Het boek

Het was een gure herfstdag met de daarbij horende duisternis. Ons haventje lag er wat leeg bij, daar veel boten voor het noodzakelijk onderhoud aan wal waren getakeld. Ome Arie stak net zijn pijp op en bromde iets wat op “goeiemorgen” leek. Hij had een dikke jas aan en zijn winterpet met oorflappen, want het was best fris. Ook ik had me gekleed op de kou met mijn winterjas, waarin, als bijkomend voordeel, vele extra zakken voor mijn rook benodigdheden. “Tijd niet gezien, meneer Ype? Toch niet ziek geweest?” Ik schudde ontkennend mijn hoofd, ging zitten en stopte mijn pijp. “Gelukkig niet, ome Arie.” Ik stak de tabak in mijn pijp aan en genoot van het heerlijke aroma. “Ik had het een beetje druk met ons boek!” De oude baas keek verbaasd opzij: “Ons boek?” Ik knikteen herhaalde: “Ons boek! Met de verhalen van en over jou, ome Arie!” Dit moest hij even verwerken. Ik haalde het boek ‘de erfenis van ome Arie’ uit mijn scooter-zadel en overhandigde het hem. Hij keek naar het boek, toen naar mij en vervolgens weer naar het literaire hoogstandje in zijn rimpelige hand. Hij sloeg het open, las wat en keek mij weer aan. “Die ome Arie moet mij voorstellen?” Ik knikte. Hij las nog een stukje en gaf het toen weer terug. “Kan nooit, deze ome Arie…” hij wees op het boekwerk, “is veel aardiger dan ik…” Ik schoot in de lach. “Misschien val je best mee, ome Arie!” En gaf hem het boekje terug. “Je mag het houden. Misschien vind Riek het ook wel leuk!” Hij stond er even een beetje verlegen naar te kijken, klopte daarna zijn pijp uit, stak het boek in zijn fietstas, mompelde “krijg nou wat…” en vertrok richting huis.

Spijtoptant

Het goot pijpenstelen. Ik haastte me onder mijn paraplu langs Barona richting mijn auto, toen ik ome Arie in de serre van ons etablissement achter een kop koffie zag zitten. Hij had een bril op en zat met een moeilijk gezicht een brief te lezen en iets op een kladblok te schrijven. Mijn nieuwsgierigheid zorgde ervoor, dat ik onthaastte, omkeerde,  mijn regenscherm in klapte en naar binnen ging. De veeboer in ruste was duidelijk blij me te zien: “U komt als geroepen, meneer Ype!” Hij hield de brief omhoog: “Ik heb uw hulp nodig…” Ik hing mijn jas over de leuning van de stoel, vroeg de net passerende ober me van koffie te voorzien en nam plaats. Ome Arie overhandigde me zuchtend de brief.

‘Beste ome Arie,

Omdat mijn vriend Tinus dat zelf even niet meer kan vroeg hij me me u deze brief te schrijven. Ik ben Alice, zijn vriendin. We hebben elkaar ooit eens gezien bij de haven. Het gaat even niet zo goed met uw neef. Net op het moment, dat hij zijn dwarsheid vanwege het risico voor mij opzij had gezet ging het mis. Zelf kon hij immers niet ziek worden, hij was kerngezond en was nooit ziek. Maar vanwege mij had hij toch maar een afspraak gemaakt zich te laten vaccineren en noemde zichzelf gekscherend ‘een spuitoptant’. Maar het was te laat. Pas vanmorgen was hij weer aanspreekbaar. Hij voelde zich ‘Gregor’ uit ‘Die Verwandlung’ (De gedaanteverwisseling) van Kafka: een gewone hardwerkende man, die op een ochtend wakker wordt in de gedaante van een reusachtige kever. Onze Tinus werd op zijn beurt wakker op zijn buik liggend, naakt, met een dekentje over zijn billen, in een slangenkuil met allerlei enge piepjes uit allerlei enge machines. Hulpeloos, zich niet kunnen bewegen, als een op zijn rug liggende kever. Achter zich gebeurde van alles, maar hij zag slechts witte ziekenhuisklompen en witte broekspijpen in een ruimte vervult met stil verwijten. Praten ging in het begin niet, dus voor het eerst van zijn leven moest hij luisteren zonder te kunnen tegenspreken.’

