Avondvierdaagse

Het is weer de tijd van de avondvierdaagse. Slierten schoolkinderen snoepen zich een weg door ons dorp op weg naar een medaille. Af en toe loopt er een volwassene bij met van die stevige stappers, die dan even buiten het dorp afbuigt de polder in om de 10 km. te lopen. Ook zie je vrijwilligers, die rolstoelen duwen. Geweldig! Die mensen verdienen gouden medailles! Laatst was er één, die buiten het dorp afboog de polder in, want 5 km. is voor watjes, had die demente in de rolstoel gezegd… (De vrijwilliger was bij het eindpunt gesloopt, terwijl iedereen bewondering had voor die slavendrijver onder die plaid…)

Vroeger heb ik ook eens meegelopen met de schoolkinderen als snoepdistributeur en oppas. Dat heeft geduurd tot ik op een hele gezellige vierdaagse-avond mijn eigen kind was kwijtgeraakt. Terwijl ik met de buurman kletste over koetjes en kalfjes en vooral wat je van deze dieren het beste kon gebruiken op de barbecue, was Maartje, toen de stoet vlakbij ons huis was, uit de rij gestapt en vrolijk fluitend huiswaarts gekeerd. Ze was toch vlakbij, het snoep vrijwel op en dit was veel gemakkelijker dan eerst dat rot eind naar het dorp te lopen en daarna weer terug. Gewoon een kwestie van logisch nadenken. Ik liep inmiddels dus erg onlogisch verder en miste haar pas bij de finish. Iedereen in rep en roer, want er was een meisje zoek. Uiteindelijk kwam er een buurvrouw op de fiets melden, dat Maartje al thuis was. (Toen waren er nog geen mobieltjes!) Elly was razend en sindsdien mocht ik nooit meer mee met de avondvierdaagse. Ieder nadeel heb zijn voordeel…..

IJsje

Wanneer de juffrouw op mijn kleuterschool aan me vroeg wat ik later wilde worden was mijn antwoord in de winter ‘Brandweerman’, want dan zou je het nooit koud hebben, en ’s zomers ‘IJscoman’. Dat laatste leek me geweldig, want ik was gek op ijs en blije gezichten. Luid bellend door de straten fietsen en ijsjes scheppen voor blije kinderen, dat moest toch heerlijk zijn. Of in een ijssalon al die bakken heerlijks voor je zonder ruitjes ertussen. Een droom. 
Ik droomde terwijl ik in de rij stond te wachten op een hoorntje met een nog onbekende keuze. Vóór me stond een hele lange vader met een heel klein meisje naast zich en een buggy met nog iets kleins achter zich. Zijn vrouw had zich buiten het gedrang op een stoel gedrapeerd, nummer drie in aanbouw liefdevol ondersteunend. Pa had het niet gemakkelijk met dochterlief. “Welke smaak wil je?” Het meisje drukte verlegen een vingertje op het raam. “Smurfenijs?” De ijscovrouw schepte wat blauwe smurrie op een ijshoorntje. “Nee, niet die, chocolade, daarachter!” het meisje klonk al jankerig. Zuchtend probeerde de verkoopster het hoorntje ijsvrij te krijgen om het vervolgens te kunnen vullen met de gewenste bruine smurrie. “Of toch smurfenijs?” Het leven is vol lastige keuzes. De vader zocht een redelijk alternatief: “Kan ik een half bolletje smurfenijs en een half bolletje chocolade-ijs krijgen?” vroeg hij, wanhopig. De ijscovrouw had geen zin in een oeverloze discussie dus friemelde ze halve bolletjes op het hoorntje, zonder vast te drukken. 
De ijsdame schepte nog twee ijsjes voor de ouders en rekende af. Het blauw-bruine ijs van dochterlief begon al behoorlijk te smelten. De lange vader zag er wat lullig uit, toen hij de blauwe druppel probeerde te onderscheppen, die dreigde een vlek op zijn hawaï-hemd te maken. Maar dat ging mis. Het ijs was niet goed op het hoorntje gedrukt en lag dus los. Een beetje ervaren ijsvader weet dat je dan moet uitkijken met omhooglikken. Beter is het eerst omlaag te likken, zodat je met je tong het ijs een beetje vaster in het hoorntje drukt. Dat had hij niet gedaan, dus bij het omhoog likken viel al het ijs van het hoorntje. Via het hawaï-hemd zo bovenop het voorhoofd van de boos omhoog kijkende kleuter. Even bleef het stil. Heel even. Toen ging de sirene af. Het kind schreeuwde de hele zaak bij elkaar. De pa stond verbouwereerd naar het lege hoorntje te kijken, en moeder hees zich overeind om te gaan redderen. Ik meende de ijscovrouw even te zien grijnzen, alsof ze bewust het ijs niet op het hoorntje had vastgedrukt. Achterin de winkel stond een bezem met letters erop: PH- en nog iets. Zoals op vliegtuigen…

