Leugentje

De ‘Indian summer’ verwarmde ons bankje aan de haven. Ome Arie genoot van het zonnetje, het zachte briesje en zijn pijpje. Ik deelde zijn tevredenheid. De oude baas gniffelde: “Ik was vanochtend ter controle van mijn bloeddruk bij mijn huisarts. Ze ziet me graag één keer per jaar en ik doe haar die lol. Ze constateerde tevreden, dat de voorgeschreven medicijnen prima werkten. Dat stemt haar gelukkig, dus vertel ik er maar niet bij, dat ik ze nooit geslikt heb…” Ik schoot in de lach. “Ach, je doet zo’n meisje toch graag een plezier. Ze is altijd heel vriendelijk!” Hij trok tevreden aan zijn pijp en ik was ervan overtuigd, dat in zijn dossier bij het ‘meisje’ ook stond, dat hij niet rookte. Het leek me niet zinvol zijn ongehoorzaamheid betreffende de voorgeschreven medicatie ter discussie te stellen. Het ging toch goed met zijn bloeddruk? Gelukkig kwam neef Nitus, eh… Tinus aan gefietst waardoor de pijnlijke stilte verbroken werd. Onze ‘angry young man’ was dit keer zo te zien verre van ‘angry’. Hij straalde. Ome Arie zag het meteen: “Zo, Tinus, favoriete neef van me, je lijkt wel verliefd!” De knul was niet eens verbaasd, dat de oude baas de spijker boven op de kop geslagen had: “Tot over mijn oren, ome Arie, tot over mijn oren!” Ik glimlachte ook omdat neef Nitus nogal grote wijd uitstaande oren had; die moest wel héél verliefd zijn! Ome Arie maakte een uitnodigend gebaar naar het vrije plekkie naast zich op ons bankje: “Kom zitten knul en vertel ons alles!” De knul ging zitten, iets wat hij anders nooit deed. “Om te beginnen: hoe heet ze?” De verliefde jongeling bloosde licht en zei zachtjes: “Alice…” Ome Arie kreeg een ietwat vals glimlachje om zijn mond: “Elles, leuk. Klinkt wel: Elles en…Tinus!” Ik begreep zijn plezier, het was een kleine verspreking om er ‘Welles en Nitus’ van te maken… Gelukkig had de blije adolescent geen weet van het binnenpretje van de twee valse oude kerels en vertelde honderduit over zijn grote liefde: hoe mooi ze was en hoe lief. Toen hij even pauze nam om adem te halen vroeg zijn oude oom, zogenaamd heel serieus: “Hebben jullie al eens ruzie gehad?” Ik had moeite mijn lachen in te houden, ook, omdat onze Romeo niets in de gaten had en ietwat verontwaardigd reageerde: “Nee, natuurlijk niet! Wat is dat nou voor vraag!?” Ik besloot ome Arie een beetje te helpen: “Nou, een goede discussie kan soms heel gezond zijn in een relatie: geen stiekem gedoe, maar elkaar eens goed de waarheid te zeggen. Dat hoort erbij!” De knul zweeg even om deze wijsheid te laten bezinken. Toen stond hij op en knikte: “Misschien heeft u gelijk, meneer Ype! Het is niet goed om geheimen voor elkaar te hebben, maar ik weet zeker, dat zij geen dingen achter mijn rug om doet!” Hij wees op zijn oude oom: “Mijn ome Arie en tante Riek zijn mijn grote voorbeeld!” Hij stapte op zijn rammelende oude fiets en peddelde met een gelukzalige glimlach bij ons vandaan. Ome Arie glunderde nog steeds toen hij even later ook huiswaarts ging. Ik bleef nog even zitten omdat mijn pijp nog lang niet opgerookt was. Net op het moment dat ik mijn scooter wilde starten kwam Riek op haar fiets voorbij: “Is Arie al naar huis?” Ik knikte en vertelde haar voorzichtig over het medicijngebruik van haar echtgenoot, omdat ik me er toch wat zorgen over maakte. Ze kwam dichterbij en fluisterde: “Dat weet ik allang. Maar geen zorg, ik stop die pilletjes al jarenlang in de stukjes worst bij de borrel, die hij altijd vòòr het avondeten neemt…” Ik lachte. Ze stapte weer op haar fiets: “Maar niet verklappen hoor, sommige geheimpjes horen nou eenmaal bij een goed huwelijk….”

