Uitslag

Meelevende lezers vroegen me, of de uitslag van het bevolkingsonderzoek (zie mijn verhaal van enige weken geleden, bijv. op swartboek.nl) al binnen was. Wees gerust, beste lezers, de uitslag was gunstig: er was geen bloed in mijn ontlasting gevonden. In de brief werd mij bovendien geruststellend medegedeeld, dat ik me geen zorgen hoefde te maken dat ik me nu geen zorgen meer hoefde te maken. De test sloot niet alle ellende uit, en bij twijfel moest ik toch maar contact opnemen met mijn huisarts. Dus ik belde voor een afspraak: “Ik heb een brief gekregen en..” De assistente liet me niet uitpraten: “Donderdag tussen 15.30 en 19.00 uur kunt u komen, brief meenemen!.” en hing op. ‘Nou,” dacht ik zorgelijk, ‘Er is vast iets ergs aan de hand, als ze zoveel tijd voor mijn problemen uittrekt’. Die donderdag ging ik een beetje zenuwachtig met die brief langs bij mijn brilslang. Er stond een hele rij! Allemaal met de brief in de hand. Het is niet best gesteld met de gezondheid in ons land. Gelukkig ging het snel en kwam ik na een paar minuten bij de assistente. “Mouw even oprollen alstublieft”. Ze griste de brief uit mijn hand en legde hem zonder te kijken op een stapel. Ik rolde mijn mouw op, en schuifelde door naar de huisarts, en voor ik er erg in had, had ze een spuit in mijn bovenarm gejast. “Tot volgend jaar!” zei ze vriendelijk en met zachte dwang werd ik voortgeduwd naar de volgende hulp-brilslang, die een propje watten met een pleistertje op het spuitgaatje plakte. “Maar…”, probeerde ik nog, maar toen stond ik al buiten naast een groot bord, waarop ‘Griepvaccinatie: achter aansluiten’ stond. Teleurgesteld ging ik maar weer naar huis.Volgens mijn Elly moest er echt wel iets mis zijn. Zeker na de voor het milieu desastreuze gevolgen van de overheerlijke uiensoep van schoonzus Rita van zaterdag jl. Mijn lief verliet die avond boos met haar kussen onder haar arm onze slaapkamer, al grommend, dat mijn uitstoot van Co2 erger was dan die van alle boeren bij elkaar. “Maar die eten toch ook wel eens uiensoep?” probeerde ik nog, maar ze trok de deur al met een klap achter zich dicht. Misschien nieuwe afspraak bij de huisarts proberen.

De dreiging van de toekomst

Het gevaar bestaat, dat de dag van je pensionering de dag van de overgang is van een toekomst vol hoop naar een toekomst vol dreiging. Ik had ooit een patiënt, die de eerste zes maanden van zijn pensioen helemaal niets had gedaan. Dan was de overgang niet zo groot. Hij was ambtenaar geweest. 
Mijn eerste maanden verlopen redelijk chaotisch en dat past wel bij me. Soms help ik mijn lief met haar vrijwilligerswerk: maaltijden bezorgen bij oude mensen. Ik rijd en Elly overhandigt de blije doos. Dan gaat zo’n voordeur op een kier open, en een oudje, soms met de slab al voor, grist de voerbak uit haar handen. Door het raam zie ik de tafel al gedekt, te fel verlicht door een ouderwetse kroonluchter. Soms zit daar nóg een gammel oudje met mes en vork al in de aanslag in de perkamenten handen. De minst demente wordt vaak tegen wil en dank de mantelzorger…

