Whisky

Juist op het moment, dat ik mijn pijp uitklopte en wilde opstaan om naar huis te gaan kwam ome Arie de hoek om. Hij zag er verfomfaaid uit. Z’n pet op half zeven, zijn gezicht niet echt fris. Ik bleef even zitten en wachtte af tot ook hij had plaatsgenomen. “Feestje gehad?”, probeerde ik voorzichtig. “Begint u nou ook al?”, bromde hij. Ik begreep, dat mijn vrolijke openingszin niet gelukkig gekozen was en hield even mijn mond. “Neem me niet kwalijk, meneer Ype, maar Ik heb amper geslapen.” Hij pakte zijn pijp en begon te deze te stoppen. Ik gunde hem even zijn rustmoment. Uiteindelijk stak hij zijn pijp op en van wal: “Het was erg warm gisteravond, echt zo’n zwoele zomeravond. Ik zat op mijn balkon,  rookte een heerlijke sigaar en nipte aan een voortreffelijke whisky.” Hij knapte al op door deze prettige herinnering, “Dus ik bleef lang zitten. Het werd donker en het koelde een beetje af. Dus ik besloot tot nog een glaasje en genoot met kleine teugjes.” Ik zag het voor me. “Riek was al een tijdje naar bed en ik genoot van het nietsdoen. ‘Mijmeren’, noem ik dat. Iedereen was naar bed, behalve een buurman een stukje verderop. Die zat met zijn rug naar me toe en werd volkomen in beslag genomen door zijn telefoontje.”  Hij nam even rust, blies een wolkje uit. “Toen kwam de echtgenote van de buurman ook naar buiten en die was niet echt vrolijk…” Ik pakte mijn inmiddels wat afgekoelde pijp en mijn tabak, want dit verhaal kon nog even gaan duren, vreesde ik. “Krijgen die twee me toch een bonje!” Hij schudde zijn hoofd, “En allemaal goed hoorbaar. Ze schreeuwden fluisterend, ken je dat? Kortom: Ik voelde me een indringer in hun prive-zaken, die zo te horen niet anders waren dan de privézaken van vrijwel ieder getrouwd stel, maar toch…”  Ik zag er de humor wel van in. “Maar waarom ben je dan niet gewoon naar binnen gegaan?” was mijn logische vraag. “Dat durfde ik niet meer.” Ik keek verbaasd. “Ik vond het zielig en gênant, dat ik het allemaal had gehoord. Misschien schaamde ik me, omdat ik, ongewild deelgenoot was geworden…” Hij keek ongelukkig. “Rond een uur of drie, toen zij eindelijk ging plassen, heb ik me op mijn knieën laten zakken, heel zachtjes de balkondeur open gedaan en ben heel zachtjes naar binnen gekropen, hopend, dat ze me niet zouden zien.” Ik kon wel lachen om dit beeld. “En toen stond ik opeens oog in knie met Riek. Die was wakker geworden en vroeg zich af waar ik bleef. “ Ik lachte, maar ome Arie keek niet blij. “Lach maar”, zei hii, “Ja, lach maar!” Hij zuchtte. “Dus ik kijk omhoog en zij kijkt op me neer en is laaiend. Ik probeer nog te wijzen op de buren, maar daar was ze dus tè boos voor: ‘Ben je nou zó bezopen, dat je van het balkon komt gekrópen?!” schreeuwde ze, niet bepaald fluisterend. ‘Ik heb maar twee whisky-tjes op!’ probeerde ik nog, maar mezelf verdedigen was volkomen zinloos, want de dijk was al doorgebroken” Hij keek nu echt sip, ik kreeg een beetje medelijden met hem: “Maar heb je haar de situatie een beetje kunnen uitleggen?”  Hij zuchtte: “Vanmorgen pas, want ze was vannacht voor geen rede vatbaar. Ik kreeg een kussen en een slaapzak naar mijn kop gegooid en moest op de bank slapen. Toen ik daar lag, kon ik door de vanwege de hitte openstaande balkondeur meegenieten met de goedmaaksex van het ruzie-stel. Ik heb geen oog dichtgedaan!” Ik lachte, maar kreeg ook medelijden met hem en stelde een kop koffie in de kroeg voor. “Of wil je liever een whisky?”, grapte ik nog. Gelukkig kon hij daar weer om lachen.

