“Volgens de buurvrouw heb ik precies hetzelfde als wat zij heeft”, zei de vrouw, met haar jas nog aan en haar hoedje nog op. Ze had iets van mevrouw de Bok uit de shows van Andre van Duin vroeger. “Daarom kom ik nu bij u, want die andere masseur begreep er volgens mij niks van. Die liet me alleen wat stomme oefeningetjes doen en deed zelf niets.” Ze ging zitten met haar tas op schoot en een verongelijkte blik. Ik hield wijselijk mijn mond, want het is uiterst ongepast om je collega’s af te vallen. Bovendien had ik nog geen idee, wat het gezondheidsprobleem van ‘mevrouw de Bok’ eigenlijk was. Ik nam haar NAW gegevens op. (Naam, Adres, Woonplaats etc.) Voordat ik een gerichte vraag kon stellen ging ze verder: “En het had bij de buurvrouw goed geholpen, wat u gedaan had, dus ik dacht, laat ik voortaan maar naar haar masseur gaan!”
Ik ging er eens voor zitten. “Waar heeft u last van?” “Nou, dat zei ik net, van precies hetzelfde als waar de buurvrouw last van heeft, die gegevens heeft u toch al?” Ze vond het zelf heel logisch, wees naar mijn beeldscherm: “Daar kunt u het toch opzoeken? De buurvrouw van nr. 4, Mevrouw Jansen” Ze begreep mijn aarzeling niet. “Daarom kom ik toch bij u, want die andere koekenbakker begreep er volgens mij niets van” Ik onderdrukte een zucht. “Die andere, koekenbakker, zoals u dat noemt, wist toch ook wat uw klachten waren?” Ze keek me vol onbegrip aan: “Nee, natuurlijk niet! Daarom kom ik bij u” Nu keek ik niet begrijpend. “Die koekenbakker kon mijn klachten immers nooit begrijpen?” “Hoezo niet?” vroeg ik, terwijl ik al een tikkie begon te wanhopen. “Die heeft de buurvrouw toch niet onder behandeling?”
Het ging een moeilijke dag worden…
Vlagger
De scheidsrechter had een zonnebril op. Zo’n snel model. “Nou, dat beloofd wat,” zei ik, “De scheids lijkt op Stevie Wonder” De man naast me lachte. De wedstrijd begon en Stevie rende helemaal met de ‘pupil van de week’ mee op weg naar het doel van Martijn Krediet. Uitslover.
Het was behoorlijk koud. Een gure oostenwind joeg over het veld en ik had een plekje uit de wind opgezocht. Het ging onze Boys niet erg voor de wind. FC Binnenmaas scoorde een buitenspeldoelpunt. Onze dik ingepakte Sjaak stond zich kleurenblind te vlaggen, maar het zonnebrilletje had ingebouwde oogklepjes. Even later ging een bal van onze boys volledig over de doellijn van de tegenstander, maar de grensrechter aan de andere kant hield wijselijk zijn vlag omlaag en Stevie had een vuiltje op zijn bril.
Ach, we hebben er gewoon mee om te gaan. Zo’n scheidsrechter staat er ook voor zijn lol. (Lastig voor te stellen, maar toch…) Zonder die mensen voetballen we helemaal niet.
Club-grensrechters, dat is een heel ander verhaal. “een goede grensrechter levert de ploeg punten op” is een veelgehoorde uitspraak rond de amateurvelden. Dit suggereert toch wel enige corruptie. “Maar iedereen doet het” JaJa. En het is als grensjager de kunst de scheidsrechter te laten geloven, dat je te vertrouwen bent. Wanneer er langs de lijn zo’n met moeite in een overmaats trainingspakkie gehesen Michelinmannetje loopt te puffen en te hijgen, met het schuim van het bier nog aan zijn snor, komt dat niet echt betrouwbaar over. Er schijnt ook wel een geprobeerd te zijn om met een prachtige blondine als grensrechter de aandacht van de scheids te trekken, maar dat was ook volkomen ongeloofwaardig natuurlijk, zo’n scheids is ook niet achterlijk. Een blondje, dat de buitenspelregel begrijpt. Kansloos!
