Brommobiel

Het was hem niet meegevallen. Met de brommobiel vanuit Spijkenisse naar de Zinkwegse boys. En dan was de wachttijd bij het pontje tussen Hekelingen en Nieuw-Beijerland nog meegevallen. Maar uiteindelijk was hij toch bij onze club gearriveerd, onze scheidsrechter van dinsdagavond jongstleden. De jongens van het eerste, die hem van de dijk naar beneden zagen tuffen keken wel wat verbaasd, want doorgaans komen scheidsrechters niet per brommobiel. Hij parkeerde zijn bolide niet op de invalidenparkeerplaats, want dat had voor nog meer verbazing gezorgd. De fluitenist bleek een zeer ervaren kracht van 70 jaar. 
De wedstrijd tegen Rijnmond/Hoogvliet sport begon wat later, daar de verlichting van het veld net zo slecht startte als de brommobiel van de scheids na 3 jaar achterstallig onderhoud. De partij, die redelijk gemoedelijk verliep, was in het kader van de een of andere vage cup, waar geen van beide ploegen op zat te wachten, en pas op maandag aangekondigd. Wellicht was onze leidsman ergens opgediept uit een stoffige kaartenbak, want de leiding van onze Pierluigi Collina was niet bepaald van wereldniveau.
Toen het ver in de tweede helft 2-2 werd, keek onze man in het zwart benauwd op zijn horloge. Hij had geen rekening gehouden met de mogelijkheid op een verlenging en het laatste pontje ging om 23.00 uur. Met het brommobieltje omrijden door de Heinenoordtunnel zou hem zeker 3 uur gaan kosten! Er zat maar één ding op: Nog vager gaan fluiten en bij de eerste de beste schermutseling of protest de wedstrijd staken. Zo gezegd, zo gedaan. Zodra hij zijn kans schoon zag blies hij driemaal venijnig op zijn fluit en haastte zich richting brommobiel. Het laatste, wat we van hem zagen was een verhitte kop achter de beslagen ruitjes van een zich moeizaam de oprit van dijk omhoog zwoegend brommobieltje.
Het is niet duidelijk wat hij op het wedstrijdformulier heeft ingevuld als reden, waarom hij de wedstrijd staakte en of hij de pont nog heeft gehaald.

Appartement

Het duo Schnabbel en Babbel speelde ouderwetse jazz op de contrabas en de gitaar. En zong er ook nog bij, gekleed in een keurige smoking. Toen we binnenkwamen in een oude fabriekshal, waar allemaal plattegronden en afbeeldingen van het te bouwen ‘project’ hingen, had het net met vol enthousiasme ‘O, when the saints’ ingezet en stampte de maat met keurig gepoetste lakschoentjes.  Niemand luisterde.
We waren afgekomen op de ‘open dag’ van een appartementencomplex, door mij vaak ‘flatgebouw voor rijken’ geschamperd, dat moest worden ‘gerealiseerd’ (wat ik gewoon ‘gebouwd’ noem) op de plek van de voormalige fabriek. 
En die ‘rijken’ waren er. Zwarte kousen met knotjes schuifelden gedwee mee achter zwarte pakken en ‘the scene’ van de plaatselijke tennisclub was ook ruim vertegenwoordigd. Net als wij afgekomen op de gratis koffie met gebak. Ik spotte zelfs een voormalige voorzitter van de ‘tánnis’ die was gepromoveerd tot voorzitter van de golfclub. “Die zal wel voorzitter van de Vereniging van Eigenaren worden”, fluisterde ik tegen mijn lief. Hij was al met zijn lobby bij de project-ontwikkelaar begonnen. 
En daar stonden wij, als een soort heer en mevrouw de Bok. Er liepen ook wat makelaars los rond, te herkennen aan puntschoenen, naambordjes en haviksogen. Ze zochten prooi. De voorzitter was direct gespot, want die kwam vast voor het penthouse van 1,2 miljoen. Wij werden stelselmatig niet gezien. Wellicht had dat ook iets te maken met het feit, dat Elly heel belangstellend stond te kijken bij één van de weinige voor ons betaalbare stukken onroerend goed en uitleg vroeg aan een voorbijlopende nette domoor met naamkaartje. “Ik begrijp deze tekening niet helemaal, waar zit de badkamer?” De knul keek minzaam op haar neer en zei: “De garageboxen zijn helaas allemaal verkocht, mevrouw!”, en beende richting een zeer waarschijnlijk vermogender kandidaatkoper. Ik probeerde niet te lachen. 
Buiten stond een slungelig jongmens bij een grappige Piaggo-driewieler ijsjes uit te delen. Ik vroeg een bolletje yoghurt-kersen ijs. Hij waarschuwde: “U weet, dat dit ijs van yoghurt is gemaakt?” “Dat lijkt me logisch”, antwoordde ik verbaasd, “Hoezo?” De knul zei, nu heel zachtjes, al om zich heen kijkend, of iemand hem kon horen: “Ik kreeg klachten, dat het teveel naar yoghurt smaakte.”
Typerend. Klagen over gratis ijsjes. Ik wil gewoon niet tussen dergelijke droeftoeters wonen. Zelfs al zou ik het kunnen betalen…

