Pilletje

Ome Arie kwam met een verhitte kop haastig aangefietst. Hij verontschuldigde zich voor zijn late komst, alhoewel we geen tijd hadden afgesproken. Hij plofte neer en begon zijn pijp te stoppen. Dat ging wat minder bedachtzaam dan anders. “Wat is er, ome Arie, je bent zo gehaast?” vroeg ik. Hij zuchtte, stak zijn pijp aan en werd rustiger. “Ach, het zat vanmorgen gewoon een beetje tegen en dat is niet goed voor mijn bloeddruk!” Dat verklaarde zijn ietwat rode kop. “We waren al wat laat wakker en ik haastte me naar de badkamer om mijn pilletjes in te nemen. Drie minuscuul kleine pilletjes, die alledrie de neiging hebben zich aan hun doordrukstripjes vast te klampen…” Het fenomeen kwam me bekend voor. “Afijn, één zo’n kreng schoot uiteindelijk weg, zo de wasbak in. Ik probeerde hem nog vóór het afvoerputje te grijpen, maar hij ontweek behendig mijn onderscheppingspoging!” Hij werd bij de herinnering weer wat roder. “Maar dan neem je toch gewoon een nieuw pilletje?” Opperde ik bijdehand. “Dat was slimmer geweest, maar ik ging op zoek naar het ontsnapte medicijn,” hij keek er niet gelukkig bij, “Ik schroefde de sifon los in het badkamermeubel, waardoor de boel behoorlijk nat werd en lag daar gezellig over te vloeken, toen Riek om de hoek kwam kijken, wat ik aan het uitspoken was…” Hij zuchtte en trok aan zijn pijp, “het was een slagveld. Ik lag in mijn nakie op mijn rug, half in het kastje met een verhitte kop met die sifon in mijn hand en alles was nat!” Ik begreep het en hield mijn lachen in: “en ze was niet echt blij, vermoed ik?” “Dat kun je wel zeggen, meneer Ype, dat kun je wel zeggen…” Hij keek me aan: “Ze ging vernietigend over in de ‘wij-vorm’. Ze zei, heel koeltjes: “en wat liggen wij hier te doen!?”. Ik mompelde zachtjes dat ik één van mijn pilletjes had laten vallen…” Hij zweeg even en trok aan zijn pijp. “En vervolgens, ijskoud, zoals ze doet, wanneer ze me een enorme sukkel vindt: “En toen vonden wij het nodig om de hele badkamer te slopen?” Ik had toen beter niks kunnen zeggen!” Ik kreeg een beeld van hetgeen volgde en had medelijden. “Enne..”, vroeg ik voorzichtig, “heb je dat pilletje nog gevonden?” Ome Arie knikte bevestigend. “Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk!” zei ik, en ik stak mijn inmiddels gedoofde pijp weer aan, “waar zijn die pillen eigenlijk voor?” kon ik niet nalaten aan de patiënt met de inmiddels weer hoogrode kop te vragen. “Die slik ik tegen mijn hoge bloeddruk!” Nu kon ik mijn lachen niet meer inhouden…

Zebrapad

Het was een doodgewone morgen op een doodgewone dag in een doodgewone week. Het was doodgewoon weer met een niet te warm zonnetje. Ome Arie en ik zaten wat verveeld aan onze pijp te lurken. En genoten van onze verveling. Wanneer je jong bent is het vreselijk je te vervelen. Er is altijd iets te doen. Er is altijd iets te beleven. Aan ons bankje aan de haven ging alles voorbij. Drukdoenerige puntschoenen met mobieltjes tussen oor en schouder geklemd snelden langs, jonge moeders trapten bakfietsen vol kinderen naar school en er werd erg veel geërgerd en zich druk gemaakt. Een oude dame duwde haar rollator richting zebrapad. Tergend langzaam stak ze over onze kant op. Twee auto’s stopten geduldig, maar een doorrijdende fiets kon haar nog maar net ontwijken. Ome Arie schudde zijn hoofd, vooral daar de fietser eerder boos dan beschaamd bleek. De oude vrouw glimlachte slechts en vervolgde haar weg. Bij ons bankje aangekomen stopte ze even. “De jeugd eist vaak respect zonder te weten wat dat inhoudt, maar gelukkig wordt die jeugd zelf ook eens oud.” Glimlachend wilde ze vervolgens moeizaam haar weg vervolgen. “Ik vind het bewonderenswaardig, dat u er zo wijs en kalm over doet. Wanneer mij zoiets overkomt, kook ik van woede!” zei ik. De dame keek ome Arie aan en samen keken ze vervolgens mij aan en lachten minzaam, en ze schuifelde verder achter haar loophulpmiddel. “Wat een bijzondere vrouw, vind je niet, ome Arie?” “Ach,” antwoordde deze, en hij trok aan zijn pijp, “Waarom zou ze zich druk maken, dat helpt toch niet en is slecht voor je hart!” Ik was wederom verbaasd over de wijsheid van deze oude boer. Er reed een politiebusje voorbij. “Die zijn er nooit, wanneer je ze nodig hebt,” mopperde ik, “die had hier 10 minuten geleden moeten zijn, dan had’ie die knul een flinke bekeuring kunnen geven!” Ome Arie glimlachte weer. “Hij was hier tien minuten geleden al, net om de hoek, maar het uitschrijven van zo’n bon kost nou eenmaal even tijd….”  

