Vegetariers

In een onbewaakt ogenblik was ik het huis uitgeslopen. Vanwege de wondroos wellicht niet echt verstandig, maar ik snakte naar een pijpje met ome Arie en liet derhalve mijn bestwil in haar sop gaar koken. Gelukkig zat mijn vriend reeds zijn pijp te stoppen toen ik naderbij strompelde. “Zo, meneer Ype, mag u weer los?”, vroeg hij met een grijns, welke begrip uitstraalde. “Praat me er niet van, ome Arie!”, zuchtte ik, terwijl ik mijn rookgerei tevoorschijn haalde, “praat me er niet van…” Tot mijn verbazing stond de oude baas op en bood me zijn plekkie aan. “Dan kunt u uw been hoog leggen, meneer Ype. Het was toch het rechter?” Hij nam plaats op mijn vertrouwde plekkie. Ik begreep zijn geste: normaal zat hij altijd links van mij, en met mijn rechter been op de bank zou ik dan met mijn rug naar hem toe zitten. Ik legde mijn been op het bankje en zette het stopwerk van mijn pijp voort. 

Net toen ik er de brand in stak kwam er een vrouwspersoon met een heel klein hondje voorbij. Ze leek op een boswachter met een groene bodywarmer, een groen dekzeil als rok, een groene trui en een gek hoedje met een veertje er op op haar kop. Ik durfde ome Arie niet aan te kijken. “Zo, en zitten we thuis ook met onze voeten op de bank?!” bitste het monument. We waren met stomheid geslagen. Ze deed me denken aan een lerares Duits, waar ik als kind al zo onder geleden had. Ome Arie deed een poging tot een verklaring: “Hij zit thuis ook met zijn been omhoog, inderdaad…” Hij werd vernietigend aangekeken. Vervolgens kreeg ik er van langs: “Jicht, zeker? Dat krijg je van al dat vlees eten! Wij….” ze wees op het scharminkel aan de andere kant van het touwtje en zichzelf, “Doen daar niet aan mee, wij zijn vegetariër!” Het hondje keek inderdaad behoorlijk besodemietert. Ome Arie blies een wolkje uit en zei tegen mij: “Daarom issie zeker zo klein gebleven !” De dame wilde boos doorlopen, maar het touwtje bleef strak staan: ons vegetarische hondje bolde zijn ruggetje en er kwam een groenige substantie van onder het staartje. De dame pakte een zakje om het hoopje op te ruimen. “Dat is toch zo’n mexicaans hondje, mevrouw, zo’n Chihuahua?” Het klonk verdacht vriendelijk. De boswachter knikte: “Dat klopt, valt me mee, dat je dat weet!” Ome Arie trok nog eens aan zijn pijp: “Dat zie ik, mevrouw!” De dame was inmiddels weer overeind gekomen met het zakje vol groene hoop. Ome Arie wees er met zijn pijp naar: “Dat zie ik aan de uitwerpselen van het dier.” Hij klonk heel stellig. De boswachter keek verbaasd en trok haar ongelukkig vegetarische viervoeter boos mee, toen ome Arie heel droog zijn zin afmaakte: “Kakkemole, mevrouw, pure kakkemole…”

 

