Wanneer ik hoor, dat een vroegere buurman in een verpleeghuis knokt voor ieder beetje herstel van zijn waardigheid na een herseninfarct, die hem, zomaar, opeens trof,
Wanneer ik hoor, dat een prachtig goedlachs mens, dat ik vaak tegenkwam op verjaardagen heel slecht nieuws over haar gezondheid heeft gekregen,
Besef ik, dat ik iedere dag zingend uit mijn bed moet springen en moet genieten van ieder moment. Samen met vrienden uit eten gaan zijn van die momenten.
Zondag kwamen goede vrienden bij ons langs. We kletsten wat, we dronken wat en rond zeven uur kregen we trek en had niemand meer zin om te koken. Dus besloten we met elkaar uit eten te gaan. We kozen voor een wokrestaurant niet ver bij ons vandaan.
We genoten met ons viertjes. Het was niet druk en we waren de laatste gasten. De zaak was al helemaal leeg toen ik likkebaardend op weg ging voor een ijsje. “lekkè ijssie, meneè” klonk het schuin achter me toen ik een bolletje Malaga-ijs uit een vrijwel lege bak probeerde te schrapen. “Ja, heerlijk, vooral de Malaga, maar die is bijna op” antwoordde ik vriendelijk. “O, ikke nieuwe pakkè voò u, meneè” zei de kleine Chinees, die zo belangstellend mijn dessertkeuze aan het volgen was. Het was de wok-kok. Hij had een koksbuis aan en een klein zwart koksmutsje op. Uit het niets verscheen een andere Chinees, die zwijgend de bak Malaga-ijs verving. En weer verdween. De kleine bleef. Ik schatte hem tussen de dertig en de veertig, maar ik vind dat bij chinezen vaak lastig te schatten. Ik nam een bolletje pistache-ijs. De man wees op het ijs: “Kleù?” Hij wilde Nederlandse les. “Groen”, zei ik met de nadruk op de R. Dat was niet onaardig bedoeld, maar wanneer je iemand een woord probeert te leren ga je dat woord stompzinnig gearticuleerd uitspreken. Hij knikte en wees een andere smaak aan; de aardbeien. “Rose”, zei ik. Hij herhaalde het zo goed en zo kwaad als het ging en sloeg enthousiast op mijn schouder. Nadat we alle kleuren van het gebodene in de vriezer hadden doorgenomen was ik zijn beste vriend. Hij giegelde, zoals chinezen dat doen en bleef me maar op mijn schouder slaan en over mijn rug aaien. Ik begon me al aardig ongemakkelijk te voelen en keek hulpzoekend om me heen. Niemand. Ik deed wat slagroom op mijn ijs. De kleine man giegelde. “Lekkè ijssie”, klonk het, wellicht omdat hij het nederlandse woord slagroom nog niet kende. Hij sloeg weer op mijn schouder en vroeg: “U dik? Hoe zwaà?” Ik was even uit het veld geslagen. “ta-ig ‘ilo?” probeerde hij. Hij keek naar mijn buik en legde zijn hand erop. “Meè?” Hij leek mijn buik bijzonder interessant te vinden. Ik stotterde een beetje: “Wel meer, hoor” en probeerde te vluchten. Hij ging achter me staan en probeerde of zijn armen lang genoeg waren om mijn middel te omvatten. Een hopeloze poging. Hij giegelde. Toen kwam Elly me redden. “Ik denk niet, dat mijn man het leuk vindt” zei ze ijzig vriendelijk tegen mijn bewonderaar. Deze keek verbaasd. Toen ging hij weg, maar niet zonder even om te kijken, eerst naar mijn buik en daarna naar mijn gezicht. Vol bewondering.
Ik zuchtte van verlichting. “Dat heb ik weer, een verliefde chinees. Hij hing nog net niet om mijn nek” “Je bent van mij” siste mijn lief en sleurde me mee naar ons tafeltje, alwaar Jaap en Jolanda zaten te gieren van het lachen…