Oostindisch gehoorapparaat

Het zonnetje koesterde ome Arie op ons bankje aan de haven. Hij zat zorgvuldig zijn pijpje te stoppen. Iedere pijproker weet, dat secuur stoppen van essentieel belang is teneinde het ultieme rookgenot te bereiken. Na onze gebruikelijke begroeting volgde ik zijn voorbeeld. Op het Spui werd een mooi zeiljacht meegevoerd door wind en stroom. Het voer voorbij en liet de kans op een pauze in ons schitterende haventje links, eh… bakboord, liggen. Mogelijk door de oorverdovende herrie, voortgebracht door een grasmaaier, welke achter ons bankje over het kleine gazonnetje zwierde als in een Weense wals. De bestuurster had er duidelijk plezier in. Een gehoorbeschermende koptelefoon zorgde ervoor, dat zij geen geluidsoverlast ondervond. In tegenstelling tot ons: een gesprek was niet mogelijk, dus wij berustten in ons lot, genoeglijk trekkend aan onze pijpen. “GOEDEMORGEN, OME ARIE!”, schreeuwde een dame van middelbare leeftijd. Ze zette haar fiets op de standaard vlak achter ons bankje. “HOE BEVALT HET GEHOORAPPARAAT?” Ik keek geamuseerd, want een paar maanden geleden had mijn vriend me nog verteld, dat hij het hulpmiddel slechts misbruikte om Riek te misleiden. (Zie eerder verhaal: ‘hoorapparaat’ van 23 maart). Hij keek even mijn kant op en daarna weer omhoog naar de dame uit schreeuwde terug: “PRIMA, VOLDOET AAN AL MIJN WENSEN!” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Hij loog niet, want zijn wens was een excuus te hebben, wanneer hij Oostindisch doof was voor het geratel van echtgenote Riek of erger nog: van schoonzus Agaath. Vroeger resulteerde die Oostindische doofheid vaak in een ruzie-achtige sfeer, maar nu kon hij het hoor-hulpmiddel de schuld geven: “Zo, is dat batterijtje alweer leeg!” En begrip was dan het gevolg. Riek ging dan gelijk nieuwe batterijtjes zoeken en Agaath deed geen moeite meer begrepen te worden. Het enige waar onze schijndove dan op moest letten was, dat hij het apparaat dan wel even aan moest zetten en dat er na het plaatsen van de nieuwe krachtbron even een hevig gepiep uit het geval moest komen ten teken, dat het weer prima werkte. En wanneer niemand keek zette hij het gauw weer uit, want hij kon prima horen… Inmiddels vertrok de grasmaaister op zoek naar een volgende dansvloer. “HEBT U NOG BATTERIJEN NODIG?”, brulde de dame ondanks het weggestorven kabaal vrolijk verder. “Nee, hoor, ik heb er nog zat!”, antwoordde ome Arie, nadat hij net deed of hij zijn hoortoestel weer aan zette. “GOED ZO, DAN GA IK WEER VERDER!”, was het luide antwoord. Ze stapte op haar fiets en vertrok. Ome Arie glimlachte. “Is ook een nicht van me. Ze praat zo hard sinds ze bij de audiciën werkt!”

