Stemmen per post

Het was een gewone maandagmorgen. Mijn scootertje had wat opstartproblemen, dus ik had het autootje maar genomen voor mijn weekopening met ome Arie. De oude baas had zijn pijp al opgestoken en zat tegen de naast hem op de grond zittende teckel Joseph te praten. Tot hij mij zag naderen: “Meneer Ype, goeiemorgen! Ik miste u al…” “Goeiemorgen ome Arie! De scooter wilde niet starten.” verklaarde ik mijn verlate komst. Ik pakte mijn pijp en nam plaats op anderhalve meter van ome Arie op ‘ons’ bankje aan het lieflijke haventje van ons dorp. Ik stopte mijn pijpje. Pijprokers gaan juist roken wanneer ze stoppen. Ik hield deze opmerking maar even voor me. Ome Arie was een beetje afwezig. Er zat hem iets dwars. Ik stak mijn pijp op en keek vragend opzij: “Waar zit je mee, ome Arie?” Hij zuchtte. Hij blies een wolkje uit. En zuchtte weer: “Hebt u iets aan mij gemerkt, meneer Ype? Dat ik…” hij maakte een draaiende beweging met zijn pijp bij zijn slaap, “… de boel niet meer op een rijtje heb?” Hij was echt bezorgd. “Nee, hoor, ome Arie, daar heb ik nog geen moment aan getwijfeld! Maar hoe kom je daar eigenlijk bij?” Ik was echt verbaasd. Ome Arie zuchtte weer, heel diep nu: “Nou, Riek trok mijn geestelijke vermogens in twijfel…” Ik ging er eens goed voor zitten. “Ik had echt alles keurig gedaan: vier keer geprikt, keurig in het potje gedaan, in een aparte envelop, stempas in de andere envelop en vòòr vrijdag 17:00 uur op de bus…” Ik begreep er niks van: “wat heb je dan op de bus gedaan?” “Poep…” antwoordde de oude baas. “Maar waarom heb je daar dan die stempas bij gedaan?” Hij keek erg ongelukkig: “Vergissinkje, ik moest dat bevolkingsonderzoek opsturen en die envelop van het per-post-stemmen lag ernaast, toen dacht: o,ja, dat moet ik ook nog doen…” Het begon me duidelijk te worden: “Je hebt je stempas naar het laboratorium voor darmonderzoek gestuurd?” Hij schudde zijn grijze hoofd: “Nee, nog erger: mijn poep naar het stembureau…”

