Ome X

Op ons bankje aan de haven zat een diep in een dikke jas verscholen figuur. Met capuchon, maar zonder pet, zonder klompen en zonder pijp, dus het kon ome X. niet zijn. Ik stalde mijn vervoer en ging toch op het andere einde van onze vertrouwde plek zitten. Toen ik even een slinkse blik opzij wierp zag ik het: het was neef Tinus, vaak neef ‘Nitus’  genoemd vanwege zijn nogal eens afwijkende mening.  “Goedemiddag”, liet ik mij van mijn beste kant zien. Hij keek opzij, herkende mij, keek schichtig om zich heen en groette een beetje nurks terug: “middag…” Wellicht was er weinig goeds voor hem aan dit dagdeel, of mijn gezelschap niet echt gewenst. Ik trok me er niets van aan en stopte als gewoonlijk mijn pijp. Er viel een stilte, gevuld met gedachten en verwachtingen, want Tinus keek steeds om zich heen en dan weer richting dorp. Hij wachtte duidelijk op ome X. Zijn geduld werd even op de proef gesteld, maar na een stief kwartiertje kwam onze grote vriend aangefietst. Hij had een brede glimlach op zijn verweerde kop en zwierde als een jonge god zijn rechterbeen over de achterzijde van zijn fiets in plaats van af te stappen als een oude vrouw, mogelijk door het ontbreken van een ‘mannenstang’ op zijn fiets. Deze overmoed deed hem heel even wankelen, maar gelukkig bereikte hij zonder ongelukken ons bankje. Neef Nitus keek weer schichtig om zich heen en fluisterde: “En? Is het gelukt?” Ome X. knikte en overhandigde de verlegen puber een pak condooms: “Deze moet je hebben, knul, met ribbeltjes, zaaddodende pasta en glijmiddel. Geen succes verzekerd!” Het pak werd zowat uit ome X’. handen gerukt en snel in een binnenzak gepropt. “Ssst, ome X.! Ik schaam me dood!” En weer werd er schichtig rondgekeken. Ik schoot in de lach: “Er is tegenwoordig toch niks geks meer aan, dat je condooms koopt?” De jonge Amor fluisterde: “In dit dorp wel, vooral wanneer je meisje bij het kerkvolk hoort!” En weer werd er rondgekeken, Hij fluisterde: “Dank je wel ome X.!” En verdween op zijn oude krakende damesfiets, ons in tranen van het lachen achterlatend. “Dus jij gaat condooms kopen voor je neefje? Dat vind ik eigenlijk best erg aardig van je, ome X!” De oude veeboer pakte zijn pijp en zijn tabak en begon te stoppen. “En dat is echt nog leuk om te doen ook, meneer Ype. Ik kreeg allemaal bewonderende blikken, zelfs van jongere vrouwen. Alsof ze dachten: Zozo, die oude man koopt een heel pak condooms! Zou hij die echt nog nodig hebben op zijn leeftijd?”  Hij glom. “En toen ik bij het afrekenen niet kon nalaten een beetje hard tegen de kassiėre te zeggen: ‘Tot volgende week, juffrouw’ vielen de monden van de hele rij bij de kassa open!”  Hij stak de brand in zijn pijp. “Ik kreeg even weer het gevoel er als man echt bij te horen…” Ik hapte naar adem van het lachen. Toen ik weer bij mijn positieven was, pakte ome X. me even bij mijn arm en vroeg, nu heel ernstig: “Maar schoonzus Agaath en vooral mijn Riek hoeven dit natuurlijk niet te weten. En die lezen altijd uw stukjes. Als u hier een stukkie over schrijft, zoudt u dan mijn naam dan willen vervangen door een X?”  Ik beloofde het plechtig.  

 