Verjaardagscadeau

Gelukkig bedacht ik me net op tijd ome Arie’s verjaardag. Ik kocht een blikje luxe pijptabak en scooterde tevreden naar ons bankje bij de haven. De 76 jarige arriveerde niet veel later en nam, blij verrast, zijn cadeau aan. Hij pakte zijn pijp en begon plukjes ervan in de kop te stoppen. “Ja, sinds gisteren alweer 76 jaar”, benadrukte hij, dat ik eigenlijk een dav te laat was. “Maar gisteren was je er toch niet, ome Arie!?”, verdedigde ik mezelf. De oude boer knikte: “Gisteren een huis vol visite.” Hij genoot zichtbaar van de eerste trekjes van zijn verjaardagscadeau. In het haventje heerste een weldadige rust. Een zo te zien snelle rubberboot met een enorme buitenboordmotor voer heel zachtjes binnen. De bemanning bestond uit een gemêleerd gezelschap: een vrolijk kijkende schipper, zich geenszins schamend voor zijn kledij: een drijfnat fel oranje plastic regenscherm, en zijn vrouw, die zich er juist dood voor schaamde. Laatstgenoemde lichtmatroos ging de komende twee weken vast boos in de logeerkamer slapen. Ook ome Arie zag het tafereel met een grijns aan zich voorbij drijven. En weer terug, richting de woelige baren van het Spui. We keken het vrolijk watersport-koppel met een glimlach op onze koppen na. “Een huwelijk komt soms in wild water…” zei de oude boer en hij blies een flinke wolk rook uit, “Het gaat zelden zo goed als bij mijn tante Co en ome Cor.” Ik blies gezellig een wolkje met hem mee en wachtte de rest van het verhaal af. “Tante Co is een jongere zus van wijlen mijn moeder. Diep in de negentig. En ome Cor is bijna honderd!” Ik knikte bewonderend: “Dat is echt een heel oud stel! En nog een beetje bij de tijd?” Ome Arie maakte een wiebelend gebaar met zijn hand: “Het gaat, ze wonen nog in hun oude kleine huisje, maar met de nodige hulp. Ze komen niet veel meer buiten.” Hij pauzeerde even voor een trekje aan zijn pijp. “Van de week ben ik even bij ze langs geweest. Ome Cor zat op het bankje voor hun huisje een sigaar te roken en begroette me waarbij hij als altijd zijn sigaar omhoog hield en bromde: ‘Het is natuurlijk geen Hofnar bolknak’!” Ik keek ome Arie vragend aan. “Die rookte hij altijd, maar ze worden niet meer gemaakt. Een ramp voor ome Cor.” Ik knikte begrijpend. Oude mensen klampen zich vaak vast aan oude waarden. “Vervolgens legde hij zijn rookgenot op de vensterbank, want tante Co wil niet dat hij binnen rookt, en slofte naar binnen. Naar de kast met de sigarenkistjes.” Een bekende fietste langs. Ome Arie stak zijn pijp omhoog als groet. “Daar nam hij met een groots gebaar een twee-euro-muntstuk uit het kistje waar met zwierige letters ‘verjaardagen’ op staat en overhandigde dat aan mij. ‘Gefeliciteerd, knul!’ Tegenwoordig vraagt hij er niet meer bij: ‘hoe oud ben je nu geworden?’.” Ik zag het tafereel voor me en kon een glimlach niet onderdrukken. Ome Arie glimlachte zelf ook. Een heerlijk gezicht: Een vertederde glimlach op die verweerde oude kop. Hij keek me even bijna verontschuldigend aan en gelijk weer terug richting havenmond. “We kregen koffie in een boerenbond kopje met een mariakaakje. De door mij meegenomen verjaardagsgebakjes verdwenen de koelkast in. Voor ’s avonds! Alledrie…” Ik schoot in de lach. “Daarna rookte ik een pijpje en ome Cor zijn sigaar op het bankje voor het huis en zwegen, omdat er weinig meer te bespreken viel.” Hij zweeg zelf nu ook even, alsof hij zijn woorden meer kracht wilde geven. Gezien de lengte van dit verhaal werden onze pijpen opnieuw gestopt. “Na een kwartiertje viel ome Cor in slaap met zijn sigaar in zijn mondhoek. Gelukkig doofde deze snel. Ik rookte mijn pijpje op, klopte de as uit in het rozenperk en bracht de boerenbondkopjes naar de keuken, waar tante Co ook was ingedommeld. Ik deed het twee-eurostuk stiekem terug in het sigarenkistje en deed er nog een paar bij. En ging tevreden naar huis.” Ik keek een beetje verbaasd opzij: “Dus je gaf je verjaardagscadeau stiekem terug?” Ome Arie knikte. “Die oudjes hebben het niet zo breed. Dat stiekem teruggeven doe ik al heel lang. Zodat ome Cor zijn waardigheid kan behouden…”

