat zijn pijpmondstuk nog door het speciaal daarvoor gemaakte gaatje in het mondkapje zat. (Zie verhaal ‘mondkapje’ op swartboek.nl) De vonken vlogen in het rond, maar gelukkig maakte ome Arie zijn worp niet af en werd de pijp een vliegende aftocht gespaard. Onze werper haalde de pijp uit het gat en deed het mondkapje netjes in een prullenbakje naast ons bankje. Met een ietwat rood hoofd trok hij weer aan zijn pijp en was gelukkig, dat deze nog niet uitgedoofd was. 

Pilletje

Ome Arie kwam met een verhitte kop haastig aangefietst. Hij verontschuldigde zich voor zijn late komst, alhoewel we geen tijd hadden afgesproken. Hij plofte neer en begon zijn pijp te stoppen. Dat ging wat minder bedachtzaam dan anders. “Wat is er, ome Arie, je bent zo gehaast?” vroeg ik. Hij zuchtte, stak zijn pijp aan en werd rustiger. “Ach, het zat vanmorgen gewoon een beetje tegen en dat is niet goed voor mijn bloeddruk!” Dat verklaarde zijn ietwat rode kop. “We waren al wat laat wakker en ik haastte me naar de badkamer om mijn pilletjes in te nemen. Drie minuscuul kleine pilletjes, die alledrie de neiging hebben zich aan hun doordrukstripjes vast te klampen…” Het fenomeen kwam me bekend voor. “Afijn, één zo’n kreng schoot uiteindelijk weg, zo de wasbak in. Ik probeerde hem nog vóór het afvoerputje te grijpen, maar hij ontweek behendig mijn onderscheppingspoging!” Hij werd bij de herinnering weer wat roder. “Maar dan neem je toch gewoon een nieuw pilletje?” Opperde ik bijdehand. “Dat was slimmer geweest, maar ik ging op zoek naar het ontsnapte medicijn,” hij keek er niet gelukkig bij, “Ik schroefde de sifon los in het badkamermeubel, waardoor de boel behoorlijk nat werd en lag daar gezellig over te vloeken, toen Riek om de hoek kwam kijken, wat ik aan het uitspoken was…” Hij zuchtte en trok aan zijn pijp, “het was een slagveld. Ik lag in mijn nakie op mijn rug, half in het kastje met een verhitte kop met die sifon in mijn hand en alles was nat!” Ik begreep het en hield mijn lachen in: “en ze was niet echt blij, vermoed ik?” “Dat kun je wel zeggen, meneer Ype, dat kun je wel zeggen…” Hij keek me aan: “Ze ging vernietigend over in de ‘wij-vorm’. Ze zei, heel koeltjes: “en wat liggen wij hier te doen!?”. Ik mompelde zachtjes dat ik één van mijn pilletjes had laten vallen…” Hij zweeg even en trok aan zijn pijp. “En vervolgens, ijskoud, zoals ze doet, wanneer ze me een enorme sukkel vindt: “En toen vonden wij het nodig om de hele badkamer te slopen?” Ik had toen beter niks kunnen zeggen!” Ik kreeg een beeld van hetgeen volgde en had medelijden. “Enne..”, vroeg ik voorzichtig, “heb je dat pilletje nog gevonden?” Ome Arie knikte bevestigend. “Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk!” zei ik, en ik stak mijn inmiddels gedoofde pijp weer aan, “waar zijn die pillen eigenlijk voor?” kon ik niet nalaten aan de patiënt met de inmiddels weer hoogrode kop te vragen. “Die slik ik tegen mijn hoge bloeddruk!” Nu kon ik mijn lachen niet meer inhouden…