Kassel

Wanneer we vroeger in het Simcaatje 1000 van mijn ouders achter een enorme Mercedes reden, bromde mijn vader steevast: “Vast een pooier of een tandarts.” En wanneer mijn moeder er niet bij was: “Het vullen van gaten is lucratiever dan het overbrengen van kennis.” Mijn vader was leraar. Vervolgens reed hij uiterst tevreden over zijn witte koekblik verder. Mijn ouders kregen pas laat een auto. Mijn vader placht altijd op zijn fiets naar zijn werk te gaan, maar toen hij een keer last kreeg van ‘ischias’ werd er, met behulp van de schier onuitputtelijke geldmiddelen van Omaatje Amsterdam (Mijn vaders’ moeder) een Simcaatje 1000 aangeschaft. Met het motortje achterin en blauwe kunststof bekleding. Mijn moeder had vlak voor de aanschaf haar rijbewijs gehaald en moest haar ‘skills’ bijhouden. Mijn vader had al langer zijn rijbewijs, nog uit de tijd, dat twee rondjes rond de kerk volstond om dat diploma te ontvangen. Hij was zich dat bewust en zat het liefste naast mijn moeder gezellig commentaar te leveren, zoals op pooiers en tandartsen. Later kwam er ook nog een caravan. Aan de achterzijde van het koekblik werd een imposante trekhaak gemonteerd. Volgens mij durfde er vanwege dat enorme geval daarna niemand meer bumper te kleven. De caravan was een Wolf. In mijn herinnering was dat ding niet langer dan 3.30m maar dat kan een paar centimeter schelen. Geen toiletruimte of zoiets. Alleen een keukenblokje, een dubbel bed en een enkel bedje. Boven de tafel hing een gaslamp, voor de keren, dat er geen elektriciteit op een camping voorhanden was. Het geheel woog niet al te veel, maar het Simcaatje was ook geen echte Goliath. Het was dan ook zweten, toen mijn moeder eens een verkeerde afslag nam en met de hele combinatie de klim richting Kassel (Noord-Frankrijk) besloot te nemen. De enige berg in de hele omgeving en ma ging er dwars overheen. Want omrijden was zonde. Pa en ik zaten te zweten als otters en mijn moeder moest later wel toegeven, dat het wellicht handiger was geweest om om de berg heen te rijden. Ik heb nog ergens een foto, dat mijn vader, eenmaal thuis, vóór het Simcaatje stond en zijn hoed afnam voor het koekblik voor de geleverde prestaties.

saluut

Net op tijd schakelden we naar de dodenherdenking op de Dam. Na de stilte kwamen de kransen. Een stokoude veteraan in een rolstoel bracht met zijn laatste krachten zijn rechterhand naar zijn baret. Hij salueerde. Hij salueerde tegen de haat, want haat is het Kwaad. 
Haat tegen Joden,
Haat tegen zigeuners
Haat tegen homo’s
Haat tegen moslims
Haat tegen een andere kleur huid
Haat door mannen met kleine snorretjes of lange baarden
Haat door welbespraakte politici of domme Facebookers
Ik heb nooit in het leger gezeten, maar ik hoop op mijn honderdste, vanuit mijn rolstoel, nog steeds te kunnen salueren tegen de haat,
net als die nietige, gebogen, maar nooit gebroken oude man op 4 mei voor dat immense monument op de Dam.

