Fietsenstalling

Het was een zonnige zondagmorgen. In het haventje was iemand iets aan het schuren, wat gelukkig niet teveel lawaai maakte. Een verlate kerkgangster fietste gehaast voorbij met, verwoed slingerend aan haar stuur, een plastic tasje waarin haar hoedje. Ome Arie keek haar na. “Zeker bang, dat dat hoedje verbleekt in de zon.” Hij was een beetje mopperig. Ik liet hem maar een beetje met rust. Tot ik een luid geknor van zijn maag hoorde. “Hoor ik nou jouw maag knorren, ome Arie?” kon ik niet nalaten te vragen. Hij knikte. “Riek heeft besloten, dat ik op dieet moet.” Zijn petje stond niet vrolijk. “Ze maakt zich misschien zorgen over je gezondheid?” suggereerde ik. “Nee, niet over mijn gezondheid, maar over het dooienfonds.” bromde hij. “Het dooienfonds?!” Hij bleef me verbazen. “Het dooienfonds!” beaamde hij. Ik besloot rustig af te wachten. Hij zuchtte: “wanneer het lijk zwaarder is dan 120 kilo wordt niet alles vergoed.” Ik keek verbaasd. “De kist moet degelijker, de kuil dieper en er moeten meer dragers komen.” Ik schoot in de lach. “Ja, lach maar!”, bromde onze knorrepot, “ik zit met de ellende! En dat allemaal voor mijn begrafenis…” Ik probeerde serieus te blijven, wat nog een hele opgave was. “Heb je al bedacht hoe je begrafenis moet worden, ome Arie?”, probeerde ik het gesprek ernstig te houden. Tevergeefs. “Ik wil opgebaard worden in de fietsenstalling van ons appartementencomplex. Daar zijn stopcontacten voor elektrische fietsen, dus er is stroom voor een koeling”. Ik kon mijn lachen niet meer inhouden: “maar waarom de fietsenstalling?” Hij trok aan zijn pijp; “Ik heb de mooiste momenten van mijn leven gehad in de fietsenstalling van school, samen met mijn Riek.” Hij was doodernstig. (Het juiste woord in dit geval…) “Nog één keer met haar alleen in de fietsenstalling, dat is mijn laatste wens.” Meende hij het nou echt of zat hij me verschrikkelijk in de maling te nemen? Hij klopte zijn pijp uit, stond op en lachte: “Kom, dan trakteer ik u op een bak koffie met appelgebak, meneer Ype!” Het laatste dus…

Pet

“Zo, ome Arie, heb je een nieuwe pet?” Ik zette mijn scooter op de standaard en pakte mijn pijp en tabak uit de bak onder mijn zadel. “Nou, eigenlijk is dit mijn oude pet. Die draag ik alleen, wanneer de nieuwe in de was zit.” Ik ging zitten en begon mijn pijpje te stoppen. Het was niet echt warm, maar met een trui en een jas was het best uit te houden. “Ik ben deze pet een tijd kwijt geweest”. Hij had me al aan zien komen. “En een boer zonder pet is moeilijk te begrijpen…” Ik keek verbaasd, en begreep hem mét pet ook even niet. Ome Arie zag mijn onbegrip, glimlachte en legde uit: “Bij een boer moet je altijd even kijken hoe de pet staat. Staat de pet scheef achter op de kop, dan heeft’ie waarschijnlijk een borrel op, staat’ie vóór op de kop, dan heeft’ie de pest in, staat’ie een tikkie schuin, dan is het ‘boer zoekt vrouw’!” Ik snapte het en stak mijn pijp op. Zijn pet stond nu vrij neutraal. “Je bent deze een tijd kwijt geweest?”, bracht ik hem weer terug op zijn oorspronkelijke verhaal. Hij knikte. “Wij boeren kunnen nooit ’s zomers met vakantie. En zoals eerder verteld (zie eerdere verhalen op swartboek.nl) ben ik ook niet zo’n vakantieganger.” Ik kon me dat verhaal nog herinneren. (titel: ‘Fiets’) “Toen mijn kinderen wat ouder werden en voor de beesten konden zorgen haalde Riek me over om een keer op wintersport te gaan. In Oostenrijk.” Hij zuchtte. “Toen ik op een avond met mijn pet achter op mijn kop uit de kroeg kwam heeft ze me zover gekregen dat ik met dat idee akkoord ging.”  Ik moest lachen om het beeld dat ik hierbij kreeg. “Ja, lach maar!”, mopperde ome Arie, maar hij zette zijn pet in de ‘vrolijk-stand’. “Dus wij met de trein naar Oostenrijk, op zich wel een belevenis. Ik was nooit verder gekomen dan de Achterhoek.” “Naar je verre nicht?” gokte ik. Ome Arie knikte. “In Oostenrijk hadden we een appartement gehuurd, zodat Riek zelf bruine bonen met spek kon klaarmaken, want dat vreemde voer is niks voor ons.” Ik knikte begripvol doch niet begrijpend, want zo exotisch is het eten in de Alpenlanden toch niet. “We huurden ski’s en meldden ons voor skiles.” Ik glimlachte bij de gedachte aan Arie en Riek uit de polder, niet meer de jongsten, in een skiklasje. “Het was geen succes. Riek werd al gauw met een dom Engels mens in een apart kneuzengroepje gezet en ik had blaren op mijn voeten. Die skischoenen leken niet op mijn vertrouwde klompen.” Hij rookte een paar trekjes omdat zijn pijp dreigde uit te gaan. “De tweede dag gingen we met zo’n stoeltjeslift omhoog. Ik zat naast ‘die Heidi aus Wuppertal’, die alleen oog had voor de skileraar. Die deerne was zo tochtig als een jonge koe in een lentewei.” Hij liet me even uitlachen en ging toen verder. “En dat rund stootte met haar skistok mijn pet van mijn kop toen we hoog boven een bos zweefden.” Hij schoof zijn pet naar voren; hij kon er nog boos over worden. “Dat was mijn laatste dag op de piste. Riek hoefde ook niet meer. We zijn de volgende dag met de bus naar Salzburg gegaan en hebben daar een nieuwe pet gekocht…” Hij zette zijn huidige pet weer in de ‘neutraalstand’. Het bleef even stil, maar ik voelde, dat er nog meer moest komen. “Het jaar daarna zijn we lekker thuisgebleven. Mijn zoon is toen met zijn toenmalige vriendin gaan wintersporten. Er was weinig sneeuw, dus bezochten ze een soort museum, waar voorwerpen werden tentoongesteld, die in de zomer ervóór onder de stoeltjesliften waren gevonden. Skistokken, ski handschoenen, zelfs een kunstgebit.” “En een Hollands boeren-petje?” gokte ik. “En een Hollandse boerenpet!” verbeterde ome Arie mijn ietwat denigrerende toon. 

