Maandag

“Goeiemorgen”, bromde ome Arie en hij zakte langzaam op de bank bij de haven. “Goeiemorgen”, zei ik terug, en besloot even niet naar de oorzaak van zijn wat bedrukte  stemming te vragen, want ome Arie kennende kwam het probleem vanzelf wel. Hij stopte zwijgend zijn pijp, stak hem op en het was of zijn uitgeblazen wolken wat donkerder waren dan anders. “De maandagen zijn het ergst”, bromde hij na een paar minuten. “Het lijkt zo leuk, dat pensioen, maar vooral de maandagen zijn soms eindeloos.” Hij keek opzij, hoe mijn reactie was. “Ik ben nog maar kort met pensioen, dus ik weet niet of ik daar al een mening over kan hebben…” ging ik in de verdediging, “Het moet misschien nog wennen.” Ome Arie gromde wat. “Nou, knul, wen er maar aan, dat het nooit went!” Ik moest even lachen om deze wijsheid en omdat hij me ‘knul’ had genoemd. Het was een gewone maandag, auto’s reden voorbij, het dorpsleven was na een prachtig en daardoor loom weekend weer op gang gekomen. Het was nu ook niet zonnig meer en wolken wierpen hun schaduw over wéér een werkweek. Maar dus niet voor ons. Wij trokken aan onze pijp en hoefden niks. 

Ome Arie zuchtte. En nog eens. “Maandagmorgen, en alsof dat al niet erg genoeg is, had ze vanochtend ook nog haar werkschort aan.” “Riek?” vroeg ik, alhoewel dat duidelijk was. Hij keek dan ook wat verstoord opzij en ging niet op de vraag in. “Wanneer ze zo’n werkbui heeft laat ze me dubbel voelen hoe waardeloos ik nog ben. Ze stofzuigt dan zelfs verwijtend onder mijn stoel, terwijl ik lullig met mijn voeten omhoog in de weg zit te zitten.” Ik moest toch even glimlachen bij het beeld, dat ik daarbij in gedachten zag.  

“Vanmorgen wilde ik die vernedering voorkomen en besloot haar te gaan helpen. Ik ging zelf stofzuigen. Je had haar gezicht moeten zien!” Ik kon me er iets bij voorstellen. “Het ging goed tot ik de vaas van oud-tante Leonie omstootte.” Hij trok aan zijn pijp. “In duizend stukjes, natuurlijk.” “Daar was Riek niet blij mee?”, was mijn overbodige vraag. “Dat kun je wel zeggen. En mijn opmerking, dat het goed uitkwam, dat ik de stofzuiger toch al bij de hand had, deed er ook niet veel goed aan.” Ik begreep dat wel, maar moest er ook om lachen. Hij zei: “Ja, lach maar” , zuchtte weer en ging verder: “Toen ben ik maar weggegaan.” Ik kreeg een beetje medelijden met hem. “Ach, ome Arie, dan koop je straks toch een bosje bloemen voor haar, dan komt het wel weer goed!” Hij keek nu verontwaardigd mijn kant op. “De bloemenwinkels zijn dicht, meneer Ype” En met een enorme donkere wolk uit zijn pijp, uit de grond van zijn hart: “Klote-maandagen!”