Moedervlek

Op ons bankje aan het prachtige haventje van ons dorp zat ome Arie samen met een klein mannetje in een ernstig gesprek verwikkeld. Ik stalde mijn scootertje, pakte mijn pijp en nam plaats op het andere einde van het straatmeubilair. Ome Arie tikte ter begroeting even aan zijn pet, ik knipoogde als antwoord. Het kleine mannetje had een aantal prangende vragen: “Opi Ari, waarom hebben onze schapen allemaal vlekken op hun rug?” ‘Opi’ probeerde nog onder deze lastige kwestie uit te komen door te wijzen naar een stel onverschillig rondzwemmende eenden in ons haventje, maar daar werd geen genoegen mee genomen: “Volgens papa kun je daar aan zien, dat er baby-schaapjes komen!” antwoordde het ventje zijn eigen vraag. Even was het stil. “Maar vorig jaar was er ook een schaap zonder vlek dat een lammetje kreeg!?” Hij keek opi Arie met grote vragende ogen aan. Deze keek wanhopig mijn kant op. Ik trok onwetend mijn schouders op en kon op zo’n korte termijn maar één verklaring bedenken: “Onbevlekte ontvangenis?” Nu keken vier ogen me bestraffend aan. Er werd wel van mij verwacht, dat ik het gesprek van ‘mannen onder elkaar’ serieus nam en niet, dat ik grappig ging zitten doen. Beschaamd keek ik weer voor me en stak mijn pijp aan. Opi Arie deed een poging het schaap iets uit te leggen over het ‘vlekkenmysterie’. Het lukte hem redelijk: “wanneer een ram verliefd is op een ooi fluistert hij stiekem lieve woordjes in haar oortjes. Dan spelen ze ‘schaapje over’ en omdat hij een potje verf op zijn buik heeft, komt er een vlekje op haar rug…” Ik zat met een brede glimlach te genieten van zijn prachtige uitleg en van de hierbij gepaard gaande kleine zweetpareltjes op zijn rimpelige voorhoofd. Het mannetje liet de uitleg even bezinken. Opi Arie trok tevreden aan zijn pijp; daar had hij zich prima uit gered! Het nieuwsgierige Aagje leek inderdaad tevreden met de uitleg; er werd hem veel duidelijk en hij mompelde, meer in zichzelf: “Dus dat bedoelde mama met een moedervlek!” Opi Arie knikte bevestigend, blij, dat zijn uitleg afdoende leek. Het mannetje begon te stralen: “Ik krijg een broertje!” Ik keek ome Arie aan en ome Arie keek mij aan. Het ventje sprong op: “Gisteren zag ik onder de douche, dat mama ook een moedervlek op haar rug heeft! Ik krijg een broertje!” Over het geslacht leek geen twijfel te bestaan. Hij pakte zijn kleine fietsje en reed zo snel hij kon naar huis om zijn moeder het goede nieuws te gaan vertellen, ons in opperste verbazing achterlatend.

Puzzelen

Na een paar natte, trieste dagen was deze zonnige herfstmiddag een uiterst welkome verrassing. De bruine kleuren leken het seizoen een gouden glans te geven. Zelfs de oude pijp van ome Arie glom in het zonlicht. De oude baas was wellicht mede door deze omstandigheden in een beste bui. We genoten van ons bestaan en de heerlijke geur van onze pijpen. Op het bankje naast ons zat een oudere dame af en toe iets in een opgevouwen krant te schrijven. Ze dacht tussendoor steeds even na, glimlachte dan even en schreef weer. Ome Arie zag me kijken en zei, zachtjes, zodat ze het niet zou horen: “Kruiswoordpuzzel of cryptogram…” Ik knikte. Het leek een aannemelijke veronderstelling. We keken weer voor ons. Het haventje lag er vredig en vrijwel roerloos bij. “Puzzel jij ook wel eens, ome Arie?” Hij schudde zijn oude boerenkop: “Vroeger heb ik dat wel eens geprobeerd, maar het was niets voor mij. Gewoon te moeilijk.” Zijn eerlijkheid trof me telkens weer. Hij kreeg een glimlach om zijn mond: “Ik deed dat ‘s avonds na het eten, dan zaten we met het gezin bij de kachel en vulde ik achter elkaar de cryptogram in de krant in, Riek en de kinderen keken me dan vol bewondering aan!” Ik keek op mijn beurt hèm nu verbaasd aan: “Maar je zei toch net, dat je er niks van kon?” De grijns op zijn kop verbreedde zich: “Klopt!” Ik begreep er nu helemaal niks meer van. Ome Arie schoot nu echt in de lach: “Niemand controleerde toch of het goed was, wat ik invulde? Ze vonden me heel knap en noemden me Arie-Stoteles, naar de bekende Griekse filosoof…” Ik schoot nu op mijn beurt nu in de lach: “Dus je vulde maar wat in? En keek daar heel wijs bij?” Hij knikte. “Totdat Riek me toch een keer betrapte, natuurlijk. Ze hield haar mond en gooide de krant snel in de open haard. En knipoogde naar mij, maar ze liet me mijn waardigheid tegenover de kinderen behouden. Daarna deden we dit toneelstukje samen: dan vulden we beurtelings wat in en hadden de grootste lol, want schreven boodschapjes naar elkaar, alsof we nog verliefde schoolkinderen waren, die stiekeme briefjes naar elkaar stuurden. Op de cryptische omschrijving: ‘Indruk van een heilige band’ (6 letters) vulde zij dan in: ‘zuigzoen’! In hele kleine lettertjes, dan kreeg ze het nét in de zes hokjes!” Hij had pretoogjes. “Dan gaf ze de krant weer aan mij en op de omschrijving ‘Achting van beide zijden’ (3 letters) vulde ik dan in: ‘Kus’. Ik kon wel  lachen om de verliefde boer en zijn boerin: “En je kinderen bleven je ‘ArieStoteles’ noemen?” Ome Arie knikte: “Tot ze gingen puberen en ik een keer de handrem van de auto was vergeten waarop deze zichzelf in het aardbeienveldje van buurman Bertus parkeerde. Toen noemden ze me ‘Arie-totall-los’!