Puur Natuur

Vanonder een paraplu kwam een rookwolkje. Het rook bekend; ome Arie’s pijp. Hij zat op ‘ons’ bankje, diep ineengedoken onder het regenscherm. Het miezerde al de hele ochtend in die mate, dat ik mijn scooter in de garage had laten staan. Ik had mijn auto vlakbij geparkeerd om een boodschap te doen toen ik het rooksignaal ontving. Ik pakte een paraplu uit mijn achterbak en maakte de bank droog met mijn zakdoek. Tenminste, ik probeerde dat, maar veel hielp het niet. Die broek zou wel weer drogen. Ome Arie leek weinig last van het weer te hebben. “Boeren zijn vaak blij met wat regen”, las hij mijn gedachten. Ik knikte begrijpend, terwijl ik mijn pijp trachtte te stoppen, hetgeen best lastig is, wanneer je ook nog een paraplu in bedwang moet houden. Gelukkig hield de regen even op, zodat ik mijn handen vrij kreeg. Ook ome Arie klapte zijn paraplu in. “De boeren hebben het niet makkelijk.” Hij ging wat meer rechtop zitten. “De boeren hebben het eigenlijk nooit gemakkelijk gehad. Wij, Riek en ik, hebben ook van alles moeten bedenken om de eindjes aan elkaar te knopen.” Ik trok tevreden aan mijn pijp: daar kwam weer een sterk verhaal! “Op een goede dag hoorde Riek van haar verre nicht in de Achterhoek, dat ze daar leuk bijverdienden met een zogenaamde ‘boerencamping’.” Hij trok aan zijn pijp, mij de kans gevend het gezegde rustig te kunnen verwerken. “Riek was behoorlijk enthousiast, vooral omdat de nicht wel wilde helpen met het aanmelden bij een organisatie die gericht was op een heel net publiek. Puur Natuur heette die club.” “Want je wilt niet allemaal feestende jongeren op je erf hebben”, begreep ik. Ome Arie knikte, “Dus ik ging allerlei faciliteiten aanleggen. Stroomkabels ingraven, douches en toiletten konden simpel in de schuur en ik had nog genoeg plek voor een klein winkeltje voor melk, kaas en dergelijke.” “Je bent dus van alle markten thuis, ome Arie!”, zei ik bewonderend. Hij nam het compliment glimlachend in ontvangst. “De eerste caravan kwam al twee weken later.” Hij wees met zijn pijp omhoog; “Toen was het net zulk weer als vandaag. Het waren hele nette mensen. Een gezinnetje met twee nog jonge kinderen.” Ik stak mijn pijp weer aan omdat deze door het aandachtig luisteren was uitgegaan. “De volgende dag kwamen de opa en oma ook. Met een camper. Riek was helemaal blij! Toch een extra bron van inkomsten in een moeilijke tijd.” Ik voelde een ‘maar’ aankomen, maar het bleef even stil. Ome Arie pafte zijn pijp en ik pafte mijn pijp. “Die avond belde Riek helemaal enthousiast met de verre nicht. De mensen van de camper hadden ook wel eens bij hun in de Achterhoek gekampeerd. ‘Ricky en Slingertje’ noemde zij hen. Riek snapte er weinig van. Tot de volgende morgen. Het was een prachtige  ochtend. De zon scheen en we zaten buiten op ons terras aan de koffie toen er een klein jongetje langs rende. In zijn blootje.” Ome Arie pauzeerde om het effect te versterken. “Dat was op zich niet zo’n probleem, maar toen het moedertje er ook spiernakend achteraan rende keek Riek toch wel wat verbaasd.” Ome Arie lachte. “Even later kwamen Ricky en haar man ook voorbij. Toen werd ons duidelijk waar dat ‘Slingertje’ vandaan kwam!” Ik kon wel om dit verhaal lachen. “Dus jullie camping was weer snel gesloten?” vroeg ik. “Nee, hoor, die is nog heel lang open gebleven. Het was inderdaad een heel net publiek en de inkomsten waren mooi meegenomen!” Hij klopte zijn pijp uit en borg hem op. “Alleen wat lastig, wanneer we visite kregen als het mooi weer was…”