Vulgaar

De storm was overgewaaid en het was droog. Welgemutst had ik mijn scooter gepakt en was met een kleine omweg naar ons haventje getuft. Ik zat net mijn pijpje te stoppen toen ome Arie kwam aangefietst. Hij stalde zijn fiets tegen een lantaarnpaal en pakte zijn pijp. “Goeiemorgen!” Hij klonk vrolijk. “Goeiemorgen, ome Arie! De teckel is weer terug bij je schoonzus?” “Voor het weekend is Joseph bij Agaath, inderdaad, meneer Ype.” Hij zocht naar zijn aansteker. Ik bood hem de mijne aan. Dankbaar blies hij een paar grote rookwolken uit. Even was het stil. Ik was erg nieuwsgierig hoe zijn ‘zegeltjes-actie’ van eerder deze week zou zijn afgelopen en kon niet laten er naar te vragen. Ome Arie zuchtte: “Er gaat bij mij nooit iets normaal!” Ik besloot hier niet op te reageren. Hij zou zelf heus wel weten, dat hijhij zèlf de oorzaak kon zijn van de loop der dingen. “Toen we Joseph naar Agaath brachten kreeg ik een wereld-idee!” Hij nam een vergenoegde trek van zijn pijp, “u moet weten, dat het al een stuk beter met haar been ging. Ze mocht  al met één kruk lopen!” Ik zag even de ‘rode lijn’ in zijn verhaal niet. Een voor mij geen nieuw euvel. Ome Arie vervolgde zijn ietwat onsamenhangende verhaal: “Dus zij had geen rollator meer nodig!” Ik was nu echt de draad kwijt. “Die heb ik meegenomen. Ik heb vervolgens thuis een oude slappe trainingsbroek aangetrokken en een nog oudere jas; zo’n gewatteerde Michelinmannetjes-jas. Die had ik twintig jaar geleden vaak in de winter op de trekker aan. Ik completeerde dit armoe-ensemble met mijn winterpet met bonten oorflappen!”
 Ik keek wellicht niet snugger, want enigszins ongeduldig voegde hij eraan toe: “Voor bij de Lidl, voor de jungle-mini-zegeltjes!” Het kwartje viel: “Bent u met die kleren en de rollator buiten bij de Lidl gaan staan?” Hij knikte. Ik schoot in de lach; “Was je niet bang herkend te worden?” “Ik had voor de zekerheid ook nog een zonnebril opgezet!” Ik keek even opzij: “Het was takkenweer!” Hij trok zijn schouders op: “Niemand heeft me herkend.” We bliezen simultaan een rookwolk uit. “Was die outfit een succes?”, verbrak ik de stilte. “Het werkte fantastisch! Ik had een oud conservenblik met de tekst: ‘alleen jungle-mini zegels a.u.b.!’ aan de rollator gehangen om niet te hoeven praten.” Ik kon wel lachen om dit beeld: “En, wat was de opbrengst?” “Het ging zo goed, dat dat nare concurrentje (zie vorig verhaal) binnen vijf minuten vertrokken was en binnen een half uurtje had ik twintig zegeltjes, €10,35 in losse muntjes en een pepermuntje!” Hij kreeg een grijns op zijn verweerde boerenkop: “En als ze belangstellend vroegen waar ik vandaan kwam zei ik in gebrekkig Nederlands: ‘Iek bien een ekte Vulgaar uit Vulgarije’!” We schoten nu allebei in de lach. Maar daarna werd onze ex-veehouder weer ernstig: “Helaas was ik vergeten, dat het verkiezingstijd is…” Ik keek vragend opzij. “Opeens kreeg ik een roos in mijn hand geduwd en een jongeheer begon heel vriendelijk tegen me te praten, waarop een bitsige dame heel boos werd en tegen hem snauwde: “Laat hij liever gaan werken in zijn eigen land!” Er ontstond een nogal grimmig sfeertje toen iedereen zich ermee ging bemoeien. Ik overwoog nog de boel ietwat te sussen door te grappen dat ik een vermomde ‘im-boreaal’ was, maar dat leek me toch niet echt verstandig; ze sloegen elkaar nu al zowat de hersens in!” Hij zuchtte: “Toen ben ik maar met mijn rollator onder mijn arm naar mijn auto gerend!” Ik zag het voor me en gierde het uit. Ome Arie kon er nu zelf ook wel om lachen…