Deze week hielp mijn lief na het maaltijden-rijden nog even in het ‘restaurant’ van het verzorgingshuis. Ik keek vol bewondering toe. Ze was helemaal in haar element, ging mosterd zoeken toen een ineengedoken oude man daarom vroeg, maakte grapjes, en hielp de kok met de toetjes. Op zo’n moment weet ik weer, waarom ik zo van haar houd. 
Opeens was er paniek. In de keel van een kleine, magere oude man kwam een kippenbotje klem te zitten. De oude baas leek te stikken. Elly riep me, maar gelukkig hoefde de Heimlich-greep niet, het botje vloog zonder hulp, samen met ’s mans kunstgebit in de spinazie a la crème. De medebewoners aan dezelfde tafel zetten hun maaltijd gewoon voort. Mijn eetlust was door dat beeld bedorven. 
Één van de disgenoten was boos: “Ik ben zwaar hartpatient, en ik vind het een schande, dat het zo lang duurt vóór dat er hulp komt! Stel je voor, dat míj wat overkomt” Dat het slachtoffer bijna gestikt was, leek hem niet veel te deren. Ik wilde boos reageren, maar hield me in. 
Oude mensen zijn nou eenmaal niet altijd leuk. Later hoorde ik, dat diezelfde chagrijn wel vaker ruzie maakte. Met iedereen. Hij kreeg ook niet veel bezoek meer. Laatst waren er, ter gelegenheid van zijn verjaardag, toch nog een paar mensen op de koffie geweest. Toen hij daarna voor de maaltijd naar beneden kwam zat er een briefje op zijn rug geplakt: ‘Niet reanimeren.’ en daaronder: ‘De familie’.  
De grootste dreiging van de toekomst.

Abbenello

‘Drup!’ Naast mijn plastic bekertje met redelijke koffie viel een druppel. Instinctief keek ik omhoog. De terrasoverkapping vóór de kantine lekte, hetgeen best vreemd was, daar het niet eens regende. “Er zal wel water op dat dakkie staan”, zei de eveneens omhoogkijkende Leo, die zojuist een druppel op zijn kop had gekregen. Hij had de koffie zojuist voor me gekocht in de kantine van de voetbalvereniging ‘Abbenbroek’ in het gelijknamige gat ergens tussen de gaten Heenvliet en Zuidland. We hadden even moeten zoeken naar de ingang van de parkeerplaats van de tegenstander van onze Zinkwegse Boys van die middag, met een bumperklevende en irritant toeterende oudere dame in een antiek Peugeootje achter ons. Ik had haar maar laten passeren. “Je zult zien, dat dat de bardame van de vv. Abbenbroek is”, had ik gegrapt, “Dat wordt lang wachten op onze koffie!” En inderdaad, bij binnenkomst deed ze net haar schort voor. Gelukkig had ze Leo niet herkend. 
De wedstrijd verliep stroef. Bij de rust was het gelijk. 1-1. In de rust kreeg ik, na lang wachten, een biertje van Melle. “Dat ouwe mens achter de bar kan niet meer dan twee consumpties tegelijk afrekenen”, mopperde hij. “En dat meisje al helemaal niet…” En dat waren de enigen achter de kleine bar waarboven in grote letters ‘Abbenello’ stond, als lollig bedoelde verwijzing naar ‘Milanello’, het beroemde trainingscomplex van AC Milan. De kantine stamde waarschijnlijk nog uit de tijd, dat Gullit en van Basten daar furore maakten. Nu was de boel oud en verlopen. Plafondplaten waren opgeschoven als teken van een speurtocht naar lekkages. 
Toen de tweede helft op punt van beginnen stond, haalde Jan, een vriend van Daan, nog een biertje. Hij was te gast en vertelde over zijn voetbalclub in België. Hij was daar voorzitter geweest. Melle was één en al oor. Net als een wat rossige heer, naar later bleek de voorzitter van de thuisclub. Toen deze hoorde, dat de club van Jan in de hogere regionen van het Belgische voetbal speelde, waar betaling van spelers gebruikelijk is, kwam hij met nieuwe biertjes onze kant op. “Van de vereniging”, zei hij, “voor onze gewaardeerde gasten!” Ik keek Melle aan, en we keken samen Jan aan, maar we accepteerden zonder aarzeling het gerstenat. “U komt zomaar uit het verre België eens kijken bij ons eerste elftal?” vroeg de gulle gever aan Jan. Jan keek nu beurtelings Daan, Melle en mij aan. “Ja, maar ik ben hier puur op persoonlijke titel”, zei onze Belgische vriend geheimzinnig, en nam een slok van zijn verse biertje. “Ja, Ja, natuurlijk”, zei de man, “maar wellicht zijn u de kwaliteiten van onze spits wel opgevallen…” Jan’s bek viel net niet open. We waren met stomheid geslagen. Zelfs Daan. “Dat is mijn zoon”, zei de trotse vader, terwijl hij zich met een veelzeggende knipoog discreet terugtrok. Op het veld scoorde het bedoelde talent vlak voor tijd de 3-3. 
‘Drup’ klonk het naast me. Het dak van de kantine zou ook gebaat zijn bij een lucratieve transfer….