Roken

Het was een redelijke dag, met zon en wat schapenwolkjes. Ik had net mijn pijp en mijn tabak gepakt, toen ome Arie opeens zijn brandende pijp in mijn hand drukte. “Hou even vast, daar komt mijn schoonzus Agaath!” Ik zat stomverbaasd naar de pijp te kijken toen een oude, in het zwart geklede vrouw op een scootmobiel stopte bij ons bankje. “Wat ruik ik?” kraste ze, “Een pijp? Jij rookt toch zeker niet weer? En dan ook nog stiekem achter mijn zus’ rug om?” Haar ogen vlamden en ze hief een knokig vingertje bestraffend omhoog. Ome Arie wees op mij als hoofdverdachte. “Ikke niet, maar die meneer rookt als een schoorsteen.” Ik kon niets uitbrengen en zat er wat lullig bij met twee pijpen in mijn handen. “Zo erg…”, loog ome Arie gezellig verder, “dat hij met de ene pijp de andere aansteekt!” Ik keek van de ene pijp naar de andere, me afvragend hoe ik zoiets voor elkaar zou moeten krijgen. De heks keek vernietigend mijn kant op. Ik stopte snel ome Arie’s pijp in mijn jaszak en stopte met het stoppen van de mijne. “Weet u wel hoe gevaarlijk roken voor uw gezondheid is?” Ik wist het. “En dan nog met twee pijpen tegelijk bezig zijn, een schande is het!” Ik keek erg schuldbewust, want discussiëren met een antirook-brilslang is zinloos, dat wist ik uit ervaring. “Mijn oudoom Hendrik is daar een voorbeeld van. Hij is niet ouder geworden dan 24!” Tegen beter weten in kon ik het niet laten: “24? en dan al longkanker?” Schoonzus Agaath keek me vernietigend aan: “Nee!” Ome Arie schudde ook slaafs zijn hoofd. Ik durfde niet verder te vragen, maar dat was ook niet nodig, want nijdig vervolgde ze: “Hij diende in Nederlands Indië. Toen hij in een pikdonkere nacht op wacht stond stak hij zijn pijp op en vrijwel direct werd zijn kop eraf geschoten!” “Van zijn pijp?” vroeg ik, een tikkie onnozel, “Nee, van zijn romp!” kraste de heks nijdig. Ome Arie zat zijn lachen in te houden. “Zo zie je maar, dat roken levensgevaarlijk is!” Ik hield wijselijk mijn mond, waarop de zwarte weduwe haar scootmobiel de sporen gaf en wegreed. Ome Arie lachte nu hardop. “Dat is dus mijn schoonzus!” wees hij haar na. En vervolgens, ietwat zorgelijk: “Weet jij, dat er rook uit je jaszak komt?”