Zegeltjes

Boodschappen doen laat ik het liefst aan mijn lief over. Ik vind het geen probleem om langs de diverse winkels te rijden, zolang ik maar niet mee naar binnen hoef. Die middag stond ik bij de Lidl op de invalideparkeerplaats naast de ingang dit verhaal te typen, toen ik opeens ome Arie zag staan. De pet strak over de kop getrokken vanwege de harde wind stond hij het niet echt naar de zin te hebben. Ik kreeg medelijden en besloot uit mijn luie auto te stappen voor een ditmaal pijploos praatje. “Goeiemiddag ome Arie”, opende ik niet echt origineel. Hij keek verbaasd: “Meneer Ype, ook goedemiddag!” Hij blies in zijn handen: “Het is veel te koud om hier te posten!” Nu was het mijn beurt verbaasd te zijn: “Posten?” Ome Arie knikte: “Voor mijn kleinzoon. Zegeltjes bietsen voor Junglemini’s!” Ik schoot in de lach. “Ja, lach maar! Ik zie er de lol niet meer van in…” En vervolgens tegen een passerende dame met een kar vol boodschappen: “Heeft u nog wat jungle-zegeltjes voor een oude opa?” Hij keek er nog echt zielig bij ook. De dame lachte en gaf hem nog een zegeltje ook! Een kind, dat door onze oude boer zojuist ruw opzij geduwd was kreeg er ook één. “Eerlijk delen, jongens!” zei de mevrouw en ze liep verder met haar winkelwagentje. Ome Arie keek het concurrerende ventje vernietigend aan. Het mannetje keek vernietigend terug. Ik had de grootste lol. Tot het opdondertje mij ook boos aankeek: “U gaat er toch óók niet bij staan, hoop ik?!!” Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Één zo’n ouwe lul bezorgt me al genoeg ellende..” mopperde het mannetje nog even zachtjes verder. Het was een uiterst  serieuze zaak. Inmiddels liep ome Arie een stukje de winkel in. Hij zwaaide naar een bekende: “Neef Tinus, mag ik straks je zegels?” De neef zwaaide vrolijk terug. Een medewerker van de winkel maande ome Arie naar buiten: “U kent de regels, ome Arie: alleen buiten zegels bietsen!” Zuchtend kwam onze bedelaar weer naar buiten. “Weet jij wel hoe koud het buiten is, snotaap!? Zou jij je oude opa ook zo in de kou laten staan?” De winkelbediende was niet onder de indruk van het gemopper. “Wacht maar tot jij zeurende kleinkinderen hebt…” gromde ome Arie nog. Ik kreeg toch een beetje medelijden: “Het personeel is niet erg meelevend, ome Arie!” De oude baas knikte: “Misschien omdat ze me doorhadden…” “Doorhadden?” Ik begreep er weer eens niets van. “Ik had vier heggenscharen gekocht vanwege die klotezegels en die vervolgens de volgende dag weer teruggebracht en mijn geld teruggekregen.” Ik begon het te snappen; hij had de zegeltjes wel gehouden…. “Toen ik vervolgens met twee boormachines bij de kassa stond wilden ze me geen junglemini-zegeltjes geven!” Hij klonk erg verontwaardigd; “die barcode-schuifdoos zei dat ik de zegeltjes van de net daarvoor ingeleverde heggenscharen daarvoor in de plaats mocht houden!” Ik schoot in de lach. “Ik heb Riek die boormachines bij een ander filiaal terug laten brengen.” Hij liep op een jongedame met een volle kar af, maar die maakte een afwerend gebaar. Ome Arie kwam teleurgesteld terug. “Die heeft vast zelf kinderen…” Vervolgens keek hij mij hoopvol aan: “Is uw vrouw boodschappen aan het doen, meneer Ype? Mag ik haar zegeltjes?” Ik moest hem teleurstellen. Ook onze zegeltjes hadden al een bestemming. Beledigd draaide ome Arie zich om en wist een stukje verderop een paar zegeltjes van een alleenstaande oudere heer te bemachtigen. “Dank u, meneer”, hoorde ik hem nog zeggen terwijl ik Elly hielp de boodschappen in te laden. “Staat die oude baas nou ook om zegeltjes te bedelen?” zei ze; “Hier geef hem deze twee maar, wij hebben er nu toch genoeg!” Mijn vriendschap was gered.