Rijbewijs

Morgen zijn er verkiezingen. Mijn wederhelft twijfelt erover of ze haar burgerplicht zal gaan vervullen. Omdat ze het belang van deze verkiezingen niet goed inziet? Nee, omdat ze een nieuw rijbewijs heeft. En dan vooral de foto op dat rijbewijs. Stel je voor, dat de stembuschauffeur die foto echt bekijkt. Ze moet er niet aan denken. Dat zou een blamage zijn. De foto is genomen in zo’n hokje met gordijntje, dat in de hal van een gemeentehuis neergezet is. Je moet ergens geld instoppen en dan in dat hokje proberen zelf de goede hoogte van het portret in te stellen. De gebruiksaanwijzing is gesteld in een soort hottentots, waar geen touw aan vast te knopen is. Je mag drie pogingen doen. Uiteindelijk was het onze Elly gelukt een opname te maken, maar die zag er niet uit. Ze zat te laag. Poging twee was goed qua hoogte, maar ze had haar ogen dicht. Dus toen kwam het er op aan. Het resultaat van nummer drie stemde haar redelijk tevreden, dus zij ermee naar de dienstdoende ambtenaar. Deze keek naar de foto en vervolgens naar Elly en schudde zijn hoofd. “Helaas, deze foto kan ik niet goedkeuren”, zei de man met de nadruk op “Niet”. De tegenover hem staande burgeres werd hier niet vrolijk van. “Kijk”, zei de ambtenaar, “Dat is beter”, en liet haar haar eigen fotootje nog eens zien. “U mag niet lachen, zoals op het door u ingeleverde portret. Houdt u vooral uw huidige gelaatsuitdrukking vast”. Mijn zachtmoedige lieve echtgenote keek inmiddels inderdaad diep chagrijnig en kreeg moordneigingen, want ze had geen kleingeld meer voor die foto-poppenkast in de hal. “Kunt u wisselen voor het apparaat?” vroeg ze de ambtenaar. “Nee, helaas, dat mogen we niet doen”, zei de Dorknoper met een ietwat vals glimlachje, “maar dat kunt u wel bij de winkel even verderop doen. Daarnaast kunt u trouwens, bij de Primera, ook pasfoto’s laten maken. Dan gaat het vast lukken. Dat is een neef van me, doe hem de groeten, goedenmiddag.” En hij richtte zich tot de volgende klant, onze Elly verbijsterd aan haar lot overlatend. Deze beende nu met een gezicht als een donderwolk weg. Gelukkig kwam ze op weg naar de uitgang een bekende tegen, die geld kon wisselen. Ze dook vervolgens stiekem het pasfotohokje in en poseerde voor een heel chagrijnige foto. Vervolgens wachtte ze, tot een andere ambtenaar achter de balie verscheen, en leverde het resultaat in met een kop, die geen tegenspraak duldde. Het eindresultaat op haar rijbewijs is niet erg flatterend. Dus of ze gaat stemmen….