Zwerver

Op ‘ons’ bankje bij de haven lag iemand in diepe slaap. Een zwerver, zo te zien. Ome Arie stond er een beetje beteuterd naast, uit zijn doen door het niet beschikbaar zijn van zijn vaste pijprookplekkie. Ook ik voelde me wat ontheemd, toen we noodgedwongen plaatsgenomen hadden op het ‘tweede keus’ bankje, waarvan het uitzicht ons inziens kwalitatief beduidend minder was. We stopten onze pijpjes en bliezen iets minder tevreden wolkjes de ietwat bedrukte ochtendlucht in. En zwegen. Op het slaapbankje kwam ondertussen enige beweging in de voddenbaal. Er werd uitgerekt en slaperig rondgekeken. En verrast gereageerd op onze aanwezigheid op het belendende gemeentemeubilair. “Goeiemorgen!” Ome Arie keek mij verbaasd aan en ik keek verbaasd terug.  “Goeiemorgen!” groetten wij vervolgens in koor terug. Hij rommelde wat in een van de vele plastic tasjes, die hij rond het bankje had neergelegd en kwam met een paar krantjes op ons af. “De straatkrant voor de heren?” Zuchtend pakten we onze portemonnee. Meer uit beleefdheid. “Ik heb u nooit eerder hier gezien?” viste ome Arie. “Ik ben op vakantie!” Hij zag onze verbaasde koppen en besloot tot een nadere uitleg: “Normaal sta ik in Rotterdam bij de Albert Hein, maar ik heb nu vakantie!” Wij moesten onze pijpen vasthouden, omdat onze mond openviel van verbazing. De zwerver slofte inmiddels met onze euro’s in zijn hand terug naar ons bankje. De opbrengst leek hem niet tegen te vallen. Met een glimlach op zijn verweerde, gestoppelbaarde kop begon hij zijn vodden bijeen te rapen. “U gaat weer verder?” vroeg ome Arie hoopvol, vooral vanwege ons bankje. De man knikte. “Maar met tegenzin, want dit is een prima bankje om op te slapen met een prachtig uitzicht!” Hij wees op het haventje richting havenmond. Daarachter stroomde het Spui, krachtig als altijd. “Hebt u die halve boom aan de overkant gezien?” Hij wees. Inderdaad stond recht tegenover de haveningang een boom met ogenschijnlijk slechts aan één kant bladeren. Onze krantenverkoper hield even op met inpakken en declameerde hardop, alsof hij voor een groot publiek stond: “Aan gene zijde van het Spui staat een halve boom, statig en lui, alsof half in de rui, terwijl wij ons afvragen aan onze kant: wat is er met die boom aan de hand?…” Hij keek triomfantelijk onze kant op. Wij twijfelden een applaus, maar hij dacht even na en ging toen  verder: “Er was trammelant over de verdeling van de stamsappen, waarop de helft van het loof besloot op te stappen!” Weer volgde een korte pauze om het effect te versterken,  “Het liet zich domweg vallen in de snelle stroom, hetgeen resulteerde in meer sappen voor de andere halve boom!” Even was het stil en toen maakte hij een diepe buiging. Ome Arie en ik gaven hem een staand ovatietje. Hij pakte glimlachend zijn spullen en liep naar de bushalte. De bus naar Rotterdam was door onze straatkrant-bijdrage voor hem haalbaar geworden. Wij zwaaiden hem na en gingen tevreden weer op ‘ons’ bankje zitten. En keken naar de halve boom. Daarna sloegen we onze straatkrant open. “Hebt u ook het speciale kerstnummer?” vroeg ome Arie…

Konijn

Naast ome Arie zat een klein meisje met goudblond haar te schitteren in de zon. Ik zette mijn scootertje op de standaard, pakte mijn pijp, groette de bankzitters en ging op gepaste afstand van het prachtige opa-moment af zitten. Aan hun gezichten te zien hadden ze een heel ernstig gesprek. “Flappie was op het laatst wel erg mager, hè, opa Arie?” Ze had een kleine urn op haar schoot. Ome Arie zag me vragend kijken en legde uit: “Haar konijn…” Het meisje keek nu een beetje boos: “En ik vind het stom, dat pappie Flappie altijd Floppie noemde!” Ze klemde de urn nu wat steviger tegen zich aan, “alleen maar omdat’ie graag aan elektriciteitskabeltjes knaagde!” Opa Arie knikte slechts. Zijn (achter)kleindochter balde haar knuistje: “en papa had zelf de deur van de meterkast niet goed dichtgedaan!” Opa Arie knikte nogmaals: “De hele straat zat een dag zonder stroom. En dat vond je pappie wat minder leuk!” Goudlokje vond het nog steeds een groot onrecht. “Het gaat nu veel beter met Flappie, lieverd!” trooste opa, “Hij wordt steeds zwaarder, toch?” Dat hielp, hasr gezichtje begon weer te stralen, zoals kleine meisjesgezichten horen te stralen. Plotseling wendde ze zich tot mij: “Dat is echt waar! We wegen Flappie iedere week en hij wordt steeds iets zwaarder, hè, opi!” Ze liefkoosde de urn tegen haar lijfje. Opi knikte en pakte zijn portemonnee: “Dat vieren we met een lekker ijsje voor het kleine meisje!” Er werd nu blij gekeken. “Geef mij Flappie maar even, dan heb jij je handjes vrij voor je ijsje.” De urn werd overgedragen en goudlokje huppelde, nog wel gewaarschuwd door ‘opi’: “voorzichtig met oversteken!” richting Gebo. Ik bekeek het tafereel met een vertederde glimlach. Die verdween, toen ome Arie, op het moment dat het kind uit het zicht verdwenen was, de dop van de urn schroefde en zijn pijp er in uitklopte. Ik keek hem met open mond van verbazing aan. Hij deed snel de dop weer op Flappie en fluisterde: “Flappie zit hier helemaal niet in! Flappie is gewoon in de bak bij de dierenarts gegaan, maar die kleine was zo verdrietig, dat ik ergens een soort urn op de kop heb getikt, daar as van mijn pijp ingedaan heb en dat aan haar gegeven heb met de mededeling, dat ik Flappie heb laten cremeren, net als haar andere opa. En dat dit  de as van Flappie is. Ze loopt er nu hele dagen mee te sjouwen. Af en toe doe ik er wat as, en soms een klein beetje zand bij. Wanneer ze dan bij ons is wegen we de urn, en juichen wanneer die wat zwaarder is geworden sinds de vorige keer. Ik heb haar wijsgemaakt, dat dat komt, omdat het dier dan in de konijnenhemel weer wat aangekomen is…” Ik kreeg mijn glimlach terug. Dit was weer typisch ome Arie