Fiets

Het was heet, erg heet. De ijsjes dropen de ijssalon uit en ome Arie was druk doende met een flesje water en een zakdoek. De natgemaakte lap legde hij op zijn grijs gekrulde kop en daarna zette hij gewoon zijn pet daar weer op. Ik zette mijn scooter neer en ging op de bank zitten. Er liep een waterdruppel langs ome Arie’s slaap omlaag. Het viel me op, dat hij een zonnebril op had.  Er voer een erg gestroomlijnd jacht de haven in. Hoog boven het water stond de kapitein, met te veel borsthaar en te weinig hoofdhaar, welk laatste hij trachtte te verdoezelen met een erg foute witte pet. Hij stond met een telefoontje in zijn handen aanwijzingen te blaffen naar twee veel te bruine en veel te blonde dames beneden hem. “Krijg nou wat”, zei ik, “hij bestuurt dat lelijke geval met zijn telefoontje!” De witte pet toetste op zijn mobiel en er kolkte wat: de boegschroef. Ome Arie was even opgestaan om het goed te kunnen bekijken. Toen viel me op dat zijn zonnebril een duidelijk blauw oog verborg. Ik besloot er over te zwijgen. “Wel handig; een app om je boot op afstand te besturen”, zei onze zonnebril, “dan kun je je boot op vakantie sturen en zelf lekker thuisblijven.” Ik schoot in de lach. “Je houdt niet zo van vakanties, ome Arie?” vroeg ik, maar kon het antwoord raden. “Mijn ideale vakantie is op het terras van Barona* met een koel biertje en een balletje gehakt.” Hij was weer gaan zitten en stopte zijn pijp. De lichtblondmatrozen hadden inmiddels het stuk moderne kunst aan de steiger vastgebonden en verdwenen onderdeks. Ook de App-tein was afgedaald. 

“Ik heb een nieuwe fiets”, wees ome Arie naar een blinkende tweewieler. “Zo, ome Arie, je hebt hem flink uit de broek laten hangen!”, deed ik enthousiast. “Elektrisch”, glunderde hij. “Riek heeft er ook zo één.” Hij legde zijn hand liefdevol op het zadel. “Da’s ook vakantie: samen een stukkie fietsen en dan onderweg een potje bier op een terras.” Hij ging weer zitten. “Gisteren hebben we een stuk gefietst om ze uit te proberen. Bij een kroegie in de polder zijn we gestopt. Ze waren daar helemaal op elektrische fietsen berekend: speciaal stopcontacten bij het fietsenrek!” Ik knikte: “Er worden haast geen gewone fietsen meer verkocht.” De pijp van ome Arie was uitgegaan. Hij stak hem weer aan. “Zit ik net met een koele klets voor mijn neus komt er zo’n bloody-hoera typje met zo’n grijze haarbandjuf in zijn kielzog. Ze zetten hun elektrische fietsen neer, pakken hun oplaadsnoer en halen onze stekkers gewoon uit het speciale stopcontact!” Hij kon er nog boos om worden. “Dus ik wacht even tot ze zitten en hun koffie met appelgebak zitten weg te werken, sta op en haal op mijn dooie gemak hun stekkers er uit en stop de onze er weer in…” Hij haalde even diep adem. “Roept dat haarbandje: “wilt u die stekkers er niet uithalen? Wij hebben speciaal een tafel met oplaadfaciliteiten gereserveerd!” Er kwamen nu boze wolkjes uit zijn pijp. en stoom uit zijn oren, “Oplaadfaciliteiten”, spuugde ome Arie het woord zowat uit. “Een tafel reserveren met oplaadfaciliteiten!” Ik durfde niet te lachen. “Ik trok me er dus niks van aan en ging weer bij Riek aan het tafeltje zitten.” “Laat me raden: toen stond die man weer op om hun stekkers er in te doen?” Ome Arie keek opzij, “Hoe raad je het zo.” Ik keek vragend om de rest. “Na wat heen en weer geloop zag ik in dat dit zinloos ging worden en ben toen maar naar het toilet gegaan.” Er kwam een grijnsje, “In het voorbijlopen gooide ik toen per ongeluk haar koffie om, alles over haar smetteloos witte fietsbroekje. Ze gilde als een speenvarken, omdat het volgens haar erg heet was. Toen ik zei, dat ze zich niet moest aanstellen, daar de koffie nooit zo heet wordt omgegooid als hij wordt opgediend, werd haar humorloze Bokito pissig.” Hij tilde zijn zonnebril even op om zijn oorlogsverwonding te tonen. “Het stel moest toen van de uitbater vertrekken en wij kregen gratis koffie…” Ik kon mijn lachen moeilijk inhouden. “En ik heb onze stekkers er gelijk weer ingedaan. Niet dat dat nodig was, want de accu’s waren nog bijna vol!” Nu lachte ik wel hardop. 

*de Heeren van Beijerland wordt door veel ouderen nog steeds ‘Barona’ genoemd.