Ondertussen stond zoon Nick langs de lijn de verrichtingen van ons vlaggeschip met grote ogen te volgen. Maar dat kwam vooral door zijn brilletje. Op een foto zag ik later, dat onze Sjaak zelfs gerend had.
driewieler
Het was met afstand het ranzigste broodje hamburger, dat ik ooit voorgeschoteld heb gekregen. Op zo’n kartonnetje. Eigenlijk zou er een waarschuwingsbriefje bij moeten zitten met een routebeschrijving naar de dichtstbijzijnde AED. Onder een dikke laag mayonaise lag een dikke laag ketchup. Daaronder zat iets, dat het meest weg had van een gefrituurd, volvet bierviltje en een drie dagen oud broodje, waarvan de leeftijd getracht was te verdoezelen door het te doorweken met de mayo. Met gevaar voor een acuut hartprobleem probeerde ik toch er iets van te eten.
Het was bij voetbalvereniging NBSVV. Onze jongens moesten daar een belangrijke wedstrijd spelen. Iedereen was fit, dus mijn aanwezigheid in de buurt van de kleedkamer was niet noodzakelijk.
De harde kern van Zinkweg-supporters betrad de vrij ongezellige kantine. Wollen mutsen op, handschoenen aan. Ze waren op de fiets van Oud-Beijerland naar Nieuw-Beijerland gekomen. Aad Vink, 80 jaar en Kees van Dijk, die toch ook al de leeftijd der sterken bereikt heeft. Echte bikkels.
Er kwamen meer oude rotten. Er werd druk gespeculeerd over de te volgen tactiek in de beladen degradatiewedstrijd van die middag. Ik hoorde alles zo eens van een afstandje aan en knikte af en toe op goed geluk, alsof ik het begreep en het er mee eens was. Ik dronk mijn koffie en hield verder mijn mond maar. De door trainer Mark uitgestippelde tactiek bleek uiteindelijk de juiste: Er werd met 2-0 gewonnen.
In de 82e minuut werd de wedstrijd gestaakt. Er werd teveel gezeurd door de thuisploeg. De boys lieten zich niet provoceren en waren opvallend beheerst en gedisciplineerd. Een compliment waard.
Na een afkoelingsperiode van een kwartier werd de wedstrijd toch uit gevoetbald. De heren Vink en van Dijk zaten toen alweer op hun fiets richting huis. Ze werden op hun mobiel gebeld en Aad draaide resoluut zijn driewieler om, daar hij niets wilde missen, en fietste terug. Kees had voldoende gezien en fietste door. Hij had gelijk, want Aad kwam precies op tijd voor het eindsignaal.
Ondertussen probeerde ik de smaak van het broodje hamburger met wat bier weg te spoelen. Tevergeefs.
Dikke dames
“We gaan dikke dames schilderen”, zei mijn lief tegen me. Ik was net thuis en zat met een biertje bij te komen van een drukke dag. “Wie zijn het? Erika Terpstra en Rita Corita?” Ik kreeg een vernietigende blik. Mijn humor wordt niet altijd gewaardeerd. “Met de poldermeiden gaan we afbeeldingen schilderen van voluptueuze dames. Dat is leuk” Ik nam een slok en stelde me voor hoe leuk dit moest zijn en kwam tot de conclusie, dat smaken nu eenmaal verschillen. Waar de dames niet kunnen begrijpen, dat we bij de heerenclub het lollig vinden om met zo min mogelijk klappen met een hamer proberen een spijker in een houten balk te slaan.
De Zinkwegse boys is meer dan een simpele voetbalclub; het is een gezelligheidsvereniging, een familie. Er wordt geklaverjast, er wordt gefeest, er wordt veel gelachen en soms samen verdriet gedragen.
’s Avonds krijg ik al de eerste foto’s doorgestuurd van lange tafels met poldermeiden, die met hun tongpunt uit hun mond ingespannen zitten te schilderen. Heel serieus. Maar vooral heel gezellig, heel eensgezind.
(Toen Elly ’s avonds thuiskwam en ik die foto’s zag, vroeg ik: “waren er geen ezels?” Haar antwoord: “Nee, die moesten thuis op de kinderen passen…”)
Toch had ik het ook wel lollig gevonden wanneer ze Erica Terpstra, schaars gekleed zittend op een krukje, aan het vol-kliederen waren geweest.