Onbestorven weduwnaar

De eerste tekenen van het jaarlijks verval dwarrelden van de bomen. Ik stalde mijn scootertje, pakte mijn rookgerei en nam plaats op ons bankje bij de haven. Het andere deel van ‘ons’ kwam niet lang daarna aan gefietst: Ome Arie. Het ging niet snel, nee zelfs zo langzaam, dat ik me verbaasde, dat hij niet omviel. Het was de oude baas zelf ook opgevallen. Hij stapte licht mopperend af: “Is die accu zeker wéer leeg, terwijl ik hem vorige week nog heb opgeladen…” Hij was niet goed gestemd, alsof de herfst hem ook had aangetast. Ik probeerde hem wat op te beuren: “Kom lekker zitten, ome Arie, en steek een pijpje op!” Dat deed hij zonder veel te zeggen. Een klein zonnetje klaarde de lucht een beetje op. Ook bij mijn boerenvriend: “Ik heb het ook zo druk, want ik ben een onbestorven weduwnaar. Riek is weer eens naar haar zus!” Hij trok aan zijn pijp. “Boudewijn, mijn zwager, is net terug uit het ziekenhuis en Agaath kan het allemaal niet goed aan, dus Riek moet weer de zuster Nightingale uithangen.” De gang van zaken beviel hem zo te horen allerminst. “Maar is die Boudewijn nu pas uit het ziekenhuis?” vroeg ik me hardop af, “Tegenwoordig houden ze de patiënten toch niet meer zo lang?” Ome Arie schudde zijn oude kop: “Hij had een dubbele breuk!” Ik keek hem vragend aan. “Op twee plaatsen gebroken!” Ik keek nu nog verbaasder: “Dat heb je me helemaal niet verteld! Hij was toch gevallen met zijn fiets? Was dat zo’n gecompliceerde breuk, dan!?” Ome Arie schudde nogmaals: “Op dat fietspad was de ene plaats, in het ziekenhuis was de tweede plaats!” Ik begreep er niks meer van. “Toen hij naar huis mocht met die eerste breuk, zwaaide hij enthousiast zijn verkeerde been uit bed en viel vervolgens op het andere: gebroken! Toen mocht hij dus nog even blijven…” Ik meende een klein grijnsje onder het petje gewaar te worden, maar dat kon verbeelding zijn. “En nu mocht hij wel naar huis, maar u begrijpt, meneer Ype, dat hij met twee geopereerde breuken nog niet veel kan, vandaar dat Riek Agaath is gaan helpen.” Hij stak weer het vuur in zijn door het gepraat uitgedoofde pijp. Ik kon door dit verhaal ook moeilijk een glimlach onderdrukken. “Maar nu was vanmorgen de krant niet bezorgd en ik moest daar dus even voor bellen met de klantenservice van het AD. Normaal doet Riek dat soort dingen altijd voor me.” Een verontwaardigde rookwolk verliet zijn mondhoek. “Nou, dat was een drama: Dan krijg je zo’n elektronische juffrouw, die volgens mij blond en doof is…” Ik schoot in de lach. “Dan moet je je postcode inspreken, twee-en-dertig-één-en zestig… , breekt die bijdehante trien me af: ‘Ik heb u niet goed verstaan, kunt u de postcode nogmaals  herhalen?” Ik kende het fenomeen. “Dus nog eens geprobeerd, maar het lukte van geen kanten.” Hij pakte zijn mobiel en keek vragend mijn kant op: “Kunt u me helpen, meneer Ype? U bent toch nogal handig met die telefoontjes?” Ik glimlachte: “Met alle plezier, ome Arie, wanneer heb je je krant niet gekregen?” De oude baas gaf me zijn mobieltje: “Vanmorgen, meneer Ype!” Ik keek hem verbaasd aan: “Ik ben bang, dat ik dan weinig voor je kan doen!” Nu keek hij op zijn beurt verbaasd mijn kant op. Ik gaf hem zijn telefoon terug: “Want het is vandaag zondag!” 