Bonbons

“Hier meneer Ype, chocolaatjes. Ik wilde u eigenlijk een pakje pijptabak geven, maar daar staan afbeeldingen op, die misschien niet passend zijn…” Ome Arie wees op mijn been, dat op een voetenbankje rood lag te wezen. Wondroos. Een klein wondje waar mijn afweersysteem nogal overdreven op had gereageerd. Ome Arie had me al enige dagen gemist en stond opeens voor mijn deur, pet in de hand en een gezichtsuitdrukking alsof ik niet lang meer zou hebben. “Bovendien vond Riek een pakje pijptabak te duur.” Glimlachend nam ik de lekkernij in ontvangst. Helaas had ik totaal geen eetlust. Wellicht door de medicijnen. Achteloos trachtte ik de gift terzijde te schuiven, maar daar ging onze vriend niet mee akkoord: “Die witte met die walnoot erop is heerlijk, meneer Ype, daar heb ik er speciaal voor u een paar extra van gevraagd!” Hij glunderde als een kind, dat bloemen voor zijn moeder heeft geplukt. Ik maakte het doosje open en zag de bonbon, welke hem het water in de mond deed lopen. En had zelf absoluut geen trek. Ik besloot hem niet langer te plagen en bood hem het chocolaatje aan, welk aanbod gretig aanvaard werd. Elly voorzag ons van koffie. Ik dronk deze met enige tegenzin. Zelfs koffie smaakte me niet. Ome Arie had daar geen last van. Hij genoot met volle teugen, vooral, nadat ik het doosje chocolaatjes geopend voor hem op tafel zette. “Die pure vind ik duidelijk minder,” vervolgde hij, het duidelijk mindere exemplaar achteloos naar binnen schuivend. Elly kon er op de achtergrond wel om lachen.
We kletsten nog wat over koetjes en kalfjes, een onderwerp, waar ome Arie, als voormalig veehouder veel wist te vertellen, Elly voorzag ons van een tweede ronde koffie en we waren tevreden. Uiteindelijk vond onze vriend het nog te vroeg voor een borrel. Hij zette zijn pet op, wijzend op het bonbondoosje: “Ik heb die lekkere voor je bewaard. Die witte met een walnoot erop!” Onderin het verder lege doosje lagen nog drie witte bonbons met een walnoot er op. Hij groette en Elly begeleidde hem naar de deur, waar zijn klompen stonden. Verbouwereerd kwam ze terug met een nieuw doosje bonbons in haar handen. “Hij zei, dat hij, jou kennende, wel wist, dat er van dat eerste doosje niks over zou blijven, en dat deze voor mij waren!” Buiten hoorde ik iemand schaterend voorbij fietsen.

Theateshow

Voor het eerst in lange tijd was er weer een, zij het flauw, zonnetje. Ome Arie stak net zijn pijp op toen ik mijn scootertje achter ons bankje parkeerde. Onze vriend was niet alleen; neef Tinus zat naast hem en praatte honderduit. Ik pakte mijn rookwaren, groette beide heren en nam plaats op de andere zijde van het gemeente-meubilair. Tinus leek gemeend blij me te zien: “Goeiemorgen, meneer Ype, fijn dat u er bent!” Hij stond op en nodigde me uit op zijn plekkie plaats te nemen. Ik keek verbaasd ome Arie aan, die even verbaasd terug keek. “Gaat u hier zitten, dan kan ik jullie een voorproefje geven van mijn theatershow!” Hij ging voor ons staan. Ome Arie keek mij verontschuldigend aan: “Na de ietwat beschamende nieuwjaarsreceptie heeft hij het licht gezien…” (zie eerder verhaal op swartboek.nl) en trok zijn schouders op ten teken, dat het hem ook volledig onduidelijk was. “Zo’n stoffig baantje in driedelig grijs is niks voor mij! Ik wordt standup comedian!” Ome Arie mompelde nog iets in de trant van: “nou, driedelig….” En luider: “Maar alle theaters zijn nog dicht, toch?” De knul liet zich zijn enthousiasme niet ontnemen: “Die gaan wel weer open en ik ben nog bezig met de inhoud. Een naam voor de show heb ik al: NITUS!” Hij keek ons beurtelings verwachtingsvol aan. Ome Arie vertrok geen spier, ik schoot in de lach. “Goed, toch? Een omdraaiing van mijn naam!” Nog steeds vertrok onze veeboer geen spier, terwijl ik wist, dat hij onze komiek al zeker twee jaar zo noemde. Tot overmaat van ramp zei hij ook nog, doodserieus: “Hoe kóm je er op!” Tinus boog voor zijn oom: “Zie je, jullie vinden het nu al wat! En daar jullie toch niks beters te doen hebben kan ik mijn teksten mooi op jullie uitproberen!” Hij schraapte zijn keel. Ome Arie zuchtte en zocht troost in zijn pijp. Ook ik vreesde het ergste en blies een wanhopig wolkje uit.
“Kwam ik laatst bij mijn tandarts, een Griek met een enorme neus, krijg ik een preek, omdat hij zei te kunnen zien, dat ik een tijdlang mijn tanden niet gepoetst had…” De komiek keek even beurtelings naar mij en naar ome Arie. “Hij was onverbiddelijk: ik kreeg een poetsboete. Ze noemen dat mondverzorgings-instructie. € 59,75!” Wij lachten niet. “Zelfs toen ik zei, dat ik drie weken met corona op mijn buik op de IC had gelegen en niet had meegekregen of er iemand op zijn rug liggend onder mijn bed mijn tanden had geprobeerd te poetsen, je weet wel; als een automonteur op zo’n plankje met wieltjes, was hij niet te vermurwen.” Ome Arie keek mij aan, ik keek ome Arie aan. We lachten beleefd. Ons talent werd een beetje nerveus. “Toen hij klaar was, deed hij zijn mondkapje, vanwege die giga-neus meer een ggd-tent, af, kijk ik zo in die twee corona teststraten. Gigantisch! Dat red je niet met een simpel wattenstaafje. Daar heb je formaatje pléborstel voor nodig!” Het publiek lachte wederom beleefd. Tinus leek het op te geven, maar deed nog één wanhopige poging: “En wanneer die gast coke snuift, is zijn mondkapje meer een party-tent…” Ome Arie lachte nu echt en pakte zijn portemonnee: “Hier, Tinus van ’t Hek, € 60,- voor je poetsboete!” De cabaretier keek nu heel besodemietert, maar stopte de tegemoetkoming maar wat graag in zijn zak en fietste, toch wat teleurgesteld, weg op zijn krakende oude damesfiets. Toen lachten wij wel…