Ik schrok van de brief en keek ome Arie aan. Deze knikte, op de wijze, dat hij me aanspoorde verder te lezen:

‘Toen hij weer bij machte was te praten en ik weer bij hem op bezoek mocht vroeg hij me u te schrijven, om zich te verontschuldigen voor zijn dwarsheid. Hij meende het nooit kwaad en wilde u toch even laten weten, dat u zijn lievelingsoom bent, omdat u altijd naar hem wilde luisteren en hem nooit veroordeelde,                     Alice, namens uw neef Tinus’

Ik gaf de brief terug aan mijn vriend Arie. “Nu moet ik een brief terugschrijven, meneer Ype, maar ik ben daar niet zo goed in. Hij keek me vragend aan. Hij had voor zich een kladblok met een ouderwetse vulpen liggen. Zo te zien had hij al wat opgeschreven. “Wat heb je tot nu toe, ome Arie?” Hij las voor: “Beste Alice, beste neef Tinus,  Eigenlijk zou ik boos op jouw, Tinus, moeten zijn, omdat je je gezondheid in gevaar hebt gebracht, maar ik ben nog meer bezorgd om je. Je zult in je leven nog vaker goede, maar ook foute keuzes maken, dat heb ik ook gedaan. En door de gevolgen van al die keuzes leer je, en zul je mogelijk een heel wijs man worden. Ik zal bidden, dat je gezondheid je de tijd hiervoor zal gunnen,                      Je ome Arie’

Ik keek hem aan. “Ik zou hier niks aan veranderen ome Arie”, zei ik slechts, me wel een beetje verbazend over dat ‘bidden’ van de oude baas. Stille wateren…

Warme Chocomel

Het herfstweer had ome Arie onze vaste schuilplaats ‘Barona’, tegenwoordig ‘De Heeren van Beijerland’ genaamd, ingejaagd. Ik trof hem tot mijn verbazing aan de bar met een slagroom-snor en een gelukzalige glimlach achter een grote mok warme chocomel. “Bij dit weer gaat er niks boven warme chocomel, meneer Ype!” Het klonk bijna, alsof hij zich verontschuldigde. De uitbater van het etablissement zette ook nog een forse appelpunt voor de blije oude baas. “Dan voel ik me weer een beetje kind…” Ik was vertederd door de blijheid van die grote vent met zijn verweerde kop, waarop zijn pet, terwijl zijn grote, gele klompen als altijd netjes bij de voordeur geparkeerd stonden. Wel binnen, want ooit was een paar buiten gestald houten schoeisel verdwenen en had hij op zijn geitenwollen sokken naar huis moeten fietsen. In de stromende regen. 

Ik bestelde ook warme chocomel met slagroom en natuurlijk kon een appelpunt daar niet bij ontbreken, al was het alleen maar om ome Arie zich niet schuldig te laten voelen. Deze nipte aan de mok. “En erwtensoep! Door Riek zelfgemaakte erwtensoep!” Je zag gewoon aan hem, dat het water hem bij deze gedachte in de mond liep. “Als kind Ieder jaar de intocht van Sinterklaas op een klein zwart-wit teeveetje bekijken bij de kapper met alle kinderen van de dijk.” Hij nipte weer nieuwe slagroom aan zijn bovenlip. “Mies Bouwman als presentatrice en de Sint was volgens de vrouw van de kapper ene Ko van Dijk!” Ik knikte, want ik herinnerde me ook, dat mijn moeder er ook van overtuigd was, dat Ko van Dijk de bisschop speelde. “Kreeg je bij de kapper dan ook erwtensoep?”, kon ik niet nalaten te vragen. Ome Arie keek, met de chocomok aan zijn mond even opzij. Hij zette het aardewerk weg en schudde zijn hoofd. “Als kind was ik als de dood voor haren in mijn soep…” Ik schoot in de lach. “Dus snert eten bij de kapper vertikte ik!” Hij nam een hap van zijn appeltaart en ik nipte aan de gloeiende chocomel, die de waard zojuist voor me neergezet had. De warme lava gleed gloeiend naar binnen en tranen in mijn ogen waren de straf voor mijn iets te overmoedige slok. Ome Arie kreeg hier niets van mee en vervolgde zijn herinneringen: “Toen onze kinderen de intocht bekeken was dat in kleur met meneer Aart Staartjes.” Ik kon het me ook nog goed herinneren. “En Bram van der Vlugt”, maakte ik zijn zin af. Hij knikte. We brachten gelijktijdig onze mok naar onze mond en terwijl hij een slok nam, nam ik, wijs geworden, nu een nipje. Even waren we stil met onze herinneringen. “Ik heb zelf ook een keer Sinterklaas gespeeld”, bekende mijn bar-genoot. Ik keek verbaasd opzij: “Jij, ome Arie?” Hij knikte. “Het was geen groot succes, mijn kinderen hadden me snel ontmaskerd.” Hij zuchtte: “Ze zagen, dat ik  onder die jurk gewoon mijn klompen aan had, en toen ik mijn pijp opstak, wisten ze het zeker! Riek was razend ook al probeerde ik me eruit te redden door te zeggen, dat de cadeautjes wèl van de echte Sint kwamen…” De hele tapkamer bulderde het uit van het lachen..