Zebrapad

Het was een doodgewone morgen op een doodgewone dag in een doodgewone week. Het was doodgewoon weer met een niet te warm zonnetje. Ome Arie en ik zaten wat verveeld aan onze pijp te lurken. En genoten van onze verveling. Wanneer je jong bent is het vreselijk je te vervelen. Er is altijd iets te doen. Er is altijd iets te beleven. Aan ons bankje aan de haven ging alles voorbij. Drukdoenerige puntschoenen met mobieltjes tussen oor en schouder geklemd snelden langs, jonge moeders trapten bakfietsen vol kinderen naar school en er werd erg veel geërgerd en zich druk gemaakt. Een oude dame duwde haar rollator richting zebrapad. Tergend langzaam stak ze over onze kant op. Twee auto’s stopten geduldig, maar een doorrijdende fiets kon haar nog maar net ontwijken. Ome Arie schudde zijn hoofd, vooral daar de fietser eerder boos dan beschaamd bleek. De oude vrouw glimlachte slechts en vervolgde haar weg. Bij ons bankje aangekomen stopte ze even. “De jeugd eist vaak respect zonder te weten wat dat inhoudt, maar gelukkig wordt die jeugd zelf ook eens oud.” Glimlachend wilde ze vervolgens moeizaam haar weg vervolgen. “Ik vind het bewonderenswaardig, dat u er zo wijs en kalm over doet. Wanneer mij zoiets overkomt, kook ik van woede!” zei ik. De dame keek ome Arie aan en samen keken ze vervolgens mij aan en lachten minzaam, en ze schuifelde verder achter haar loophulpmiddel. “Wat een bijzondere vrouw, vind je niet, ome Arie?” “Ach,” antwoordde deze, en hij trok aan zijn pijp, “Waarom zou ze zich druk maken, dat helpt toch niet en is slecht voor je hart!” Ik was wederom verbaasd over de wijsheid van deze oude boer. Er reed een politiebusje voorbij. “Die zijn er nooit, wanneer je ze nodig hebt,” mopperde ik, “die had hier 10 minuten geleden moeten zijn, dan had’ie die knul een flinke bekeuring kunnen geven!” Ome Arie glimlachte weer. “Hij was hier tien minuten geleden al, net om de hoek, maar het uitschrijven van zo’n bon kost nou eenmaal even tijd….”  

Klerezooi

Ome Arie had het duidelijk niet naar zijn zin. Hij zat een beetje in elkaar gedoken met zijn pet op standje ‘ongelukkig’ en zijn pijp allesbehalve ontspannen in zijn mond. Ik besloot nergens naar te vragen, groette hem vriendelijk en ging rustig mijn pijpje stoppen. Hij zei weinig en zuchtte een paar keer diep. Ik keek eens opzij. Hij keek terug en zuchtte weer: “ach, meneer Ype, soms zit alles een beetje tegen…” Ik knikte zonder er een snars van te begrijpen, wetende, dat zijn probleem vanzelf wel zou komen. Hij zuchtte weer. “Ik moet vanmiddag met Riek naar de stad.” Aan zijn grafstem te horen beloofde het geen leuke middag te worden. “Kleren kopen”. Het kwam er zo zielig uit, dat ik toch een beetje medelijden kreeg. “Vroeger was alles veel minder gecompliceerd. Ik droeg gewoon altijd een ketelpak en was daar heel gelukkig in. Gewoon een blauw ketelpak!” Hij trok aan zijn pijp, maar die deelde in de malaise en was uitgedoofd. Licht brommend als een vale oude herdershond pakte hij zijn aansteker. “Maar dat is toch niet zo erg”, trachtte ik tegen beter weten in zijn humeur op te krikken. Hij keek vernietigend opzij: “niet zo erg!? Het is verschrikkelijk!” Ik besloot geen opbeurende opmerkingen meer te proberen. “Het is het meest vernederende wat ik me maar kan bedenken!” Hij was echt gedeprimeerd. “Dan sleept ze me aan de hand mee als een chimpansee achter zijn dompteur naar een klerezaak, waarin ik dan door zo’n fatje met steevast een roze overhemdje geringschattend wordt opgenomen met de woorden: “Ik weet niet of ik iets in meneers’ maat heb…” en dat zegt zo’n vlerk dan tegen Riek, omdat chimpansees nu eenmaal niet kunnen praten.” Ik moest toch stiekem lachen om dit beeld, vooral omdat het me erg bekend voorkwam. “Ik wil dan gelijk weg, maar Riek heeft me steevast in een ijzeren greep.” Ik hield mijn lachen in. “Ze gaat dan nog slijmen ook om die loser in beweging te krijgen. Ik word een pashok ingeduwd met de boodschap me vast uit te kleden.” Hij blies een boos wolkje uit. “En dan wordt me steeds allerlei klerezooi aangegeven waar ik me in moet zien te vouwen. En dan moet ik dat pashok uit om me door Riek en die eikel te laten uitlachen.” Het tafereel was me duidelijk. “Geef mij nou maar gewoon een ketelpak.” Ik knikte, nu wel begrijpend. “Het is gewoon mijn straf!” Ik herhaalde verbaasd: “straf?” “Ja, straf!” Hij nam een diepe trek aan zijn pijp: “omdat ik gisteren mijn band heb geplakt met mijn goede shirt aan. Ik had het zelfs uitgetrokken en over haar fiets gelegd.” Weer was mijn onbegrip groot. “Maar het was een achterband en het zat niet mee, dus er zat wat smeer van de ketting aan mijn handen” “Gelukkig had je je shirt uitgedaan!” zei ik in mijn onschuld. Ome Arie keek vernietigend opzij: “ik veegde mijn handen af aan een doek…” Er ging een angstig lampje bij me branden: “Die doek was je shirt?” Hij knikte en klopte zijn pijp uit. “Gewoon een vergissing. En daar word ik zwaar voor gestraft!” Hij stond op en fietste chagrijnig huiswaarts, op weg naar zijn straf…