Mist

Er hing een dichte mist over ons haventje. Van de bootjes, die niet voor onderhoud uit het water gehaald waren, was niets te zien. Na enig zoeken ontwaarde ik de unieke contour van onze boerenbejaarde. Met de karakteristieke pet en pijp. Ik schoot in de lach, want het was net of de rook uit zijn pijp de basis vormde voor de grijze wolk over ons dorp. Hij groette me, waarschijnlijk meer omdat hij me hoorde dan dat’ie me zag: “goeiemiddag, meneer Ype, wat een klein wereldje is het, vindt u niet?” Ik knikte, maar of hij dat zag? “Ik heb een hekel aan mist, je word er chagrijnig van en het is levensgevaarlijk voor boeren…” “Toch niet alleen voor boeren, ome Arie?” Corrigeerde ik voorzichtig. Hij trok aan zijn pijp. “Vooràl voor boeren!” Vervolgde hij, mij ietwat streng aankijken. Ik besloot niet tegen te stribbelen. “Je rijdt met ploegen zomaar pardoes de sloot in met de trekker, wanneer je geen hand voor ogen ziet!” Daar kon ik me wat bij voorstellen. “Maar dit is nog niks, meneer Ype!” Ik keek hem vragend aan. “Jaren geleden, toen we nog geen GPS en dergelijke hadden, was ik eens aan het ploegen in een potdichte mist. Echt, je zag geen hand voor ogen en het schoot niet echt op, omdat ik bang was voor die sloot, die ergens voor me moest liggen. Bij het minste of geringste vermoeden daarover stopte ik en liep voetje voor voetje vooruit om te kijken, nou meer voelen, hoever ik nog door kon gaan. Het was doodeng!” Hij blies een wolkje rook uit. “Het was natuurlijk gekkenwerk, maar er was vorst voorspeld, en dan wilde ik alles geploegd hebben, dat begrijpt u wel.” Dat ik dat begreep viel tegen, maar ik knikte op goed geluk van wel. “Uiteindelijk had ik de sloot gevonden en had de trekker met de ploeg gedraaid. Ik besloot even een bakkie koffie te nemen, want door de spanning was ik versleten.” Ik hing aan zijn lippen. “Dus ik zet even de motor van de trekker uit en schenk koffie uit mijn thermosfles in een bekertje, hoor ik opeens stemmen!” Hij stopte even voor het juiste effect en omdat zijn pijp was uitgedoofd. Hij stak deze weer aan. “Ik had geen idee, waar die stemmen vandaan kwamen, maar vond het ook geen goed idee om mijn warme trekker achter te laten om op onderzoek te gaan. Ik dronk mijn koffie en begon aan de ploegbaan terug. Zo ploegde ik moeizaam ongeveer een bunder, voordat ik nog een bakkie nam. En weer hoorde ik geluid, nu van een trekker!” Ik begon te snappen waar het verhaal heen ging: “Verkeerde akker?” Vroeg ik voorzichtig. Hij knikte: “Bij de volgende baan ploegde ik haast de spruitenplukker van mijn buurman ondersteboven!” Hij kon er nu wel om lachen. “Die spruitenlui lagen in een deuk, dat snapt u wel!” Hij pafte een wolkje uit zijn pijp. “Toen ben ik maar gestopt, maar heb nog een half uur gezocht naar het dammetje naar de weg…”