 

Erfenis

De zon was de zomer voorbij. Ze verwarmde herfstachtig, met lange gele stralen, ons bankje bij de haven. Ome Arie veegde wat gevallen bladeren weg, ging zitten en begon, als altijd, zijn pijp te stoppen. De bomen waren kalend en ook de haven leger dan in de zomer; veel bootjes waren uit het water getakeld voor hun jaarlijkse onderhoud. De oude baas stak zijn pijp in zijn mond en op. Grote rookwolken kozen het luchtruim. Ik zat er al even te genieten van de mooie dag en pafte kleine wolkjes uit mijn eigen, perfect brandende pijpje. Pijprokers onder de lezers zullen weten, dat niet iedere rooksessie met een rookwortel even gelukzalig is. Soms wil een pijp gewoon niet goed trekken of is verstopt. Maar op deze zondag was alles perfect. We waren het zwijgend eens, dat we dit moment wilde vasthouden. Heel lang, eeuwig eigenlijk. De onmogelijkheid hiervan maakte ons melancholiek. “De tijd gaat door, meneer Ype…”, zei ome Arie. Ik knikte, blies een wolkje en beaamde:  “De tijd gaat door, ome Arie!” Een wolkje voor de zon accentueerde onze somberheid. “Riek wil, dat we naar de notaris gaan voor ons testament.” zuchtte ome Arie. “Regeren over je graf heen…” Ik begreep hem. Ook mijn lief wil ‘alles’ goed geregeld hebben. We zitten in de herfst van ons leven, de winter kan bar worden. Het wolkje trok voorbij en de zon verlichtte ons bestaan weer. Het viel me op, dat ome Arie toch niet helemaal op zijn gemak zat. Hij schuifelde soms wat heen en weer. Wellicht was alles toch niet zo perfect als ik dacht. Ik besloot er verder geen aandacht aan te besteden. De gepensioneerde veeboer wees naar het Spui, dat hard voorbij het haventje stroomde. Van rechts naar links en over een paar uur zou het weer weer terugstromen: van links naar rechts. “Het Spui zal nog stromen als wij allang onze pijp aan Maarten hebben gegeven, meneer Ype!” Ik knikte. “Vanmorgen schrok ik, toen ik bij het tanden poetsen helemaal geen smaak meer had…” Ik keek bezorgd opzij: “was je bang, dat je Corona had? Maar je bent toch ingeënt, ome Arie?” Hij knikte en trok zijn schouders op: “Maar dan kun je het nog steeds krijgen…” Ik wist, dat hij gelijk had. “Heb je je laten testen?” “Dat was niet nodig, want Riek kwam erachter, dat ik niet ziek was, maar twee tubes per ongeluk verwisseld had.” Hij ging weer even verzitten. “Ik had gewoon mijn bril niet op, maar Riek wil nu gelijk naar de notaris, omdat ze bang is, dat ik echt dement begin te worden!” Hij schuifelde weer op ons bankje. Ik werd nu toch nieuwsgierig: “Wat zit je toch te schuiven, ome Arie?” De oude baas werd een beetje verlegen: “Tandpasta op m’n aambeien: brandt als de hel…” Ik begreep nu zijn ‘ziekte’ en schoot in de lach. Ook ome Arie kreeg nu, ondanks zijn ongemak, een glimlach op zijn gezicht, en ontspande. Opeens keek hij me aan, en vroeg, nu met een heel ernstig gezicht: “Over mijn erfenis: wilt u mijn pijpen en mijn pijptabak erven, meneer Ype?” Ik was geroerd: “Natuurlijk, mijn beste ome Arie, maar uw verhalen zijn toch uw grootste erfenis?” We keken allebei weer voor ons, richting het Spui. Ik weet zeker, dat mijn vriend ook vochtige ogen had.