Kak Zooi

Vrijdag zijn we Chinees gaan halen om weer een bakje te hebben voor mijn tweejaarlijkse bezoeking: Het doen van de zelfafnametest voor het bevolkingsonderzoek naar enge darm-ziektes. Bij het vorige onderzoek beschreef ik al (Zie mijn boekje: ‘Kapoentje en andere verhalen’), dat het behoorlijk lastig is een droge drol af te zonderen waar het teststaafje voor het laboratorium vier keer meedogenloos ingestoken kan worden. Vooral, wanneer je niet beschikt over een zogenaamde vlakspoeler. Dat is een toilet met een plateautje waar de hoop even mag uitrusten vóór de laatste reis. Een caravan- of campertoilet zou ook kunnen, want daar kun je het klepje naar de chemicaliën-tank dichtlaten tot na de test, maar om nou bij vrienden en kennissen met dergelijke kampeermiddelen te gaan vragen of ik in hun vakantieverblijf mag kakken, gaat ook wat ver. Dus het werd weer het bamibakje. We aten, zoals altijd, twee dagen Chinees en toen ging ik, zuchtend, met het schoongewassen bakje het toilet in. Een lastige toer, want je wilt geen drukfouten maken. Uiteindelijk kwam ik trots met mijn oogst de huiskamer in, toonde mijn lief het bakje met de woorden: “Gelukt! Een verse bak Kak Zooi!” Elly kon er niet om lachen, en las verder in haar romannetje. Ik ging aan tafel zitten, pakte de afnametester uit en wilde juist toesteken, toen ze haar boekje neerlegde. “Jij weet toch, dat de brievenbus op zondag niet gelicht wordt, lieve?” zei ze met een beetje sarcastisch glimlachje en maakte aanstalten om de honden uit te gaan laten, mij vertwijfeld achterlatend. Ik las de gebruiksaanwijzing van de test: ‘Doe de testzet nog dezelfde dag op de bus…’ Het was zondag, en ik meende nog te weten, dat de test op werkdagen bij het lab moest arriveren. Maar dan nu dit. “Morgen nog maar eens proberen…” zei mijn plaaggeest, de deur achter zich dichttrekkend. Ieder huwelijk kent zo zijn dieptepunten. Toen kreeg ik een goed idee. Wanneer je iets vers wilt houden moet je het gewoon invriezen! En dan morgen gewoon even ontdooien, tester er in prikken en op de bus doen. Dus ik pakte het dekseltje, duwde de iets boven de rand van het bakje uitstekende drol er een beetje plat mee, en zette het afgesloten geheel in de vriezer. Gelukkig stelde echtgenote bij het thuiskomen geen vragen. De volgende morgen kwam er des te meer commentaar, toen ik het testmateriaal in de magnetron trachtte te ontdooien : “Wat stinkt hier zo?” “Kak Zooi, voor de poeptest,” grapte ik, “van gisteren, even ontdooien”. Dit werd me niet in dank afgenomen. “Je gaat toch wel erg achteruit, hoor,” zei ze slechts. “Ik ga me echt zorgen over je maken.” Ze was niet eens echt boos. Vernietigend.Inmiddels had ik de testprikker vier keer in de drol gestoken. En dat was na vijf minuten op 800 watt niet bepaald kouwe kak meer. Het door de hitte vervormde staafje paste niet goed meer in het bijgeleverde plastic buisje. Wanhopig pakte ik alles toch maar zo goed en zo kwaad als het ging met veel plakband in. Met het schaamrood op mijn kaken heb ik de boel maar op de brievenbus gedaan. Vanmorgen kreeg ik met de post een nieuwe zelfafnametestset opgestuurd, met een briefje erbij, dat de door mij opgestuurde test ‘in ongerede was geraakt’, en dat ik de gebruiksaanwijzingen vooral goed en vooraf moest lezen.