Nachtmerrie

Er scheen een bleek winterzonnetje op ons bankje bij de haven. Van ome Arie was nog geen spoor te bekennen. Ik ging op mijn vertrouwde plek zitten, pakte mijn pijp en begon deze te stoppen met heerlijke tabak. Een kerstcadeautje. Niet veel later kwam mijn vriend uiterst langzaam aangefietst. En dat met een superdeluxe elektrische fiets! Hij stapte nogal stijf af, stalde zijn ijzeren ros achter ons bankje, pakte zijn rookgenot uit zijn fietstas, groette en ging moeizaam zitten. “Goeiemorgen, ome Arie!”, beantwoordde ik zijn groet, “Slecht geslapen?” Hij knikte; “Op de bank, want Riek had last van de winderigheid. Dat ik op de bank slaap is bij ons vast gebruik na het genot van Riek’s overigens voortreffelijke snert!” Ik knikte begrijpend en stak mijn pijp op, maar vroeg me toch iets af: “Maar, ome Arie, als veeboer ben je toch wel gewend aan een beetje mestlucht?” Hij keek verbaasd opzij: “Ik heb er ook geen last van! Riek heeft er last van…” Nu viel bij mij het kwartje. De oude boer zuchtte: “Vroeger kon ik het nog wel eens ophouden en met samengeknepen billen naar het toilet rennen om te ontluchten,  maar alles wordt slapper, meneer Ype…” Hij zweeg even en blies een wolkje rook uit. Ik begreep, dat dit een beetje gênant onderwerp voor hem was, daarom besloot ik subtiel van onderwerp te veranderen. Het weer, dat leek me een veilige optie: “Wat een wind, gisteren, hè, ome Arie?” Terwijl ik het zei, besefte ik pas, dat dit een wat onhandige woordkeuze was. Gelukkig leek het hem niet te deren. Hij rookte rustig zijn pijp en dacht klaarblijkelijk na hoe hij zijn verhaal zou vervolgen. “Normaal slaap ik prima op de bank, maar gisteravond leek de erwtensoep niet goed te vallen. Uiteindelijk viel ik in slaap door te denken aan de oude Friesche staartklok, die bij mijn opa en oma in de ‘mooie kamer’ in hun boerenstee stond. Een enorm uurwerk, dat in mijn kinderogen echt immens groot leek. Mijn oma poetste de uurwerkkast iedere week helemaal op, zodat je jezelf erin kon spiegelen en één keer per jaar kwam dhr. Onderdelinden om het uurwerk te smeren en alles weer goed af te stellen. Hij wist zelfs hoe de maanstanden afgesteld moesten worden!” Hij klonk nog steeds vol bewondering en keek me aan: “Echt, meneer Ype, de maanstanden waren op die klok zichtbaar. In de wijzerplaat zat een venstertje waarachter alle maanstanden voorbij gingen. Als klein ventje vond ik dat het summum van techniek!” Hij stak zijn door dit lange relaas gedoofde pijp weer aan. “Door het rustige monotone donkere tikken van deze klok leek de tijd te vertragen. Minuten leken uren, uren leken dagen. Door alleen al te denken aan dit geluid sliep ik dus in.” Hij blies een wolkje de lucht in en ook ik genoot van mijn pijp. “Maar toen kreeg ik een nachtmerrie…” Hij zweeg even om het effect te versterken, maar ook omdat een scooter hard knetterend achter ons voorbij reed. Nadat de rust in het haventje was wedergekeerd, vervolgde hij zijn verhaal: “Ik droomde, dat ik om die maantjes beter te kunnen bekijken er zelfs het houten keukentrapje uit de stal bij had gehaald. Totdat opa me betrapte en boos dat trapje weggooide. Volgens hem zat daar houtworm in en derhalve te gevaarlijk om nog langer op te gaan staan.” Hij keek me nu verdrietig aan. “Dat kon ik toch ook niet weten?” Ik schudde mijn hoofd, vooral  om hem te steunen, want veel begreep ik er niet van. “Toen ik een paar weken later met mijn broertje Dirk in de mooie kamer met autootjes aan het spelen was, kwam ons favoriete model, een klein bulldozertje, tegen een poot van de Friesche staartklok. Die poot verkruimelde: wellicht was deze door een uit het keukentrapje geëmigreerde parasiet getransformeerd in losse pulp. Daarop begon de klok tergend langzaam voorover te vallen…” Ik hing nu aan zijn lippen. “Wij dreigden onder het enorme gevaarte  verpletterd te worden, maar gelukkig kon ik juist op tijd opzij rollen.” Ik zuchtte van verlichting, maar was toch bezorgd: “En Dirk, kon Dirk nog op tijd wegkomen?” Ome Arie haalde met een pijnlijk gezicht zijn schouders op: “Dat weet ik niet, want toen werd ik naast de bank wakker, badend in het zweet en met pijn in mijn rug en in mijn schouder!” Ik keek waarschijnlijk nogal dom, want de oude veeboer schoot in de lach.