Weerman

“Het is hier net zo als bij ons 20 jaar geleden”, zei Joop. Hij was trots op hetgeen er bij onze Zinkwegse Boys in die 20 jaar was bereikt. De kantine van de vv. Simonshaven was inderdaad ietwat gedateerd. Er was wel een groot overdekt terras, dat nog het meest deed denken aan een perron van een klein stoomtrein-stationnetje. Die gelijkenis had mogelijk te maken met de enorme stationsklok die hoog boven ons de tijd aangaf. 
Het stormde stevig. De wind stond precies in de lengte op het veld, dus het werd een toer voor de benedenwinds gelegen ploeg om het doel schoon te houden. Maar gelukkig wordt er doorgaans na de rust van helft gewisseld. 
Onze weerman, Otman Paulusma, had stellig voorspeld, dat de storm de tweede helft nog in kracht zou toenemen. Hij hield zijn bronnen natuurlijk wel angstvallig geheim, maar was erg zeker van zijn zaak. Dus de eerste helft tegenwind zien door te komen, dan zouden de Boys de tweede helft ‘los’ kunnen gaan op weg naar een goed doelsaldo. 
Bij rust was het 1-1. In de kantine stond een oudere tante Truus achter de bar. Ze was duidelijk geen familie van Ellen de Lange, want behoorlijk traag. Mogelijk had dat te maken met haar oplossing voor de KNVB-regel, dat er tijdens de wedstrijd geen flesjes bier mee naar buiten mochten worden genomen: Ze schonk telkens uiterst traag een flesje in een plastic bekertje. Maar dat bekertje was te klein, dus er bleef telkens iets achter in het flesje. En dat restje goot ze onverschillig in haar dorstige keelgat, alvorens ze het flesje terugzette in het krat. Deze werkwijze kwam haar werktempo niet ten goede. Na de rust slingerde ze vrolijk achter de bar rond, maar deed uren over een simpele rekensom.
De tweede helft begon met een enorme hoosbui, met zelfs hagel. Ik stond droog op het perron, met weerman Otman naast me. Toen de wind na de bui ging liggen werd hij behoorlijk stil. Hij lachte ietwat schaapachtig (En hij kan heel goed schaapachtig lachen…) en schuifelde steeds iets verder naar achteren. 
De wedstrijd eindigde uiteindelijk gelukkig toch nog in een 1-2 overwinning voor onze Boys. Otman stond bij de bar en was blij, dat hij heel lang moest wachten op zijn biertje…

65+

En dan, op een gewone zondagochtend, ben je opeens 65. Vroeger gingen mensen dan met pensioen, maar tegenwoordig ben je gelukkig nog gewoon jong. Met een geweldige toekomst nog vóór je. Toch?

Je kruipt je bed uit en strompelt naar het toilet voor de eerste zitplas, die enige tijd in beslag neemt. Vervolgens hijs je jezelf kreunend omhoog en mankt richting de koffie. Joepie, vandaag is het de eerste dag van de rest van je leven… Je neemt als ontbijt je bloeddrukpil en de benodigde paracetamolletjes om de dag enigszins pijnvrij door te komen. Je pakt je brilletje om de krant, die je moeizaam van de grond hebt opgeraapt, te kunnen lezen. Oei, voel je daar een bultje?

Maar dan glijdt het eerste slokje koffie langzaam naar beneden en verwarmt je mond, je keelgat en de rest. Als olie in een oude tandwielkast. Je zit in je luie stoel en geniet van al die warme verjaardagswensen op facebook en lacht om je hondjes die de gekste fratsen uithalen om een bakje brokjes te krijgen. Je lief is inmiddels ook op en maakt croissantjes en brengt sinaasappelsap. Het regent buiten, maar binnen schijnt de zon.

Mensen, die zeggen, dat ze na hun pensioen pas gaan genieten van het leven zullen dat nooit doen. Wanneer je niet gewoon van iedere dag van je leven geniet, kun je dat na je 65e niet opeens wèl gaan doen. Opeens met een gelukzalige glimlach op twee dezelfde elektrische fietsen en met dezelfde bodywarmertjes aan de Hoeksche Waard rond gaan fietsen… Ik moet er niet aan denken. Ik heb gelukkig tot nu toe van vrijwel iedere dag intens genoten! Gewoon, zomaar.

En later? Later word ik een beroemd schrijver. Of zoiets….

