Kolerejong

Het is een grijze zaterdag. De eerste grieppatiënten liggen in hun bed zich beroerd te voelen. Zo ook onze verzorger, Leo. “Hij is te beroerd om uit zijn ogen te kijken en te lamlendig om op zijn benen te staan!” verklaar ik zijn afwezigheid. “Dat weten we, maar waarom is hij er vandaag niet?” krijg ik als antwoord. (Dit is maar een grapje, hoor)
Dus ik sjouw de tas met EHBO spullen mee, de bidons en de waterzak met wonderspons.
Vóór de wedstrijd is er gelukkig weinig te verzorgen. Een paracetamolletje hier, wat vaseline daar, verder niet. Het met de waterzak en bezorgde kop het veld oprennen, iets waar Leo erg goed in is, laat ik aan een ander over. Vooral het rennen is vanwege mijn afbrokkelende heup een probleem. Tegen de tijd, dat ik bij een gewonde speler aangestrompeld kom, is deze al op en neer naar het ziekenhuis geweest om Röntgenfoto’s te laten maken. Dus een ander (Henk, bedankt!) neemt die honneurs waar.
Zodra de wedstrijd begint en de tegenpartij al snel gescoord heeft, ga ik een broodje halen. Het gaat vandaag niet echt een spannende wedstrijd worden.
Bij het frietloket staat vóór me een klein donker mannetje met kort kroeshaar en een paar donkerbruine erg ondeugende kooltjes als ogen. Met een enorme schattigheidsfactor. Hij legt de centjes uit zijn knuistje voorzichtig op de toonbank en kijkt verwachtingsvol de blonde, volop getatoeëerde, struise Rotterdamse vrijwilligster van de snacktoonbank aan en mompelt zachtjes zijn wens. “Dat is niet genoeg, jong” zegt de dame streng maar rechtvaardig, wijzend naar het schamele geldbedrag op de toonbank. Hij kijkt teleurgesteld, pakt de centjes, en draait zich om. Ik heb de neiging mijn portemonnaie te pakken om het verschil bij te leggen, maar de strenge dame is me voor. “Hé knul”, roept ze en geeft hem een snoepje als troost. Het mannetje loopt met een heerlijke glimlach weg. “Het lukt hem altijd iets te scoren”, zegt de Rotterdamse, “Maar zo’n kolerejong is toch niet te weerstaan?” verontschuldigt ze zich. Ik krijg mijn broodje worst en geef haar een fooitje. Zo’n heerlijk Rotterdams kolerewijf is toch ook niet te weerstaan?