Antwoordbrief

Beste ome Arie,

Bedankt voor je brief. Ik wilde je verjaardagsgebakje best wel invriezen maar vroeg me af of moorkoppen na ingevroren te zijn wel positief zouden ontdooien. Dus heb ik het toch maar zelf opgegeten. Voor onze volgende ‘banksessie’, als de storm weer wat is geluwd, en het weer het weer toe laat om ons pijpje te roken koop ik wel nieuwe. Over ontdooien en stormen gesproken: is de lucht tussen jou en Riek alweer wat opgeklaard en de wind weer een beetje gaan liggen? Of slaap je nog steeds op de bank?  Ik moet je wel waarschuwen voor het alternatieve standje welk je op wereldvrouwendag voorstelde. (“Vooruit, vanwege wereldvrouwendag mag jij vanavond bovenop!”)  Mocht er toch ooit een welkome onderbreking komen in jullie ‘intieme pauze’ dan raad ik je aan dit niet op de door jou op die rampzalige dag voorgestelde wijze te doen. Een vriend van mij, ook op leeftijd, net  zoals wij, maakte ooit deze benaderingsfout en moest dat bekopen met een hele week op de bank slapen, omdat hij, nog vèr voor enig hoogtepunt, als eerste luid snurkend in slaap viel. En toen zijn begripvolle en nog wakkere echtgenote hem oraal weer in enigerlei staat van opwinding trachtte te krijgen resulteerde dit ook slechts in een uiterst teleurstellende slappe hap. Over hoe ze hem vervolgens toch wakker heeft gekregen teneinde hem naar de bank te verbannen zal ik maar niet uitweiden… Maar bedenk dus goed wat je wenst!

Ik hoop, dat alles weer goed komt en dat ik je snel weer bij de haven zie, met vriendelijke groet,

Meneer Ype

Brief van ome Arie

Beste meneer Ype,

Morgen kan ik niet naar de haven komen om samen met u een pijpje te roken. Daarom schrijf ik u deze brief. En om u te feliciteren met uw verjaardag. Eigenlijk wilde ik u eerst een kaartje sturen, maar Riek vond, dat ik daar geen rouwkaart voor mocht pakken. Volgens haar hebben we die bovendien binnenkort nodig voor buurman Krelis, want die schijnt slecht te liggen. En een kaart met gefeliciteerd met uw 40-jarige huwelijk vond ze ook niet kunnen. Dus dan maar gewoon een brief, want een ander kaartje kopen is door de corona ook erg moeilijk. Het schrijven van een brief is voor mij erg lastig, ik hoop dat u mij mijn fouten niet kwalijk neemt. Riek controleert normaal mijn brieven, maar ze is een beetje boos op me. Dat is ze al een paar dagen. Sinds ‘wereldvrouwendag’. Ik maakte alleen maar een grapje, maar soms heeft ze geen gevoel voor humor. Ze zat de hele tijd over die ‘vrouwendag’ te emmeren, en dat de overige dagen van het jaar allemaal ‘mannendagen’ waren. En ik was dat een beetje zat en zei toen alleen maar: “nou, vooruit, vanwege die vrouwendag mag jij vanavond bovenop!” Het was alleen maar een grapje, echt, meneer Ype, want op dat gebied doen we al tien jaar niks meer. Maar toen werd ze boos. Dus nu slaap ik al twee nachten op de bank. Ik ben gebroken. 

Hoogachtend, ome Arie

Ps. Wilt u het gebak ter gelegenheid van uw verjaardag voor mij invriezen tot de volgende keer in de haven?