Leugentje

De ‘Indian summer’ verwarmde ons bankje aan de haven. Ome Arie genoot van het zonnetje, het zachte briesje en zijn pijpje. Ik deelde zijn tevredenheid. De oude baas gniffelde: “Ik was vanochtend ter controle van mijn bloeddruk bij mijn huisarts. Ze ziet me graag één keer per jaar en ik doe haar die lol. Ze constateerde tevreden, dat de voorgeschreven medicijnen prima werkten. Dat stemt haar gelukkig, dus vertel ik er maar niet bij, dat ik ze nooit geslikt heb…” Ik schoot in de lach. “Ach, je doet zo’n meisje toch graag een plezier. Ze is altijd heel vriendelijk!” Hij trok tevreden aan zijn pijp en ik was ervan overtuigd, dat in zijn dossier bij het ‘meisje’ ook stond, dat hij niet rookte. Het leek me niet zinvol zijn ongehoorzaamheid betreffende de voorgeschreven medicatie ter discussie te stellen. Het ging toch goed met zijn bloeddruk? Gelukkig kwam neef Nitus, eh… Tinus aan gefietst waardoor de pijnlijke stilte verbroken werd. Onze ‘angry young man’ was dit keer zo te zien verre van ‘angry’. Hij straalde. Ome Arie zag het meteen: “Zo, Tinus, favoriete neef van me, je lijkt wel verliefd!” De knul was niet eens verbaasd, dat de oude baas de spijker boven op de kop geslagen had: “Tot over mijn oren, ome Arie, tot over mijn oren!” Ik glimlachte ook omdat neef Nitus nogal grote wijd uitstaande oren had; die moest wel héél verliefd zijn! Ome Arie maakte een uitnodigend gebaar naar het vrije plekkie naast zich op ons bankje: “Kom zitten knul en vertel ons alles!” De knul ging zitten, iets wat hij anders nooit deed. “Om te beginnen: hoe heet ze?” De verliefde jongeling bloosde licht en zei zachtjes: “Alice…” Ome Arie kreeg een ietwat vals glimlachje om zijn mond: “Elles, leuk. Klinkt wel: Elles en…Tinus!” Ik begreep zijn plezier, het was een kleine verspreking om er ‘Welles en Nitus’ van te maken… Gelukkig had de blije adolescent geen weet van het binnenpretje van de twee valse oude kerels en vertelde honderduit over zijn grote liefde: hoe mooi ze was en hoe lief. Toen hij even pauze nam om adem te halen vroeg zijn oude oom, zogenaamd heel serieus: “Hebben jullie al eens ruzie gehad?” Ik had moeite mijn lachen in te houden, ook, omdat onze Romeo niets in de gaten had en ietwat verontwaardigd reageerde: “Nee, natuurlijk niet! Wat is dat nou voor vraag!?” Ik besloot ome Arie een beetje te helpen: “Nou, een goede discussie kan soms heel gezond zijn in een relatie: geen stiekem gedoe, maar elkaar eens goed de waarheid te zeggen. Dat hoort erbij!” De knul zweeg even om deze wijsheid te laten bezinken. Toen stond hij op en knikte: “Misschien heeft u gelijk, meneer Ype! Het is niet goed om geheimen voor elkaar te hebben, maar ik weet zeker, dat zij geen dingen achter mijn rug om doet!” Hij wees op zijn oude oom: “Mijn ome Arie en tante Riek zijn mijn grote voorbeeld!” Hij stapte op zijn rammelende oude fiets en peddelde met een gelukzalige glimlach bij ons vandaan. Ome Arie glunderde nog steeds toen hij even later ook huiswaarts ging. Ik bleef nog even zitten omdat mijn pijp nog lang niet opgerookt was. Net op het moment dat ik mijn scooter wilde starten kwam Riek op haar fiets voorbij: “Is Arie al naar huis?” Ik knikte en vertelde haar voorzichtig over het medicijngebruik van haar echtgenoot, omdat ik me er toch wat zorgen over maakte. Ze kwam dichterbij en fluisterde: “Dat weet ik allang. Maar geen zorg, ik stop die pilletjes al jarenlang in de stukjes worst bij de borrel, die hij altijd vòòr het avondeten neemt…” Ik lachte. Ze stapte weer op haar fiets: “Maar niet verklappen hoor, sommige geheimpjes horen nou eenmaal bij een goed huwelijk….”