Hamburger

De nacht na NBSVV-Zinkwegse boys heb ik slecht geslapen. Dat kwam natuurlijk ook voor een deel door de uitslag, 4-3, met de beslissende tegentreffer in de laatste seconde, maar vooral door de overrompelende culinaire kwaliteiten van onze Nieuw-Beijerlandse vrienden. 
Ik rook de barbecue al van verre, toen we het parkeerterrein van NBSVV opdraaiden. Leuk, een barbecue! Een verademing na mijn eerdere ervaring met de hamburgers alhier. De lucht van gebakken uitjes opsnuivend genoot ik van de redelijke koffie. Ik had thuis net wat gegeten, dus besloot nog even te wachten met proeven. 
De wedstrijd verliep nogal chaotisch. Onze boys waren niet in hun sterkste bezetting. “Dat kan gebeuren”, zult u zeggen, “Blessures en schorsingen natuurlijk. Dat hoort er bij!” Helaas waren dat niet de redenen. Één van de spelersvrouwen was drie weken geleden haar pil vergeten dus moest zij, op zaterdagmiddag, samen met haar man en drie andere spelers voor de zekerheid maar alvast door de Ikea op zoek naar een babykamer. Of zoiets. Er zijn nu eenmaal belangrijkere zaken dan voetballen. Toch? Bovendien is degraderen uit de 4e klasse gelukkig niet mogelijk. 
Gefrustreerd besloot ik, als vergelijkend warenonderzoek met vorig jaar, een hamburger te gaan proeven en vervoegde me bij de barbecue. Een enthousiaste vrijwilliger stond quasi-geroutineerd speklapjes om te draaien. Eerder had ik hem met sateetjes in de weer gezien. Kortom: Een echte barbecue! “Kan ik bij u iets bestellen?” vroeg ik. “Eh, nee”, antwoordde de brave borst. Ik keek erg niet begrijpend. “Dit is voor een feestje vanavond met de selectie,” vervolgde de chefkok. Ik was zelden met zoveel stomheid geslagen. “O, ik dacht een hamburgertje gaat er misschien wel in”, mompelde ik, en dacht het mijne over het feest voor de selectie. Hadden ze niet kunnen kiezen tussen een koud buffet en een barbecue? Dus werd het een koude barbecue? 
De man kreeg medelijden met me. “Maar een hamburgertje moet wel lukken, hoor! De klant is koning…” Hij draaide nog wat speklapjes met de zwarte kant naar boven. “Wanneer u nu aan de bar even afrekent, dan bak ik die hamburger wel even voor u.” Hij was erg vriendelijk. Zo gezegd, zo gedaan. De dame bij de bar was hier echter niet op voorbereid en brulde al naar het keukentje achter haar, dat ze een hamburger in het bejaarde vet konden laten glijden. “Eh, die mijnheer bij de barbecue zei, dat de hamburger ook wel daar gebakken kon worden.” “O, zei hij dat? Nou, dat zal dan wel. Dat is dan €2,50.” Ik betaalde en kreeg een klein wit broodje op een servetje aangereikt. “Dan krijgt u van die mijnheer buiten uw hamburger.” Ik liep wat lullig met mijn droge witte broodje naar buiten. De vrijwilliger glimlachte. Er was nergens een hamburger te bekennen. Ik keek vragend. “Ik ga gelijk uw hamburger halen, moment” Nou had ik weinig haast, want de wedstrijd was nog bezig, en ik kon het goed zien. De bakman verdween om even later met een hamburger terug te komen. Al gebakken. “U wilde een hamburger van de barbecue, u krijgt een hamburger van de barbecue…” glimlachte onze Jamie Oliver, terwijl hij de al behoorlijk uitgedroogde schijf op zijn bakplaat flikkerde. Voor de vorm duwde hij er nog wat met zijn spatel op ook om er zeker van te zijn, dat er absoluut geen malsheid in de troosteloze schijf zou overblijven. 
Ik heb er twee happen van genomen, welke dus al resulteerden in een maagzure slapeloze nacht, terwijl er over mij gezegd wordt, dat ik een maag van schokbeton heb. Toen de beste man even niet keek heb ik de rest stiekem weggegooid. 
Gelukkig kan de keuken van NBSVV ook niet degraderen.