Bloot

Wanneer er naarstig wordt gezocht naar een gespreksonderwerp, zoals bij verjaardagen, bruiloften, begrafenissen en andere feestelijke bijeenkomsten, kan er naar je dagelijkse bezigheden worden gevraagd. “Wat doe je voor werk?” Vreselijk, want bij een eerlijk antwoord, in mijn geval dus “Fysiotherapeut”, volgt een rampzalige voortzetting van het gesprek. Óf de vraagsteller is zelf een pathologisch museum en met een beetje pech ook nog uiterst ontevreden over zijn eigen behandelaar, óf nog erger: het is een lolbroek. “Zo-oo, dat lijkt me ook wel wat, allemaal mooie blote wijven wrijven”. Zo’n geilneef brengt je altijd enigszins in verlegenheid. Wanneer je gaat antwoorden ga je steevast in de verdediging. “Nou, ik heb geen mooie vrouwen onder behandeling hoor!”, waarop er steevast minimaal één van de aanwezige dames, die toevallig bij je onder behandeling is, erg boos je kant op kijkt. 
Over de mate van blootheid uitweiden is ook een matige optie. Voor de goede orde: Bij de behandeling is er slechts sprake van functioneel bloot. En zelfs dat gaat niet altijd van harte. Zo kan het gebeuren, dat een patiente met knieklachten op de vraag of ik het pijnlijke gewricht even mag bekijken met een rood hoofd haar broekspijp tot halverwege haar kuit oprolt en vervolgens hoopvol, maar tegen beter weten in, vraagt: “Lukt het zo?” Of een man met rugklachten, die zijn pantalon, schoenen en sokken uitdoet en verder geheel gekleed op zijn buik op de bank gaat liggen. “eh, u had toch last van uw rug?” Hierop wordt het overhemd en het hemd een beetje omhooggetrokken. “Zo gaat het toch wel?” Hopeloos. 
Dus zoals een politie-agent bij de vraag naar zijn beroep steevast: “Ambtenaar”, zegt, om het gezeur over onterechte parkeerboetes te voorkomen, zeg ik: “Iets in de gezondheidszorg.”
Dat bespaart me een hoop ongemak.

Lokaal

Zelfs het schoteltje onder het koffiekopje was vervangen door een plankje. Me hierover verbazend wierp ik het ene suikerklontje in mijn cappuccino toen mijn dochter enthousiast zei: “Apart, hè, die boterkoek met venkelzaad!” Ik zocht het plankje af, maar nergens boterkoek. Dat bleek dus het suikerklontje te zijn geweest. Ik viste het microboterkoekje uit mijn koffie en proefde het. Het was net boterkoek. Het venkelzaad was mogelijk in mijn koffie opgelost. 
We zaten in ‘Lokaal’ een industriehal ergens in Amersfoort, waar Janneke ons mee naartoe genomen had voor de lunch. “Ze hebben hier allemaal lokale producten,” verklaarde ze de naam. Op de menukaart stond bij alle gerechten de herkomst ervan. Zalm van een visser uit Staphorst. (Volgens mij is de zalm nog uiterst schaars in Nederland?) Boerenkoolsoep van een lokale boerenkoolboer uit de omgeving, en dubieus bier van een lokale brouwer. En stoelen van het lokale tweedehandsje, die ze weer uit een oud schoollokaal had gehaald. 
Het duurt even, voor we onze lunch krijgen. “Die zalm moet zeker nog uit Staphorst gehaald worden…” grapte ik, maar mijn humor was volgens mijn tafelgenoten behoorlijk gedateerd. Na een half uur kwam een juffrouw ons vertellen, dat ons eten er zo aan zou komen. Daarna duurde het nog een dikke twintig minuten. Om een paar sneetjes brood met wat zalm, dan wel wat carpaccio te beleggen, een minuscuul kopje soep te vullen (met een pipetje, om niet te morsen?) een paar bakjes met sla te vullen, wat pijnboompitten eroverheen te strooien en het geheel op het onafwendbare plankje te sodemieteren? Dat kan zelfs ik nog, sneller. Ze waren ons dus gewoon vergeten. Gelukkig hadden we geen haast en ging de tijd best genoegelijk voorbij. 
Naast ons zat een stel; hij grijs en met een rond, rood hoornen brilletje, zij een stuk jonger en wèl aantrekkelijk. Misschien zijn dochter, dacht ik eerst, maar ze probeerden een diepgaand gesprek, niet passend bij een vader-dochter-relatie. Wij zaten storend dichtbij. “Maar je bent toch mijn grote vriend!” zei zij uiteindelijk, terwijl ze zijn wang streelde. Vernietigend, wanneer hij haar had proberen te versieren. ‘Dat gaat ‘em niet worden’, dacht ik, terwijl er eindelijk een plank met een bak sla en een erg lokaal broodje voor me neergezet werd. Op het stuk hout stond ook een heel klein kopje soep. Zo klein, dat toen ik de serveerster om een lepel vroeg ze me met een stalen gezicht een dessertlepeltje kwam brengen.