Klerezooi

Ome Arie had het duidelijk niet naar zijn zin. Hij zat een beetje in elkaar gedoken met zijn pet op standje ‘ongelukkig’ en zijn pijp allesbehalve ontspannen in zijn mond. Ik besloot nergens naar te vragen, groette hem vriendelijk en ging rustig mijn pijpje stoppen. Hij zei weinig en zuchtte een paar keer diep. Ik keek eens opzij. Hij keek terug en zuchtte weer: “ach, meneer Ype, soms zit alles een beetje tegen…” Ik knikte zonder er een snars van te begrijpen, wetende, dat zijn probleem vanzelf wel zou komen. Hij zuchtte weer. “Ik moet vanmiddag met Riek naar de stad.” Aan zijn grafstem te horen beloofde het geen leuke middag te worden. “Kleren kopen”. Het kwam er zo zielig uit, dat ik toch een beetje medelijden kreeg. “Vroeger was alles veel minder gecompliceerd. Ik droeg gewoon altijd een ketelpak en was daar heel gelukkig in. Gewoon een blauw ketelpak!” Hij trok aan zijn pijp, maar die deelde in de malaise en was uitgedoofd. Licht brommend als een vale oude herdershond pakte hij zijn aansteker. “Maar dat is toch niet zo erg”, trachtte ik tegen beter weten in zijn humeur op te krikken. Hij keek vernietigend opzij: “niet zo erg!? Het is verschrikkelijk!” Ik besloot geen opbeurende opmerkingen meer te proberen. “Het is het meest vernederende wat ik me maar kan bedenken!” Hij was echt gedeprimeerd. “Dan sleept ze me aan de hand mee als een chimpansee achter zijn dompteur naar een klerezaak, waarin ik dan door zo’n fatje met steevast een roze overhemdje geringschattend wordt opgenomen met de woorden: “Ik weet niet of ik iets in meneers’ maat heb…” en dat zegt zo’n vlerk dan tegen Riek, omdat chimpansees nu eenmaal niet kunnen praten.” Ik moest toch stiekem lachen om dit beeld, vooral omdat het me erg bekend voorkwam. “Ik wil dan gelijk weg, maar Riek heeft me steevast in een ijzeren greep.” Ik hield mijn lachen in. “Ze gaat dan nog slijmen ook om die loser in beweging te krijgen. Ik word een pashok ingeduwd met de boodschap me vast uit te kleden.” Hij blies een boos wolkje uit. “En dan wordt me steeds allerlei klerezooi aangegeven waar ik me in moet zien te vouwen. En dan moet ik dat pashok uit om me door Riek en die eikel te laten uitlachen.” Het tafereel was me duidelijk. “Geef mij nou maar gewoon een ketelpak.” Ik knikte, nu wel begrijpend. “Het is gewoon mijn straf!” Ik herhaalde verbaasd: “straf?” “Ja, straf!” Hij nam een diepe trek aan zijn pijp: “omdat ik gisteren mijn band heb geplakt met mijn goede shirt aan. Ik had het zelfs uitgetrokken en over haar fiets gelegd.” Weer was mijn onbegrip groot. “Maar het was een achterband en het zat niet mee, dus er zat wat smeer van de ketting aan mijn handen” “Gelukkig had je je shirt uitgedaan!” zei ik in mijn onschuld. Ome Arie keek vernietigend opzij: “ik veegde mijn handen af aan een doek…” Er ging een angstig lampje bij me branden: “Die doek was je shirt?” Hij knikte en klopte zijn pijp uit. “Gewoon een vergissing. En daar word ik zwaar voor gestraft!” Hij stond op en fietste chagrijnig huiswaarts, op weg naar zijn straf…