Klusploeg

Op dinsdagochtend wordt er geklust bij mijn voetbalclub. Een aantal oudere Zinkweggers verzamelen zich rond 08.00 uur in de kantine. Eerst wordt er uitgebreid koffie gedronken en de miserabele staat van het eerste besproken. Zelfs wanneer dat eerste week-in-week-uit wint, dan nog is het nooit genoeg voor de oude mannen van de klusploeg. Positief gedoe is voor de jonkies. Soms is Vos er even om koffie te zetten, maar vóór dat het op echt werken gaat lijken, smeert deze hem. Hij doet genoeg voor de club, dus niemand neemt het hem kwalijk. Hij schijnt bovendien nog te werken bij een baas, in tegenstelling tot de overige klussers. Om 09.00 uur wordt er begonnen. Daan en Bertus hebben een lijst met klussen gemaakt en die wordt afgewerkt. Er wordt een steigerhouten bank uit elkaar gehaald om te schilderen en Nico begint oorverdovend te schuren met een erg luidruchtige machine. Hij is erg professioneel gekleed met zo’n broek, waar een duimstok aan de zijkant uit een speciaal zakje hoort te steken. Een overblijfsel van zijn werkzame jaren bij een glashandel. Kees staat om de hoek herrie te maken met een hogedrukspuit en Daan en Bertus vervangen kapotte planken van de bank. Daan verzaagt er af en toe gezellig eentje, dan kan Bertus naar zijn onuitputtelijke schuurtje om een nieuw stuk hout te halen. Telkens wanneer hij triomfantelijk met een nieuwe plank terugkomt wordt er afkeurend “Had je geen krommere?” geplaagd. Hij reageert er niet eens meer op. Daan laat zich door dit alles niet van zijn stuk brengen en beent met grote trage passen op zijn Daans’ over de bouwplaats. Om 10.00 uur is er weer koffie. Ik ga zitten. Mis. “Dat is mijn plek”, bromt Kees, nog net vriendelijk. Ik krijg visioenen van ouwe takkenwijven in verzorgingshuizen. Ik sta vertwijfeld op en ga ergens anders zitten, denkend, dat ze me in de zeik aan het nemen zijn. Er wordt echter niet gelachen. Melle schuift ook aan en de verse dooien en zieken worden besproken. Gelukkig valt er ook nog wel wat te lachen. Ik zeg zelf niet al te veel. Eerst even sfeer proeven. En die smaakt prima, ondanks die vaste zitplaats.

de Teek

Over het algemeen ben ik niet zo’n dromer. Een enkele keer droom ik over een schitterende dag op een verlaten strand met zacht kabbelende golfjes en een prachtige vrouw die naast me op een groot strandlaken ligt te zonnen. (Natuurlijk mijn lief…) Als in een romantische film. Ik streel zachtjes door heur haar, waarop mijn lief: “Laat me slapen!” bromt en zich omdraait met haar gezicht de andere kant op. Meestal val ik daarna, teleurgesteld, zelf ook in een diepe droomloze coma.  
Alleen vannacht wilde dat niet lukken. Geen strand, geen zon, maar wel gebrom. Van onze chihuahua Chico. Hij had een teek en die moest worden verwijderd. Maar Chico is niet gediend van polonaises aan zijn lijf. Hij wordt dan echt vals en bijt naar alles wat in zijn buurt komt. We probeerden het in zijn slaap en door hem te verdoven met jenever in zijn voer, maar niks hielp. De teek bleef. En groeide door het leegzuigen van onze Chico. En groeide steeds verder, terwijl ons hondje steeds kleiner werd. Maar ondanks het afnemen van zijn krachten door de energie-zuigende teek, konden wij nog steeds niet bij onze pitbull-chihuahua in de buurt komen. En de teek bleef groeien tot ik op een dag niet Chico uitliet maar de teek, met Chico als een trofee in zijn bek. Ik merkte het pas, toen ik zag, dat er bij het plassen één van de zes in plaats van één van de vier pootjes werd opgetild. Een complete teek-over. Het was pure horror, deze tekenfilm. Badend in het zweet werd ik wakker.