Ome X

Op ons bankje aan de haven zat een diep in een dikke jas verscholen figuur. Met capuchon, maar zonder pet, zonder klompen en zonder pijp, dus het kon ome X. niet zijn. Ik stalde mijn vervoer en ging toch op het andere einde van onze vertrouwde plek zitten. Toen ik even een slinkse blik opzij wierp zag ik het: het was neef Tinus, vaak neef ‘Nitus’  genoemd vanwege zijn nogal eens afwijkende mening.  “Goedemiddag”, liet ik mij van mijn beste kant zien. Hij keek opzij, herkende mij, keek schichtig om zich heen en groette een beetje nurks terug: “middag…” Wellicht was er weinig goeds voor hem aan dit dagdeel, of mijn gezelschap niet echt gewenst. Ik trok me er niets van aan en stopte als gewoonlijk mijn pijp. Er viel een stilte, gevuld met gedachten en verwachtingen, want Tinus keek steeds om zich heen en dan weer richting dorp. Hij wachtte duidelijk op ome X. Zijn geduld werd even op de proef gesteld, maar na een stief kwartiertje kwam onze grote vriend aangefietst. Hij had een brede glimlach op zijn verweerde kop en zwierde als een jonge god zijn rechterbeen over de achterzijde van zijn fiets in plaats van af te stappen als een oude vrouw, mogelijk door het ontbreken van een ‘mannenstang’ op zijn fiets. Deze overmoed deed hem heel even wankelen, maar gelukkig bereikte hij zonder ongelukken ons bankje. Neef Nitus keek weer schichtig om zich heen en fluisterde: “En? Is het gelukt?” Ome X. knikte en overhandigde de verlegen puber een pak condooms: “Deze moet je hebben, knul, met ribbeltjes, zaaddodende pasta en glijmiddel. Geen succes verzekerd!” Het pak werd zowat uit ome X’. handen gerukt en snel in een binnenzak gepropt. “Ssst, ome X.! Ik schaam me dood!” En weer werd er schichtig rondgekeken. Ik schoot in de lach: “Er is tegenwoordig toch niks geks meer aan, dat je condooms koopt?” De jonge Amor fluisterde: “In dit dorp wel, vooral wanneer je meisje bij het kerkvolk hoort!” En weer werd er rondgekeken, Hij fluisterde: “Dank je wel ome X.!” En verdween op zijn oude krakende damesfiets, ons in tranen van het lachen achterlatend. “Dus jij gaat condooms kopen voor je neefje? Dat vind ik eigenlijk best erg aardig van je, ome X!” De oude veeboer pakte zijn pijp en zijn tabak en begon te stoppen. “En dat is echt nog leuk om te doen ook, meneer Ype. Ik kreeg allemaal bewonderende blikken, zelfs van jongere vrouwen. Alsof ze dachten: Zozo, die oude man koopt een heel pak condooms! Zou hij die echt nog nodig hebben op zijn leeftijd?”  Hij glom. “En toen ik bij het afrekenen niet kon nalaten een beetje hard tegen de kassiėre te zeggen: ‘Tot volgende week, juffrouw’ vielen de monden van de hele rij bij de kassa open!”  Hij stak de brand in zijn pijp. “Ik kreeg even weer het gevoel er als man echt bij te horen…” Ik hapte naar adem van het lachen. Toen ik weer bij mijn positieven was, pakte ome X. me even bij mijn arm en vroeg, nu heel ernstig: “Maar schoonzus Agaath en vooral mijn Riek hoeven dit natuurlijk niet te weten. En die lezen altijd uw stukjes. Als u hier een stukkie over schrijft, zoudt u dan mijn naam dan willen vervangen door een X?”  Ik beloofde het plechtig.  