Sinterklaas

Het was een prachtige nazomerdag. ‘Indian summer’ wordt dat wel eens genoemd: nog geen gure herfst maar een staartje zomer, minder heet, maar met de eerste tekenen van het naderend verval. Ome Arie en ik zaten te genieten van onze pijp. We koesterden onze oude botten in de zon en zuchtten bijna gelijktijdig. Mijn metgezel glimlachte: “Dit is genieten meneer Ype!” Ik knikte. “Ieder jaargetijde ruikt anders”, vervolgde hij, “in het voorjaar geniet ik van de geur van vers gemaaid gras, in de zomer de wat weeïge lucht van het graan bij het oogsten, en nu,” hij snoof, “de herfst.” Ik keek vragend opzij: “de herfst? Hoe ruikt de herfst?” Hij dacht diep na, onderwijl een rookwolk uit zijn pijp blazend. Toen, met een grijns: “naar pepernoten!” “Pepernoten?” reageerde ik verbaasd, “Wat hebben pepernoten voor speciale herfstgeur?” Hij lachte. “Voor mij begint de herfst met de komst van de eerste pepernoten!” Nu lachte ik ook: “Daar heb je eigenlijk wel gelijk in, ome Arie!” We waren het erg eens. De lucht van versgebakken pepernoten hoort bij de herfst, bij de verwachting van een prachtig feest. Ome Arie las mijn gedachten: “Voor mij was Sinterklaas het hoogtepunt van het knusse Hollandse gezinsleven.” Ik knikte. Hij wees naar het steigertje voor in de haven waar de Sint placht aan wal te komen: “Ondanks het dagenlang pijn in je nek hebben nadat je met een kleintje op je schouders de intocht van de Goedheiligman met veel te veel zwarte Pieten op een veel te klein bootje was wezen bekijken!” We paften allebei in zoete herinnering onze pijp. “En later, wanneer de kinderen wat groter waren, het elkaar legaal in de maling nemen…” gniffelde de oude boer. “En elkaar in dichtvorm ongezouten, maar nooit gemeen de waarheid zeggen…” gniffelde ik gezellig met hem mee, “en niet te vergeten: de surprises!” Nu knikte ome Arie op zijn beurt: “De voorpret begon al met het ritueel van het ‘lootjes-trekken’” “En het nadenken over de surprise die je voor je ‘slachtoffer’ zou gaan maken!” Twee pijprokende bejaarde mannen met ieder hun eigen herinneringen. “En de reactie, die dat bij dat slachtoffer zou gaan opleveren!” grijnsde ome Arie. Hij stampte met een speciaal pijpenstampertje de tabak in zijn pijp aan en stak de uitgedoofde rest weer aan. Ik volgde zijn voorbeeld. “Mijn zoon was een puber, toen ik voor hem een grote pot pindakaas had gekocht.” Hij trok aan zijn pijp, “Ik maakte een gedichtje, warmde de pot pindakaas een beetje op in heet water, deed het papiertje met het rijm in een plastic zakje en propte dat diep in de pot. Zo diep, dat je het door de bodem van de pot zag zitten…” Zijn ogen glommen nu nog van de pret, “Dat alles ingepakt met nog een gedicht!” Ik zag het voor me. “Toen hij de pot had uitgepakt keek hij niet echt blij. ‘Wat moet ik nou met een pot pindakaas’ vroeg hij zich af. ‘Je bent toch gek op pindakaas?’ Zei mijn vrouw. Je had zijn gezicht moeten zien!” Ik kon me er wel iets bij voorstellen. “Een beetje teleurgesteld bekeek hij de pot en zag toen, dat er iets in zat.” Hij klopte zijn inmiddels uitgedoofde pijp uit. “Hij keek in het rond op zoek naar zijn plaaggeest, maar ik vertrok natuurlijk geen spier. Toen stond hij op, pakte wat oude kranten en ging, onder luid gelach van alle aanwezigen naar de keuken.” Ome Arie had er nog lol om; “Maar in plaats van het leegscheppen van de pot, wat ik verwacht had, wikkelde hij de pot in krantenpapier en sloeg hem kapot om daarna de huiskamer weer binnen te komen triomfantelijk het vieze plastic zakje omhoog houdend.” Nu lachte de oude baas hardop. Ik begreep er niks van. “Hij haalde het papiertje eruit en las voor: ‘voor onze lieve knul, kocht zwarte Piet dit spul, wetende dat deze kleine dwaas, gek is op pindakaas!’ Nu lachte ik ook hardop: “Dus hij had zijn kado net kapot getimmerd?” Ome Arie zat schuddebuikend van het lachen bevestigend te knikken.