Bosvruchtenijs

Tot mijn ongenoegen werd ‘ons’ bankje bij de haven bezet door een stel van middelbare leeftijd, dat behoorlijk klef zat te doen. Ze zaten aan elkaars ijsje te likken, waarbij een substantiële klodder van háár bosvruchtenijs op zíjn shirt duidelijke sporen achterliet. Ik zag het petje van ome Arie parmantig boven de kade uitsteken en voegde me bij hem. Hij stond met een glimlach en zijn linkerhand in zijn zak (hij is qua pijp rechtshandig) op een steiger te kijken bij een paar jochies die met kleine werphengeltjes op een steiger stonden te vissen. Hij was goedgemutst en zei met een grijns op zijn verweerde kop: “Ik denk niet dat er veel vis hier zit, jongens!” De gastjes keken ietwat verstoord op. Ome Arie ging pseudoserieus verder: “Die zijn wél allemaal weer naar school!” Het bleef even stil, toen lachten de loze vissertjes uit beleefdheid. Ze vonden de aandacht van de oude baas toch wel leuk en gingen zich een beetje uitsloven. “Kijk eens hoe ver ik kan gooien!”, riepen ze om het hardst en wierpen uit volle macht hun aas de haven in. Er volgde één plons. En een sissend geluid. Het haakje van de verliezende werper was blijven haken. In de naast het onfortuinlijke jochie liggende rubberboot. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. “Volgens mij heeft die ene toch wat aan de haak geslagen…”, zei ik, “Daar ben ik ook bang voor!” antwoordde ome Arie. Toen we weer naar het zinkende schip keken waren de jongetjes vertrokken. “Wat nu?”, zei ome Arie. “De havenmeester bellen!”, opperde ik. Ome Arie keek wanhopig. “Toevallig ken ik hem goed”, zei ik, wat voor een lichte afname van de druk zorgde. Ik zette de speaker van mijn telefoon aan. “Havenmeester”, klonk het met een rustgevende, mij bekende stem, “waar kan ik u mee helpen?” Vóór ik iets kon zeggen riep ome Arie: “d’er is een boot aan het zinken!” “Oei”, klonk het aan de andere kant, “Dat is niet best. Ik kom er zo aan! Loopt’ie snel vol?” “Vol!?”, riep Arie verontwaardigd, “Hij loopt leeg!” “Maar wat is dan het probleem?”, vroeg onze havenmeester verbaasd. Ik besloot het gesprek even over te nemen om deze communicatiestoornis op te heffen. Er werd nu beter begrepen en de havenautoriteit was snel ter plaatse. Gelukkig ging het kleffe stel weer weg en konden we vanaf het bankje zittend toekijken hoe de slimme havenmeester het gaatje provisorisch dichtte met een fietsbandenplakkertje. Ome Arie kwam tot rust en zei, met zijn pijp in de richting van de vertrokken Romeo en Julia wijzend. “Het is voor hem te hopen, dat hij van bosvruchtenijs houdt!” Ik was stomverbaasd, dat hij de vlek ook gezien had, maar begreep zijn opmerking niet. Hij legde uit: “Het was duidelijk geen echtpaar”. Ik was hem helemaal kwijt. “Want dan had ze razend boos op hem geweest. U bent toch ook getrouwd, meneer Ype?” Ik knikte beamend. “En ik hoorde haar niet schelden!” maakte ome Arie zijn redenering af, en trok aan zijn pijp. Ik begon hem te begrijpen. De onfortuinlijke echte echtgenote zou bij thuiskomst die vlek niet met open armen ontvangen. En als hij niet van bosvruchtenijs hield moest hij toch iets uitleggen. “Slim, ome Sherlock”, zei ik, “heel slim!” Ome Arie trok met een big smile aan zijn pijp. “Bovendien had zij geen trouwring om en hij wel!” Ik moest lachen om zijn opmerkzaamheid. “Je blijft me verbazen, ome Arie!” En stak opnieuw de brand in mijn pijp.

Ouderling

Het klokgelui in de verte zweeg al enige tijd toen ome Arie en ik, ons op ons bankje koesterend in een zondagmorgen-zonnetje, uit een openstaand raam iemand met een ietwat krakende, maar wel zeer hoorbare vrouwenstem psalmen hoorden galmen. We keken allebei zoekend rond welk raam schuldig was aan deze inbreuk op onze zondagsrust. Zonder resultaat. “psalm 42”, wist ome Arie en gaf zijn zoekpoging op, “Waarschijnlijk een enthousiaste luisteraar van de plaatselijke kerkradio.” Die conclusie had ik zelf ook al getrokken.  “Het hijgend hèéért, de ja-acht ontkohóomen!” klonk het op de achtergrond. “Ben jij eigenlijk gelovig, ome Arie?” vroeg ik, me bewust van het risico van een antwoord. Ome Arie rookte even rustig zijn pijp. “Toen ik de boerderij van mijn vader overnam was het, op zijn zachtst gezegd, geen bloeiend bedrijf. Die ouwe had zich bij de ruilverkaveling flink laten beetnemen. Waar twee ruilen, moet er één huilen. Wij noemden het altijd de ‘huilverkaveling’.” Hij trok venijnig aan zijn pijp. Nog steeds boos. “Één van de ouderlingen van de kerk was de lachende partij.” Hij zweeg even, blies wat boze wolkjes weg en werd weer rustig. “Bovendien kregen we te maken met allerlei overheidsmaatregelen. Kortom; we hadden het niet gemakkelijk.”  Het gezang was gestopt, het volume van de radio tot een maximum opgeschroefd en hel en verdoemenis daalden over de haven neer. We lieten het even gaan, rookten onze pijp en voelden ons niet aangesproken. Tot opeens het geluid afnam; iemand had waarschijnlijk het raam dicht gedaan. Het was een beetje gaan waaien en oude mensen hebben gelukkig een gruwelijke hekel aan tocht. Opgelucht trokken wij simultaan aan onze pijp. Ome Arie probeerde een o-tje te blazen, wat door de wind onmogelijk bleek. “Op een dag kwam die ouderling langs bij de boerderij. Zomaar, onaangekondigd, op huisbezoek. Ik was op het land naast de boerderij aan het werk, maar had hem niet aan zien komen. Mijn Riek was alleen thuis.” Er kwam een wolkje voor de zon, we keken allebei omhoog. “Hij vroeg waarom er nog geen kinderen waren. Hondsbrutaal.” Ik knikte instemmend, inderdaad, hondsbrutaal. “Maar Riek bleef beleefd en legde uit, dat kinderen nog even moesten wachten op betere tijden. Toen begon die zwartjas, dat geboortebeperking zondig was en hij wellicht kon helpen.” Ik zei even niets. “Wat er verder gebeurd is, heeft mijn lieve echtgenote me nooit willen vertellen, maar ik zag vanaf mijn trekker ineens een vent het erf af rennen, achterna gezeten door mijn lief, gewapend met een hooivork.” “Een riek”, zei ik lachend. “Inderdaad; een riek. Daarom noem ik haar sindsdien zo. Riek. Een geuzennaam! Eigenlijk heet ze Truus!” Ik zag het vóór me en lachte. “En sindsdien hebben we ook geen kerk meer nodig…” 