Oostindisch gehoorapparaat

Het zonnetje koesterde ome Arie op ons bankje aan de haven. Hij zat zorgvuldig zijn pijpje te stoppen. Iedere pijproker weet, dat secuur stoppen van essentieel belang is teneinde het ultieme rookgenot te bereiken. Na onze gebruikelijke begroeting volgde ik zijn voorbeeld. Op het Spui werd een mooi zeiljacht meegevoerd door wind en stroom. Het voer voorbij en liet de kans op een pauze in ons schitterende haventje links, eh… bakboord, liggen. Mogelijk door de oorverdovende herrie, voortgebracht door een grasmaaier, welke achter ons bankje over het kleine gazonnetje zwierde als in een Weense wals. De bestuurster had er duidelijk plezier in. Een gehoorbeschermende koptelefoon zorgde ervoor, dat zij geen geluidsoverlast ondervond. In tegenstelling tot ons: een gesprek was niet mogelijk, dus wij berustten in ons lot, genoeglijk trekkend aan onze pijpen. “GOEDEMORGEN, OME ARIE!”, schreeuwde een dame van middelbare leeftijd. Ze zette haar fiets op de standaard vlak achter ons bankje. “HOE BEVALT HET GEHOORAPPARAAT?” Ik keek geamuseerd, want een paar maanden geleden had mijn vriend me nog verteld, dat hij het hulpmiddel slechts misbruikte om Riek te misleiden. (Zie eerder verhaal: ‘hoorapparaat’ van 23 maart). Hij keek even mijn kant op en daarna weer omhoog naar de dame uit schreeuwde terug: “PRIMA, VOLDOET AAN AL MIJN WENSEN!” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Hij loog niet, want zijn wens was een excuus te hebben, wanneer hij Oostindisch doof was voor het geratel van echtgenote Riek of erger nog: van schoonzus Agaath. Vroeger resulteerde die Oostindische doofheid vaak in een ruzie-achtige sfeer, maar nu kon hij het hoor-hulpmiddel de schuld geven: “Zo, is dat batterijtje alweer leeg!” En begrip was dan het gevolg. Riek ging dan gelijk nieuwe batterijtjes zoeken en Agaath deed geen moeite meer begrepen te worden. Het enige waar onze schijndove dan op moest letten was, dat hij het apparaat dan wel even aan moest zetten en dat er na het plaatsen van de nieuwe krachtbron even een hevig gepiep uit het geval moest komen ten teken, dat het weer prima werkte. En wanneer niemand keek zette hij het gauw weer uit, want hij kon prima horen… Inmiddels vertrok de grasmaaister op zoek naar een volgende dansvloer. “HEBT U NOG BATTERIJEN NODIG?”, brulde de dame ondanks het weggestorven kabaal vrolijk verder. “Nee, hoor, ik heb er nog zat!”, antwoordde ome Arie, nadat hij net deed of hij zijn hoortoestel weer aan zette. “GOED ZO, DAN GA IK WEER VERDER!”, was het luide antwoord. Ze stapte op haar fiets en vertrok. Ome Arie glimlachte. “Is ook een nicht van me. Ze praat zo hard sinds ze bij de audiciën werkt!”