Gedicht

Het is alweer een tijdje geleden, dat ik mijn vorige stukje met mijn trouwe lezers deelde. Excuus hiervoor. Het kwam deels door luiheid, maar deels ook doordat ik bezig was met het schrijven van een stukje voor de verhalenwedstrijd van het Bram Roza festival (Een cultureel festival in Nieuw-Beijerland, jaarlijks georganiseerd op een prachtige plek bij de molen.) Ik heb ooit eerder meegedaan aan een wedstrijd, maar dat betrof poëzie. En poëzie is niet echt mijn grote talent. Ik ben daar mogelijk niet serieus genoeg voor. Maar waarom zou een gedicht niet grappig mogen zijn? Het gedicht moest gaan over ‘zomer in de Hoeksche waard’, en werd mogelijk geacht vol te staan met wuivende rietkragen en goudgele tarwe-akkers. Maar daar deed Swart natuurlijk niet aan mee: ‘windkracht 0-1 Beaufort, de zeilen hangen slap aan de wieken, de molenaar kijkt stuurs voor zich uit, laat een flinke wind en geeft het goede voorbeeld…’ Ik schreef het ook nog keurig onder elkaar op, zodat het echt op een gedicht leek. Ik vond het wel aardig, maar de jury vond dat dus niet. Bij de prijsuitreiking aan iemand, die de wuivende rietkragen en gouden akkers uitgebreid had beschreven, sprak ik met een Bram-Roza-festival-Bobo met de prachtige naam Eelse Bies over mijn gedicht, maar deze keek dwars door me heen naar een andere cultfiguur, die natuurlijk veel interessanter was. Het zij zo. Sindsdien is het laatste wat ik gedicht heb de dakgoot, omdat ik daar met mijn decoupeerzaag per ongeluk een gat in gezaagd had.

Damestoernooi

Vanmorgen ging ik bij mijn geliefde voetbalvereniging ‘Zinkwegse Boys’ een bakkie koffie drinken. Er was een toernooi van de dames en het was er gezellig als altijd. Otman en Gertjan stonden te genieten van het uitzicht vanachter hun bakplaat, waarop de uitjes en de hamburgers een heerlijke geur verspreidden. Er was een verloting, en achter de bar stond Ton in zijn korte broek, want het weer werkte geweldig mee. De Zinkwegse Boys, zoals ik de Zinkwegse Boys het liefste zie; gemoedelijk en met een groot relativerend vermogen. Toch was er een wanklank. De dames van NSVV hadden een paar dagen geleden afgezegd, waarmee ze alle deelnemende ploegen dupeerden, want een vervangend team is op zo’n korte termijn niet te vinden. Ze hadden zich als een van de eerste ploegen opgegeven bij onze organiserende vrijwilligers, nu twee maanden geleden, maar hadden nu boos opgezegd. ‘Boos?’ zult u zich afvragen. Ja, boos. Ze hadden onze dames vorige week uitgenodigd voor een toernooi in Numansdorp, maar onze dames hadden al verplichtingen elders. “Als jullie niet bij ons komen, komen wij ook niet bij jullie”, had de afbeller gezegd. Het was onze organisator niet bekend, dat er voor het verschijnen van de NSVV-dames voorwaarden gesteld waren. En het stellen van voorwaarden in deze lijkt ook een tikkie vreemd, zelfs arrogant. Ik moest wel even denken aan het grote artikel in het AD van zaterdag jl, waarin de voorzitter van NSVV aandrong op het instellen van een zwarte lijst voor voetballers, die om onduidelijke redenen hun ploeg op de wedstrijddag lieten zitten. Ik neem aan, dat deze damesploeg per direct op deze lijst komt.
Trouwens, dames van NSVV, jullie hebben wel een heerlijke dag gemist. Terwijl jullie verveeld de tweede paasdag doorbrachten bij Ikea of een tuincentrum met een chagrijnige vent, hadden wij de grootste lol!