 

Moedervlek

Op ons bankje aan het prachtige haventje van ons dorp zat ome Arie samen met een klein mannetje in een ernstig gesprek verwikkeld. Ik stalde mijn scootertje, pakte mijn pijp en nam plaats op het andere einde van het straatmeubilair. Ome Arie tikte ter begroeting even aan zijn pet, ik knipoogde als antwoord. Het kleine mannetje had een aantal prangende vragen: “Opi Ari, waarom hebben onze schapen allemaal vlekken op hun rug?” ‘Opi’ probeerde nog onder deze lastige kwestie uit te komen door te wijzen naar een stel onverschillig rondzwemmende eenden in ons haventje, maar daar werd geen genoegen mee genomen: “Volgens papa kun je daar aan zien, dat er baby-schaapjes komen!” antwoordde het ventje zijn eigen vraag. Even was het stil. “Maar vorig jaar was er ook een schaap zonder vlek dat een lammetje kreeg!?” Hij keek opi Arie met grote vragende ogen aan. Deze keek wanhopig mijn kant op. Ik trok onwetend mijn schouders op en kon op zo’n korte termijn maar één verklaring bedenken: “Onbevlekte ontvangenis?” Nu keken vier ogen me bestraffend aan. Er werd wel van mij verwacht, dat ik het gesprek van ‘mannen onder elkaar’ serieus nam en niet, dat ik grappig ging zitten doen. Beschaamd keek ik weer voor me en stak mijn pijp aan. Opi Arie deed een poging het schaap iets uit te leggen over het ‘vlekkenmysterie’. Het lukte hem redelijk: “wanneer een ram verliefd is op een ooi fluistert hij stiekem lieve woordjes in haar oortjes. Dan spelen ze ‘schaapje over’ en omdat hij een potje verf op zijn buik heeft, komt er een vlekje op haar rug…” Ik zat met een brede glimlach te genieten van zijn prachtige uitleg en van de hierbij gepaard gaande kleine zweetpareltjes op zijn rimpelige voorhoofd. Het mannetje liet de uitleg even bezinken. Opi Arie trok tevreden aan zijn pijp; daar had hij zich prima uit gered! Het nieuwsgierige Aagje leek inderdaad tevreden met de uitleg; er werd hem veel duidelijk en hij mompelde, meer in zichzelf: “Dus dat bedoelde mama met een moedervlek!” Opi Arie knikte bevestigend, blij, dat zijn uitleg afdoende leek. Het mannetje begon te stralen: “Ik krijg een broertje!” Ik keek ome Arie aan en ome Arie keek mij aan. Het ventje sprong op: “Gisteren zag ik onder de douche, dat mama ook een moedervlek op haar rug heeft! Ik krijg een broertje!” Over het geslacht leek geen twijfel te bestaan. Hij pakte zijn kleine fietsje en reed zo snel hij kon naar huis om zijn moeder het goede nieuws te gaan vertellen, ons in opperste verbazing achterlatend.

Puzzelen

Na een paar natte, trieste dagen was deze zonnige herfstmiddag een uiterst welkome verrassing. De bruine kleuren leken het seizoen een gouden glans te geven. Zelfs de oude pijp van ome Arie glom in het zonlicht. De oude baas was wellicht mede door deze omstandigheden in een beste bui. We genoten van ons bestaan en de heerlijke geur van onze pijpen. Op het bankje naast ons zat een oudere dame af en toe iets in een opgevouwen krant te schrijven. Ze dacht tussendoor steeds even na, glimlachte dan even en schreef weer. Ome Arie zag me kijken en zei, zachtjes, zodat ze het niet zou horen: “Kruiswoordpuzzel of cryptogram…” Ik knikte. Het leek een aannemelijke veronderstelling. We keken weer voor ons. Het haventje lag er vredig en vrijwel roerloos bij. “Puzzel jij ook wel eens, ome Arie?” Hij schudde zijn oude boerenkop: “Vroeger heb ik dat wel eens geprobeerd, maar het was niets voor mij. Gewoon te moeilijk.” Zijn eerlijkheid trof me telkens weer. Hij kreeg een glimlach om zijn mond: “Ik deed dat ‘s avonds na het eten, dan zaten we met het gezin bij de kachel en vulde ik achter elkaar de cryptogram in de krant in, Riek en de kinderen keken me dan vol bewondering aan!” Ik keek op mijn beurt hèm nu verbaasd aan: “Maar je zei toch net, dat je er niks van kon?” De grijns op zijn kop verbreedde zich: “Klopt!” Ik begreep er nu helemaal niks meer van. Ome Arie schoot nu echt in de lach: “Niemand controleerde toch of het goed was, wat ik invulde? Ze vonden me heel knap en noemden me Arie-Stoteles, naar de bekende Griekse filosoof…” Ik schoot nu op mijn beurt nu in de lach: “Dus je vulde maar wat in? En keek daar heel wijs bij?” Hij knikte. “Totdat Riek me toch een keer betrapte, natuurlijk. Ze hield haar mond en gooide de krant snel in de open haard. En knipoogde naar mij, maar ze liet me mijn waardigheid tegenover de kinderen behouden. Daarna deden we dit toneelstukje samen: dan vulden we beurtelings wat in en hadden de grootste lol, want schreven boodschapjes naar elkaar, alsof we nog verliefde schoolkinderen waren, die stiekeme briefjes naar elkaar stuurden. Op de cryptische omschrijving: ‘Indruk van een heilige band’ (6 letters) vulde zij dan in: ‘zuigzoen’! In hele kleine lettertjes, dan kreeg ze het nét in de zes hokjes!” Hij had pretoogjes. “Dan gaf ze de krant weer aan mij en op de omschrijving ‘Achting van beide zijden’ (3 letters) vulde ik dan in: ‘Kus’. Ik kon wel  lachen om de verliefde boer en zijn boerin: “En je kinderen bleven je ‘ArieStoteles’ noemen?” Ome Arie knikte: “Tot ze gingen puberen en ik een keer de handrem van de auto was vergeten waarop deze zichzelf in het aardbeienveldje van buurman Bertus parkeerde. Toen noemden ze me ‘Arie-totall-los’!