Scheidsrechter
Ik zat met verzorger Leo een bakkie te doen in de bestuurskamer van onze club. De trainer was bezig met de wedstrijdbespreking en dat is voor ons even een moment, dat we ons terugtrekken voor een korte pauze. Rond die tijd komt ook vaak de scheidsrechter van die middag zich melden. Zo ook zaterdag. Een kleine jonge man met iets rood haar stapte pseudo-zelfverzekerd de bestuurskamer binnen met achter zich een KNVB waarnemer. Er werd koffie geschonken en vriendelijk gedaan. Het viel me op, dat het mannetje zo te zien net van de kapper kwam. Het leek wel, of zijn haar rood geverfd was.
Waarom wordt iemand scheidsrechter? Geen idee. Net als doodgraver of patholoog-anatoom is dat niet een voor de hand liggend antwoord, wanneer de juf van groep drie je vraagt, wat je later wilt worden. Toch zijn er nog steeds mensen, die er vrijwillig voor kiezen. De doodgraver en de patholoog-anatoom verdienen nog een goede boterham (wanneer je die nog door je keel kunt krijgen) maar die scheidsrechter krijgt hooguit een kilometervergoedinkje. En loopt meer risico, want een dode trekt jouw beslissing niet in twijfel en komt niet luid gebarend op je afstormen terwijl hij je zijn eigen ziektes toewenst. Als een soort zombie.
De patholoog-anatoom zal bij een obductie mogelijk wel eens achteruit deinzen door de geur van zijn patiënt. De scheids deint telkens achteruit wanneer hij weer eens belaagd wordt. (Het valt me vaak op, dat scheidsrechters erg hard achteruit kunnen lopen, en dat met een kaart in hun hand…)
Het keurig geknipte mannetje kon ook best hard achteruit rennen. Een koddig gezicht: net een film over het paard van Anky van Grunsven, maar dan achteruit gedraaid. Het was niet zijn gelukkigste middag, maar dat gold ook voor onze Boys. Snel vergeten.
Toch benieuwd of hij zijn haar geverfd had…
de Wokkok
Wanneer ik hoor, dat een vroegere buurman in een verpleeghuis knokt voor ieder beetje herstel van zijn waardigheid na een herseninfarct, die hem, zomaar, opeens trof,
Wanneer ik hoor, dat een prachtig goedlachs mens, dat ik vaak tegenkwam op verjaardagen heel slecht nieuws over haar gezondheid heeft gekregen,
Besef ik, dat ik iedere dag zingend uit mijn bed moet springen en moet genieten van ieder moment. Samen met vrienden uit eten gaan zijn van die momenten.
Zondag kwamen goede vrienden bij ons langs. We kletsten wat, we dronken wat en rond zeven uur kregen we trek en had niemand meer zin om te koken. Dus besloten we met elkaar uit eten te gaan. We kozen voor een wokrestaurant niet ver bij ons vandaan.
We genoten met ons viertjes. Het was niet druk en we waren de laatste gasten. De zaak was al helemaal leeg toen ik likkebaardend op weg ging voor een ijsje. “lekkè ijssie, meneè” klonk het schuin achter me toen ik een bolletje Malaga-ijs uit een vrijwel lege bak probeerde te schrapen. “Ja, heerlijk, vooral de Malaga, maar die is bijna op” antwoordde ik vriendelijk. “O, ikke nieuwe pakkè voò u, meneè” zei de kleine Chinees, die zo belangstellend mijn dessertkeuze aan het volgen was. Het was de wok-kok. Hij had een koksbuis aan en een klein zwart koksmutsje op. Uit het niets verscheen een andere Chinees, die zwijgend de bak Malaga-ijs verving. En weer verdween. De kleine bleef. Ik schatte hem tussen de dertig en de veertig, maar ik vind dat bij chinezen vaak lastig te schatten. Ik nam een bolletje pistache-ijs. De man wees op het ijs: “Kleù?” Hij wilde Nederlandse les. “Groen”, zei ik met de nadruk op de R. Dat was niet onaardig bedoeld, maar wanneer je iemand een woord probeert te leren ga je dat woord stompzinnig gearticuleerd uitspreken. Hij knikte en wees een andere smaak aan; de aardbeien. “Rose”, zei ik. Hij herhaalde het zo goed en zo kwaad als het ging en sloeg enthousiast op mijn schouder. Nadat we alle kleuren van het gebodene in de vriezer hadden doorgenomen was ik zijn beste vriend. Hij giegelde, zoals chinezen dat doen en bleef me maar op mijn schouder slaan en over mijn rug aaien. Ik begon me al aardig ongemakkelijk te voelen en keek hulpzoekend om me heen. Niemand. Ik deed wat slagroom op mijn ijs. De kleine man giegelde. “Lekkè ijssie”, klonk het, wellicht omdat hij het nederlandse woord slagroom nog niet kende. Hij sloeg weer op mijn schouder en vroeg: “U dik? Hoe zwaà?” Ik was even uit het veld geslagen. “ta-ig ‘ilo?” probeerde hij. Hij keek naar mijn buik en legde zijn hand erop. “Meè?” Hij leek mijn buik bijzonder interessant te vinden. Ik stotterde een beetje: “Wel meer, hoor” en probeerde te vluchten. Hij ging achter me staan en probeerde of zijn armen lang genoeg waren om mijn middel te omvatten. Een hopeloze poging. Hij giegelde. Toen kwam Elly me redden. “Ik denk niet, dat mijn man het leuk vindt” zei ze ijzig vriendelijk tegen mijn bewonderaar. Deze keek verbaasd. Toen ging hij weg, maar niet zonder even om te kijken, eerst naar mijn buik en daarna naar mijn gezicht. Vol bewondering.