Klere-zaak

Het moet gezegd: ik heb een goddelijk lijf. Nou hangt dat wel een beetje af van welke god hierbij in ogenschouw wordt genomen. In mijn geval zou dat Bacchus kunnen zijn, of Boeddha. Op zich geen groot probleem, behalve om aan te kleden. Zo zat ik vanmorgen nietsvermoedend het naar mijn zin te hebben, tot mijn lieve echtgenote me van achter haar laptopje met een vernietigend kritische blik aanschouwde. “Je ziet er niet uit.” “Dank je!” grapte ik nog in een ultieme poging het naderend onheil te keren, maar dat was een hopeloze poging. “Je moet hoognodig eens wat nieuwe kleren.” Daar was ik al bang voor. 
Ze begon verwoed te googelen, met diepe, wanhopige zuchten. “Je zult toch echt een keer mee moeten. Je moet er op je verjaardag wel een beetje goed uit zien…” Ik ben over een paar weken jarig en dat wordt helaas niet in een naturisten-cafe gevierd. Ze wist, dat ik een diepgewortelde hekel heb aan k(o)lere-zaken. En aan het daar werkzame personeel. Steevast een ietwat dommige draadnagel (m/v/h/l/t etc.) met een verveeld kauwgommetje en een misprijzende blik, die boekdelen spreekt: ‘Moet nou net ìk die sumo-worstelaar proberen een broek aan te smeren?’ Om vervolgens weg te dribbelen op zoek naar die ene grote maat, doorgaans alleen verkrijgbaar in hardroze, die ze al tien jaar in de zaak hebben hangen. “Misschien in die kast, waar u net uitkwam!” zou ik dan behulpzaam willen roepen, maar van Elly moet ik me gedragen…
“Hier heb ik een ‘grote-maten-zaak”, daar kunnen we wel even langsrijden!” klinkt het inmiddels enthousiast vanachter het beeldschermpje. Het is zover; ik ga er niet meer onderuit komen. 
Gelukkig is het in Amersfoort en kunnen we deze beproeving combineren met een uitgebreide lunch met dochter Janneke. Misschien is het beter pas daarna te gaan passen….