Sigaar

Het was warm. Heerlijk warm met een zonnetje en een briesje. Een tien op de geniet-schaal van ome Arie. De wind was ook niet te sterk voor ons rookgenot. “Pijproken boven windkracht vijf is als vrijen met een onwillig wijf!”, had ome Arie eens gebromd, toen de tabak uit onze pijpen woei. Ik had maar niet gereageerd op deze ietwat vrouwonvriendelijke uitspraak. “Haar de rust gunnen van de luwte en met veel zachtheid  dan wellicht wijkt snel de schuwte…”. Deze typische ome-Arie-nuancering deed me toen weer ontspannen achterover leunen. Bij de herinnering moest ik weer glimlachen. Het warme besef van ’s mans innerlijke beschaving stemde me gelukkig hem te hebben ontmoet, nu alweer meer dan een jaar geleden. Opeens besefte ik, dat hij weer bijna jarig moest zijn. Ergens rond 22 augustus volgens mij. Ik nam me voor mijn oude stukkies op swartboek.nl er eens op na te slaan. Achter ons klonk het snerpende geluid van slechte remmen, begeleid door het gerammel van een oude fiets. “Daar zal je neef Nitus hebben.” zei mijn vriend, zonder zelfs maar om te kijken. Nitus heet eigenlijk Tinus, maar ome Arie eert neefs’ dwarsheid met een gepaste bijnaam. “Goeiemorgen, Tinus, hoe gaat het, knul?” Ome Arie vroeg het uit beleefdheid, want het gezicht van het jongmens sprak boekdelen. Het ging niet echt goed met hem. Met een gezicht als een oorwurm ging hij tussen ons in op het bankje aan de haven zitten. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. Bijna gelijktijdig trokken we onze schouders op en trokken aan onze pijp. Het probleem zou vanzelf wel komen. Neef Tinus zuchtte,  keek beurtelings naar ome Arie en naar mij en zuchtte nogmaals: “Ik moet worden geopereerd!” Ome Arie keek verbaasd: “Da’s niet zo mooi, knul. Waarvoor moet je geopereerd worden?” Tinus keek schichtig om zich heen en mompelde heel zachtjes iets onverstaanbaars. Zowel ome Arie als ik  leunde naar hem over, teneinde hem te verstaan. De ongelukkige keek omlaag, richting gulp en fluisterde nogmaals: “Daar beneden!” We begrepen hem bijna. “Da’s, eh…, niet zo best, jongen,” wist ome Arie met moeite de woorden ‘lullig’ en ‘klote’ te vermijden. Tinus vatte moed en sprak, nog steeds op gedempte toon, maar wel beter verstaanbaar: “Ik was bij mijn meisje en we zouden net gaan, eh, jeweetwel…” Hij keek rond, of niemand meeluisterde, “En die dacht, dat ik het condoom er al om gedaan had, terwijl ik nog met de verpakking stond te worstelen!” Ome Arie zat even met zijn mond vol tanden, en ik wist ook niks te zeggen. We keken daar allebei waarschijnlijk behoorlijk dom bij, want de knul voegde er een beetje geïrriteerd aan toe: “Mijn voorhuidje is te krap! Heb ik eindelijk een meisje gevonden, waarbij ik mijn sigaartje in haar doosje mag stoppen, blijk ik een bolknak te hebben!” Deze beeldspraak was teveel voor onze beheersing; we schoten in de lach. Ome Arie wist zich te vermannen: “Had je dat dan niet eerder gemerkt, jongen?” Een logische vraag met een rode kop tot gevolg. “Het was mijn eerste keer. Zelf had ik er nooit echt last van!” Nu bleven we allebei heel serieus. Amor ging verder: “Het ging niet geweldig, en toen ik WD40 voorstelde om de boel te smeren, ging de sigarendoos dicht!” Ome Arie knikte begripvol. “WD40 is voor roestige bouten, knul, niet voor sigarendoosjes!” Ik had het nu behoorlijk benauwd. Neef Tinus merkte het gelukkig niet: “Dus ik vanmorgen naar de huisarts.” De kop werd nog roder: “Een vrouw. En die wilde even kijken.” Wij kregen er een beeld van op ons netvlies. “Zegt dat mens, met mijn inmiddels tot formaat tuitknakje geslonken geval in haar hand: ‘ach, het stelt niet veel voor'” De knul keek erg ongelukkig. Ik durfde ome Arie niet meer aan te kijken. “…Bleek ze het over de operatie te hebben.” Hij zuchtte,”…Geloof ik, maar toen ze voor dat onderzoekje ook nog een vergrootglas pakte, werd ik toch wel wat onzeker!” Ome Arie ging iets in zijn fietstas zoeken, terwijl ik heel erg mijn pijp opnieuw aanstak. Ome Arie kwam, weer volledig in de plooi, terug. Hij stak opnieuw de brand in zijn pijp en vroeg heel belangstellend, zonder een spier te verrekken: “En wanneer ben je de sigaar, knul?”

