Op dinsdagmorgen zat ik niet in de haven, daar het de vaste klus-ochtend was bij de Zinkwegse Boys. Voor het eerst sinds maanden zag ik de vaste klussers weer. Er was niets veranderd. Daan was er, Bertus, Nico en natuurlijk Kees van Dijk. Ik schoof bescheiden bij. Soms probeer ik wel eens net zo stoer te lopen als deze kerels, maar dat valt niet mee met een versleten heup. Het blijft dan ook bij verwoede pogingen. We praatten bij, keken naar de kromgetrokken planken van het terras, schudden onze hoofden en dronken veel koffie. Volgende week moest er echt gewerkt worden. Kees moest op tijd weg, want hij begon een matje in zijn nek te krijgen als in zijn beste jaren. Alleen nu grijs. De kapster verwachtte hem om 09.00 uur. Haar tondeuse en schaar jeukten.
Toen ik naar huis ging was het al te laat voor een pijpje aan de haven, dus ome Arie zat alleen.
‘s Middags zag ik hem lopen, samen met Riek, een struise dame met een vriendelijk gezicht en in een jurk, die mijn vader vroeger zou hebben omschreven als ‘een bloemetjesgordijn’. Ze liepen hand in hand richting supermarkt. Ik reed voorbij met een glimlach, ook richting supermarkt. Elly ging achter het bloemetjesgordijn de winkel in, boodschappen doen. Ome Arie ging op de rand van een bloembak zitten tegenover de ingang van de winkel. Ik ging naast hem zitten. Op gepaste afstand, natuurlijk. “Tijd voor een pijpje heb ik hier nooit”, begon ome Arie. “Nee”, zei ik, “Je weet nooit hoelang het duurt.” Hij vroeg verder niet naar mijn afwezigheid bij de haven die ochtend. Na een korte zwijgpauze zei ik: “Jullie hebben het weer een beetje bijgelegd?” Hij keek opzij. “De vaas van oudtante Leonie.” verduidelijkte ik. Ome Arie glimlachte. “Dat heeft wel wat moeite gekost.” Ik zei even niks. “Toen ik gisteren thuiskwam, was Riek vertrokken. Er lag een briefje op tafel waarop stond, dat ze naar haar zus in Piershil was.” Er knetterde een brommer voorbij, die hem het verder spreken even onmogelijk maakte. “Toen ben ik naar de garage van het appartement gegaan om het kerstservies te halen, heb de tafel ermee gedekt, het mooie bestek opgezocht, kaarsen zelfs. En natuurlijk het mooiste tafelkleed, dat ik kon vinden.” Ik keek hem aan. “Kerstservies? Het is juni!” Ome Arie keek wat ongelukkig. “Dat is het enige beetje mooie servies zonder stukjes van de borden!” klonk het, bijna verontschuldigend. “Ik stuurde haar vervolgens een appje, dat appen snapt ze sinds een paar weken, dat ik voor het eten zou zorgen.” “Een goed idee, ome Arie!”, zei ik bewonderend, “En, wat heb je gemaakt?” “Niks”, zei ome Arie. “Niks?” vroeg ik. “Nee, mijn kookkunst is niet erg probleemoplossend, zullen we maar zeggen. Ik denk, dat Riek ‘em ook behoorlijk kneep, toen ze het berichtje las.” Ik keek verbaasd/vragend. “Daarom was het voor haar een grote opluchting, dat de keuken nog geen puinhoop was, toen ze thuiskwam.” Ik keek nu totaal onnozel. “Ik nam haar jas aan en schoof haar stoel bij, toen ze aan tafel ging zitten. Ik stak de kaarsjes aan en schonk Chianti in. Die had ik bij de buurvrouw kunnen lenen.” Ik begon al door te krijgen waar het heenging: “En kwam de pizza-bezorger een beetje op tijd?” Hij keek nu op zijn beurt verbaasd mijn kant op. “Hoe weet u dat nou weer?” “Ik vermoedde het al, door de Chianti” Ome Arie kreeg een ondeugende twinkeling in zijn ogen. “Vond ze het, eh, niet erg?” zei ik, voorzichtig. “Ze vond het geweldig! Ik had haar favoriet besteld, de Hawaï, en de tweede pizza was zelfs gratis. Want het was op een maandag!” Hij glunderde. Ik moest lachen bij het beeld, dat ik voor me zag. “Ze was helemaal gelukkig en heeft zelfs afgewassen. Waarschijnlijk omdat ze het kerstservies weer onbeschadigd in de garage wilde hebben.” Het was even stil. En toen kon ik het niet laten hem een beetje te plagen: “En s’avonds? Ook nog een beetje verder goed kunnen maken?” Ik keek veelbetekenend zijn kant op. Hij lachte ondeugend, schudde zijn doorleefde kop en zei: “Wij zijn te oud voor kunstjes, meneer Ype. Bovendien zat er knoflook op die gratis pizza. En ze riekt alles heel goed. Er zit een goed neusje op, meneer Ype, een héél goed neusje!”