 

Nieuwjaarsborrel

Het waaide stevig. Ome Arie zat helemaal voorover gebogen en met zijn vrije hand als windscherm voor zijn pijp te proberen de tabak aan te steken. Het ging moeizaam, net als vloeken met een pijp in je mond. Gelukkig. Ik begon even later aan hetzelfde gevecht met de wind. Uiteindelijk konden we beiden achterover leunend geurige rookwolkjes uitblazen. “Heb je nog goede voornemens, ome Arie?”, trachtte ik het gesprek op gang te krijgen. Het lukte: “Op mijn leeftijd kun je je hooguit voornemen nog even te blijven leven, meneer Ype.” Hij trok aan zijn pijp: “Dus niet meer roken…” Ik schoot in de lach. De oude baas glimlachte: “liefst iets minder, want de tabak wordt steeds duurder…” Hij knipoogde en trok met een intens tevreden hoofd aan zijn pijp, om vervolgens de rook langzaam uit te blazen. Met zijn ogen dicht. Ook ik genoot van mijn pijp. Ondanks de wind, die wel een ietwat storende factor bij dit rustmoment was. “Hoe gaat het eigenlijk met je neefje Tinus?” vroeg ik voorzichtig, toch een beetje bang voor slecht nieuws. (Neef Tinus had corona, zie : ‘De erfenis van ome Arie, voorlaatste hoofdstuk.) Tot mijn opluchting viel het antwoord alleszins mee: “Prima, meneer Ype, prima, tenminste voor zover het zijn gezondheid betreft. Hij is gelukkig weer thuis.” Ik hoorde enige aarzeling in zijn stem, maar besloot niet verder te vragen. “Hij is nog niet helemaal de oude, maar heeft al wel mee kunnen doen met de nieuwjaarsborrel van de zaak!” Ik slaakte een zucht van verlichting: “Dat is goed nieuws, ome Arie!” De oude veeboer reageerde matig enthousiast: “Nou was deze borrel online, dus hij zat thuis, keurig in overhemd en stropdas voor zijn laptop aan de keukentafel. Om echt naar de zaak te gaan was hij nog te zwak.” Ik knikte begrijpend. “Als dat ooit nog komt…” Ik keek verbaasd opzij, daar ik niet gewend was, dat hij zo somber klonk. “Ze hadden bij hun kerstpakket een fles champagne gekregen met de boodschap deze pas bij de nieuwjaarsborrel te openen. Op zich een leuke gedachte. Dus zo gevraagd, zo gedaan, en Tinus liet het zich goed smaken. Zò goed, dat hij de fles al leeg had, toen de baas het glas hief en aan zijn nieuwjaarstoespraak begon…” Ome Arie stampte de tabak in zijn pijp aan. “Dus Tinus zat met een leeg glas. Gelukkig wist hij, dat er in de ijskast nog een restje Prosecco van Oud en Nieuw stond. Dus hij staat, al enigszins in de olie, op om dat restje drank te pakken, en vergeet dat hij het niet nodig had gevonden onder dat nette overhemd met dasje ook nog een broek aan te trekken…” Nu schoot ik in de lach. “En net op dat moment zegt zijn baas: ‘2021 was een slap jaar, we moeten er in dit jaar hard aan trekken!” Ome Arie kon er niet om lachen, ik wel. “Staat die sukkel dus met zijn blote slingertje vol in beeld! U begrijpt, meneer Ype: de stemming zat er bij de andere gasten van de nieuwjaarsborrel gelijk goed in!” Ik gierde het uit, maar ome Arie bleef serieus. Hij blies een grote wolk uit. “Toen hij het besefte, was het te laat. De baas deed aan de andere kant op zijn bureau zijn laptop tergend langzaam dicht. Onze Tinus zag zodoende nog net een aantekening op diens notitieblok: ‘Tinus: functie elders?’…”