Verjaardagscadeau

Gelukkig bedacht ik me net op tijd ome Arie’s verjaardag. Ik kocht een blikje luxe pijptabak en scooterde tevreden naar ons bankje bij de haven. De 76 jarige arriveerde niet veel later en nam, blij verrast, zijn cadeau aan. Hij pakte zijn pijp en begon plukjes ervan in de kop te stoppen. “Ja, sinds gisteren alweer 76 jaar”, benadrukte hij, dat ik eigenlijk een dav te laat was. “Maar gisteren was je er toch niet, ome Arie!?”, verdedigde ik mezelf. De oude boer knikte: “Gisteren een huis vol visite.” Hij genoot zichtbaar van de eerste trekjes van zijn verjaardagscadeau. In het haventje heerste een weldadige rust. Een zo te zien snelle rubberboot met een enorme buitenboordmotor voer heel zachtjes binnen. De bemanning bestond uit een gemêleerd gezelschap: een vrolijk kijkende schipper, zich geenszins schamend voor zijn kledij: een drijfnat fel oranje plastic regenscherm, en zijn vrouw, die zich er juist dood voor schaamde. Laatstgenoemde lichtmatroos ging de komende twee weken vast boos in de logeerkamer slapen. Ook ome Arie zag het tafereel met een grijns aan zich voorbij drijven. En weer terug, richting de woelige baren van het Spui. We keken het vrolijk watersport-koppel met een glimlach op onze koppen na. “Een huwelijk komt soms in wild water…” zei de oude boer en hij blies een flinke wolk rook uit, “Het gaat zelden zo goed als bij mijn tante Co en ome Cor.” Ik blies gezellig een wolkje met hem mee en wachtte de rest van het verhaal af. “Tante Co is een jongere zus van wijlen mijn moeder. Diep in de negentig. En ome Cor is bijna honderd!” Ik knikte bewonderend: “Dat is echt een heel oud stel! En nog een beetje bij de tijd?” Ome Arie maakte een wiebelend gebaar met zijn hand: “Het gaat, ze wonen nog in hun oude kleine huisje, maar met de nodige hulp. Ze komen niet veel meer buiten.” Hij pauzeerde even voor een trekje aan zijn pijp. “Van de week ben ik even bij ze langs geweest. Ome Cor zat op het bankje voor hun huisje een sigaar te roken en begroette me waarbij hij als altijd zijn sigaar omhoog hield en bromde: ‘Het is natuurlijk geen Hofnar bolknak’!” Ik keek ome Arie vragend aan. “Die rookte hij altijd, maar ze worden niet meer gemaakt. Een ramp voor ome Cor.” Ik knikte begrijpend. Oude mensen klampen zich vaak vast aan oude waarden. “Vervolgens legde hij zijn rookgenot op de vensterbank, want tante Co wil niet dat hij binnen rookt, en slofte naar binnen. Naar de kast met de sigarenkistjes.” Een bekende fietste langs. Ome Arie stak zijn pijp omhoog als groet. “Daar nam hij met een groots gebaar een twee-euro-muntstuk uit het kistje waar met zwierige letters ‘verjaardagen’ op staat en overhandigde dat aan mij. ‘Gefeliciteerd, knul!’ Tegenwoordig vraagt hij er niet meer bij: ‘hoe oud ben je nu geworden?’.” Ik zag het tafereel voor me en kon een glimlach niet onderdrukken. Ome Arie glimlachte zelf ook. Een heerlijk gezicht: Een vertederde glimlach op die verweerde oude kop. Hij keek me even bijna verontschuldigend aan en gelijk weer terug richting havenmond. “We kregen koffie in een boerenbond kopje met een mariakaakje. De door mij meegenomen verjaardagsgebakjes verdwenen de koelkast in. Voor ’s avonds! Alledrie…” Ik schoot in de lach. “Daarna rookte ik een pijpje en ome Cor zijn sigaar op het bankje voor het huis en zwegen, omdat er weinig meer te bespreken viel.” Hij zweeg zelf nu ook even, alsof hij zijn woorden meer kracht wilde geven. Gezien de lengte van dit verhaal werden onze pijpen opnieuw gestopt. “Na een kwartiertje viel ome Cor in slaap met zijn sigaar in zijn mondhoek. Gelukkig doofde deze snel. Ik rookte mijn pijpje op, klopte de as uit in het rozenperk en bracht de boerenbondkopjes naar de keuken, waar tante Co ook was ingedommeld. Ik deed het twee-eurostuk stiekem terug in het sigarenkistje en deed er nog een paar bij. En ging tevreden naar huis.” Ik keek een beetje verbaasd opzij: “Dus je gaf je verjaardagscadeau stiekem terug?” Ome Arie knikte. “Die oudjes hebben het niet zo breed. Dat stiekem teruggeven doe ik al heel lang. Zodat ome Cor zijn waardigheid kan behouden…”

Zwerver

Op ‘ons’ bankje bij de haven lag iemand in diepe slaap. Een zwerver, zo te zien. Ome Arie stond er een beetje beteuterd naast, uit zijn doen door het niet beschikbaar zijn van zijn vaste pijprookplekkie. Ook ik voelde me wat ontheemd, toen we noodgedwongen plaatsgenomen hadden op het ‘tweede keus’ bankje, waarvan het uitzicht ons inziens kwalitatief beduidend minder was. We stopten onze pijpjes en bliezen iets minder tevreden wolkjes de ietwat bedrukte ochtendlucht in. En zwegen. Op het slaapbankje kwam ondertussen enige beweging in de voddenbaal. Er werd uitgerekt en slaperig rondgekeken. En verrast gereageerd op onze aanwezigheid op het belendende gemeentemeubilair. “Goeiemorgen!” Ome Arie keek mij verbaasd aan en ik keek verbaasd terug.  “Goeiemorgen!” groetten wij vervolgens in koor terug. Hij rommelde wat in een van de vele plastic tasjes, die hij rond het bankje had neergelegd en kwam met een paar krantjes op ons af. “De straatkrant voor de heren?” Zuchtend pakten we onze portemonnee. Meer uit beleefdheid. “Ik heb u nooit eerder hier gezien?” viste ome Arie. “Ik ben op vakantie!” Hij zag onze verbaasde koppen en besloot tot een nadere uitleg: “Normaal sta ik in Rotterdam bij de Albert Hein, maar ik heb nu vakantie!” Wij moesten onze pijpen vasthouden, omdat onze mond openviel van verbazing. De zwerver slofte inmiddels met onze euro’s in zijn hand terug naar ons bankje. De opbrengst leek hem niet tegen te vallen. Met een glimlach op zijn verweerde, gestoppelbaarde kop begon hij zijn vodden bijeen te rapen. “U gaat weer verder?” vroeg ome Arie hoopvol, vooral vanwege ons bankje. De man knikte. “Maar met tegenzin, want dit is een prima bankje om op te slapen met een prachtig uitzicht!” Hij wees op het haventje richting havenmond. Daarachter stroomde het Spui, krachtig als altijd. “Hebt u die halve boom aan de overkant gezien?” Hij wees. Inderdaad stond recht tegenover de haveningang een boom met ogenschijnlijk slechts aan één kant bladeren. Onze krantenverkoper hield even op met inpakken en declameerde hardop, alsof hij voor een groot publiek stond: “Aan gene zijde van het Spui staat een halve boom, statig en lui, alsof half in de rui, terwijl wij ons afvragen aan onze kant: wat is er met die boom aan de hand?…” Hij keek triomfantelijk onze kant op. Wij twijfelden een applaus, maar hij dacht even na en ging toen  verder: “Er was trammelant over de verdeling van de stamsappen, waarop de helft van het loof besloot op te stappen!” Weer volgde een korte pauze om het effect te versterken,  “Het liet zich domweg vallen in de snelle stroom, hetgeen resulteerde in meer sappen voor de andere halve boom!” Even was het stil en toen maakte hij een diepe buiging. Ome Arie en ik gaven hem een staand ovatietje. Hij pakte glimlachend zijn spullen en liep naar de bushalte. De bus naar Rotterdam was door onze straatkrant-bijdrage voor hem haalbaar geworden. Wij zwaaiden hem na en gingen tevreden weer op ‘ons’ bankje zitten. En keken naar de halve boom. Daarna sloegen we onze straatkrant open. “Hebt u ook het speciale kerstnummer?” vroeg ome Arie…

