Bij de deur van de kleedkamer stond een klein mannetje naast elftalbegeleider Roberto. Het ventje stond te glunderen met een enorme voetbal in de kleine handen. Die had hij zojuist gekregen. Een echte grote-mensen-wedstrijdbal. Een jaar of zeven zal hij geweest zijn, misschien acht. “Mannen”, sprak Roberto, “Dit is onze pupil van de week” Hij heette Leff , Joas, Bart, of Koen. De toekomst stond voor de deur van onze jongens van het eerste.
De mannen in de kleedkamer waren bezig met de voorbereiding op de wedstrijd van die middag. Buiten klonk muziek, er was een kraam waar werd gebarbecued. Er hing een positieve spanning. Het mannetje kreeg een klein duwtje van Roberto, als teken dat hij de kleedkamer in mocht gaan. Een beetje verlegen stapte hij over de drempel. De grote mannen waren aardig voor hem, namen hem op als één van hen. Hij ging ze allemaal langs met zijn nieuwe bal. Met een stift zetten ze hun naam op zijn trofee van die dag. Iemand aaide over zijn bol, een ander vroeg of hij die ochtend zelf nog gevoetbald had en wat de uitslag was. En of hij gescoord had. Hij ging met de bal stijf tegen zich aan naast Koen zitten, en was gelukkig. Het werd stil. Trainer Mark begon met de wedstrijdbespreking.. Hij luisterde net zo min als zijn grote buurman, die een arm om hem heen had geslagen, alsof hij het ventje wilde beschermen. Hij keek omhoog en Koen keek omlaag, met een ontwapenende lach.
Roberto borg zijn bal veilig op voordat ze het veld opgingen. Luide muziek kwam uit de speakers. Hij hield de hand van zijn held vast, en voelde zich zelf ook een held. Hij was de pupil van de week.
De wedstrijd stond op het punt van beginnen. Onze jeugdheld mocht na de aftrap met een bal aan zijn voet alleen op de keeper van de tegenstander af. En ze lieten hem scoren, dat begreep hij zelf best. Maar het applaus smaakte naar meer. Later, als hij groot was…
In de wedstrijd mocht hij naast Leo de verzorger en de reservespelers in de dug-out zitten en iemand gaf hem een plaid tegen de kou. Een ander had snoep en wat te drinken voor hem meegenomen. Na een kwartier moest hij plassen en ging hij stiekem onder de heining door naar zijn vader, die vlakbij stond. Na de plas speelde hij als altijd ergens achteraf met een bal.
Toen de wedstrijd afgelopen was kreeg hij wat te drinken en zijn nieuwe voetbal, die ze voor hem hadden bewaard bovenop de kast in de kamer van de verzorger. Hij klemde het aandenken tegen zijn borst en liep, trots als een pauw, naar buiten.
De bal heeft een week in zijn kamer op een kast gelegen, zo, dat hij hem vanuit zijn bed kon zien. Daarna werd hij toch gewoon in gebruik genomen als voetbal. De namen vervaagden, van zijn held bleef niet veel meer over dan: ‘.oen va. d.. End.’ Maar de herinnering bleef.