ANBO

Een uitwedstrijd van de Zinkwegse Boys begint qua supporters steeds meer op een uitstapje van de ANBO te lijken. De Algemene Nederlandse Bond voor Ouderen. Alleen de bus met Geer en Goor ontbreken. 
Het is wel altijd een heel gezellig samenzijn. De meeste oudgedienden zijn al ver vóór aanvang van de wedstrijd aanwezig. Dan worden de zieken en dooien doorgenomen. Voor de laatste categorie is vrijdagavond ‘Het Kompas’ nauwgezet bestudeerd. Voor de eerste is nieuwsgaring wat lastiger. 
Bij de wedstrijd van gisteren, ergens in Spijkenisse, ging het niet anders. Ik luister doorgaans maar half, omdat veel namen me zelfs na al die jaren nog weinig zeiden. Ook al verzekerde de verteller me, dat ik zo’n figuur wel moest kennen: “Je weet wel, van Nel en Piet…” Ik knikte dan maar begrijpend, mezelf afvragend, of ik al begon te dementeren. 
“….ze moet nu zelfs naar Dijkzigt..” vertelde inmiddels iemand, met veel ontzag in zijn stem. ‘Dijkzigt’ is bij veel ouderen nog steeds de naam voor het Erasmus Medisch Centrum en opname daarin staat garant voor veel ziekte-ontzag. Iemand die daarheen moet, moet wel erg ingewikkeld ziek zijn. Meestal wordt er dan nog fluisterend aan toegevoegd, dat er in ‘Dijkzigt’ een erg gespecialiseerde Professor de gelukkige gaat helpen. 
De koffie was op. De klaaglijst afgewerkt. De wedstrijd kon beginnen. Eerst deden alle oude heertjes nog een plas, waarbij de beschikbaarheid van slechts één zitplé voor een wachtrij zorgde. 
En daarna schuifelde het veelal slecht ter been zijnde gezelschap richting veld. Aad Vink had zijn scootmobiel niet mee kunnen nemen. Bovendien was het ding te laag; hij had dan niet over de reclameborden kunnen kijken… Voorzitter Stephen Steijger ging voor erelid Tineke een stoel halen, omdat deze niet zo lang kon staan. Samen met mijn Elly hompelde ik gezellig mee. De wedstrijd verliep matig rampzalig. Matig tot de rust; toen was het 1-1, rampzalig daarna; er werd met 4-1 verloren. Tineke zat links naast/onder ons en praatte honderduit. Elly kletste gezellig mee en ik probeerde de wedstrijd te volgen. Een paar meter verderop stond een supporter van de thuisploeg. Ook een oudere man. Hij was erg aanwezig en riep van alles: “Scheids, dat is toch een gele kaart!!!” riep hij, zijn hand omhooghoudend, als was hij zelf arbiter, die een kaart omhoog hield. “Ik heb toch zo’n hekel aan onsportievelingen, die om gele kaarten vragen”, zei Tineke, goed hoorbaar. De man keek boos onze kant op. Ik keek bezorgd zijn kant op. En zocht vervolgens de rij Zinkweggers af, of ik Tineke’s lijfwacht Daan ergens zag staan. Maar zag hem nergens. Die stond vast nog in de rij met prostaatlijders voor het privaat. Ik besloot net te doen of ik er niet bij hoorde. 
“Zullen we maar een biertje gaan halen?” vroeg ik mijn lief een kwartier voor het eindsignaal, bij een hopeloze 4-1 achterstand. Het zonnetje was weg en het begon knap koud te worden en de zijlijn-scheids liep ook richting kantine, alwaar hij door een schattig kleinkind-meisje in de armen gevlogen werd. Tineke bleef als trouwe supporter nog even zitten. Tot het ging sneeuwen.

Uurfout

k was vanmorgen een uur te vroeg wakker. Niks in de gaten, gewoon de wekker uitgedaan, met mijn suffe kop opgestaan en op de plé mijn puzzeltje opgelost. (De krant is bij ons altijd erg vroeg) Het viel me wel op, dat het buiten nog zo donker was. Maar dat kwam natuurlijk door die verrekte zomertijd. Daarna lekker gedoucht, en pas toen ik op het randje van mijn bed met mijn rechter sok in de aanslag zat, zag ik, dat het niet later dan 06.27 uur was. Gewoon een uur te vroeg. Normaal sta ik pas om 06.27 uur op. Nu was ik al bijna klaar met mijn uur-durende ochtendrituelen. Teruggaan in bed was geen optie, dus ging ik toch maar gewoon verder met de dagelijkse opstartprocedure. Brood pakken, schoenen aan en heel zachtjes mijn lief gedag kussen, die ook iets minder dan normaal gromde, dat ik haar met rust moest laten. En dan zul je altijd zien, dat ik ook geen autoruiten hoefde te schrappen, er geen landbouwtrekker of vuilniswagen voor me uit traagde over de Oud-Beijerlandse Langeweg en ik in recordtijd in het halletje van de praktijk de code van het alarm stond in te toetsen. En nu zit ik duf en verveeld aan mijn koffie. Zelfs die schijnt niet te helpen tegen deze uurfout. Bah.

