Paling

Er zaten kleine spettertjes op het windscherm van mijn scooter toen ik langs de haven reed. Het was net een beetje gaan regenen. Het bankje was leeg, maar gek genoeg rook ik wel de onmiskenbare geur van de pijp van ome Arie. Ik hield even in en meende een rookwolkje te zien opstijgen uit de haven. Van achter de kademuur kringelde het omhoog. Ik stopte, zette mijn scooter neer en, gedreven door mijn nieuwsgierigheid, welke zelfs sterker was dan mijn hekel aan regen, liep richting de rand van de kade. Het was laag water en daar beneden zat ome Arie, in een boot onder de kap (een tent over de voorzijde van een vaartuig). “Ha, meneer Ype!” riep hij enthousiast, toen hij mij gewaarwerd. “Ome Arie”, groette ik terug. “Kom erbij, kerel, hier is het droog!” Hij had het duidelijk naar zijn zin. Ik stuntelde een ijzeren trapje af naar de steiger en klom moeizaam aan boord. “Een zalmschouw”, zei ik, “Die zie je steeds minder”. “Een zalmdrijver”, verbeterde ome Arie, en trok aan zijn pijp. “Ze worden vaak ‘zalmschouw’ genoemd, maar hebben niet de voor een schouw typerende platte boeg.” Uit zijn mond klonk het niet eens belerend. Hij gebaarde, dat ik naast hem kon gaan zitten onder de beschutting van de tent. “Deze is vroeger van mij geweest, maar ik heb hem aan neef Arie gegeven. Die is even op mijn fiets suiker aan het halen voor de koffie. Hij wees op een klein rond, ijzeren potkacheltje, waar een ketel op stond, waar het begin van stoom uit het tuitje kwam. “Een echt duveltje! Dat is leuk!”, doelde ik op het antieke geval. Ome Arie glunderde. Toen het water kookte schonk hij het heel voorzichtig in een ouderwets Melitta-filter, waarin de koffie. Inmiddels had ik ook mijn pijp gestopt en opgestoken, maar de heerlijke geur van koffie verdrong de rook. Niet lang daarna verscheen neef Arie. Het was de jongere uitgave van zijn oom. Hij droeg net zo’n petje, ook een beetje scheef, zij het op nog geen grijze krullen. We dronken koffie, rookten pijp (ook neef Arie!) en genoten van de beslotenheid van de kap en het uitzicht op de neerkomende waterdruppels, die belletjes vormden in het water van de haven. “Normaal lig ik in Woudrichem”, zei neef Arie, “maar één keer per jaar probeer ik met de boot hier langs te komen om een pijpje te kunnen paffen met ome Arie.” Hij trok aan zijn korte kromme pijpje. Ik mocht hem nu al. “Heeft ome Arie al verteld, dat deze boot vroeger van hem was?” Ik knikte. “En dat ze er vroeger mee gingen paling-peuren?” Ik schudde nu mijn hoofd en keek vragend ome Arie aan. Die zat met een grote grijns op zijn gezicht met de zoete herinnering. “En dat mocht eigenlijk niet…” glom deze. “Wanneer we dan midden in de nacht met een beun vol paling terugkwamen de haven in, stond de veldwachter al bij onze ligplaats.” Hij trok aan zijn pijp. “Tenminste, hij dacht, dat onze beun vol paling zat, maar daar zat een enkel zielig brasempje in, niet voldoende voor een bekeuring”. Neef Arie kende het verhaal, en ging verder; “Die paling hadden ze onderweg, ergens in de buurt van de ‘Oude Tol’ verstopt!” Ome Arie ging verder: “En die gingen we dan de volgende dag ophalen, gewoon op de fiets.” Oom en neef hadden duidelijk plezier door dit verhaal. “Bij voorkeur op een zondag, want dan zat heel het dorp met gebogen hoofd in de kerk. Dus ons kon niks gebeuren!” Ome Arie zat nu echt te lachen, “Tot op een kerstzondag. Er waren toen waren vanwege de drukte twee diensten achter elkaar, en de veldwachter was na de vroege dienst gelijk naar de ‘Oude Tol’ gegaan.” Neef Arie maakte af: “En ome Arie en zijn maats haalden net nietsvermoedend het leefnet uit het riet, toen de veldwachter in zijn zwarte pak achter hen stond!” Ik moest ook lachen, want ik zag het tafereel vóór me. Neef Arie schonk koffie in en we genoten. “Hebben jullie nog een grote bekeuring gekregen?” Ome Arie lachte nu hardop: “Nee, de veldwachter nam de paling in beslag, en wij konden gaan, zogenaamd, omdat hij zijn bonnenboekje niet bij zich had!” Ik begreep het. “Mooi, verhaal”, zei ik en stak opnieuw de brand in mijn pijp. “Maar het gaat nog verder!”, riepen de Aries in koor. Ik keek waarschijnlijk erg verbaasd, want ze schoten allebei in de lach. “De veldwachter nam de paling mee naar huis en is de hele tweede kerstdag de vis aan het roken geweest in zijn schuurtje. Hij had dienst met Oud en Nieuw en het vooruitzicht op een maaltje gerookte paling met zijn collega op het bureau was zeer aangenaam.” Neef Arie gniffelde en ging verder; “Maar dat ging niet door!” Weer gelach, en mijn verbaasde kop deed hen nog luider lachen. “Tante Riek had medelijden met ons. Ze kende de vrouw van de veldwachter en toen ze haar de volgende dag bij de bakker tegenkwam, zei ze tegen haar, dat ze blij was, dat de veldwachter de paling in beslag genomen had. Toen die vrouw verbaasd keek, zei Riek, dat ze paling, die waarschijnlijk uit de sloot bij de begraafplaats kwam, omdat aal prima gedijt in lijkenwater, niet zou willen eten. Dat mens heeft toen ze thuiskwam, helemaal over de rooie, die paling gelijk in de vuilnisbak gegooid!” Ome Arie zat nu bulderend te lachen: “Waar wij, getipt door Riek, die lekkernij weer uitgejat hebben!” De twee sloegen zich op de knieën van het lachen. “En je kunt zeggen over die koddebeier wat je wilt, maar palingroken kon’ie!”