Trekker

Het was al een paar dagen geen weer om genoeglijk ons pijpje te roken op het bankje bij de haven. Toen ik er langs kwam met mijn auto vond ik het maar een triest gezicht, zo’n leeg nat bankje dat stond te druilen bij de haven. En ik miste de verhalen van ome Arie. Toen ik moest stoppen voor een parapludrager op het zebrapad zag ik dat ome Arie’s fiets voor de kroeg stond. Ik besloot een kop koffie en parkeerde mijn auto een klein stukje verderop. Ome Arie zat aan de bar met een bakkie voor zich en genoot van een fors stuk appeltaart. “Gwoeiemworgen”, mompelde hij met volle mond, toen hij me zag. “Goeiemorgen, ome Arie, goeiemorgen, bar-mevrouw!”, antwoordde ik terwijl ik mijn druipende jas aan de ouderwetse kapstok hing. De dame achter de bar groette vriendelijk terug en keek vragend om de bestelling. “Een bakkie en die appeltaart lijkt me ook wel wat”, wees ik naar de laatste hap, die in ome Arie’s mond verdween. De dame ging aan het werk. “Da’s alweer een tijdje geleden, dat we elkaar zagen, ome Arie”, zei ik, terwijl ik op de barkruk naast hem ging zitten. Hij knikte en veegde zijn mond af met een grote rode zakdoek. “Het is ook geen weer”, bromde hij, “Ik zit al dagen binnen. Riek heeft me er uit geschopt; ze wilde even stofzuigen en stoffen en was mijn kop ook zat!” Ik knikte, want ook bij mij thuis hing een donkere wolk. Ik kreeg mijn koffie en mijn appelgebak. “Heeft u ook zoetjes?” De bar-mevrouw keek verbaasd, maar bracht de suikervervangers. “Om de appeltaart te compenseren”, grapte ik mijn standaard-grap, waar al jaren niemand meer om lacht. De bar-mevrouw glimlachte beleefd, en zei iets, wat door een voorbij-knetterende scooter volkomen verloren ging. “Rotherrie!” gromde ik. Ome Arie glimlachte. “De mijne maakte vroeger net zo’n herrie!” Hij kreeg een kwajongensachtige blik in zijn ogen. Ik keek even verbaasd. “Een Kreidler. Een echte Kreidler. Rood natuurlijk. Toendertijd had je de Kreidlers en de Zündapps, en later kreeg je de Puchs. Dat vonden wij maar eitjes!” Het was niet geheel duidelijk of dat op de brommers of op de berijders sloeg. Ome Arie maakte zijn bakkie leeg en bestelde een nieuwe. “Jij ook nog?” vroeg hij, maar het grootste deel van mijn koffie stond nog op mijn keelgat te wachten, dus ik bedankte. “Weet je, dat er nog eens een Nederlander Wereldkampioen is geworden in de motorsport met een Kreidler?” Ik wist het. “De mijne haalde ook gemakkelijk de 90”, glom ome Arie, “Dat beaamde ook de motoragent, die op de Langeweg naast me reed en mijn Kreidler in beslag nam. Doordat mijn grote liefde zo’n herrie maakte, had ik de BMW van die Juut niet horen aankomen…” Ik keek opzij: “Dat was behoorlijk balen, zeker?” Hij knikte, maar leek er nu weinig last meer van te hebben. “Ik heb hem een paar weken later wel teruggekregen, maar zonder de ‘opvoer-onderdelen’. Dus een halve motor!” Hij kon er nu wel om lachen. Hij dronk van zijn verse bak. “De zaterdag daarna zou ik met mijn vriendinnetje naar de film in Spijkenisse gaan: De Sound of Music.” De barvrouw lachte: “Dat is lang geleden!” Ome Arie knikte. “Maar dus niet op mijn Kreidler met haar armen om me heen.” Hij zuchtte. “Ben je wel gegaan?” vroeg ik. Hij knikte. “Met de trekker.” “Met de trekker?” vroegen de bar-mevrouw en ik in koor. “Ik ben de hele zaterdag bezig geweest het ding schoon te maken. Een enorme klus.” Hij roerde volkomen zinloos in zijn koffie. “Toen ik haar ophaalde keken haar ouders wel wat vreemd. Ze woonde in een nieuwe woonwijk en daar kwam niet vaak een nogal forse tractor. Haar moeder keek uit het keukenraam en zag alleen maar wiel.” Hij grijnsde. “Mijn vriendinnetje was zo overdonderd, dat ze zonder veel commentaar in haar mooie jurkje omhoog klom en naast me kwam zitten.” De bar-mevrouw zag het vóór zich en er de voordelen wel van: “Nou, achterop zo’n brommer zit je ook niet echt op je charmantst.” Ome Arie knikte. “Dus wij naar de bioscoop in Spijkenisse.” “Met de pont”, droeg ik mijn steentje bij aan het verhaal. “Met de pont”, herhaalde ome Arie. “En ik keek bij het van de pont afrijden goed op mijn horloge omdat ik wilde weten, hoe lang ik zou doen over de rit van pont naar bioscoop, en, belangrijker nog: van bioscoop naar pont.” Wij, de bar-mevrouw en ik, keken niet-begrijpend. “De laatste pont terug ging om 23:00 uur en die mocht ik niet missen!” Het was ons duidelijk. “Helaas was die trekker niet echt snel, dus we hebben het einde van de film nooit gehaald.” “De pont wel?” vroegen wij in koor. “Gelukkig wel, maar op het nippertje!” De bar-mevrouw vond het wel zielig voor het vriendinnetje, maar ome Arie stelde haar gerust: “Ze is de week erna met een Zündapp naar diezelfde film gegaan.” Even was hij stil. “Ze is later ook met hem getrouwd.” Hij nam weer een slok koffie: “Weten jullie eigenlijk of die familie von Trapp nog meegedaan heeft aan die korenwedstrijd?”