September

De herfst kwam aarzelend om de hoek. De eerste gevallen bladeren schommelden op de golfjes in de haven. Het zonnetje scheen, maar al minder warm. Toen ik de hoek omkwam zat Ome Arie zat zijn pijp al te stoppen. Ik zette mijn scooter op zijn vertrouwde plek, pakte mijn pijp en tabak en nam op gepaste afstand plaats naast de oude boer. We groetten elkaar als altijd. “Goeiemorgen!”, waarbij hij dan altijd even met zijn rechter hand zijn pet aantikt. Het was rustig in de haven. De vakanties waren voorbij, dus de vloot was weer thuis. Ome Arie leek mijn gedachten te kunnen lezen: “wat een rust”, mompelde hij, “weer een zomer voorbij, iedereen is weer aan de slag, behalve wij gepensioneerden.” Het klonk berustend. Ik kon slechts instemmend knikken. Onderwijl schonk ik voor ons beiden een bekertje koffie uit mijn thermosfles. Ome Arie stond op en pakte een boterhamzakje uit zijn fietstas. “Ik heb een paar plakken ontbijtkoek meegenomen, meneer Ype, lekker met een dikke laag roomboter!” Hij hield enthousiast de versnapering voor mijn neus. Ik nam de ontbijtkoek, die besmeerd was met een gulle hoeveelheid roomboter. Weigeren was geen optie. “Eigenlijk ben ik op dieet en is die roomboter heel slecht voor me!” mopperde ik voorzichtig en bedacht een oplossing. Ik pakte mijn zakmes en schrapte de meeste boter van de lekkernij. “En wat doet u nu met die boter op uw zakmes, meneer Ype?”, gniffelde ome Arie. Ik keek wanhopig om me heen naar een mogelijke oplossing en zag er maar één: ik likte de boter voorzichtig van mijn mes, teneinde niet in mijn tong te snijden. Daarna nam ik een hap van de ontbijtkoek met de woorden: “Zo, dat is beter!”, niet gestoord door het onbedaarlijke gelach van mijn gezelschap.

Dichter

“Meneer Ype, u schrijft toch stukkies?” Ome Arie klonk bijna verlegen. We zaten al een halve pijp-lang te genieten van het zachte nazomerweer. “Dat klopt, ome Arie” beaamde ik. Hij liet het antwoord even een paar trekjes aan zijn pijp op zich inwerken, alsof hij moed moest vatten voor het vervolg; “Ik schrijf soms ook wel eens!” Het hoge woord was er uit. Ik glimlachte, maar besefte, dat dit toch wat arrogant over kon komen; ik was nou niet bepaald een gearriveerd groot schrijver. Ome Arie leek het niet gemerkt te hebben: “maar ik schrijf gedichten…” Hij bloosde zelfs een beetje! Ik bleef doodernstig.”Maar dat is toch geweldig, ome Arie, er schuilt vast een groot dichter in u!” Hij bloosde nog meer en zocht toevlucht naar zijn pijp. Hij stampte met een klein stampertje zijn tabak aan, pakte zijn gasaansteker en stak de overgebleven tabak weer aan. “Ik heb wel eens gedichten ingestuurd naar gedichtenwedstrijden, maar ik ben nooit in de prijzen gevallen”. Hij was daar nog teleurgesteld over. “Ik ken het gevoel, ome Arie, mijn verhalen vallen ook nooit in de prijzen…” Gedeelde smart is halve smart. “Maar ik vond ze zelf erg goed!” zuchtte onze dichter.  “Wederom: Ik ken het gevoel, ome Arie”, deelde ik zijn verontwaardiging. We paften even zwijgend onze pijpjes. Er kwamen wat melancholieke wolken voor de zon onze stemming verder bederven. 