Klomp

Nieuwjaarsdag. Op ons bankje bij de haven zat ome Arie net met grote wolken om zijn hoofd zijn pijp aan te steken toen ik mijn scootertje moeizaam op zijn standaard (of heet dat ‘bok’?) hees. Het was zacht weer en onze bejaarde veehouder zat duidelijk van zijn geurige rokertje te genieten. “Goeiemorgen, ome Arie, hoe is het?” begon ik ons eerste gesprek van het jaar; “Nog naweeën van de vaccinatie gehad?” Hij schudde ontkennend. Gelukkig kon hij nu wel lachen om mijn flauwe grap van gisteren. Om ons heen lag de straat bezaaid met vooral rood papier. Vuurwerkresten. Ome Arie zag me kijken en schudde zijn grijze kop. “Niemand heeft zich wat aangetrokken van het vuurwerkverbod, meneer Ype.” Ik wist het, want ook ik was tot diep in de nieuwjaarsnacht wakker geknald. “Ach,” verzuchtte mijn oude vriend, “ergens begrijp ik het wel. Wij zijn toch ook jong geweest, meneer Ype?” Dat was natuurlijk waar, maar ik heb nooit zoveel met vuurwerk gehad. Ome Arie duidelijk wel. Hij glimlachte om mijn minder vrolijke kop. “Gisteravond, of eigenlijk nacht, schrok ik me ook rot van een enorme knal.  Daar had ik ook niet op gerekend door het vuurwerkverbod!” Hij trok aan zijn pijp; “We zaten bij mijn schoonzus Agaath en zwager Boudewijn.” Ik stak op mijn beurt mijn pijp aan en keek hem verwachtingsvol aan, nieuwsgierig naar het vervolg van zijn verhaal. “Ik zei nog tegen Riek: ‘nou breekt mijn klomp!’, toen Boudewijn, die was gaan kijken, waar die knal vandaan kwam, inderdaad terug kwam met één van mijn klompen. In duizend stukken!” Hij leek er de humor wel van in te zien: “Kwajongens hadden mijn klompen bij de deur zien staan en daar vuurwerk in gestopt!” Hij zat met een grote grijns, dus het leek hem niet te deren. “Maar vind je het dan niet erg, dat ze je klomp gesloopt hebben?” verbaasde ik me. “Ach, meneer Ype, het is maar een onschuldige kwajongensstreek en het waren toch maar ouwe klompen.” Hij trok weer aan zijn pijp en vervolgde: “Dus ik ga ook buiten kijken. Wat een ravage! Overal zag ik stukken klomp en de splinters lagen  tot aan de straat.  Loopt er zo’n belhamel langs en die zegt: ‘zo, ouwe, kun je een handel in tandenstokers beginnen…’ Kijk, meneer Ype, dan kan ik niet meer boos worden, dan schiet ik in de lach.” En hij lachte nu weer. Ome Arie ten voeten uit, ook zonder klompen. Heerlijk! 

 