Onbestorven weduwnaar

De eerste tekenen van het jaarlijks verval dwarrelden van de bomen. Ik stalde mijn scootertje, pakte mijn rookgerei en nam plaats op ons bankje bij de haven. Het andere deel van ‘ons’ kwam niet lang daarna aan gefietst: Ome Arie. Het ging niet snel, nee zelfs zo langzaam, dat ik me verbaasde, dat hij niet omviel. Het was de oude baas zelf ook opgevallen. Hij stapte licht mopperend af: “Is die accu zeker wéer leeg, terwijl ik hem vorige week nog heb opgeladen…” Hij was niet goed gestemd, alsof de herfst hem ook had aangetast. Ik probeerde hem wat op te beuren: “Kom lekker zitten, ome Arie, en steek een pijpje op!” Dat deed hij zonder veel te zeggen. Een klein zonnetje klaarde de lucht een beetje op. Ook bij mijn boerenvriend: “Ik heb het ook zo druk, want ik ben een onbestorven weduwnaar. Riek is weer eens naar haar zus!” Hij trok aan zijn pijp. “Boudewijn, mijn zwager, is net terug uit het ziekenhuis en Agaath kan het allemaal niet goed aan, dus Riek moet weer de zuster Nightingale uithangen.” De gang van zaken beviel hem zo te horen allerminst. “Maar is die Boudewijn nu pas uit het ziekenhuis?” vroeg ik me hardop af, “Tegenwoordig houden ze de patiënten toch niet meer zo lang?” Ome Arie schudde zijn oude kop: “Hij had een dubbele breuk!” Ik keek hem vragend aan. “Op twee plaatsen gebroken!” Ik keek nu nog verbaasder: “Dat heb je me helemaal niet verteld! Hij was toch gevallen met zijn fiets? Was dat zo’n gecompliceerde breuk, dan!?” Ome Arie schudde nogmaals: “Op dat fietspad was de ene plaats, in het ziekenhuis was de tweede plaats!” Ik begreep er niks meer van. “Toen hij naar huis mocht met die eerste breuk, zwaaide hij enthousiast zijn verkeerde been uit bed en viel vervolgens op het andere: gebroken! Toen mocht hij dus nog even blijven…” Ik meende een klein grijnsje onder het petje gewaar te worden, maar dat kon verbeelding zijn. “En nu mocht hij wel naar huis, maar u begrijpt, meneer Ype, dat hij met twee geopereerde breuken nog niet veel kan, vandaar dat Riek Agaath is gaan helpen.” Hij stak weer het vuur in zijn door het gepraat uitgedoofde pijp. Ik kon door dit verhaal ook moeilijk een glimlach onderdrukken. “Maar nu was vanmorgen de krant niet bezorgd en ik moest daar dus even voor bellen met de klantenservice van het AD. Normaal doet Riek dat soort dingen altijd voor me.” Een verontwaardigde rookwolk verliet zijn mondhoek. “Nou, dat was een drama: Dan krijg je zo’n elektronische juffrouw, die volgens mij blond en doof is…” Ik schoot in de lach. “Dan moet je je postcode inspreken, twee-en-dertig-één-en zestig… , breekt die bijdehante trien me af: ‘Ik heb u niet goed verstaan, kunt u de postcode nogmaals  herhalen?” Ik kende het fenomeen. “Dus nog eens geprobeerd, maar het lukte van geen kanten.” Hij pakte zijn mobiel en keek vragend mijn kant op: “Kunt u me helpen, meneer Ype? U bent toch nogal handig met die telefoontjes?” Ik glimlachte: “Met alle plezier, ome Arie, wanneer heb je je krant niet gekregen?” De oude baas gaf me zijn mobieltje: “Vanmorgen, meneer Ype!” Ik keek hem verbaasd aan: “Ik ben bang, dat ik dan weinig voor je kan doen!” Nu keek hij op zijn beurt verbaasd mijn kant op. Ik gaf hem zijn telefoon terug: “Want het is vandaag zondag!” 

