De familie

Altijd wanneer ik de hoek omga bij de kantine van de Zinkwegse Boys heb ik een ’thuiskomgevoel’. Zo ook gisteren, waarbij dit gevoel nog versterkt werd door de heerlijke geur van gebakken uien. Onze Robert (den Blijker, noemde iemand hem al in een appje..) was zich aan het voorbereiden op een drukke middag aan zijn barbecue-kraam. Hamburgers en Frankfurters lagen vredig naast elkaar op de bakplaat en voor deze gelegenheid stond er een grote ketel met echte snert. Ik kon de verleiding niet weerstaan en kocht een bakkie. Overheerlijk. In plaats van te moeten zoeken naar de worst en het vlees moest ik zowat zoeken naar de erwten. De middag kon voor mij al niet meer stuk. Chapeau voor weer zo’n vrijwilliger, die er gewoon is.
Er klonk luide muziek. Donderdagavond waren er extra geluidsboxen opgehangen. Balancerend op een keukentrapje. Alles voor een voetbalfeestje.
En een feestje werd het, ondanks het resultaat. (3-1 verlies)
Het veld werd omringd door een grote schare toeschouwers. De hamburgers en worsten waren niet aan te slepen, de snert was al gauw op. Achter de bar wisten een paar dames (Natasja wist ik, maar die andere kanjer?) en natuurlijk Jan van aanpakken.
Het lijkt zo gewoon.
Soms zonder ik me een beetje af om alles goed te kunnen bekijken. Dan ga ik alleen aan de bar zitten. Dat deed ik zaterdag ook. Naast me kwam een oude ploegmaat zitten. Hij gaf me een biertje en we dronken. “Ik kan er niet wakker van liggen, dat we verliezen, wanneer ik dit allemaal zie” zei ik. Hij zweeg en nam een slok. “Nou lig ik eigenlijk nergens van wakker” voegde ik eraan toe. En dat klopt; ik slaap doorgaans als een os. “Ik lig wel eens wakker, hoor” zei hij. Hij klonk triest. “Niet van een voetbalwedstrijd, dat is maar een spelletje.” Hij nam nog een slok. Ik keek hem vragend aan. Hij haalde diep adem en vervolgde: “wel van de zorgen om mijn vrouw” Ik nam een slok en zweeg. Soms moet je even je mond houden. Hij vertelde over bestralingen, operaties en chemokuren. Over de gevolgen daarvan. Dat zijn lief de badkamertegels niet meer onder haar voeten kon verdragen. Over de onzekerheid. Ik keek hem aan en zag zijn ogen in diepe meren van verdriet liggen. Er sprak angst uit. Angst te verliezen, angst voor de pijn van zijn maatje, zijn wederhelft. Ik kende hem zo niet. Het was een intiem moment. Hij moest het even kwijt.
Ook dat is de ZWB. Een thuis waar je even naar toe kunt vluchten om je zorgen en verdriet te delen met je familie. Want dat zijn we: een grote familie.
Opeens was mijn eigen lief er. Ze kwam langs om de oude kranten in de oud-papiercontainer te gooien. Ik legde even mijn arm om haar heen, ik moest haar kerngezonde lijfje even voelen. Mijn vriend dronk zijn biertje op, sloeg mijn aanbod voor een nieuw af en ging naar huis. Ik keek hem na en telde mijn zegeningen. Sterkte, gozer!