Schijnzwanger

Het was koud. Stervenskoud. Desondanks zat ome Arie gewoon op ‘ons’ bankje aan het pittoreske haventje van Oud-Beijerland. Met zijn winterpet met zijflappen voor zijn oren en een sjaal om zijn nek. Teckel Joseph zat naast hem balend in zijn coltruitje zijn geslacht te likken. Een nogal onsmakelijk gezicht. Ondanks de kou besloot ik toch tot een pijpje. Ik parkeerde mijn autootje (voor de scooter had ik het te koud gevonden) en voegde me bij de bank-bikkels. Ome Arie groette me en Joseph deed een kwispel. Ik pakte mijn pijp en mijn tabak en bereidde mijn rookgenot voor. Ome Arie probeerde Joseph af te leiden teneinde een eind te maken aan het onsmakelijke piemelgelebber. “Hier, een snoepje, rothond!” De teckel nam de versnapering met een klein kwispeltje aan. “Ja, kwispel maar, Don Juan!” Het beest keek verwachtingsvol of er nog meer te bikken kwam en begreep natuurlijk niets van hetgeen de oude boer zei. Het was ook meer voor mij bedoeld. “Laatst kwam ik op onze avondwandeling die kale baard met zijn pitbull tegen en die begon weer een heel gesprek…” Ik herinnerde me het verhaal over de pitbull (zie eerder verhaal: pitbull): “Allemaal complottheorieën, ome Arie?” “Nee, gelukkig niet. Hij liet daar, midden op straat, zijn tatoeages zien, ook een hele grote op zijn rug!” Ik keek vragend. “Hij trok zijn jas, trui en hemd uit en draaide zijn blote rug naar me toe. Genant. Vooral, omdat Feyenoord verkeerd gespeld was! Met een i en een j: Feijenoord” Ik schoot in de lach. Ome Arie glimlachte ook: “Het staat op zijn rug en ik vermoed, dat ik niet de enige ben, die er niks over durft te zeggen.” Er kwam nu een vals grijnsje op zijn gezicht: “Ik heb alleen langs mijn neus weg gevraagd of die tattoo in Amsterdam gezet was!” Nu lachte hij hardop, “En dat was nog wààr ook!” Nu lachten we allebei. We genoten even van onze pijp. “Hoe lang blijft Joseph bij jullie, ome Arie?” De aangesprokene keek nu wat bezorgd: “Niet al te lang meer, hoop ik, want volgens die pitbull-hooligan was zijn hond waarschijnlijk schijnzwanger.” “Schijnzwanger?”, vroeg ik, me de amoureuze escapades van Joseph herinnerend. Ome Arie knikte en Joseph keek de andere kant op. “En wij zijn bang, dat dat ‘schijn’ maar schijn is, hè, Joseph!” Ik probeerde niet te lachen. Ome Arie keek bezorgd: “en ik denk niet, dat onze Feyenoordsupporter blij gaat zijn met een nest pitbull-teckels! Dan kom ik hem liever niet meer tegen…” 

 

Hoorapparaat

Het was al even geleden, dat ik in de haven was geweest en daar Ome Arie had gezien. Hij leek blij me weer te zien: “Goeiemorgen, meneer Ype, tijd niet gezien. Toch niet ziek geweest?” Zelfs de naast ‘ons’ bankje liggende teckel Joseph kwispelde even begroetend. “Gelukkig niet, ome Arie. Gewoon druk met van alles!” Hij knikte quasi-begrijpend en stak zijn pijp op. Ik volgde zijn voorbeeld en we snoven de voorjaarslucht vermengd met de fijne melange uit onze pijpen genietend op. Toen zag ik het: een minuscuul, maar wel goed zichtbaar slangetje in zijn oor. Het was me nooit opgevallen, dus stomverbaasd vroeg ik: “Sinds wanneer heb je een hoorapparaat, ome Arie?” Er kwam een brede grijns op zijn verweerde kop: “Sinds een paar dagen!” Hij draaide zijn hoofd om ook zijn andere oor te tonen. Heel gelukkig. “Ik kan het iedere man aanraden!” “Maar ik heb nooit gemerkt dat je gehoor minder was?” Ik was oprecht verbaasd. “Daar is ook geen sprake van!” De grijns groeide. Zoals zo vaak had hij me volledig sprakeloos gekregen. “Het is hèt hulpmiddel voor een goed huwelijk. Ik had het jaren eerder moeten aanschaffen!” De sprakeloosheid bleef. Om het effect te versterken trok ome Arie aan zijn pijp. “Begrijp me goed, meneer Ype, ik ben echt nog steeds gek op mijn Riek,” Weer een trek en een enorme rookwolk als gevolg. Toen kwam de onvermijdelijke ‘maar’: “maar in haar familie mochten vrouwen nooit ergens over meepraten. En Riek heeft de neiging het zwijgen van tientallen generaties vrouwen vóór haar in haar eentje te compenseren!” Ik schoot in de lach om deze typische ‘ome-Arie’ opmerking. “Daar hoor ik veel mannen over klagen…” antwoordde ik, “maar wat heeft dat hoorapparaat daarmee te maken?” Ome Arie keek samenzweerderig om zich heen en fluisterde, ondanks de onmogelijkheid, dat iemand hem zou kunnen horen: “Er zitten helemaal geen batterijen in!” En leunde weer zelfgenoegzaam achterover. Ik begreep hem totaal niet en keek waarschijnlijk erg dom. Ome Arie boog weer voorover: “wanneer ik nu niet of verkeerd antwoord op dat geklets van haar wordt ze niet boos, zoals vroeger, maar gaat ze zoeken naar nieuwe batterijtjes en wanneer ze deze niet kan vinden zet ze ‘nieuwe batterijen voor Arie’ op het boodschappenlijstje.” Tevreden zakte hij weer achterover: “En ik heb de rest van de avond rust!” “Maar waarom kan ze die batterijtjes dan niet vinden en haalt ze er niet gelijk een heleboel?” Ik was oprecht verbaasd. “Die gooi ik weg of ik verdonkeremaan ze. En als ze er naar vraagt schud ik mijn hoofd en mopper, dat die ziekenfonds-apparaatjes batterijen vreten…”