Ome Arie haalde diep adem en begon een kunstwerk: 

‘de boer liep op zijn dooie akkertje,  

handen diep in de zakken, 

ik dacht: het stakkertje, 

weer geen cent te makken!’  

Trots keek hij mijn kant op, vragend om waardering. Ik applaudiseerde. “Mooi!” riep ik. Hij grijnsde verlegen. “Alleen misschien wat kort.” “Dit waren alleen de eerste regels!” antwoordde onze dichter. “Er komt nog meer:” Daar was ik al bang voor. Ik heb eigenlijk  niet zoveel met poëzie. Hij vervolgde:

‘Begraven in het dodenakkertje

Komen de maden uit z’n kont

Ik dacht: zo makkertje

Doe je eindelijk iets aan je grond?’

Nu zat ik wel hardop te lachen. “Geweldig, ome Arie, geweldig!” Hij glunderde. “Je hebt ook een heel eigen stijl! Hoe zullen we het noemen? Het aardvers!” Hij glunderde nog harder. Het bankje was even het middelpunt van cultuur. Ik stak mijn pijp weer aan en glimlachte: “Voor een nieuwe poëet hoeven we niet ver te zoeken, want we hebben er een dichter-bij!”

Telefoon

Ondanks de voorspellingen op ‘buienradar’ was ome Arie, optimist als altijd, toch aan een pijpje begonnen. Ik keek eens kritisch naar de lucht maar besloot toch naast hem plaats te nemen en zijn voorbeeld te volgen. “De eerste tekenen van de herfst”, wees ome Arie naar de bewolkte lucht. “Ik heb maar een jas aangetrokken.” Ik knikte, want ook ik was minder luchtig gekleed dan de weken hiervoor; “op zich wel handig, die jas heeft tenminste zakken groot genoeg voor mijn pijp en tabak!” Ome Arie blies een instemmend wolkje uit. Even zaten we zo genoeglijk van onze zondagmorgen te genieten toen een irritant gezoem de rust wreed verstoorde. Ome Arie begon zenuwachtig in al zijn zakken te zoeken en vond uiteindelijk zijn mobieltje. Ik keek verbaasd, dat hij überhaupt zo’n ding bezat, maar onthield me van commentaar. Inmiddels deed ome Arie verwoede pogingen in gesprek te komen met de beller: hij tikte op het scherm, hij schudde het toestel, vloekte zachtjes, tikte harder op het apparaat, maar het leek allemaal niet echt succesvol. “Ik heb voor mijn verjaardag een nieuw toestel van mijn zoon gekregen, maar ik begrijp er niets van.” Ik moest er wel om lachen, want het was een bekend probleem. “Misschien moet je met je vinger over het scherm schuiven om op te nemen.”, probeerde ik, maar het hielp weinig. Ome Arie keek erg hulpeloos tot er een knul voorbij probeerde te fietsen. Hij wuifde met zijn meegebrachte paraplu en riep het jongmens, dat met een glimlach onze kant opkwam. “Hoe gaat het met uw nieuwe telefoon, ome Arie? Kunt u er al een beetje mee omgaan?” Ome Arie schudde zijn grijze kop. Zijn pet stond er niet vrolijk op. “Ik snap er niks van! Ik weet niet eens hoe ik moet opnemen wanneer ik gebeld word!” “Schuiven, ome Arie, schuiven!” Ik knikte met een: “Dat zei ik toch ook al!” De knul lachte: “En regelmatig schudden ome Arie, om hem op te laden, weet u nog?” Nu begreep ik er niks meer van. Ome Arie zag mijn verbaasde kop en legde uit: “Mijn neef legde me op mijn verjaardag uit, dat mobieltjes tegenwoordig ook kunnen worden opgeladen door ze af en toe te schudden. Net als horloges vroeger!” Ik fronste mijn voorhoofd. Dat er zogenaamde ‘automatische’ horloges bestonden, die door bewegen opgewonden werden, wist ik. Maar dat dit nu ook bij mobiele telefoons mogelijk was? De neef stond bevestigend te knikken, en ze keken me aan alsof ik een Neanderthaler was. De nerd legde ome Arie uit hoe hij een beloproep moest opnemen. Laatstgenoemde deed het minicomputertje terug in zijn zak, maar niet voordat hij er nog even flink mee geschud had. De helpdesk kon er wel om lachen en wilde net op zijn fiets stappen toen er een piepje uit de zak van ome Arie klonk. Deze nam de telefoon uit zijn zak, keek er op en gromde: “Dat ding werkt niet goed; ik loop er de hele dag mee te schudden en nu is de batterij leeg. Kloteding!!” En hij gooide het apparaat met een grote boog de haven in. Een klein plonsje en weg was’t. De neef stond het met open mond na te kijken en stamelde: “Maar…” Ome Arie ging weer zitten en stopte een nieuwe pijp. “Wat doet u nu, ome Arie?” stamelde het mobielenorakel, “Waarom gooit u dat ding nou in de haven?” Oom stak zijn pijp aan en pafte: “Wanneer ik hem niet meer opgeschud krijg, heb ik er toch niks meer aan?” De neef greep naar zijn hoofd: “Maar…”, hij wees naar het water, “Maar….” in complete verbijstering. Ook ik zat het gebeuren met verbazing te volgen. “U had hem toch kunnen terugbrengen als hij niet goed was, u hebt toch garantie!”, stamelde de knul. “En dan voor joker staan met mijn verhaal, dat ik zo’n modern ding met schudden probeerde op te laden, zeker!” lachte ome Arie en hij pakte tot onze stomme verbazing zijn nieuwe mobiel uit zijn zak. Neef wees weer naar het water en stamelde: “Maar…” “Dat was mijn oude mobieltje, knul, mijn zakken zitten al vol genoeg met pijp, aansteker en tabak”, lachte ome Arie met een knipoog naar mij. 