Ik zuchtte van verlichting. “Dat heb ik weer, een verliefde chinees. Hij hing nog net niet om mijn nek” “Je bent van mij” siste mijn lief en sleurde me mee naar ons tafeltje, alwaar Jaap en Jolanda zaten te gieren van het lachen…
Uitwedstrijd
Het was een stukje lopen van mijn auto naar de kantine van voetbalclub Rijnmond/Hoogvliet. Mijn bril vertekende mijn wereldbeeld door de vele druppels op het glas. Het regende. Voor het hek van de parkeerplaats van de club stond een oud Renaultje. Er kwam een nieuwer autootje aanrijden. Het stopte en er kwam een dame uit. Ze schommelde zo goed en zo kwaad als het ging langs het barrel naar het hek en stak triomfantelijk een sleutel in het slot. Het raampje van het oude Renaultje ging piepend open en de bestuurster bedankte de portier. (Of is het vrouwelijke: portière?) Het hek zwaaide open en het Renaultje reed naar binnen en parkeerde op de vrijwel lege parkeerplaats. Het andere autootje volgde en het hek viel weer in het slot. Afgesloten voor gasten.
Ik liep nat, koud en een tikkie chagrijnig verder op zoek naar de ingang van de kantine.
Deze bleek uiterst ongezellig maar gelukkig wel warm te zijn. Ik nam koffie en ging naar de kleedkamers van onze boys om wat spelers ‘los te gooien’. (Zo zeggen sportmasseurs dat. Geweldig, ik krijg daar altijd hele aparte visioenen bij. Alsof Leo en ik zo’n speler door de hele kleedkamer smijten…)
De wedstrijd verliep matig, er werd verloren.
Het viel me op, dat er na de wedstrijd geen enkele speler van de thuisspelende ploeg in de kantine kwam. Wellicht had dat te maken met de bediening. Inderdaad; de dames van het hek. Ze waren erg traag en voelden zich erg belangrijk. Ze hadden het samen wel gezellig. Toen ik iets wilde bestellen kreeg ik als antwoord: “Ik kom bij u” waarop de ene dame wegliep en de ander niets deed. Het viel me op dat de laatstgenoemde vrijwel geen lippen had. Alsof ze continu heel erg haar best stond te doen. Alleen was het niet duidelijk waarop.
Uiteindelijk liep ik met mijn versnapering naar een ongezellig tafeltje met oude houten stoelen. Ik dronk mijn biertje snel op en verlangde opeens heel erg naar de kantine van ‘mijn’ Zinkwegse Boys.
Afscheid van de trainer
Er stonden extra stoelen in de bestuurskamer van de Zinkwegse Boys. Het was een sombere regenachtige dag geweest en op het trainingsveld probeerden een paar enthousiastelingen te trainen. Hopeloos. De bagger zat die gasten tot in de oren en de bal smoorde regelmatig in een plas. Er was eigenlijk maar één plas die het hele veld bestreek. Veld was een groot woord, er was van gras weinig sprake meer.
In de kantine waren de selectiespelers bij elkaar gekomen. Zij gingen niet eens proberen te trainen. Er hing iets in de lucht.
De voorzitter was er en nog een bestuurslid. Mark verzocht de selectiespelers en de technische staf naar de bestuurskamer te gaan. Eigenlijk hoefde hij weinig meer te zeggen. Hij ging zijn afscheid aankondigen.
