Uitwedstrijd

Het was een stukje lopen van mijn auto naar de kantine van voetbalclub Rijnmond/Hoogvliet. Mijn bril vertekende mijn wereldbeeld door de vele druppels op het glas. Het regende. Voor het hek van de parkeerplaats van de club stond een oud Renaultje. Er kwam een nieuwer autootje aanrijden. Het stopte en er kwam een dame uit. Ze schommelde zo goed en zo kwaad als het ging langs het barrel naar het hek en stak triomfantelijk een sleutel in het slot. Het raampje van het oude Renaultje ging piepend open en de bestuurster bedankte de portier. (Of is het vrouwelijke: portière?) Het hek zwaaide open en het Renaultje reed naar binnen en parkeerde op de vrijwel lege parkeerplaats. Het andere autootje volgde en het hek viel weer in het slot. Afgesloten voor gasten.
Ik liep nat, koud en een tikkie chagrijnig verder op zoek naar de ingang van de kantine.
Deze bleek uiterst ongezellig maar gelukkig wel warm te zijn. Ik nam koffie en ging naar de kleedkamers van onze boys om wat spelers ‘los te gooien’. (Zo zeggen sportmasseurs dat. Geweldig, ik krijg daar altijd hele aparte visioenen bij. Alsof Leo en ik zo’n speler door de hele kleedkamer smijten…)
De wedstrijd verliep matig, er werd verloren.
Het viel me op, dat er na de wedstrijd geen enkele speler van de thuisspelende ploeg in de kantine kwam. Wellicht had dat te maken met de bediening. Inderdaad; de dames van het hek. Ze waren erg traag en voelden zich erg belangrijk. Ze hadden het samen wel gezellig. Toen ik iets wilde bestellen kreeg ik als antwoord: “Ik kom bij u” waarop de ene dame wegliep en de ander niets deed. Het viel me op dat de laatstgenoemde vrijwel geen lippen had. Alsof ze continu heel erg haar best stond te doen. Alleen was het niet duidelijk waarop.
Uiteindelijk liep ik met mijn versnapering naar een ongezellig tafeltje met oude houten stoelen. Ik dronk mijn biertje snel op en verlangde opeens heel erg naar de kantine van ‘mijn’ Zinkwegse Boys.