Stamgasten

Aan een lange periode met prachtig weer kwam een stormachtig einde. In ons haventje klonk een luid getik van touwwerk tegen de masten van zeilboten. Ons bankje was nat en leeg. Ome Arie had zijn toevlucht gezocht in ‘De Heeren’, het etablissement, dat bij de echte dorpelingen nog steeds ‘Barona’ genoemd werd. 

Hij zat achter een kop koffie te genieten van een forse appelpunt met slagroom. Na de gebruikelijke begroeting bestelde ik slechts een kale koffie vanwege mijn vervloekte bestwil. Ome Arie genoot er niet minder door. Hij spoelde de laatste kruimels van het appelgenot weg met een slok koffie, veegde zijn mond af met een papieren servetje en keek rond. Het was rustig in de gelagkamer. Het was net na de lunch. “Het is stil”, trachtte ome Arie een gesprek op gang te krijgen. De uitbater wreef glazen glimmend met een doek, zoals uitbaters dat altijd schijnen te moeten doen: “Na een wekenlange drukte op ons terras met dat warme weer vind ik het nu wel even lekker!” Ome Arie knikte begrijpend. In de hoek zat een ouder echtpaar. Hij had een groot glas bier voor zich en zij lepelde een advocaatje. Ome Arie maakte een ‘proostgebaar’ met zijn kop koffie. Het werd plichtmatig beantwoord. “Ken je die mensen ook al?”, verbaasde ik me weer. “Niet echt”, draaide ome Arie weer richting bar, “het zijn stamgasten. Ik heb wel eens met hem gebiljart.” Er was nergens een biljart te bekennen, dus dat moest al een tijdje geleden of ergens anders geweest zijn. Ik besloot er maar niet naar te vragen. “Hij kon er geen hout van, maar oefende zich suf, zodat zijn beurten maar wat langer mochten worden.” Ik begreep er even niets van, iets wat me bij ome Arie wel vaker gebeurde. Deze zag mijn onbegrip: “Dan had hij even rust! Zij kan namelijk geen minuut haar mond houden! Dat komt vaker voor, hoor, ik ben ook getrouwd…”, hij nam met een veelbetekenende glimlach een slok koffie; “maar die…”, hij duidde met zijn hoofd richting hoek, “slaat alles. Een echte monologe!” Ik moest wel even lachen om deze benaming; “Is dat ook haar bijnaam?” vroeg ik, wetend, dat er in het dorp vrijwel iedereen een bijnaam had. “Nee,” antwoordde de waard voor zijn beurt. Ook ome Arie schudde zijn hoofd. De oude baas keek inmiddels vanuit de hoek vragend richting bar en stak voorzichtig zijn ietwat bevende hand op. De waard zuchtte, tapte een biertje, schraapte met een flessenrager het laatste restje advocaat in een glas, deed er veel slagroom uit een spuitbus op, zodat het tekort aan advocaat niet zou opvallen, en vulde een enorme bak met pinda’s; “Knabbel en babbel. Terwijl zij zit te kletsen vreet hij me arm aan de nootjes!” Hij slofte, zoals alleen waarden kunnen sloffen met de bestelling op een dienblad richting hoek.