Celeb Arie

“Meneer Ype, u bent toch een soort van schrijver?” Ome Arie had net zijn pijp aangestoken en keek vragend mijn kant op. Ik moest glimlachen om zijn woordkeuze en antwoordde: “Inderdaad, ome Arie; ‘een soort van’. Af en toe schrijf ik wel eens korte verhaaltjes zoals een ander na z’n pensionering gaat schilderen of fotograferen.” Het antwoord leek bevredigend, want hij trok tevreden aan zijn pijp en keek een dame, die heftig hardop pratend voorbij beende, verbaasd na. “Aan het bellen”, legde ik uit, “en zo te horen geen prettig gesprek!” Ook ik heb er soms moeite mee, dat ik ongewild deelgenoot gemaakt word van allerlei privé besognes van wildvreemden. Ome Arie schudde zijn hoofd, alsof hij mijn gedachten kon lezen en  begreep. De dame was op het bankje naast ons gaan zitten en ook het gesprek leek tot rust gekomen. “Waar ik ben? Ik zit op een bankje bij de haven…” Het was even stil. Ze had een oortje in, dus moesten we naar het antwoord raden. Ome Arie besteedde er verder geen aandacht aan. “Maar wat doet u dan met die stukkies, meneer Ype?” Het leek hem te intrigeren. “Die zet ik op mijn website (swartboek.nl) en op facebook”. De oude boer blies een wolkje rook uit. “En wordt zoiets dan nog gelezen ook?” Hij zei het op een toon alsof hij het zich amper kon voorstellen. Ik knikte: “Meestal door zo’n dertig fans…” Ome Arie verbaasde zich en glimlachte, maar dit was geen minachting, eerder vriendelijke erkenning. Hij zweeg even. De beldame keek even opzij en fluisterde vervolgens iets geheimzinnigs in de telefoon, die ze nu in haar rechterhand beet had. Ze keek daarbij, alsof ze het over ons of één van ons had.  Weer fluisterde ze. Ik meende, ondanks onze onderlinge afstand, te begrijpen, dat ze, doelend op ome Arie, “Hij is het ècht!” fluisterde. Het leek aan onze boerenvriend voorbij te gaan. Hij rookte zijn pijp in diepe gedachte, tot hij uit die diepte me aankeek en vroeg: “Kom ik ook wel eens in die verhaaltjes voor, meneer Ype?” Ik nam een grote trek van mijn pijp, blies een evenredige wolk rook uit en loog zachtjes: “Maar een enkele keer, ome Arie!” Ondertussen probeerde de belster met haar mobieltje een foto van mijn bankgenoot te nemen.