de verdoving

We waren voor onze boosterprik naar Ahoy in Rotterdam gereden. Nadat we onze ‘gouden koets’ op een invalidenplek hadden neergezet lieten we ons langs een enorme rij wachtenden rijden in een golfkarretje, bestuurd door een uiterst vriendelijke jongeman met een mediterraan uiterlijk. In de hal stonden ook nog best veel wachtenden vóór ons, maar men schuifelde in een behoorlijk tempo richting prik. Toen zag ik opeens ome Arie. Hij schuifelde vlak voor me op zijn klompen richting incheckbalie. Hij had zijn pet op, een mondkapje voor en een vrij overbodige zonnebril op. Ik schoot in de lach en hem aan: “ha, die ome Arie!” Hij keek verschrikt om en siste: “ssst, straks horen ze u nog, meneer Ype!” Vervolgens keek hij schichtig om zich heen: “Ik ben bewust naar Rotterdam gekomen om niet herkend te worden als bekende Hoeksche Waarder!” Ik keek nu heel verbaasd. Weer keek hij om zich heen: “Ik schaam me dood als ik weer eens flauwval!” Nu begreep ik hem. Hij had me wel eens over zijn overgevoeligheid voor spuitjes gehad, daarom was ik de vorige keer met hem meegegaan. (Zie: ‘de erfenis van ome Arie, pag. 172) Toen had het geen problemen gegeven, daarom had ik aangenomen, dat hij over zijn angst heen was. Ik dacht even na en vroeg: “Maar ik ben er nu toch? Dan ga ik toch weer met je mee?” Hij keek wat verlegen: “Zou u dat willen doen, meneer Ype?” Ik knikte: “Natuurlijk ome Arie!” en vroeg hem maar niet waarom hij het niet gewoon eerder deze week aan me gevraagd had. “Het is trouwens wel verstandig, dat je hebt gekozen voor Ahoy voor je vaccinatie, ome Arie!” De oude baas begreep mij nu eens niet, een moment, waar ik intens van genoot. “Hier krijg je eerst een verdoving voordat je gevaccineerd wordt!” Gelukkig had hij geen pijp in zijn mond, want die viel open van verbazing: “Meent u dat, meneer Ype, dat wist ik helemaal niet!” De omstanders gniffelden een beetje, maar ome Arie was te druk met deze laatste medische ontwikkeling om dat op te merken. Toen we uiteindelijk bij de prikpost waren, haastte ik me de prikjuffrouw, een stevige, uiterst vriendelijke Surinaamse, toch een beetje te waarschuwen: “Mijn vriend ome Arie is een beetje nerveus, daarom heb ik hem beloofd, dat ik u zou vragen of hij eerst verdoofd kan worden…” en vergezelde deze woorden met een vette knipoog. Gelukkig begreep ze het en gebaarde ome Arie, dat hij naast haar  moest gaan zitten. Gewillig stroopte de oude baas zijn mouw op, waarop hij een prik kreeg. “Zo, dit is de verdoving, ome Arie, wanneer u nu even een kwartiertje dáár plaats neemt…” Ze wees op een zaal vol stoelen, “want we moeten even afwachten tot deze gaat werken…” Ome Arie keek me nu heel besodemietert aan, omdat hij opeens door had, dat hij besodemietert werd. De lach van de Surinaamse was onbetaalbaar…

 

Het zwanenmeer

Na een copieus kerstontbijt besloot ik tot een frisse neus. Op mijn scootertje tufte ik goedgemutst (een wollen muts was met de kou geen overbodige luxe…) richting het schilderachtige haventje van ons dorp. Daar trof ik tot mijn verbazing ome Arie met een hele schare kinderen om zich heen. Hij stak net zijn pijp op, dus zat hij er nog niet zo lang. Ik ging op het andere uiteinde van ons bankje zitten om het mooie tafereeltje niet te verstoren. Terwijl hij een grote wolk rook uitblies knipoogde hij even naar me als groet. Hij keek vervolgens heel ernstig, alsof hij diep nadacht, nam zijn pijp uit zijn mond, en sprak: “Een zwaan met maar één poot, zeggen jullie?” De kinderen knikten in koor. “Ja, ik begrijp, dat jullie daar erg van geschrokken zijn, maar dat hoeft echt niet hoor!” Hij nam een trekje van zijn pijp en boog voorover naar zijn gehoor: “Toevallig ken ik haar heel goed! Waar hebben jullie haar gezien?” De kinderen struikelden over elkaars woorden om hem te antwoorden. Hij hoorde het aan, glimlachte minzaam en, onderwijl een wolkje uitblazend, vervolgde: “Oh, woont ze tegenwoordig dáár. Ik had haar inderdaad al een tijdje gemist!” De kinderen hingen aan zijn lippen. “Wisten jullie, dat zij vroeger een heel beroemde balletdanseres was?” De kinderen wisten dat niet. “Hebben jullie wel eens gehoord van ‘Het zwanenmeer’, dat prachtige ballet over een mooie witte zwaan?” Één van de kinderen stak een eigenwijs vingertje in de lucht: “Maar die zwaan gaat toch dood?” Ome Arie liet zich door dit slechte nieuws niet uit het veld slaan: “Dat gebeurt niet echt, hoor, dat is alleen in het ballet…” De kinderen waren één en al oor. “Onze zwaan wilde dolgraag ‘Het zwanenmeer’ dansen, maar werd steeds afgewezen bij de audities, omdat ze met haar zwemvliezen geen pirouette kon doen.” Een klein jongetje stak zijn vingertje op: “Wat is dat, een piroe-et?” Ome Arie keek rond en wees een meisje met prachtige blonde krullen aan: “Fleur, jij doet toch aan ballet? Kun jij laten zien, wat een pirouette is?” De familie-ballerina liet het zien. Ik applaudisseerde enthousiast met het hele gezelschap mee. De ster ging weer zitten en ome Arie vervolgde zijn verhaal: “Onze zwaan was daardoor heel verdrietig, dat begrijpen jullie wel!” Er werd geknikt; ze begrepen het. “Maar op een dag kwam ze Botox de tovenaar tegen. Die raadde haar een schoonheidsoperatie aan. Hij kon haar ene zwemvlies verkleinen, en dan zou ze prachtige pirouettes kunnen draaien!” Ik schoot in de lach, hetgeen door de kinderen niet gewaardeerd kon worden; ik werd vernietigend aangekeken. Ik vermande me en stak verlegen mijn eigen pijp aan. “Aldus geschiedde,” vervolgde onze meesterverteller, “De lelijke zwemvlies werd verwijderd en ze kreeg een puntige kunstpoot, waar ze de prachtigste pirouettes mee kon dansen!” Hij nam een trekje aan zijn pijn, leunde tevreden achterover en maakte zijn verhaal af: “Ze werd de ster van het ballet en bij haar publiek stroomden de tranen over de wangen van ontroering!” De kinderen zaten met open mondjes te luisteren. “Dus ze is juist helemaal niet zielig!” Het bleef stil. Het verhaal moest duidelijk even bezinken. Daarna volgde de mooiste groepsknuffel, die ik ooit gezien heb. Met tranen in mijn ogen vervolgde ik mijn kerst.