Konijn

Naast ome Arie zat een klein meisje met goudblond haar te schitteren in de zon. Ik zette mijn scootertje op de standaard, pakte mijn pijp, groette de bankzitters en ging op gepaste afstand van het prachtige opa-moment af zitten. Aan hun gezichten te zien hadden ze een heel ernstig gesprek. “Flappie was op het laatst wel erg mager, hè, opa Arie?” Ze had een kleine urn op haar schoot. Ome Arie zag me vragend kijken en legde uit: “Haar konijn…” Het meisje keek nu een beetje boos: “En ik vind het stom, dat pappie Flappie altijd Floppie noemde!” Ze klemde de urn nu wat steviger tegen zich aan, “alleen maar omdat’ie graag aan elektriciteitskabeltjes knaagde!” Opa Arie knikte slechts. Zijn (achter)kleindochter balde haar knuistje: “en papa had zelf de deur van de meterkast niet goed dichtgedaan!” Opa Arie knikte nogmaals: “De hele straat zat een dag zonder stroom. En dat vond je pappie wat minder leuk!” Goudlokje vond het nog steeds een groot onrecht. “Het gaat nu veel beter met Flappie, lieverd!” trooste opa, “Hij wordt steeds zwaarder, toch?” Dat hielp, hasr gezichtje begon weer te stralen, zoals kleine meisjesgezichten horen te stralen. Plotseling wendde ze zich tot mij: “Dat is echt waar! We wegen Flappie iedere week en hij wordt steeds iets zwaarder, hè, opi!” Ze liefkoosde de urn tegen haar lijfje. Opi knikte en pakte zijn portemonnee: “Dat vieren we met een lekker ijsje voor het kleine meisje!” Er werd nu blij gekeken. “Geef mij Flappie maar even, dan heb jij je handjes vrij voor je ijsje.” De urn werd overgedragen en goudlokje huppelde, nog wel gewaarschuwd door ‘opi’: “voorzichtig met oversteken!” richting Gebo. Ik bekeek het tafereel met een vertederde glimlach. Die verdween, toen ome Arie, op het moment dat het kind uit het zicht verdwenen was, de dop van de urn schroefde en zijn pijp er in uitklopte. Ik keek hem met open mond van verbazing aan. Hij deed snel de dop weer op Flappie en fluisterde: “Flappie zit hier helemaal niet in! Flappie is gewoon in de bak bij de dierenarts gegaan, maar die kleine was zo verdrietig, dat ik ergens een soort urn op de kop heb getikt, daar as van mijn pijp ingedaan heb en dat aan haar gegeven heb met de mededeling, dat ik Flappie heb laten cremeren, net als haar andere opa. En dat dit  de as van Flappie is. Ze loopt er nu hele dagen mee te sjouwen. Af en toe doe ik er wat as, en soms een klein beetje zand bij. Wanneer ze dan bij ons is wegen we de urn, en juichen wanneer die wat zwaarder is geworden sinds de vorige keer. Ik heb haar wijsgemaakt, dat dat komt, omdat het dier dan in de konijnenhemel weer wat aangekomen is…” Ik kreeg mijn glimlach terug. Dit was weer typisch ome Arie