Nederland in beweging

Sinds ik met pensioen ben, nu zo’n twee weken, kijk ik ’s ochtends regelmatig naar omroep Max. Zeer vitale bejaarden bezweren me, dat oud worden erg leuk moet zijn. Een hoogleraar, die een soort ‘Prins Claus-Nederlands’ spreekt weet heel veel over oud worden en vertelt blijmoedig over honderdjarigen in Japan. Daarbij laat ze een foto zien van een oud vrouwtje met diepe rimpels en een tandeloze lach. Of ik daar nou naar moet verlangen… 
De hoogleraar benadrukt, dat we vooral meer moeten bewegen. 
Daarna komt ‘Nederland in beweging’. Olga Commandeur (zeer toepasselijke naam!) en de één of andere blijmoedige jongeling staan op een soort rond podiumpje te stappen, waarbij ze ook nog erg overdreven met hun armen meebewegen. “De paden op, de lanen in, akela Beemsterboer!” mompel ik. Op de achtergrond staan nog een stuk of vijf fitness-senioren in gebloemde leggings op ronde verhoginkjes mee te marcheren. En allemaal met zo’n blije grijns op hun gezicht. 
Het is maandag, dus Elly vertrekt rond 11.00 uur naar haar vrijwilligersbaantje, mij volledig gelukkig zittend in mijn luie stoel, achterlatend. 
Maar dan begint het te knagen. Die hoogleraar-brilslang had misschien wel een punt. ‘Stilzitten is het nieuwe roken’ is wel weer zo’n vreselijke slogan, maar ik wil toch nog wel even van mijn pensioen genieten. Ik doe het gordijn maar even dicht, want niemand hoeft mijn vertwijfelde poging om jong te blijven te zien, en zoek ‘Nederland in beweging’ op bij ‘uitzending gemist’. Nu nog zo’n rond podiumpje vinden. Het kussen van de poef lijkt uiterst geschikt. Het feest kan beginnen. Blijmoedig commandeert Olga dat we moeten stappen. Ik stap en dat valt niet mee op het kussen van de poef. Ik besluit mijn badjas uit te doen, want die is erg zwaar en gaat door al dat bewegen steeds los. De gordijnen zijn toch dicht. Olga stapt vrolijk verder op de maat van het één of andere saaie kólere-muziekje. Ik begin er nu al moe van te worden. “En dan doen we nu een side-step!” commandeert Olga enthousiast. Iedereen stapt opzij, alleen ik ben natuurlijk te laat. Dus ik doe het bij de volgende stap, terwijl de groep op tv alweer de andere kant op gaat, stap vervolgens naast mijn poefpodiumpje en kan me nog maar net vastgrijpen. Mijn poef is duidelijk kleiner dan het podiumpje van Olga. Ik verzwik mijn enkel gelukkig niet helemaal en ga buiten adem maar gauw weer zitten. “En dan nu een dubbele side-step de andere kant op!”, Olga is in haar element. 
Ik dus niet, ik zit amechtig in mijn stoel te hijgen en krijg opeens erg veel zin in een hele dikke sigaar.