Dierenarts

Joseph en ome Arie waren al bij de haven, toen ik, goedgemutst, met mijn scootertje kwam aangereden. De teckel zat achter zijn oor te krabben met zijn achterpoot. Ook ome Arie krabde zich net even achter het oor, alleen deed hij dat met zijn voorpoot. Ik moest er een beetje om grinniken. Na een week gingen ze al een beetje op elkaar lijken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. De oude boer tikte als groet met zijn pijpmondstuk tegen de rand van zijn pet. Het zonnetje scheen wat bleekjes door de dunne sluierbewolking. Ik was blij, dat ik toch een jas had aangedaan, want de wind was fris. “Zo, dus Joseph weer terug van zijn weekendverlof!” begon ik een gesprek. “Praat me er niet van, meneer Ype! Ik ben gisteren al met hem naar de dierenarts geweest.” Ik pakte mijn pijp en ging er eens goed voor zitten, want er kwam weer wat. “Dat moest van Agaath!” Zoals altijd sprak hij de naam van zijn schoonzus met enig misprijzen, bijna walging, uit. “De dierenarts, ome Arie, wat is er met hem?” Ome Arie zei heel zachtjes, alsof hij zich er voor geneerde: “Ontstoken, eh, piemeltje…” en keek wat schichtig om zich heen, of iemand het gehoord had. Ik lachte niet om het hem niet nóg moeilijker te maken. Toch kon ik het niet laten om plagerig tegen het teckeltje te zeggen: “van de wc-bril zeker, Joseph!?” Ome Arie kon er niet om lachen: “Ja, maak er maar grappen over, meneer Ype. Ik kon er niet om lachen, vooral niet, omdat ik bij de dierenarts die getatoeëerde kale baard met zijn pitbull tegenkwam…”(zie verhaal ‘Pitbull’) Hij keek weer om zich heen, bang voor meeluisteraars: “Toen ik belangstellend vroeg wat er met zijn hond was werd die grote vent helemaal rood en fluisterde, dat ze een ontstoken je-weet-wel had!” Nu kon ik mijn lachen heel moeilijk inhouden. “Toen hij dezelfde vraag aan mij stelde heb ik maar gezegd dat Joseph voor zijn gewone inentingen kwam!” Ik schoot nu in de lach. Ome Arie kwam wat dichterbij en fluisterde: “Zouden hondjes ook Soas kunnen krijgen? U weet, dat Joseph en die pitbull, eh…” Hij gebaarde veelbetekenend richting hond. Joseph leek schuldig omhoog te kijken. Ome Arie fluisterde: “Ik ben ‘m stiekem gesmeerd en naar een andere dierenarts gegaan!” Nu hield ik het helemaal niet meer en gierde het uit. “En wat zei die, ome Arie?” vroeg ik toen ik uitgelachen was. “Ik heb het maar niet over de one-night-stand van Joseph gehad, meneer Ype.” Hij stak zijn pijp opnieuw aan, daar deze door alle emotie was uitgegaan. “We hebben een zalfje voor zijn jongeheer gekregen en hij heeft een spuit in zijn donder gekregen. Dat zal hem leren!”