Leugentje

De ‘Indian summer’ verwarmde ons bankje aan de haven. Ome Arie genoot van het zonnetje, het zachte briesje en zijn pijpje. Ik deelde zijn tevredenheid. De oude baas gniffelde: “Ik was vanochtend ter controle van mijn bloeddruk bij mijn huisarts. Ze ziet me graag één keer per jaar en ik doe haar die lol. Ze constateerde tevreden, dat de voorgeschreven medicijnen prima werkten. Dat stemt haar gelukkig, dus vertel ik er maar niet bij, dat ik ze nooit geslikt heb…” Ik schoot in de lach. “Ach, je doet zo’n meisje toch graag een plezier. Ze is altijd heel vriendelijk!” Hij trok tevreden aan zijn pijp en ik was ervan overtuigd, dat in zijn dossier bij het ‘meisje’ ook stond, dat hij niet rookte. Het leek me niet zinvol zijn ongehoorzaamheid betreffende de voorgeschreven medicatie ter discussie te stellen. Het ging toch goed met zijn bloeddruk? Gelukkig kwam neef Nitus, eh… Tinus aan gefietst waardoor de pijnlijke stilte verbroken werd. Onze ‘angry young man’ was dit keer zo te zien verre van ‘angry’. Hij straalde. Ome Arie zag het meteen: “Zo, Tinus, favoriete neef van me, je lijkt wel verliefd!” De knul was niet eens verbaasd, dat de oude baas de spijker boven op de kop geslagen had: “Tot over mijn oren, ome Arie, tot over mijn oren!” Ik glimlachte ook omdat neef Nitus nogal grote wijd uitstaande oren had; die moest wel héél verliefd zijn! Ome Arie maakte een uitnodigend gebaar naar het vrije plekkie naast zich op ons bankje: “Kom zitten knul en vertel ons alles!” De knul ging zitten, iets wat hij anders nooit deed. “Om te beginnen: hoe heet ze?” De verliefde jongeling bloosde licht en zei zachtjes: “Alice…” Ome Arie kreeg een ietwat vals glimlachje om zijn mond: “Elles, leuk. Klinkt wel: Elles en…Tinus!” Ik begreep zijn plezier, het was een kleine verspreking om er ‘Welles en Nitus’ van te maken… Gelukkig had de blije adolescent geen weet van het binnenpretje van de twee valse oude kerels en vertelde honderduit over zijn grote liefde: hoe mooi ze was en hoe lief. Toen hij even pauze nam om adem te halen vroeg zijn oude oom, zogenaamd heel serieus: “Hebben jullie al eens ruzie gehad?” Ik had moeite mijn lachen in te houden, ook, omdat onze Romeo niets in de gaten had en ietwat verontwaardigd reageerde: “Nee, natuurlijk niet! Wat is dat nou voor vraag!?” Ik besloot ome Arie een beetje te helpen: “Nou, een goede discussie kan soms heel gezond zijn in een relatie: geen stiekem gedoe, maar elkaar eens goed de waarheid te zeggen. Dat hoort erbij!” De knul zweeg even om deze wijsheid te laten bezinken. Toen stond hij op en knikte: “Misschien heeft u gelijk, meneer Ype! Het is niet goed om geheimen voor elkaar te hebben, maar ik weet zeker, dat zij geen dingen achter mijn rug om doet!” Hij wees op zijn oude oom: “Mijn ome Arie en tante Riek zijn mijn grote voorbeeld!” Hij stapte op zijn rammelende oude fiets en peddelde met een gelukzalige glimlach bij ons vandaan. Ome Arie glunderde nog steeds toen hij even later ook huiswaarts ging. Ik bleef nog even zitten omdat mijn pijp nog lang niet opgerookt was. Net op het moment dat ik mijn scooter wilde starten kwam Riek op haar fiets voorbij: “Is Arie al naar huis?” Ik knikte en vertelde haar voorzichtig over het medicijngebruik van haar echtgenoot, omdat ik me er toch wat zorgen over maakte. Ze kwam dichterbij en fluisterde: “Dat weet ik allang. Maar geen zorg, ik stop die pilletjes al jarenlang in de stukjes worst bij de borrel, die hij altijd vòòr het avondeten neemt…” Ik lachte. Ze stapte weer op haar fiets: “Maar niet verklappen hoor, sommige geheimpjes horen nou eenmaal bij een goed huwelijk….”