de Harmsen

“Daar zijn de Harmsen!” riepen wij als kinderen wel eens, wanneer we grappig wilden zijn. Want de familie Harms kwam altijd onverwachts en vaak ongelegen. Wanneer mijn vader lekker zijn krantje zat te lezen en mijn moeder met haar krulspelden in door het huis rommelde. Wanneer er dan aangebeld werd, brak er volledige paniek uit, want de Harmsen invaseerden met een horde losgeslagen kinderen, en namen het hele huis over. Niets was meer veilig. En wij werden geacht aardig te blijven, hetgeen best lastig is, wanneer je werd geconfronteerd met de perfectie van de familie Harms. Het jongste zoontje kon perfect judo-en, en dan mocht ik hem niet eens zand laten happen in de achtertuin. Wanneer het arrogantje dan met zijn bekkie vol zand zijn beklag ging doen, moest ik natuurlijk toegeven, dat ik vals had gespeeld en kreeg straf.
De oudere broers leerden me zelf vuurwerk te maken van een oude ballpoint-vulling, waar we schraapsel van luciferkoppen in deden, dichtknepen en in een prop papier aanstoken. De knal was van dien aard, dat bijna het luchtalarm afging. En wie kreeg de schuld? 
Wanneer er na die keer ‘Harmsen-alarm’ was, smeerde ik hem dus zo snel mogelijk door de achterdeur.
Pa Harms, of oom Frits, zoals van ons verwacht werd dat we hem noemden, was een oude studievriend van mijn vader. Uit de tijd dat hij nog straatarm was. Ze gingen dan met drie studenten zeilen in Friesland en mijn vader en ene Jelleke Bos betaalden, maar dan moest Frits koken. Want dat kon hij goed. Frits was die vakanties niet vergeten en zei telkens weer, dat mijn vader en Jelleke waarschijnlijk zijn enige échte vrienden waren. Want oom Frits en tante Elien waren inmiddels schatrijk, en alle andere vrienden waren van nà het vergaren van die rijkdom. Van na de oorlog, waarin tante Elien met haar familie ondergedoken zat en oom Frits hun redder was. 
Vaak gingen oom Frits en tante Elien met mijn ouders duur uit eten. Mijn vader heeft van oom Frits nooit mogen betalen. 
Toen ik pas geleden mijn zus nog een keer voor de grap hoorde zeggen: “Daar zijn de Harmsen!” had ik toch nog steeds de neiging hem snel te smeren door de achterdeur….

‘Hoe-heet’i

Er zijn dit seizoen veel nieuwe gezichten in het eerste van de Zinkwegse Boys. De harde kern had het er maar moeilijk mee bij de bekerwedstrijd, uit tegen NTVV. Tineke van Hengel ging eerst met assistent-trainer Peter van Dam alle namen doornemen. Daarna kwam Jan Schipper ook even bij Peter langs. En het commentaar langs de lijn was soms moeizaam. “Wie is die snelle aan de overkant” “Eh, hoe heet’ie ook alweer…” “Sjongejonge, wat is dat nou toch weer voor een zaadpass van, eh, hoeheet’ie”. 
Al onze zekerheden waren verdwenen. Aad had zelfs geen Mees meer om over te mopperen. Het voelde nog niet erg vertrouwd. Het gesprek in de rust, aan een grote tafel in de gezellige kantine, verliep gelukkig wel als vanouds. Met als hoogtepunt de mededeling van Daan, dat hij zijn Ford had ‘ingerolen’ voor een vertrouwde Opel. Na een dwaling van vier maanden. De hele tafel was er even stil van. We hadden ons vier maanden geleden al zorgen om hem gemaakt, toen hij plots met een Ford aan kwam rijden. Daan, die at met een Opel-mes en -vork, die sliep onder een Opel-dekbed, die kakte op een Opel-bril! Een Ford! Het voelde gewoon verkeerd, als een eerste symptoom van Alzheimer. Maar verder merkten we nog niks aan hem. 
Algauw werd de stilte verbroken door een lacherig geplaag. Hij moest het natuurlijk even ontgelden. Maar daar kan Daan gelukkig goed tegen, zelfs wanneer zijn eigen vrouw er aan meedoet. Het was weer vertrouwd. Ik genoot!
De tweede helft begon en iedereen ging weer gezellig commentaar leveren langs de lijn. De Boys wonnen met 2-4, maar het vertoonde spel was volgens de ouwe knarren natuurlijk nog niet geweldig. Want ‘hoeheet’ie’ had er natuurlijk best nog twee kunnen maken.