Er wordt veel geschreven over probleemkinderen in het middelbaar onderwijs, maar vrijwel niets over de probleemdocenten. Iedere middelbare school heeft er één of zelfs meerdere. Gevreesd door vrijwel alle ouders. De eerste schooldag is voor hen altijd erg spannend: “Wie heb je voor wiskunde, toch niet Jacobs?” Bij een bevestigend antwoord wordt dan al direct zuchtend op internet gezocht naar een bijles-docent.
Onze dochter kwam zo eens thuis met de mededeling dat ze ene mevrouw Beersma voor Duits zou krijgen. Deze had ook een twijfelachtige reputatie. Daar Maartje behoorlijk goed in haar talen was, maakten wij ons onterecht geen echte zorgen, hetgeen resulteerde in een 5 voor Duits op haar kerstrapport. Ik vond het knap van deze docente dat ze deze op taalgebied behoorlijk begaafde leerlinge een onvoldoende had kunnen aansmeren. Hoe had ze dat voor elkaar gekregen? Waren de toetsen mogelijk veel te moeilijk? (Mijn vader, die ook docent was, had een collega, Dhr. Poldermans, die zulke moeilijke sommen voor zijn tentamens bedacht, dat de behaalde cijfers standaard met √2 vermenigvuldigd moesten worden om tot een acceptabel klasseresultaat te komen)
Ik besloot samen met Elly naar de ouderavond te gaan om over het magere resultaat van Maartje met mevrouw Beersma in gesprek te gaan.
In de gang voor het lokaal van onze docente Duits waren extra stoelen neergezet. Het was er drukker dan bij alle andere docenten. Dat beloofde niet veel goeds. We gingen zitten en zagen steeds de één na de andere ouder met geknakte oortjes, licht voorovergebogen het lokaal verlaten. De onvoldoendes lagen natuurlijk altijd aan de luiheid en gebrek aan inzet van hun kind. Beersma had jaren ervaring in het afzeiken van ouders. Zelfs de meest zelfverzekerde stoere kerels schuifelden bedremmeld naar buiten.
De docente aanspreken op haar gebrekkige didactische vermogens leek dus geen optie, bedacht ik.
“Laat mij straks maar het woord doen”, fluisterde ik tegen Elly. Ze keek verbaasd opzij. “Wat ben je van plan tegen die heks te gaan zeggen dan?” “Laat mij nou maar”
Bij het betreden van het lokaal gaf ik mevrouw Beersma een warme hand en ging met een bezorgd hoofd zitten. “Even kijken,” zei de grijzende dame in een lange spijkerrok en cowboy-laarsjes eronder, “U bent de ouders van Maartje.” ze bladerde wat in papieren op haar bureau. “Ik maak me ernstig zorgen over mijn dochter” zei ik, “Ze heeft een 5 voor Duits” Beersma keek me iets verbaasd aan. Een ouder, die niet begon met haar aan te vallen? Dat was nieuw. Ik ging verder: “En aan het eind van dit schooljaar moet ze een keuze maken voor de bovenbouw, en ik zou het vreselijk vinden, wanneer ze het vak Duits zou laten vallen” Er werd verbaasd gekeken, ook door Elly. “Maar u hoeft zich over Maartje toch niet echt zorgen te maken, meneer Swart…” Ik onderbrak haar: “Mevrouw Beersma, dat zou toch vreselijk zijn! Dan zou ze nooit kennis kunnen maken met het enorme cultuurgoed van de Duitse literatuur. Borchert, Goethe, Böll, maar vooral Kafka!” Ik haalde diep adem, “Die Verwandlung, das Schloss, Amerika, wereldliteratuur! Ondenkbaar dat mijn dochter dat zou moeten missen!” Elly zat me nu met halfopen mond aan te kijken, Beersma leefde helemaal op. “U houdt van Kafka?” “Mevrouw Beersma, hoe kunt u dat vragen? Geweldige boeken, stuk voor stuk, met ‘Der Process’ als hoogtepunt.”
Elly’s mond viel inmiddels helemaal open. Onze docente werd opeens erg positief over Maartje. “Maartje is erg leergierig, dus maakt u zich geen zorgen, hoor. Ik denk, dat die 5 slechts een incident is!”
Het klopte. Dochterlief heeft sindsdien geen onvoldoendes voor Duits meer gehaald. Vreemd was wel, dat haar repetities na die dag minder nauwkeurig werden gecorrigeerd.