tennismaat

Met mijn ziel onder mijn linkerarm omdat ik met mijn rechter gas moest geven was ik naar de haven gescooterd. Het was een ongebruikelijke tijd, in de namiddag; het bankje bij de haven was leeg. Er hingen donkere wolken boven het dorp en er was onweer voorspeld. Ik ging toch even zitten en stopte mijn pijp. “Meneer Ype?”, klonk het vragend achter me. Ome Arie. Hij zag de donkere wolken uit mijn pijp, zette zijn fiets op de standaard, kwam naast me zitten en begon ook zijn pijp te stoppen. En wachtte rustig af. “Een oude tennismaat van me is overleden”, zei ik, “Een beste vent, die altijd voor vrolijke gezichten zorgde, wanneer hij binnenkwam.” Ome Arie stak zijn pijp aan. “Ik had hem graag nog beter gekend, maar daar is het nooit van gekomen.” Ome Arie zweeg uitnodigend. “Iedere dinsdagavond in de winter speelden we met een stel oudere mannen in de sporthal en daarna dronken we een glaasje. Het hoogtepunt van de week!” Ome Arie glimlachte: “Het tennissen of het glaasje achteraf?” Ik glimlachte nu ook. “Wij dronken een biertje en hij  altijd oude jenever.  Hij kon met zijn limburgse tongval geweldig moppen vertellen. Vaak luisterden mensen aan tafeltjes om ons heen stiekem mee en verraadden zich door keihard mee te lachen na de clou.” Er klonk een dreigend gerommel in de lucht. Ome Arie draaide zich naar me toe: “Bent u eigenlijk gelovig, meneer Ype?” Ik keek hem aan, een tikje verbaasd en overdonderd door de vraag. “Als je mijn religie bedoelt, ome Arie, die is heel simpel.” Ik dacht even na, trok aan mijn pijp en ging verder: “Mijn religie behoeft geen tempel en ingewikkelde filosofie. Mijn tempel is mijn geest en mijn hart, mijn filosofie uiterst eenvoudig: Vriendelijkheid, zachtmoedigheid.” Ome Arie pafte drie wolkjes uit. “Dat heb je vast niet van jezelf”, grijnsde hij, en vragend: “De Dalai Lama?” Stomverbaasd beaamde ik zijn veronderstelling. “Niet woordelijk, natuurlijk.”  Ome Arie draaide weer terug. “Geloof is voor veel mensen troostgevend”. zei hij. “Dat je niet gewoon heengaat, maar ook ergens heen gaat.” Er klonk weer een dreigende donder. “Dat dit”, hij wees omhoog,”betekent, dat je vriend is aangekomen in de hemel en ze daar nu bulderen van het lachen om zijn eerste moppen!” Ik moest lachen om deze gekke gedachte en wees naar het cafe op de dijk, klopte mijn pijp uit en stond op: “Mag ik je een oude borrel ter nagedachtenis aan deze geweldige kerel aanbieden voordat ze dáár”, Ik wees op mijn beurt omhoog, “zich straks tranen gaan lachen om de volgende…” Inderdaad begon het nu te druppelen. We strompelden zo snel als we konden naar de kroeg en dronken, verder zwijgend, een oude jenever op mijn oude tennismaat. Buiten kwamen inmiddels de tranen met bakken uit de hemel.