Het was een korte mededeling. Mark is geen man om ergens lang om heen te draaien, daarom past hij zo goed bij de Zinkweg.
De mannen hoorden zijn verhaal gelaten aan. Iedereen wenste hem zijn succes. Hij kondigde aan, dat hij een 2e klasser gaat trainen. Ik was stiekem een beetje trots. Een Zinkwegger is opgevallen bij andere verenigingen, omdat er bij ons de laatste jaren zoveel opgebouwd is. Mark heeft daar veel aan bijgedragen.
Ik bekeek vanaf de achtergrond hetgeen er volgde. En genoot stiekem. De echte groei van de Zinkweg liet zich nu pas zien: Men ging niet zeuren, maar nadenken. Nadenken over de toekomst van de Zinkwegse Boys. De toekomst van de hele vereniging en de rol van het eerste daarin. Er volgde een goed gesprek met alle partijen.
Het afscheid van Mark zou wel eens een belangrijke stap kunnen zijn naar een stabiele toekomst in de derde klasse of zelfs hoger (je moet blijven dromen) Met behoud van het karakter van onze club. En karakter is er, dat werd gisteravond bewezen!
Pupil van de week
Bij de deur van de kleedkamer stond een klein mannetje naast elftalbegeleider Roberto. Het ventje stond te glunderen met een enorme voetbal in de kleine handen. Die had hij zojuist gekregen. Een echte grote-mensen-wedstrijdbal. Een jaar of zeven zal hij geweest zijn, misschien acht. “Mannen”, sprak Roberto, “Dit is onze pupil van de week” Hij heette Leff , Joas, Bart, of Koen. De toekomst stond voor de deur van onze jongens van het eerste.
De mannen in de kleedkamer waren bezig met de voorbereiding op de wedstrijd van die middag. Buiten klonk muziek, er was een kraam waar werd gebarbecued. Er hing een positieve spanning. Het mannetje kreeg een klein duwtje van Roberto, als teken dat hij de kleedkamer in mocht gaan. Een beetje verlegen stapte hij over de drempel. De grote mannen waren aardig voor hem, namen hem op als één van hen. Hij ging ze allemaal langs met zijn nieuwe bal. Met een stift zetten ze hun naam op zijn trofee van die dag. Iemand aaide over zijn bol, een ander vroeg of hij die ochtend zelf nog gevoetbald had en wat de uitslag was. En of hij gescoord had. Hij ging met de bal stijf tegen zich aan naast Koen zitten, en was gelukkig. Het werd stil. Trainer Mark begon met de wedstrijdbespreking.. Hij luisterde net zo min als zijn grote buurman, die een arm om hem heen had geslagen, alsof hij het ventje wilde beschermen. Hij keek omhoog en Koen keek omlaag, met een ontwapenende lach.
Roberto borg zijn bal veilig op voordat ze het veld opgingen. Luide muziek kwam uit de speakers. Hij hield de hand van zijn held vast, en voelde zich zelf ook een held. Hij was de pupil van de week.
De wedstrijd stond op het punt van beginnen. Onze jeugdheld mocht na de aftrap met een bal aan zijn voet alleen op de keeper van de tegenstander af. En ze lieten hem scoren, dat begreep hij zelf best. Maar het applaus smaakte naar meer. Later, als hij groot was…
In de wedstrijd mocht hij naast Leo de verzorger en de reservespelers in de dug-out zitten en iemand gaf hem een plaid tegen de kou. Een ander had snoep en wat te drinken voor hem meegenomen. Na een kwartier moest hij plassen en ging hij stiekem onder de heining door naar zijn vader, die vlakbij stond. Na de plas speelde hij als altijd ergens achteraf met een bal.
Toen de wedstrijd afgelopen was kreeg hij wat te drinken en zijn nieuwe voetbal, die ze voor hem hadden bewaard bovenop de kast in de kamer van de verzorger. Hij klemde het aandenken tegen zijn borst en liep, trots als een pauw, naar buiten.
De bal heeft een week in zijn kamer op een kast gelegen, zo, dat hij hem vanuit zijn bed kon zien. Daarna werd hij toch gewoon in gebruik genomen als voetbal. De namen vervaagden, van zijn held bleef niet veel meer over dan: ‘.oen va. d.. End.’ Maar de herinnering bleef.