Naam

Ome Arie kwam statig aangefietst; strak in het pak. Zwart met een helderwit pas gestreken overhemd, zwarte gepoetste schoenen en zelfs een vest. Alleen zijn petje paste niet echt bij dit geheel. Hij stapte stijlvol af en kwam naast me op onze bank bij de haven zitten. “Een doopdienst”, legde hij uit op mijn vragende blik. “Van het zoontje van mijn jongste dochter.” Hij toverde ergens uit zijn prachtige outfit zijn pijp en een pakje tabak en begon te stoppen. Pijprokers stoppen juist om wèl te roken. “Ik moet wel gaan”, verontschuldigde hij zich bijna, “Riek staat er op, vooral omdat het manneke naar mij vernoemd is!” Hij stak tevreden zijn pijp op en onthulde met plechtige stem: “Adrianus Nicodemus!” “Zozo,” zei ik, onder de indruk, “Da’s niet niks, opa Arie!” Hij zat met een brede glimlach te genieten. Zo zaten we even simultaan te paffen. “Komt dat ‘Nicodemus’ ook bij jou vandaan, ome Arie?”, kon ik niet nalaten te vragen. Dat nalaten had ik mogelijk beter wel kunnen doen. Zijn glimlach trok gelijk weg. “Die Nico is de andere opa.” bromde ome Arie, “Een beetje té aanwezige man.” Ik keek opzij. “Bij verjaardagen ontwijk ik hem altijd. We liggen elkaar gewoon niet.” Dat leek me duidelijk. Er viel even een pijnlijke stilte. Ome Arie zuchtte. En zuchtte weer. Er zat hem duidelijk iets dwars. “Wat is er, ome Arie? Zie je tegen die kerkdienst op?”, vroeg ik. “Ik ben voorbereid”, zei onze zuchter en diepte een paar oordopjes uit zijn binnenzak. Ik keek hem verbaasd aan: “Zo erg zal die preek toch niet zijn? Het is een doopdienst!” Een derde zucht: “Het gaat om het zingen.” “Het zingen?”, vroeg ik. Hij knikte. “Die Nico zat bij de doopdienst van de oudste van mijn dochter achter me. Hij kwam boven alles uit. Qua volume.” Nu begreep ik de oordopjes. “Bovendien zat die namaak-Pavarotti daarbij ook nog vreselijk in mijn nek te spetteren!” Uit een andere binnenzak diepte hij een klein handdoekje. Ik schoot in de lach. “Ja lach maar”, bromde ome Arie, “Nu zal hij waarschijnlijk zelfs nààst me zitten, als mede-naamgever.”  Het vooruitzicht stemde hem minder vrolijk, dat was duidelijk. “Maar ome Arie, door de huidige situatie mag er volgens mij nog niet worden gezongen in de kerk.” Hij keek me aan. “Meent u dat, meneer Ype?”, vroeg hij. Ik knikte. Er kwam een glimlach. “Wat een opluchting! Ieder nadeel heb z’n voordeel, zou Cruyff gezegd hebben.” Hij stopte zijn ‘overlevingspakket’ weer terug in zijn binnenzakken en trok tevreden aan zijn pijp. Zo zaten we even tevreden op ons bankje en genoten. “Zo, het wordt tijd”, klopte ome Arie zijn pijp uit, “Ik moet maar eens richting kerk gaan…” Hij stond op. “Eh, ome Arie, uw pet staat een beetje, eh, apart, bij uw keurige pak!” “Dat doe ik expres”, antwoordde hij, “Een klein protest!” Zoals zo vaak begreep ik hem even niet. Verbaasd keek ik hoe hij zijn fiets pakte. “Protest?” probeerde ik, “Bij de doopdienst van het naar jou vernoemde kleinkind?” “Ja”, hij keek even om: “Hij heet Adrianus Nicodemus, maar ze noemen hem Noah. Zo houden ze beide opa’s ontevreden!” Hij fietste hoofdschuddend weg.