Rapport

Bij ome Arie zat een meisje van een jaar of twaalf. Ondanks de Corona behoorlijk dicht tegen hem aan. “Goeiemorgen”, zei ik en ging op het andere eind van ‘ons’ bankje bij de haven zitten. “Goeiemorgen”, bromde ome Arie. Hij leek een beetje verlegen met de situatie. Hij zat een tikkie hulpeloos in een multomap te bladeren. “Kijk, opa Arie, dat is het rapport van het laatste semester!” Ome Arie keek vrij ongelukkig. Hij las voor: “Attitude: Sofie stelt zich doorgaans coöperatief op, waarbij een enkele keer de interactie iets beter kan…” Hij keek het meisje aan. “Ik snap cijfers beter. Is dit een acht of een vijf?” Het meisje moest lachen. Een betoverende, ontwapenende lach. Ome Arie pakte zuchtend zijn portemonnee en gaf haar een briefje. “Tien euro! Dank je wel opa!” Ome Arie glimlachte: “Als je twee dagen eerder was geweest, had je je rapport ook aan je ome Arie kunnen laten zien!” Ze keek nu vragend. “Die van tante Coby, bedoel ik, die was hier met zijn boot!” Ze wist gelijk, wie hij bedoelde. “O, van tante Coby, natuurlijk!” Ze stapte op haar fiets, zwaaide en fietste weg, ondertussen op haar telefoontje kijkend, of ze het laatste kwartier wat gemist had. “Mooi meisje”, zei ik. “Inderdaad”, zei ome Arie. Hij trok aan zijn pijp. “Een zorgenkindje. Ze zit op een speciale school en is veel te lief. Haar ouders maken zich er wel zorgen over.” Ik trok op mijn beurt aan mijn pijp. “Als opa heb je daar ook zorgen over, natuurlijk.” Ome Arie keek opzij. “Nee, hoor, want ik ben haar opa niet!” Hij wist mij telkens weer te verbazen. “Ze doet al drie jaar net of ze een kleinkind van me is om zo geld te scoren voor haar rapporten.” Hij lachte, “En ik speel dat spelletje al drie jaar mee!” Ik kon er ook wel om lachen. Hij stak opnieuw de brand in zijn pijp. “Toen haar moeder erachter kwam is ze een keer langs geweest om zich voor haar dochter te verontschuldigen, maar ik kon er niet boos om worden. Nog steeds niet. Zo’n mooi meisje gun je toch haar zwendeltje!” Er kwamen een paar enorme wolken uit zijn pijp. “Maar ik kan niet laten haar steeds te ontmaskeren, terwijl ze dat zelf niet doorheeft!” Ik keek nu erg niet-begrijpend. “Neef Arie, zogenaamd haar oom, heeft helemaal geen tante Coby, maar een ome Herman, want die heeft de kast zowat uitgevonden. Iedereen noemt hem ‘nicht’ Arie!” Nu lachten we allebei. 

Speedboot

Het dreigde een hele mooie zondag te worden. Vroeger dan normaal reed ik op mijn scooter langs de haven. Tot mijn verbazing zat ome Arie al op zijn vertrouwde plek. Ik stopte en parkeerde mijn scooter. In de haven waren een paar niet onknappe dames zich op een dure speedboot aan het voorbereiden om te gaan waterskiën. Ze werden daarbij niet gehinderd door overmatige verlegenheid. Ome Arie’s pijp trilde een beetje en de rookwolkjes kwamen er in een iets hoger tempo uit dan normaal. Ik glimlachte en ging zitten. “Goeiemorgen”, zei ik. “Goeiemorgen”, zei hij terug, zonder om te kijken. Hij wees met zijn pijp richting het sluisje aan het einde van de haven en mompelde: “Ik was vroeg, omdat neef Arie op tijd zou vertrekken in verband met het tij”. Ik zag nog net de kromme vlaggenstok met vlag achter op het roer van de zalmdrijver, die buiten de haven het Spui opdraaide. “Ja, ja”, antwoordde ik en zweeg even. Ome Arie zat aandachtig het gedoe op de speedboot te bekijken. Ik kon het niet laten: “Een oude bok lust wel een groen blaadje, toch, ome Arie?” Hij grijnsde: “Ach, lusten, daar ben ik te oud voor geworden. Ik mag er graag naar kijken, maar ik ben tevreden met mijn grijze veekoek.” Ik wilde net in de lach schieten, toen achter ons luid: “Sodom en Gomorra!” werd geroepen. Ome Arie en ik keken om. Een oudere vrouw met een grijze knot, zwarte jurk en daaronder de typerende zwarte kousen hief haar zwarte paraplu richting speedboot. “Een paraplu? Met dit weer?” zei ome Arie. Er kwam een verbaasd hoofd boven de kade uit. De eigenaar van de speedboot. “Nee, hoor”, riep deze terug, “Dit zijn Debby en Angela!” Ome Arie en ik schoten in de lach. Achter de paraplu fietste heel traag een zwart pak. Hij vond zo te zien het uitzicht minder verderfelijk. Hij verrekte zowat zijn nek en fietste pardoes tegen een lantaarnpaal. Door zijn geringe snelheid bleef hij er tegenaan hangen. De paraplu richtte zich nu tegen hem. Juist voordat hij er echt mee van langs zou krijgen, kreeg hij zijn tweewieler weer in beweging. “O, vandaar die paraplu”, zei ome Arie, tevreden, daar hij weer een mysterie had ontrafeld. Op de speedboot klonk een schaterend gelach. 