 

Kerstmenu

Het was koud. Zo koud, dat er een wit wolkje uit ome Aries’ mond kwam, terwijl hij zijn pijp nog niet eens aangestoken had. Ik ging naast hem op ons bankje aan de haven zitten en overhandigde hem, als afgesproken, één van mijn boekjes. “Zal ik het nog signeren, ome Arie?” Hij knikte terwijl hij zijn pijp aanstak. “Als u dat zou willen doen, meneer Ype, het is een cadeautje voor mijn schoonzus Agaath!” Ik had er gelukkig aan gedacht een pen mee te nemen. Nadat ik een kerstwens en mijn handtekening in een exemplaar van ‘Kapoentje’ had gezet overhandigde ik hem het hem. Hij bedankte me door met zijn hand aan zijn pet te tikken. “Dit jaar vieren we kerst met mijn zwager en haar…”; hij wees bij deze woorden op het boekje; “Ze hebben een moeilijk jaar achter de rug, dus, ach…” Hij zuchtte; “de kerstgedachte, meneer Ype!” Ik glimlachte: “Dus bloemkoolroosjes en worteltjes gourmetten, ome Arie?” herinnerde ik me nog van een jaar geleden. (Zie: ‘de erfenis van ome Arie’)
Hij knikte, een beetje triestig. “Daar kom ik niet onderuit.” Hij stak zijn pijp aan en produceerde een paar grote rookwolken: “Dat heb ik te danken aan mijn broer Dirk, het zwarte schaap van de familie.” Ik keek verbaasd opzij: “Dirk? Daar heb ik je nog nooit over gehoord!” Hij keek nors, dus ik vroeg maar niet verder. “Stomme geitenboer!” Ik keek verbaasd, want ik kende onze vriendelijke boer zo niet. Zo boos. “Maar wat heeft hij je aangedaan, dat je zo nijdig bent, ome Arie?” Hij blies weer een grote wolk stoom af. “Vroeger gingen we als familie met de kerst met z’n allen naar de Chinees. Dat was voor ons altijd groot feest en het wat onduidelijke vlees bij dat restaurant voorkwam allerlei zielige dierenverhalen…” Ik begreep hem: “à la Flappy, bedoel je?” Hij knikte. “Maar Dirk moest zo nodig lollig doen toen er een grote schaal vlees op tafel gezet werd riep hij: ‘daar is de Bambi pangpang!’ En dat viel verkeerd. Agaath werd op slag boos en vegetariër!” Ik schoot in de lach: “Dus door Dirk moet jij met de kerst courgettes en champignons bakken?” Hij knikte en blies weer een boze wolk uit.