Whisky

Juist op het moment, dat ik mijn pijp uitklopte en wilde opstaan om naar huis te gaan kwam ome Arie de hoek om. Hij zag er verfomfaaid uit. Z’n pet op half zeven, zijn gezicht niet echt fris. Ik bleef even zitten en wachtte af tot ook hij had plaatsgenomen. “Feestje gehad?”, probeerde ik voorzichtig. “Begint u nou ook al?”, bromde hij. Ik begreep, dat mijn vrolijke openingszin niet gelukkig gekozen was en hield even mijn mond. “Neem me niet kwalijk, meneer Ype, maar Ik heb amper geslapen.” Hij pakte zijn pijp en begon te deze te stoppen. Ik gunde hem even zijn rustmoment. Uiteindelijk stak hij zijn pijp op en van wal: “Het was erg warm gisteravond, echt zo’n zwoele zomeravond. Ik zat op mijn balkon,  rookte een heerlijke sigaar en nipte aan een voortreffelijke whisky.” Hij knapte al op door deze prettige herinnering, “Dus ik bleef lang zitten. Het werd donker en het koelde een beetje af. Dus ik besloot tot nog een glaasje en genoot met kleine teugjes.” Ik zag het voor me. “Riek was al een tijdje naar bed en ik genoot van het nietsdoen. ‘Mijmeren’, noem ik dat. Iedereen was naar bed, behalve een buurman een stukje verderop. Die zat met zijn rug naar me toe en werd volkomen in beslag genomen door zijn telefoontje.”  Hij nam even rust, blies een wolkje uit. “Toen kwam de echtgenote van de buurman ook naar buiten en die was niet echt vrolijk…” Ik pakte mijn inmiddels wat afgekoelde pijp en mijn tabak, want dit verhaal kon nog even gaan duren, vreesde ik. “Krijgen die twee me toch een bonje!” Hij schudde zijn hoofd, “En allemaal goed hoorbaar. Ze schreeuwden fluisterend, ken je dat? Kortom: Ik voelde me een indringer in hun prive-zaken, die zo te horen niet anders waren dan de privézaken van vrijwel ieder getrouwd stel, maar toch…”  Ik zag er de humor wel van in. “Maar waarom ben je dan niet gewoon naar binnen gegaan?” was mijn logische vraag. “Dat durfde ik niet meer.” Ik keek verbaasd. “Ik vond het zielig en gênant, dat ik het allemaal had gehoord. Misschien schaamde ik me, omdat ik, ongewild deelgenoot was geworden…” Hij keek ongelukkig. “Rond een uur of drie, toen zij eindelijk ging plassen, heb ik me op mijn knieën laten zakken, heel zachtjes de balkondeur open gedaan en ben heel zachtjes naar binnen gekropen, hopend, dat ze me niet zouden zien.” Ik kon wel lachen om dit beeld. “En toen stond ik opeens oog in knie met Riek. Die was wakker geworden en vroeg zich af waar ik bleef. “ Ik lachte, maar ome Arie keek niet blij. “Lach maar”, zei hii, “Ja, lach maar!” Hij zuchtte. “Dus ik kijk omhoog en zij kijkt op me neer en is laaiend. Ik probeer nog te wijzen op de buren, maar daar was ze dus tè boos voor: ‘Ben je nou zó bezopen, dat je van het balkon komt gekrópen?!” schreeuwde ze, niet bepaald fluisterend. ‘Ik heb maar twee whisky-tjes op!’ probeerde ik nog, maar mezelf verdedigen was volkomen zinloos, want de dijk was al doorgebroken” Hij keek nu echt sip, ik kreeg een beetje medelijden met hem: “Maar heb je haar de situatie een beetje kunnen uitleggen?”  Hij zuchtte: “Vanmorgen pas, want ze was vannacht voor geen rede vatbaar. Ik kreeg een kussen en een slaapzak naar mijn kop gegooid en moest op de bank slapen. Toen ik daar lag, kon ik door de vanwege de hitte openstaande balkondeur meegenieten met de goedmaaksex van het ruzie-stel. Ik heb geen oog dichtgedaan!” Ik lachte, maar kreeg ook medelijden met hem en stelde een kop koffie in de kroeg voor. “Of wil je liever een whisky?”, grapte ik nog. Gelukkig kon hij daar weer om lachen.

Fiets

Het was heet, erg heet. De ijsjes dropen de ijssalon uit en ome Arie was druk doende met een flesje water en een zakdoek. De natgemaakte lap legde hij op zijn grijs gekrulde kop en daarna zette hij gewoon zijn pet daar weer op. Ik zette mijn scooter neer en ging op de bank zitten. Er liep een waterdruppel langs ome Arie’s slaap omlaag. Het viel me op, dat hij een zonnebril op had.  Er voer een erg gestroomlijnd jacht de haven in. Hoog boven het water stond de kapitein, met te veel borsthaar en te weinig hoofdhaar, welk laatste hij trachtte te verdoezelen met een erg foute witte pet. Hij stond met een telefoontje in zijn handen aanwijzingen te blaffen naar twee veel te bruine en veel te blonde dames beneden hem. “Krijg nou wat”, zei ik, “hij bestuurt dat lelijke geval met zijn telefoontje!” De witte pet toetste op zijn mobiel en er kolkte wat: de boegschroef. Ome Arie was even opgestaan om het goed te kunnen bekijken. Toen viel me op dat zijn zonnebril een duidelijk blauw oog verborg. Ik besloot er over te zwijgen. “Wel handig; een app om je boot op afstand te besturen”, zei onze zonnebril, “dan kun je je boot op vakantie sturen en zelf lekker thuisblijven.” Ik schoot in de lach. “Je houdt niet zo van vakanties, ome Arie?” vroeg ik, maar kon het antwoord raden. “Mijn ideale vakantie is op het terras van Barona* met een koel biertje en een balletje gehakt.” Hij was weer gaan zitten en stopte zijn pijp. De lichtblondmatrozen hadden inmiddels het stuk moderne kunst aan de steiger vastgebonden en verdwenen onderdeks. Ook de App-tein was afgedaald. 