Dieet

Het hete weer was voorbij. Ome Arie had weer zijn lange broek aan. Ik groette hem en ging zitten. Hij zat zijn pijp nog te stoppen dus hij was ook net op ons bankje aan de haven neergestreken. Ik pakte mijn rookgerei en stopte zwijgend mijn heerlijke tabak in de ruime kop van mijn pijp. Zo zaten we samen enige tijd te roken. Allebei met onze gedachten. Na een kwartiertje keek ome Arie opzij: “Is er iets, meneer Ype?”. ik zuchtte: “Ik ben gisteren bij de huisarts geweest.” Ome Arie knikte begrijpend, terwijl hij er geen moer van begreep. “Net als jij moest ik voor controle van mijn bloeddruk.” Ome Arie knikte weer: “Bij de alpenzusjes?” vroeg hij. (zie swartboek.nl verhaal ‘bloeddruk’) “Nee, die waren met vakantie. Het was een waarnemende brilslang.” Ome Arie trok aan zijn pijp. “En mijn bloeddruk was veel te hoog, terwijl zij geen laag uitgesneden blouse aanhad.” Er voer een zeilboot de haven in en meerde af met veel gedoe. We konden er, ondanks mijn wat bedrukte stemming, toch wel om lachen. Ik vervolgde: “En toen begon ze over mijn overgewicht.” Ik deed het wicht wat overdreven na: “U bent natuurlijk veel te zwaar!” Ome Arie kon er wel om lachen en zeker om mijn gegeven antwoord: “Dat is in onze familie heel natuurlijk! Mijn vader was dik en mijn moeder was ook dik. Het zit gewoon in onze genen!” Ik kon er nu ook wel beetje om lachen. “1-0 voor de bolle”, zei ome Arie met een knipoog. “Maar ze was niet echt onder de indruk. Ze ging gewoon verder: ‘Maar het is erg ongezond.” En daarna ging ze op de psychologische toer: ‘wat denkt u er zelf aan te gaan doen?’” “hm,” zei ome Arie, “1-1” Ik zuchtte. Even rookten we onze pijp. “Ze begon me te bewerken met een truc, die ik ooit ook geleerd heb. En dat zei ik ook. Letterlijk: ‘Ik vond het wel een leuke cursus die Motiverende gespreksvoering, u ook?! ” Ome Arie keek opzij: “2-1 voor de bolle?” Ik lachte, maar niet echt van harte: “Ze was niet blij. Ze vond me ‘onverschillig’. En begon allerlei verschrikkelijke ziektes te verzinnen, die ik zou kunnen krijgen.” Ome Arie lachte: “2-2!” Ik lachte nu niet: “Ze keek op haar beeldscherm, en zei een tikkie teleurgesteld, dat mijn cholesterol eigenlijk best meeviel en alle andere waarden ook!” “3-2 voor de bolle!” constateerde de andere zijde van de bank, gniffelend. “Alsof ze dat niet geloofde”, ging ik verder, “prikte ze in mijn vinger voor mijn bloedsuikerspiegel. En daar kwam ook niets verschrikkelijks uit.” “4-2!” jubelde ome Arie. “Maar toen haalde ze de weegschaal te voorschijn. Om me te vernederen, want wat was anders het doel? Wat was de conclusie? Dat ik te dik was?” Ome Arie zei niks. Ik zei ook niks meer en we paften onze pijp.