Sigaar

Het was warm. Heerlijk warm met een zonnetje en een briesje. Een tien op de geniet-schaal van ome Arie. De wind was ook niet te sterk voor ons rookgenot. “Pijproken boven windkracht vijf is als vrijen met een onwillig wijf!”, had ome Arie eens gebromd, toen de tabak uit onze pijpen woei. Ik had maar niet gereageerd op deze ietwat vrouwonvriendelijke uitspraak. “Haar de rust gunnen van de luwte en met veel zachtheid  dan wellicht wijkt snel de schuwte…”. Deze typische ome-Arie-nuancering deed me toen weer ontspannen achterover leunen. Bij de herinnering moest ik weer glimlachen. Het warme besef van ’s mans innerlijke beschaving stemde me gelukkig hem te hebben ontmoet, nu alweer meer dan een jaar geleden. Opeens besefte ik, dat hij weer bijna jarig moest zijn. Ergens rond 22 augustus volgens mij. Ik nam me voor mijn oude stukkies op swartboek.nl er eens op na te slaan. Achter ons klonk het snerpende geluid van slechte remmen, begeleid door het gerammel van een oude fiets. “Daar zal je neef Nitus hebben.” zei mijn vriend, zonder zelfs maar om te kijken. Nitus heet eigenlijk Tinus, maar ome Arie eert neefs’ dwarsheid met een gepaste bijnaam. “Goeiemorgen, Tinus, hoe gaat het, knul?” Ome Arie vroeg het uit beleefdheid, want het gezicht van het jongmens sprak boekdelen. Het ging niet echt goed met hem. Met een gezicht als een oorwurm ging hij tussen ons in op het bankje aan de haven zitten. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. Bijna gelijktijdig trokken we onze schouders op en trokken aan onze pijp. Het probleem zou vanzelf wel komen. Neef Tinus zuchtte,  keek beurtelings naar ome Arie en naar mij en zuchtte nogmaals: “Ik moet worden geopereerd!” Ome Arie keek verbaasd: “Da’s niet zo mooi, knul. Waarvoor moet je geopereerd worden?” Tinus keek schichtig om zich heen en mompelde heel zachtjes iets onverstaanbaars. Zowel ome Arie als ik  leunde naar hem over, teneinde hem te verstaan. De ongelukkige keek omlaag, richting gulp en fluisterde nogmaals: “Daar beneden!” We begrepen hem bijna. “Da’s, eh…, niet zo best, jongen,” wist ome Arie met moeite de woorden ‘lullig’ en ‘klote’ te vermijden. Tinus vatte moed en sprak, nog steeds op gedempte toon, maar wel beter verstaanbaar: “Ik was bij mijn meisje en we zouden net gaan, eh, jeweetwel…” Hij keek rond, of niemand meeluisterde, “En die dacht, dat ik het condoom er al om gedaan had, terwijl ik nog met de verpakking stond te worstelen!” Ome Arie zat even met zijn mond vol tanden, en ik wist ook niks te zeggen. We keken daar allebei waarschijnlijk behoorlijk dom bij, want de knul voegde er een beetje geïrriteerd aan toe: “Mijn voorhuidje is te krap! Heb ik eindelijk een meisje gevonden, waarbij ik mijn sigaartje in haar doosje mag stoppen, blijk ik een bolknak te hebben!” Deze beeldspraak was teveel voor onze beheersing; we schoten in de lach. Ome Arie wist zich te vermannen: “Had je dat dan niet eerder gemerkt, jongen?” Een logische vraag met een rode kop tot gevolg. “Het was mijn eerste keer. Zelf had ik er nooit echt last van!” Nu bleven we allebei heel serieus. Amor ging verder: “Het ging niet geweldig, en toen ik WD40 voorstelde om de boel te smeren, ging de sigarendoos dicht!” Ome Arie knikte begripvol. “WD40 is voor roestige bouten, knul, niet voor sigarendoosjes!” Ik had het nu behoorlijk benauwd. Neef Tinus merkte het gelukkig niet: “Dus ik vanmorgen naar de huisarts.” De kop werd nog roder: “Een vrouw. En die wilde even kijken.” Wij kregen er een beeld van op ons netvlies. “Zegt dat mens, met mijn inmiddels tot formaat tuitknakje geslonken geval in haar hand: ‘ach, het stelt niet veel voor'” De knul keek erg ongelukkig. Ik durfde ome Arie niet meer aan te kijken. “…Bleek ze het over de operatie te hebben.” Hij zuchtte,”…Geloof ik, maar toen ze voor dat onderzoekje ook nog een vergrootglas pakte, werd ik toch wel wat onzeker!” Ome Arie ging iets in zijn fietstas zoeken, terwijl ik heel erg mijn pijp opnieuw aanstak. Ome Arie kwam, weer volledig in de plooi, terug. Hij stak opnieuw de brand in zijn pijp en vroeg heel belangstellend, zonder een spier te verrekken: “En wanneer ben je de sigaar, knul?”