“Ik heb een nieuwe fiets”, wees ome Arie naar een blinkende tweewieler. “Zo, ome Arie, je hebt hem flink uit de broek laten hangen!”, deed ik enthousiast. “Elektrisch”, glunderde hij. “Riek heeft er ook zo één.” Hij legde zijn hand liefdevol op het zadel. “Da’s ook vakantie: samen een stukkie fietsen en dan onderweg een potje bier op een terras.” Hij ging weer zitten. “Gisteren hebben we een stuk gefietst om ze uit te proberen. Bij een kroegie in de polder zijn we gestopt. Ze waren daar helemaal op elektrische fietsen berekend: speciaal stopcontacten bij het fietsenrek!” Ik knikte: “Er worden haast geen gewone fietsen meer verkocht.” De pijp van ome Arie was uitgegaan. Hij stak hem weer aan. “Zit ik net met een koele klets voor mijn neus komt er zo’n bloody-hoera typje met zo’n grijze haarbandjuf in zijn kielzog. Ze zetten hun elektrische fietsen neer, pakken hun oplaadsnoer en halen onze stekkers gewoon uit het speciale stopcontact!” Hij kon er nog boos om worden. “Dus ik wacht even tot ze zitten en hun koffie met appelgebak zitten weg te werken, sta op en haal op mijn dooie gemak hun stekkers er uit en stop de onze er weer in…” Hij haalde even diep adem. “Roept dat haarbandje: “wilt u die stekkers er niet uithalen? Wij hebben speciaal een tafel met oplaadfaciliteiten gereserveerd!” Er kwamen nu boze wolkjes uit zijn pijp. en stoom uit zijn oren, “Oplaadfaciliteiten”, spuugde ome Arie het woord zowat uit. “Een tafel reserveren met oplaadfaciliteiten!” Ik durfde niet te lachen. “Ik trok me er dus niks van aan en ging weer bij Riek aan het tafeltje zitten.” “Laat me raden: toen stond die man weer op om hun stekkers er in te doen?” Ome Arie keek opzij, “Hoe raad je het zo.” Ik keek vragend om de rest. “Na wat heen en weer geloop zag ik in dat dit zinloos ging worden en ben toen maar naar het toilet gegaan.” Er kwam een grijnsje, “In het voorbijlopen gooide ik toen per ongeluk haar koffie om, alles over haar smetteloos witte fietsbroekje. Ze gilde als een speenvarken, omdat het volgens haar erg heet was. Toen ik zei, dat ze zich niet moest aanstellen, daar de koffie nooit zo heet wordt omgegooid als hij wordt opgediend, werd haar humorloze Bokito pissig.” Hij tilde zijn zonnebril even op om zijn oorlogsverwonding te tonen. “Het stel moest toen van de uitbater vertrekken en wij kregen gratis koffie…” Ik kon mijn lachen moeilijk inhouden. “En ik heb onze stekkers er gelijk weer ingedaan. Niet dat dat nodig was, want de accu’s waren nog bijna vol!” Nu lachte ik wel hardop. 

*de Heeren van Beijerland wordt door veel ouderen nog steeds ‘Barona’ genoemd.

Bosvruchtenijs

Tot mijn ongenoegen werd ‘ons’ bankje bij de haven bezet door een stel van middelbare leeftijd, dat behoorlijk klef zat te doen. Ze zaten aan elkaars ijsje te likken, waarbij een substantiële klodder van háár bosvruchtenijs op zíjn shirt duidelijke sporen achterliet. Ik zag het petje van ome Arie parmantig boven de kade uitsteken en voegde me bij hem. Hij stond met een glimlach en zijn linkerhand in zijn zak (hij is qua pijp rechtshandig) op een steiger te kijken bij een paar jochies die met kleine werphengeltjes op een steiger stonden te vissen. Hij was goedgemutst en zei met een grijns op zijn verweerde kop: “Ik denk niet dat er veel vis hier zit, jongens!” De gastjes keken ietwat verstoord op. Ome Arie ging pseudoserieus verder: “Die zijn wél allemaal weer naar school!” Het bleef even stil, toen lachten de loze vissertjes uit beleefdheid. Ze vonden de aandacht van de oude baas toch wel leuk en gingen zich een beetje uitsloven. “Kijk eens hoe ver ik kan gooien!”, riepen ze om het hardst en wierpen uit volle macht hun aas de haven in. Er volgde één plons. En een sissend geluid. Het haakje van de verliezende werper was blijven haken. In de naast het onfortuinlijke jochie liggende rubberboot. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. “Volgens mij heeft die ene toch wat aan de haak geslagen…”, zei ik, “Daar ben ik ook bang voor!” antwoordde ome Arie. Toen we weer naar het zinkende schip keken waren de jongetjes vertrokken. “Wat nu?”, zei ome Arie. “De havenmeester bellen!”, opperde ik. Ome Arie keek wanhopig. “Toevallig ken ik hem goed”, zei ik, wat voor een lichte afname van de druk zorgde. Ik zette de speaker van mijn telefoon aan. “Havenmeester”, klonk het met een rustgevende, mij bekende stem, “waar kan ik u mee helpen?” Vóór ik iets kon zeggen riep ome Arie: “d’er is een boot aan het zinken!” “Oei”, klonk het aan de andere kant, “Dat is niet best. Ik kom er zo aan! Loopt’ie snel vol?” “Vol!?”, riep Arie verontwaardigd, “Hij loopt leeg!” “Maar wat is dan het probleem?”, vroeg onze havenmeester verbaasd. Ik besloot het gesprek even over te nemen om deze communicatiestoornis op te heffen. Er werd nu beter begrepen en de havenautoriteit was snel ter plaatse. Gelukkig ging het kleffe stel weer weg en konden we vanaf het bankje zittend toekijken hoe de slimme havenmeester het gaatje provisorisch dichtte met een fietsbandenplakkertje. Ome Arie kwam tot rust en zei, met zijn pijp in de richting van de vertrokken Romeo en Julia wijzend. “Het is voor hem te hopen, dat hij van bosvruchtenijs houdt!” Ik was stomverbaasd, dat hij de vlek ook gezien had, maar begreep zijn opmerking niet. Hij legde uit: “Het was duidelijk geen echtpaar”. Ik was hem helemaal kwijt. “Want dan had ze razend boos op hem geweest. U bent toch ook getrouwd, meneer Ype?” Ik knikte beamend. “En ik hoorde haar niet schelden!” maakte ome Arie zijn redenering af, en trok aan zijn pijp. Ik begon hem te begrijpen. De onfortuinlijke echte echtgenote zou bij thuiskomst die vlek niet met open armen ontvangen. En als hij niet van bosvruchtenijs hield moest hij toch iets uitleggen. “Slim, ome Sherlock”, zei ik, “heel slim!” Ome Arie trok met een big smile aan zijn pijp. “Bovendien had zij geen trouwring om en hij wel!” Ik moest lachen om zijn opmerkzaamheid. “Je blijft me verbazen, ome Arie!” En stak opnieuw de brand in mijn pijp.