Ome Arie’s Verjaardag

Toen ik die morgen goedgemutst het prachtige haventje van ons dorp naderde zag ik enig tumult bij ons bankje. Er werd luidkeels gezongen, iets wat vanwege de Corona-crisis eigenlijk werd afgeraden. Het ‘lang zal hij leven’ klonk uit vele kelen rond de versierde bank, waarop ome Arie zat te glunderen. Ik wilde de privé-festiviteiten niet verstoren, dus wilde al doorrijden, maar ome Arie riep: “Ha, meneer Ype, kom erbij, ik was al bang, dat u vandaag niet zou komen opdagen!” Hij gebaarde uitnodigend naar mijn vaste plek naast hem, dus ik parkeerde mijn scooter en pakte mijn pijp. “Wacht even met die pijp, meneer Ype, eerst koffie met gebak!” “Komt eraan, ome Arie!” riep nicht Arie vanaf zijn zalmschouw (of zalmdrijver), die vlakbij afgemeerd lag en als buffetboot dienst deed. Verbluft nam ik de koffie en het gebak aan. “Eigenlijk ben ik eerder deze week op dieet gezet door de waarnemend brilslang…” wierp ik nog tegen, maar ome Arie luisterde niet. Hij straalde en wees om zich heen: “Vanwege de griepcrisis mogen er maar zes mensen thuis op bezoek komen voor een verjaardag, dus daarom vieren we het maar hier!” De verjaardag-omstanders juichten. Nicht Arie overhandigde me een beste bak koffie en een prima stuk taart: “toen ome Arie vroeg, of we wilden helpen zijn verjaardag in de haven te vieren is Herman gelijk appeltaart gaan bakken!” Zijn man stond op de achtergrond trots te wezen. Sommige gasten droegen mondkapjes met als tekst: ‘Ome Arie 75’ Ik nam een hap overheerlijke appeltaart en keek opzij: “Al 75, ome Arie? Dat had ik je niet gegeven!” De aangesprokene zat te glimmen. Hij zette zijn gebaksschoteltje neer, nam een slok koffie en pakte een dikke sigaar uit een mooi kistje. “Eet gauw je taart op, meneer Ype, en geniet ook van een heerlijke sigaar…” en legde er vast één naast me op onze bank. Het vooruitzicht was zeer aantrekkelijk en ik glom even met mijn bankgenoot mee. Ondertussen liepen de gasten af en aan, het leek wel, of ome Arie het hele dorp kende of tot zijn familie mocht rekenen. Ik bekeek dit alles, kleine trekjes van de zeer fijn ruikende sigaar nemend teneinde zo lang mogelijk van dit feestje te genieten. Meegenieten van feestjes van anderen is duizendmaal fijner dan genieten van een feestje, waarbij je zelf in het middelpunt staat. Ik weet niet of dat ook voor ome Arie gold; hij glunderde van top tot teen en had zelfs zijn zondagse klompen aan. “Weet je wat zo fijn aan deze verjaardag is, meneer Ype?’, zei hij tussen twee gasten in,”Nu zie ik de mensen, die ik ècht wil zien en niet die gasten, welke je altijd verplicht moet uitnodigen, omdat ze, wanneer je dat niet doet, zwaar beledigd zijn!” Ik nam een heerlijk trekje aan mijn sigaar en vroeg fijntjes: “Zoals je schoonzus Agaath, bedoel je zeker?” Hij lachte, “Zoals schoonzus Agaath, inderdaad, meneer Ype!” Ik lachte ook, maar vroeg me toch een beetje verbaasd af, waarom Riek er dan niet was. Ik durfde het niet te vragen, maar gelukkig kwam het antwoord: “Agaath zit nu met vijf andere vervelende verjaardagsgasten bij Riek, thuis!” Ik keek nu erg verbaasd. “Ik zei tegen dat saaie stelletje, dat ik Corona-gezien eigenlijk één te veel was en ben opgestapt. Riek wist van ons (hij gebaarde om zich heen) plan, liet me met een kus gaan en schenkt thuis nu koffie met saaie cake, terwijl hier het echte feest is!” Hij blies glunderend een wolk sigarenrook de lucht in en riep naar de ‘cateringboot’ : “Arie, je hebt toch zeker ook nog wel iets onder de kurk, hoop ik?” Nicht Arie hield onder gejuich van het gezelschap een fles omhoog.