Fietsbreuk

Ziekenhuisbezoek is niet bepaald mijn favoriete bezigheid, maar soms kom je er niet onderuit. Zo ook op die regenachtige dag. Met een bosje BéPé- fresia’s, vers gescoord bij een tankstation, liep ik de majestueuze entree van het ziekenhuis binnen. Ik werd verwelkomd door een vriendelijke stropdas, die me wees op de handen-ontsmettings-paal, die zeer prominent aanwezig stond te zijn. “Hier kunt u uw handen ontsmetten en wilt u in het ziekenhuis alstublieft een mondkapje dragen?” Ik voldeed natuurlijk aan zijn verzoek. Toen ik mijn mondkapjes-elastieken achter mijn oren friemelde zag ik opeens, schuin achter de anti-corona-paal, een paar klompen staan. Onbeschilderde blanke klompen, zoals ome Arie ze altijd droeg. (“Al die tierelantijnen hoeven van mij niet zo!”. Ik hoorde het hem zeggen…) De vriendelijke stropdas zag me kijken en glimlachte: “Die zijn van een hele aardige oude boer, die bang was, dat hij met klompen áán te veel herrie zou maken voor de zieken! Daar kunnen veel dames met hoge hakken nog een voorbeeld aan nemen.” Dat moest ome Arie geweest zijn. “Hij vroeg, of ik er een beetje op wilde letten…” Ik knikte begrijpend: “Ja, want je wilt niet op je geweten hebben, dat ome Arie op zijn geitenwollen sokken naar huis moet!” “Ome Arie! Inderdaad, hij zei dat hij zo heet: ome Arie! Kent u hem?” Ik knikte. “Gelukkig wel, meneer, gelukkig wel!” Ik haalde het bosje fresia’s onder mijn arm vandaan. Daar zaten ze, omdat ik zo gauw geen andere plek kon bedenken om mijn handen vrij te hebben ter ontsmetting. Het resultaat was een oksel, die naar benzine rook. Gelukkig was de zieke, die ik ging bezoeken ook aan haar neus geopereerd. Ik wandelde richting lift, toen ik een oude boer met een pet op en op geitenwollen sokken op me af zag komen. Ome Arie. “Meneer Ype! U ook hier? Toch geen narigheid in uw familie, hoop ik?” De zorgelijke belangstelling was niet geveinsd. Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Nee, gelukkig niet ome Arie. Een kennis van ons heeft een ongeluk met haar fiets gehad, maar ze zal er wel weer bovenop komen!” Ik wilde hem niet vermoeien met al te veel details. “Maar wat doe jij hier?” De oude boer glimlachte: “Boudewijn, u weet wel, die wielrenkampioen van Agaat, is met zijn fiets gevallen. Gebroken!” Hij grijnsde: “Zowel zijn heup als zijn fiets!” “Zijn fiets?”, vroeg ik. “Het schijnt, dat zo’n frame van carbon gewoon kan breken!” Ome Arie liep naar zijn klompen. Nieuwsgierig volgde ik hem. Hij tikte aan zijn pet naar de stropdas als dank voor het bewaken van zijn schoeisel. De man lachte terug. Ome Arie vervolgde: “Onze Eddy Merkx was als altijd aan het ‘stayeren’ achter Agaats’ scootmobiel, toen ze opeens vol in de remmen ging vanwege een overstekende slak of zoiets.” Ik zag een beeld van een wielrenner, die door de lucht vloog, maar ome Arie stelde dat beeld bij: “Hij kon nog precies op tijd remmen, maar kreeg zijn voet niet los van de trapper en viel gewoon opzij. Op zijn heup!” Dat klonk wel wat minder spectaculair dan mijn oorspronkelijke voorstelling van zaken. “Maar dan begrijp ik niet waarom dat frame gebroken is?” “Daar is mijn schoonzus met haar scootmobiel overheen gereden, toen ze wilde kijken hoe het met haar eega ging!” Ik schoot ondanks deze dramatische geschiedenis nu toch in de lach. Ome Arie, hierdoor aangemoedigd, kreeg een beetje valse grijns op zijn verweerde gezicht: “Ik heb hem nog aangeboden dat frame te repareren, maar hij kon mijn voorstel niet waarderen.” Ik keek vragend. “Waarom niet?” vroeg ik, toen hij zijn verhaal niet uit zichzelf afmaakte. “Volgens hem kon dat niet.” “Dat schijnt inderdaad niet te kunnen!”, klonk ik een beetje eigenwijs, “Hoe had je dat dan willen doen?” “Met twee scharnieren, dan had’ie gelijk een vouwfiets gehad…” Op de achtergrond stond de stropdas te lachen.

IJsje

Één van mijn grootste genoegens van het leven is het stiekeme ijsje bij de GEBO. Op een zwoele zomeravond met een smoesje (“schat, het is zo’n mooie avond, ik ga nog even een rondje met de scooter!”) uit mijn luie stoel oprijzen en met een “Ik blijf niet lang weg…” de deur achter me dichttrekken in de hoop, dat ze niet achter me aankomt: “Ja, dat lijkt me ook wel lekker, even uitwaaien!” Zodra de deur in het slot klikt maak ik me dan ook zo snel mogelijk uit de voeten. Ze mocht zich eens bedenken… Zo ook die avond. Ik was de deur uit gesneld op het moment, dat ze zich net even had teruggetrokken op het toilet. “Ik ben even weg!” Je had vanuit het privaat wat gemompeld, maar dat had me niet weerhouden van een sprintje richting scooter. Met een tevreden grijns reed ik naar het haventje van ons dorp en stalde mijn vervoer bij de achteringang van de ijssalon. Het water liep me al in de mond. Het ultieme genot: het kiezen van een smaak uit die enorme uitstalling. Iets wat sinds mijn kindertijd nooit veranderd is. Eenmaal het steile trapje op hoorde ik een bekende stem: ome Arie! Hij stond met de hele boerenfamilie om zich heen voor de vitrine ijsjes te bestellen. Toen hij me zag, grijnsde hij. Hij kon verder weinig, want hij had een kleintje op zijn arm en hij worstelde met zijn portemonnee in de andere. “Goedenavond, ome Arie, aan het trakteren? Is het feest?” Ome Arie knikte, maar vóór hij antwoord kon geven riepen een paar kinderen in koor: “Het is st. Juttemis!” Ome Arie knikte en bevestigde: “Het is st. Juttemis!” Ik schoot in de lach. Één van de ouders op de achtergrond legde uit: “Wanneer de kinderen om ijsjes zeuren, zegt ome Arie altijd: “met st. Juttemis!” Een klein blij meisje met een druipend ijsje lachte: “En vanavond zei opa Arie opeens: “Kom jongens, naar de GEBO, want het is st. Juttemis!” Iedereen bij de ijstent schoot in de lach. Ome Arie pakte zijn ijsje aan, rekende af en worstelde zijn portemonnee weer in zijn kontzak. Hierdoor zag hij niet, dat er uit het snotneusje op zijn arm een enorme, door de zon glimmende druppel snot in zijn ijsbakje viel. Ik besloot er niks van te zeggen en bestelde mijn ijsje en nam er toch ook maar eentje voor mijn lief mee. Toen ik tevreden naar de achteruitgang liep hoorde ik ome Arie nog net zeggen: “Hé, malaga-zeezout! Wel lekker, Is dat een nieuwe smaak?”