Paaseitjes

Het kunstwerkje aan de muur van de oefenzaal van het verpleeghuis was de ultieme uiting van het sadisme van een therapeutische brilslang. Het was de figuur van een molen, gemaakt van ragfijne zilverpapiertjes, die met uiterste preciezie van chocolade-paas-eitjes waren gepulkt. Zonder ze te beschadigen. En nu komt het: het was gemaakt door patiënten van het Parkinsoncafe. Ik kon me er even geen voorstelling van maken. Mensen, die moeite hebben om een paaseitje uberhaupt gewoon vast te houden de opdracht geven er het flinterdunne zilverpapiertje af te halen, zonder het te beschadigen. Hoe vals kan een mens zijn? In onze praktijk in Rotterdam stond een grote schaal met van die kleine kut-eitjes. Het kost mij normaliter al moeite om die papiertjes er überhaupt af te krijgen, laat staan in één stuk. En toch zou het me lukken om het voor elkaar te krijgen. Als Parkinsonpatienten het met hun trillende en bevende handen voor mekaar kregen, moest het mij zeker lukken… Poging twaalf kwam in de buurt, maar had toch een klein scheurtje in de hoek. Bij poging twee-en-dertig begon ik toch al een tikkie misselijk van al die chocolade te worden, want weggooien doe je die eitjes natuurlijk ook niet.  Toen ik bij eitje drie-en-veertig ook nog op een achtergebleven schilfertje zilverpapier beet en mijn vulling het daar uitermate mee oneens was, ben ik ermee gestopt. Ik hoef geen molen van zilverpapier aan mijn muur.

Welke stapelgekke, zwaar sadistische gekkin heeft dit bedacht? Het moet wel haast een vrouw geweest zijn. Cruella, met een jas van Dalmatierpuppy-bont. En eronder een jurk van paas-eitjes zilverpapier…

Krediet

Hij is al veertig en een vaste waarde in het eerste. Op de bank. Al heel wat jaren traint hij trouw twee keer per week met de eerste keeper, die mogelijk alleen de eerste keeper is, omdat’ie gewoon wat langer is. Zo’n tien centimeter zeker, en voor een keeper is dat een groot voordeel. Verder is er weinig verschil; ze zijn ongeveer even goed in het keepen. Maar iedere zaterdag zit onze kleinere goalie weer in de dug-out, ook wel het mok-hok genoemd. Met naast hem gepasseerde spelers, die zitten te mokken. Omdat ze zichzelf toch veel beter vinden dan de voetballers, die wel ‘in de basis staan’. Hij mokt niet. Natuurlijk wil hij graag spelen en zegt daar ook wel eens iets over tegen de trainer of diens assistent. Maar hij stapt niet boos op of dreigt daarmee, zoals anderen soms doen. Hij traint gewoon twee keer per week fanatiek met die andere keeper en zorgt ervoor, dat die zelfs steeds beter wordt. Die eerste keeper was een paar jaar geleden zelfs zo goed, dat een veel hoger geklasseerde club hem graag wilde hebben. Onze stand-in kreeg toen zijn kans in het eerste. En deed dat voortreffelijk. De overloper zat vervolgens bij die mooie club een jaar lang op de bank. Toen die lange daarna, ietwat teleurgesteld, terugkwam, begreep hij in ieder geval, wat zijn korte trainingsmaat voor de club over had. En het respect groeide. Inmiddels is de oude situatie in ere hersteld. Zonder mokken zit die ouwe weer op de bank. Want die lange is nou eenmaal een stuk langer…