Paling

Er zaten kleine spettertjes op het windscherm van mijn scooter toen ik langs de haven reed. Het was net een beetje gaan regenen. Het bankje was leeg, maar gek genoeg rook ik wel de onmiskenbare geur van de pijp van ome Arie. Ik hield even in en meende een rookwolkje te zien opstijgen uit de haven. Van achter de kademuur kringelde het omhoog. Ik stopte, zette mijn scooter neer en, gedreven door mijn nieuwsgierigheid, welke zelfs sterker was dan mijn hekel aan regen, liep richting de rand van de kade. Het was laag water en daar beneden zat ome Arie, in een boot onder de kap (een tent over de voorzijde van een vaartuig). “Ha, meneer Ype!” riep hij enthousiast, toen hij mij gewaarwerd. “Ome Arie”, groette ik terug. “Kom erbij, kerel, hier is het droog!” Hij had het duidelijk naar zijn zin. Ik stuntelde een ijzeren trapje af naar de steiger en klom moeizaam aan boord. “Een zalmschouw”, zei ik, “Die zie je steeds minder”. “Een zalmdrijver”, verbeterde ome Arie, en trok aan zijn pijp. “Ze worden vaak ‘zalmschouw’ genoemd, maar hebben niet de voor een schouw typerende platte boeg.” Uit zijn mond klonk het niet eens belerend. Hij gebaarde, dat ik naast hem kon gaan zitten onder de beschutting van de tent. “Deze is vroeger van mij geweest, maar ik heb hem aan neef Arie gegeven. Die is even op mijn fiets suiker aan het halen voor de koffie. Hij wees op een klein rond, ijzeren potkacheltje, waar een ketel op stond, waar het begin van stoom uit het tuitje kwam. “Een echt duveltje! Dat is leuk!”, doelde ik op het antieke geval. Ome Arie glunderde. Toen het water kookte schonk hij het heel voorzichtig in een ouderwets Melitta-filter, waarin de koffie. Inmiddels had ik ook mijn pijp gestopt en opgestoken, maar de heerlijke geur van koffie verdrong de rook. Niet lang daarna verscheen neef Arie. Het was de jongere uitgave van zijn oom. Hij droeg net zo’n petje, ook een beetje scheef, zij het op nog geen grijze krullen. We dronken koffie, rookten pijp (ook neef Arie!) en genoten van de beslotenheid van de kap en het uitzicht op de neerkomende waterdruppels, die belletjes vormden in het water van de haven. “Normaal lig ik in Woudrichem”, zei neef Arie, “maar één keer per jaar probeer ik met de boot hier langs te komen om een pijpje te kunnen paffen met ome Arie.” Hij trok aan zijn korte kromme pijpje. Ik mocht hem nu al. “Heeft ome Arie al verteld, dat deze boot vroeger van hem was?” Ik knikte. “En dat ze er vroeger mee gingen paling-peuren?” Ik schudde nu mijn hoofd en keek vragend ome Arie aan. Die zat met een grote grijns op zijn gezicht met de zoete herinnering. “En dat mocht eigenlijk niet…” glom deze. “Wanneer we dan midden in de nacht met een beun vol paling terugkwamen de haven in, stond de veldwachter al bij onze ligplaats.” Hij trok aan zijn pijp. “Tenminste, hij dacht, dat onze beun vol paling zat, maar daar zat een enkel zielig brasempje in, niet voldoende voor een bekeuring”. Neef Arie kende het verhaal, en ging verder; “Die paling hadden ze onderweg, ergens in de buurt van de ‘Oude Tol’ verstopt!” Ome Arie ging verder: “En die gingen we dan de volgende dag ophalen, gewoon op de fiets.” Oom en neef hadden duidelijk plezier door dit verhaal. “Bij voorkeur op een zondag, want dan zat heel het dorp met gebogen hoofd in de kerk. Dus ons kon niks gebeuren!” Ome Arie zat nu echt te lachen, “Tot op een kerstzondag. Er waren toen waren vanwege de drukte twee diensten achter elkaar, en de veldwachter was na de vroege dienst gelijk naar de ‘Oude Tol’ gegaan.” Neef Arie maakte af: “En ome Arie en zijn maats haalden net nietsvermoedend het leefnet uit het riet, toen de veldwachter in zijn zwarte pak achter hen stond!” Ik moest ook lachen, want ik zag het tafereel vóór me. Neef Arie schonk koffie in en we genoten. “Hebben jullie nog een grote bekeuring gekregen?” Ome Arie lachte nu hardop: “Nee, de veldwachter nam de paling in beslag, en wij konden gaan, zogenaamd, omdat hij zijn bonnenboekje niet bij zich had!” Ik begreep het. “Mooi, verhaal”, zei ik en stak opnieuw de brand in mijn pijp. “Maar het gaat nog verder!”, riepen de Aries in koor. Ik keek waarschijnlijk erg verbaasd, want ze schoten allebei in de lach. “De veldwachter nam de paling mee naar huis en is de hele tweede kerstdag de vis aan het roken geweest in zijn schuurtje. Hij had dienst met Oud en Nieuw en het vooruitzicht op een maaltje gerookte paling met zijn collega op het bureau was zeer aangenaam.” Neef Arie gniffelde en ging verder; “Maar dat ging niet door!” Weer gelach, en mijn verbaasde kop deed hen nog luider lachen. “Tante Riek had medelijden met ons. Ze kende de vrouw van de veldwachter en toen ze haar de volgende dag bij de bakker tegenkwam, zei ze tegen haar, dat ze blij was, dat de veldwachter de paling in beslag genomen had. Toen die vrouw verbaasd keek, zei Riek, dat ze paling, die waarschijnlijk uit de sloot bij de begraafplaats kwam, omdat aal prima gedijt in lijkenwater, niet zou willen eten. Dat mens heeft toen ze thuiskwam, helemaal over de rooie, die paling gelijk in de vuilnisbak gegooid!” Ome Arie zat nu bulderend te lachen: “Waar wij, getipt door Riek, die lekkernij weer uitgejat hebben!” De twee sloegen zich op de knieën van het lachen. “En je kunt zeggen over die koddebeier wat je wilt, maar palingroken kon’ie!”