Ome A.

Ome A.

Bij aankomst op mijn scootertje bij ‘ons’ bankje aan de haven zag ik, dat ome Arie er nog niet was. Het was niet echt mooi weer; een beetje bedrukt met wolken, veel wind en geen zon. De schoolvakanties waren begonnen. Een paar jochies zaten op een steiger te vissen. Ik ging zitten en stopte mijn pijp. Nadat ik deze had aangestoken, hoorde ik achter me een fietsbel. Ome Arie. “Goeiemorgen, meneer Ype!” Hij stalde zijn fiets en wilde naast me gaan zitten om ongetwijfeld zijn pijp te gaan stoppen, maar plots rende hij verbazingwekkend snel het bankje voorbij en sprong op de steiger, waar zonet nog de jongetjes hadden zitten vissen. Hij greep een hengeltje, dat bijna het water ingetrokken werd door een onwillige vis. De oude boer pakte het op en wist met enige moeite de vis op het droge te halen, ondertussen wanhopig om zich heen zoekend naar de rechtmatige eigenaar van het visgerei. Maar de twee gastjes waren hem gesmeerd. De reden voor hun plotse verdwijnen bleek achter mij te staan: twee forse BOA’s, formaat gorilla, die ome Arie’s capriolen met het hengeltje belangstellend stonden te bekijken. Een mannetje en een vrouwtje. Het gorilla-wijfje stapte op de nu erg ongelukkig kijkende boer af: “Mag ik de vispas even zien?” Ome Arie keek wanhopig van het hengeltje in zijn ene hand naar het spartelende visje in de andere, naar mij en tenslotte naar het wijfje. “eh… Vispas? Hoezo, vispas?” “Je staat toch te vissen?”, tutoyeerde de B(ehoorlijk)O(nbeschofte)A(ap). “EEEH, nee, die hengel is helemaal niet van mij, die lag hier en dreigde in het water te vallen!” Dat maakte weinig indruk. Met een nogal overdreven gebaar haalde miss Lomp een opschrijfboekje tevoorschijn. “Mag ik je legitimatie?” Ome Arie was zelden met zoveel stomheid geslagen. De gorilla herhaalde: “Legitimatie, graag!” Het mannetje deed ook een paar dreigende stappen in de richting van onze schurk. “Die ligt thuis..”, stamelde de oude baas. Het wijfje schudde haar hoofd terwijl het mannetje zijn mobilofoon pakte. Binnen een paar minuten, in ieder geval sneller dan bij een inbraak, stonden er een paar echte agenten om de verbouwereerde ome Arie in een busje te laden. “Zal ik even zijn legitimatie voor hem ophalen?”, vroeg ik aan de vriendelijkst uitziende diender. “Is prima, het bureau is vlakbij, dan is het zo opgelost!” Ik sprong op mijn scooter en bracht ome Arie’s id-kaart naar het bureau. Daar bleek deze al te zijn opgevangen door zijn favoriete nichtje, die agente is. Met ome Arie achterop reed ik terug naar de haven, waar de jochies alweer lang en breed zaten te vissen. “Heeft u een bekeuring gekregen, meneer?” kwamen ze nog even belangstellend, en zich een beetje schuldig voelend, vragen. “Nee, jongens, door al het gedoe zijn ze dat waarschijnlijk vergeten!”  Ik kon niet nalaten hem toch een beetje te plagen: “Maar morgen staat er wel een stukje in het Kompas, ome Arie, met een grote kop: Stroper betrapt in de haven van Oud-Beijerland. En daaronder: de verdachte, ene ome A., is door de politie meegenomen voor verhoor!” Nu kon ome A. zelf ook weer lachen.