Ouderling

Het klokgelui in de verte zweeg al enige tijd toen ome Arie en ik, ons op ons bankje koesterend in een zondagmorgen-zonnetje, uit een openstaand raam iemand met een ietwat krakende, maar wel zeer hoorbare vrouwenstem psalmen hoorden galmen. We keken allebei zoekend rond welk raam schuldig was aan deze inbreuk op onze zondagsrust. Zonder resultaat. “psalm 42”, wist ome Arie en gaf zijn zoekpoging op, “Waarschijnlijk een enthousiaste luisteraar van de plaatselijke kerkradio.” Die conclusie had ik zelf ook al getrokken.  “Het hijgend hèéért, de ja-acht ontkohóomen!” klonk het op de achtergrond. “Ben jij eigenlijk gelovig, ome Arie?” vroeg ik, me bewust van het risico van een antwoord. Ome Arie rookte even rustig zijn pijp. “Toen ik de boerderij van mijn vader overnam was het, op zijn zachtst gezegd, geen bloeiend bedrijf. Die ouwe had zich bij de ruilverkaveling flink laten beetnemen. Waar twee ruilen, moet er één huilen. Wij noemden het altijd de ‘huilverkaveling’.” Hij trok venijnig aan zijn pijp. Nog steeds boos. “Één van de ouderlingen van de kerk was de lachende partij.” Hij zweeg even, blies wat boze wolkjes weg en werd weer rustig. “Bovendien kregen we te maken met allerlei overheidsmaatregelen. Kortom; we hadden het niet gemakkelijk.”  Het gezang was gestopt, het volume van de radio tot een maximum opgeschroefd en hel en verdoemenis daalden over de haven neer. We lieten het even gaan, rookten onze pijp en voelden ons niet aangesproken. Tot opeens het geluid afnam; iemand had waarschijnlijk het raam dicht gedaan. Het was een beetje gaan waaien en oude mensen hebben gelukkig een gruwelijke hekel aan tocht. Opgelucht trokken wij simultaan aan onze pijp. Ome Arie probeerde een o-tje te blazen, wat door de wind onmogelijk bleek. “Op een dag kwam die ouderling langs bij de boerderij. Zomaar, onaangekondigd, op huisbezoek. Ik was op het land naast de boerderij aan het werk, maar had hem niet aan zien komen. Mijn Riek was alleen thuis.” Er kwam een wolkje voor de zon, we keken allebei omhoog. “Hij vroeg waarom er nog geen kinderen waren. Hondsbrutaal.” Ik knikte instemmend, inderdaad, hondsbrutaal. “Maar Riek bleef beleefd en legde uit, dat kinderen nog even moesten wachten op betere tijden. Toen begon die zwartjas, dat geboortebeperking zondig was en hij wellicht kon helpen.” Ik zei even niets. “Wat er verder gebeurd is, heeft mijn lieve echtgenote me nooit willen vertellen, maar ik zag vanaf mijn trekker ineens een vent het erf af rennen, achterna gezeten door mijn lief, gewapend met een hooivork.” “Een riek”, zei ik lachend. “Inderdaad; een riek. Daarom noem ik haar sindsdien zo. Riek. Een geuzennaam! Eigenlijk heet ze Truus!” Ik zag het vóór me en lachte. “En sindsdien hebben we ook geen kerk meer nodig…”