Sinterklaas

Het was een prachtige nazomerdag. ‘Indian summer’ wordt dat wel eens genoemd: nog geen gure herfst maar een staartje zomer, minder heet, maar met de eerste tekenen van het naderend verval. Ome Arie en ik zaten te genieten van onze pijp. We koesterden onze oude botten in de zon en zuchtten bijna gelijktijdig. Mijn metgezel glimlachte: “Dit is genieten meneer Ype!” Ik knikte. “Ieder jaargetijde ruikt anders”, vervolgde hij, “in het voorjaar geniet ik van de geur van vers gemaaid gras, in de zomer de wat weeïge lucht van het graan bij het oogsten, en nu,” hij snoof, “de herfst.” Ik keek vragend opzij: “de herfst? Hoe ruikt de herfst?” Hij dacht diep na, onderwijl een rookwolk uit zijn pijp blazend. Toen, met een grijns: “naar pepernoten!” “Pepernoten?” reageerde ik verbaasd, “Wat hebben pepernoten voor speciale herfstgeur?” Hij lachte. “Voor mij begint de herfst met de komst van de eerste pepernoten!” Nu lachte ik ook: “Daar heb je eigenlijk wel gelijk in, ome Arie!” We waren het erg eens. De lucht van versgebakken pepernoten hoort bij de herfst, bij de verwachting van een prachtig feest. Ome Arie las mijn gedachten: “Voor mij was Sinterklaas het hoogtepunt van het knusse Hollandse gezinsleven.” Ik knikte. Hij wees naar het steigertje voor in de haven waar de Sint placht aan wal te komen: “Ondanks het dagenlang pijn in je nek hebben nadat je met een kleintje op je schouders de intocht van de Goedheiligman met veel te veel zwarte Pieten op een veel te klein bootje was wezen bekijken!” We paften allebei in zoete herinnering onze pijp. “En later, wanneer de kinderen wat groter waren, het elkaar legaal in de maling nemen…” gniffelde de oude boer. “En elkaar in dichtvorm ongezouten, maar nooit gemeen de waarheid zeggen…” gniffelde ik gezellig met hem mee, “en niet te vergeten: de surprises!” Nu knikte ome Arie op zijn beurt: “De voorpret begon al met het ritueel van het ‘lootjes-trekken’” “En het nadenken over de surprise die je voor je ‘slachtoffer’ zou gaan maken!” Twee pijprokende bejaarde mannen met ieder hun eigen herinneringen. “En de reactie, die dat bij dat slachtoffer zou gaan opleveren!” grijnsde ome Arie. Hij stampte met een speciaal pijpenstampertje de tabak in zijn pijp aan en stak de uitgedoofde rest weer aan. Ik volgde zijn voorbeeld. “Mijn zoon was een puber, toen ik voor hem een grote pot pindakaas had gekocht.” Hij trok aan zijn pijp, “Ik maakte een gedichtje, warmde de pot pindakaas een beetje op in heet water, deed het papiertje met het rijm in een plastic zakje en propte dat diep in de pot. Zo diep, dat je het door de bodem van de pot zag zitten…” Zijn ogen glommen nu nog van de pret, “Dat alles ingepakt met nog een gedicht!” Ik zag het voor me. “Toen hij de pot had uitgepakt keek hij niet echt blij. ‘Wat moet ik nou met een pot pindakaas’ vroeg hij zich af. ‘Je bent toch gek op pindakaas?’ Zei mijn vrouw. Je had zijn gezicht moeten zien!” Ik kon me er wel iets bij voorstellen. “Een beetje teleurgesteld bekeek hij de pot en zag toen, dat er iets in zat.” Hij klopte zijn inmiddels uitgedoofde pijp uit. “Hij keek in het rond op zoek naar zijn plaaggeest, maar ik vertrok natuurlijk geen spier. Toen stond hij op, pakte wat oude kranten en ging, onder luid gelach van alle aanwezigen naar de keuken.” Ome Arie had er nog lol om; “Maar in plaats van het leegscheppen van de pot, wat ik verwacht had, wikkelde hij de pot in krantenpapier en sloeg hem kapot om daarna de huiskamer weer binnen te komen triomfantelijk het vieze plastic zakje omhoog houdend.” Nu lachte de oude baas hardop. Ik begreep er niks van. “Hij haalde het papiertje eruit en las voor: ‘voor onze lieve knul, kocht zwarte Piet dit spul, wetende dat deze kleine dwaas, gek is op pindakaas!’ Nu lachte ik ook hardop: “Dus hij had zijn kado net kapot getimmerd?” Ome Arie zat schuddebuikend van het lachen bevestigend te knikken.