Neusje

Op dinsdagmorgen zat ik niet in de haven, daar het de vaste klus-ochtend was bij de Zinkwegse Boys. Voor het eerst sinds maanden zag ik de vaste klussers weer. Er was niets veranderd. Daan was er, Bertus, Nico en natuurlijk Kees van Dijk. Ik schoof bescheiden bij. Soms probeer ik wel eens net zo stoer te lopen als deze kerels, maar dat valt niet mee met een versleten heup. Het blijft dan ook bij verwoede pogingen. We praatten bij, keken naar de kromgetrokken planken van het terras, schudden onze hoofden en dronken veel koffie. Volgende week moest er echt gewerkt worden. Kees moest op tijd weg, want hij begon een matje in zijn nek te krijgen als in zijn beste jaren. Alleen nu grijs. De kapster verwachtte hem om 09.00 uur. Haar tondeuse en schaar jeukten. 

Toen ik naar huis ging was het al te laat voor een pijpje aan de haven, dus ome Arie zat alleen.  

‘s Middags zag ik hem lopen, samen met Riek, een struise dame met een vriendelijk gezicht en in een jurk, die mijn vader vroeger zou hebben omschreven als ‘een bloemetjesgordijn’. Ze liepen hand in hand richting supermarkt. Ik reed voorbij met een glimlach, ook richting supermarkt. Elly ging achter het bloemetjesgordijn de winkel in, boodschappen doen. Ome Arie ging op de rand van een bloembak zitten tegenover de ingang van de winkel. Ik ging naast hem zitten. Op gepaste afstand, natuurlijk. “Tijd voor een pijpje heb ik hier nooit”, begon ome Arie. “Nee”, zei ik, “Je weet nooit hoelang het duurt.” Hij vroeg verder niet naar mijn afwezigheid bij de haven die ochtend. Na een korte zwijgpauze zei ik: “Jullie hebben het weer een beetje bijgelegd?” Hij keek opzij. “De vaas van oudtante Leonie.” verduidelijkte ik. Ome Arie glimlachte. “Dat heeft wel wat moeite gekost.” Ik zei even niks. “Toen ik gisteren thuiskwam, was Riek vertrokken. Er lag een briefje op tafel waarop stond, dat ze naar haar zus in Piershil was.” Er knetterde een brommer voorbij, die hem het verder spreken even onmogelijk maakte. “Toen ben ik naar de garage van het appartement gegaan om het kerstservies te halen, heb de tafel ermee  gedekt, het mooie bestek opgezocht, kaarsen zelfs. En natuurlijk het mooiste tafelkleed, dat ik kon vinden.” Ik keek hem aan. “Kerstservies? Het is juni!” Ome Arie keek wat ongelukkig. “Dat is het enige beetje mooie servies zonder stukjes van de borden!” klonk het, bijna verontschuldigend. “Ik stuurde haar vervolgens een appje, dat appen snapt ze sinds een paar weken, dat ik voor het eten zou zorgen.” “Een goed idee, ome Arie!”, zei ik bewonderend, “En, wat heb je gemaakt?” “Niks”, zei ome Arie. “Niks?” vroeg ik. “Nee, mijn kookkunst is niet erg probleemoplossend, zullen we maar zeggen. Ik denk, dat Riek ‘em ook behoorlijk kneep, toen ze het berichtje las.” Ik keek verbaasd/vragend. “Daarom was het voor haar een grote opluchting, dat de keuken nog geen puinhoop was, toen ze thuiskwam.” Ik keek nu totaal onnozel. “Ik nam haar jas aan en schoof haar stoel bij, toen ze aan tafel ging zitten. Ik stak de kaarsjes aan en schonk Chianti in. Die had ik bij de buurvrouw kunnen lenen.” Ik begon al door te krijgen waar het heenging: “En kwam de pizza-bezorger een beetje op tijd?” Hij keek nu op zijn beurt verbaasd mijn kant op. “Hoe weet u dat nou weer?” “Ik vermoedde het al, door de Chianti” Ome Arie kreeg een ondeugende twinkeling in zijn ogen. “Vond ze het, eh,  niet erg?” zei ik, voorzichtig. “Ze vond het geweldig! Ik had haar favoriet besteld, de Hawaï, en de tweede pizza was zelfs gratis. Want het was op een maandag!” Hij glunderde. Ik moest lachen bij het beeld, dat ik voor me zag. “Ze was helemaal gelukkig en heeft zelfs afgewassen. Waarschijnlijk omdat ze het kerstservies weer onbeschadigd in de garage wilde hebben.” Het was even stil. En toen kon ik het niet laten hem een beetje te plagen: “En s’avonds? Ook nog een beetje verder goed kunnen maken?” Ik keek veelbetekenend zijn kant op. Hij lachte ondeugend, schudde zijn doorleefde kop en zei: “Wij zijn te oud voor kunstjes, meneer Ype. Bovendien zat er knoflook op die gratis pizza. En ze riekt alles heel goed. Er zit een goed neusje op, meneer Ype, een héél goed neusje!”