Me2

Het kon ’s zomers wel eens gebeuren, dat al je ‘dichtbije’ vriendjes met vakantie waren. Dan zocht je een ‘wat verderop’ vriendje om je samen mee te vervelen. Jan was zo’n ‘verderop-vriendje’. Op een mooie dag was mijn moeder ons behoorlijk zat en opperde de mogelijkheid een stukje te gaan fietsen. Naar mijn grootmoeder in Gouda. Vanaf Dubbeldam was dat zo’n 35 km. Dan was ze ons even kwijt. De bestemming werd van onze komst op de hoogte gesteld en wij vertrokken voor de voor ons doen enorme fietstocht. We kregen wat geld mee voor het Bergstoepse veer bij Ammerstol. We waren rond twaalf jaar oud.
We hadden een leuke spannende dag en mijn grootmoeder (Ze wilde geen ‘oma’ genoemd worden, want dat klonk zo oud. Heb ik nooit begrepen…) verwende ons met een heerlijke lunch. (Toen dat nog gewoon ‘een boterhammetje-tussen-de-middag heette.) En ’s middags fietsten we weer terug. Richting Stolwijk, pontje over bij Bergambacht, langs Oud-Alblas richting Papendrecht. 
Niet ver voor Papendrecht stopte een piepklein Fiatje 500 vóór ons. Het rechter raampje werd opengedraaid en een man met een hazenlip riep ons: “fjongeftjes, kom eenffs”, want zo klonk hij door dat lekke verhemelte. Wij kwamen dichterbij. Hij zat in dat koekblik met zijn broek op zijn hielen en had iets in zijn hand, wat ik veel vond lijken op het beentje van de pop van mijn buurmeisje, Liesje. Huidkleurig met een paarsachtig voetzooltje. Het was net of hij op die pop zat, alleen waarom zou hij dan dat beentje zo stevig vast moeten houden? Jan was inmiddels al weg en riep: “Ype kom op, wegwezen” De hazenlip vroeg: “Fjind je mijn pfflazzjertje mooi?” Ik verstond hem niet en vroeg: “Wat zegt u?” Het poppenbeentje kromp. Pas toen begreep ik, dat hij niet op de pop van mijn buurmeisje zat en maakte dat ik wegkwam. Mijn moeder belde, toen ze ons avontuur had aangehoord de politie. Wij hebben er nooit meer iets over gehoord. Eigenlijk had ik wel een beetje medelijden met die hazenlip. Niemand wil toch in zo’n lullig Fiatje 500 rijden. Pas later begreep ik, dat bij die pruttelpot de pedaaltjes zo dicht bij elkaar zaten, dat je er met je broek op je hielen mee kon rijden.

Valentijnsdag

Mijn patiënt, een wat oudere man met rugklachten, lag lekker ontspannen op de massagebank tot ik over Valentijnsdag begon. Zomaar om het gesprek op gang te krijgen. Hij verstijfde. “Meneer Swart, praat me niet over Valentijnsdag of over bloemen geven aan mijn lieve vrouw”. Ik zei: “Maar dat is toch romantisch?” Hij zuchtte, “Wel voor normale mensen, zoals u en ik, maar voor mijn vrouw ligt dat wat gecompliceerder.” Ik hield even verwachtingsvol mijn mond. “De laatste keer, dat ik bloemen kocht, waren de rapen gaar. ‘Waarom krijg ik opeens bloemen? Heb je wat te verbergen?’, huilde ze. Ik begreep er niets van. Het was gewoon een mooi boeket, dacht ik. Om haar te verwennen. Maar het ging helemaal mis. Ze vond het boeket te groot, en daarom verdacht. Ik heb twee dagen op de bank moeten slapen.” Hij zuchtte. “Een andere keer kocht ik een bosje bloemen en toen kreeg ik ook op mijn mieter. ‘Wat heb je je nou weer voor graftak in je handen laten stoppen!’ Ik wist nergens van, had gewoon een leuke bos uit een emmertje gepakt en afgerekend. Zij deed net, of alle bloemisten in de wijde omgeving het hele jaar door ergens achter in het magazijn een speciaal emmertje half-verrotte bloemen bewaarden voor deze stomme Jan Lul, die daar twee keer per jaar een bloemetje voor zijn vrouw kwam kopen..” Hij zuchtte weer. “En dan kwam er steevast achteraan: ‘en je hebt er zeker nog de hoofdprijs voor betaald ook?! Je moet hier echt mee terug gaan, hoor!” En dan stond ik dus even later voor lul bij zo’n bloemist. Nee, meneer Swart, ik trap er niet meer in, en zeker niet met Valentijnsdag, want dan zijn de bloemen nog peperduur ook.” Ik rondde de behandeling af. Hij stond op van de bank en zei, terwijl hij zich aankleedde: “Ik rijd straks even langs de bloemist en maak met mijn mobieltje wat foto’s van een paar bloemstukken met duidelijk de prijs erbij.” Hij strikte zijn veters. “Dan laat ik haar vanavond die foto’s zien en zeg: ‘Fijne Valentijn, lieverd. Ik heb maar geen bloemen meegenomen, maar ik laat je wel even wat foto’s zien, zodat je weet, dat ik wel ben gaan kijken. Moet je die prijzen eens zien en de troep, die ze voor dat geld durven verkopen! Dat wilde ik je echt niet aandoen’. Hij glimlachte nu een beetje vals. “Het gaat immers toch om de gedachte, nietwaar?”