Door het oog van de naald

Door het oog van de naald
Stiekem de grootste lol
De schuur nokkie vol
Drank en sjans
Muziek en de dans
Net op tijd ontsprongen
door het oog van de naald
Wij zijn heiliger
Dan de wet
Bij God veiliger
Zingen wij in koor
Wij zullen ontspringen
Door het oog van de naald
Kruipt de buurman
Over de grond, bijna dood
Hoe het kan?
Hij haat muziek
maar ontspringt ternauwernood
Door het oog van de naald
Over een jaar
Nog bij elkaar?
De dans ontsprongen
Kerngezond?
Of met z’n allen
Gezellig onder de grond…

Controle

Het was prachtig weer. Ik was even met mijn scootertje een stukje door de polder gereden vóór dat ik naast ome Arie op òns bankje bij het mooie haventje aan het Spui ging zitten. De oude baas zat tevreden zijn pijp te stoppen. “Je kunt de lente gewoon ruiken, meneer Ype, heerlijk; voor de boeren is het de geur van de hoop! De hoop op een goed jaar, op een goede oogst!” Ik knikte, de meststank was mij tijdens mijn ritje inderdaad ook opgevallen. En de keurig voorbewerkte akkers, klaar om aan een nieuw gewas te beginnen. Bijna gelijk staken we onze pijpjes aan. “Binnenkort worden de avonden weer langer, heerlijk! Wanneer dan die avondklok weer wordt opgeheven kunnen we ook ‘s avonds nog even langs de velden fietsen en genieten van het voorjaar…” Hij snoof met zijn ogen dicht een diepe haal lucht in, alsof het al zo ver was. Ook ik verlangde naar het nieuwe seizoen. Twee tevreden ouwe baasjes op hun bankje bij de haven rookten hun pijpje en genoten van het leven. “Waar is Joseph, ome Arie?” vroeg ik. Het viel me nu pas op, dat hij zonder teckel was. “Die is met Riek mee op bezoek bij schoonzus Agaath. Die miste dat mormel.” Ik begreep dat wel. “En dan haalt Riek hem maandag weer op. Dus dit weekend geldt de avondklok ook gewoon voor mij!” Hij knipoogde. “Ach, wie controleert er nou?” zei ik, en ik nam een trekje van mijn pijp. De heerlijke geur van tabak verschafte me het gewenste genot. Hoe ongezond het ook mocht zijn. “Nou, dat moet u niet zeggen, meneer Ype, want Joseph en ik zijn heus deze week gecontroleerd!” Hij klonk nog een beetje verontwaardigd. “Twee handhavers hielden me staande en vroegen, of Joseph een hond was!” Ik schudde verbaasd mijn hoofd: “Dat meen je niet, ome Arie! Dat zie je toch gelijk?” Ome Arie knikte: “Ze vroegen of dat beest van mij was, en toen ik vertelde, dat hij van mijn schoonzus was, wilden ze weten of die ook in de Hoeksche Waard woonde en waar precies, zelfs haar adres! Dat hadden ze nodig om te controleren!” Ik zat hem nu met open mond van verbazing aan te kijken: “Maar dat slaat toch nergens op? Je mag toch ‘s avonds gewoon je hondje uitlaten?” Ome Arie knikte: “Dat zei ik dus ook en ik vroeg wat dat allemaal met de avondklok te maken had!” Hij blies een grote wolk rook uit, alsof hij stoom afblies. “En, wat hadden ze daarop te zeggen!?” vroeg ik, nu ook hoogst verontwaardigd. Ome Arie keek me aan: “Niets!” “Niets, hoezo niets?” Ome Arie keek weer vóór zich: “ Het had niets met de avondklok te maken. Ze waren van de hondenbelasting…”