Maandag

“Goeiemorgen”, bromde ome Arie en hij zakte langzaam op de bank bij de haven. “Goeiemorgen”, zei ik terug, en besloot even niet naar de oorzaak van zijn wat bedrukte  stemming te vragen, want ome Arie kennende kwam het probleem vanzelf wel. Hij stopte zwijgend zijn pijp, stak hem op en het was of zijn uitgeblazen wolken wat donkerder waren dan anders. “De maandagen zijn het ergst”, bromde hij na een paar minuten. “Het lijkt zo leuk, dat pensioen, maar vooral de maandagen zijn soms eindeloos.” Hij keek opzij, hoe mijn reactie was. “Ik ben nog maar kort met pensioen, dus ik weet niet of ik daar al een mening over kan hebben…” ging ik in de verdediging, “Het moet misschien nog wennen.” Ome Arie gromde wat. “Nou, knul, wen er maar aan, dat het nooit went!” Ik moest even lachen om deze wijsheid en omdat hij me ‘knul’ had genoemd. Het was een gewone maandag, auto’s reden voorbij, het dorpsleven was na een prachtig en daardoor loom weekend weer op gang gekomen. Het was nu ook niet zonnig meer en wolken wierpen hun schaduw over wéér een werkweek. Maar dus niet voor ons. Wij trokken aan onze pijp en hoefden niks. 

Ome Arie zuchtte. En nog eens. “Maandagmorgen, en alsof dat al niet erg genoeg is, had ze vanochtend ook nog haar werkschort aan.” “Riek?” vroeg ik, alhoewel dat duidelijk was. Hij keek dan ook wat verstoord opzij en ging niet op de vraag in. “Wanneer ze zo’n werkbui heeft laat ze me dubbel voelen hoe waardeloos ik nog ben. Ze stofzuigt dan zelfs verwijtend onder mijn stoel, terwijl ik lullig met mijn voeten omhoog in de weg zit te zitten.” Ik moest toch even glimlachen bij het beeld, dat ik daarbij in gedachten zag.  

“Vanmorgen wilde ik die vernedering voorkomen en besloot haar te gaan helpen. Ik ging zelf stofzuigen. Je had haar gezicht moeten zien!” Ik kon me er iets bij voorstellen. “Het ging goed tot ik de vaas van oud-tante Leonie omstootte.” Hij trok aan zijn pijp. “In duizend stukjes, natuurlijk.” “Daar was Riek niet blij mee?”, was mijn overbodige vraag. “Dat kun je wel zeggen. En mijn opmerking, dat het goed uitkwam, dat ik de stofzuiger toch al bij de hand had, deed er ook niet veel goed aan.” Ik begreep dat wel, maar moest er ook om lachen. Hij zei: “Ja, lach maar” , zuchtte weer en ging verder: “Toen ben ik maar weggegaan.” Ik kreeg een beetje medelijden met hem. “Ach, ome Arie, dan koop je straks toch een bosje bloemen voor haar, dan komt het wel weer goed!” Hij keek nu verontwaardigd mijn kant op. “De bloemenwinkels zijn dicht, meneer Ype” En met een enorme donkere wolk uit zijn pijp, uit de grond van zijn hart: “Klote-maandagen!”