Oostindisch gehoorapparaat

Het zonnetje koesterde ome Arie op ons bankje aan de haven. Hij zat zorgvuldig zijn pijpje te stoppen. Iedere pijproker weet, dat secuur stoppen van essentieel belang is teneinde het ultieme rookgenot te bereiken. Na onze gebruikelijke begroeting volgde ik zijn voorbeeld. Op het Spui werd een mooi zeiljacht meegevoerd door wind en stroom. Het voer voorbij en liet de kans op een pauze in ons schitterende haventje links, eh… bakboord, liggen. Mogelijk door de oorverdovende herrie, voortgebracht door een grasmaaier, welke achter ons bankje over het kleine gazonnetje zwierde als in een Weense wals. De bestuurster had er duidelijk plezier in. Een gehoorbeschermende koptelefoon zorgde ervoor, dat zij geen geluidsoverlast ondervond. In tegenstelling tot ons: een gesprek was niet mogelijk, dus wij berustten in ons lot, genoeglijk trekkend aan onze pijpen. “GOEDEMORGEN, OME ARIE!”, schreeuwde een dame van middelbare leeftijd. Ze zette haar fiets op de standaard vlak achter ons bankje. “HOE BEVALT HET GEHOORAPPARAAT?” Ik keek geamuseerd, want een paar maanden geleden had mijn vriend me nog verteld, dat hij het hulpmiddel slechts misbruikte om Riek te misleiden. (Zie eerder verhaal: ‘hoorapparaat’ van 23 maart). Hij keek even mijn kant op en daarna weer omhoog naar de dame uit schreeuwde terug: “PRIMA, VOLDOET AAN AL MIJN WENSEN!” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Hij loog niet, want zijn wens was een excuus te hebben, wanneer hij Oostindisch doof was voor het geratel van echtgenote Riek of erger nog: van schoonzus Agaath. Vroeger resulteerde die Oostindische doofheid vaak in een ruzie-achtige sfeer, maar nu kon hij het hoor-hulpmiddel de schuld geven: “Zo, is dat batterijtje alweer leeg!” En begrip was dan het gevolg. Riek ging dan gelijk nieuwe batterijtjes zoeken en Agaath deed geen moeite meer begrepen te worden. Het enige waar onze schijndove dan op moest letten was, dat hij het apparaat dan wel even aan moest zetten en dat er na het plaatsen van de nieuwe krachtbron even een hevig gepiep uit het geval moest komen ten teken, dat het weer prima werkte. En wanneer niemand keek zette hij het gauw weer uit, want hij kon prima horen… Inmiddels vertrok de grasmaaister op zoek naar een volgende dansvloer. “HEBT U NOG BATTERIJEN NODIG?”, brulde de dame ondanks het weggestorven kabaal vrolijk verder. “Nee, hoor, ik heb er nog zat!”, antwoordde ome Arie, nadat hij net deed of hij zijn hoortoestel weer aan zette. “GOED ZO, DAN GA IK WEER VERDER!”, was het luide antwoord. Ze stapte op haar fiets en vertrok. Ome Arie glimlachte. “Is ook een nicht van me. Ze praat zo hard sinds ze bij de audiciën werkt!”