De haven bij eb toonde het verval. De kademuren waren getekend met grauw, de palen vol aanslag. De geur dieper. Ome Arie ging zitten op ons ‘leugenbankje’ en pakte zijn pijp. Ik zat er ook maar net. We stopten onze tabak simultaan in onze pijp. Zwijgend staken we, als in een ballet, het rookgerei in onze mond en de tabak aan. We bliezen samen stoom af. Zondagmorgen, zonnig en geen wind, zodat voor mijn bankgenoot één lucifer volstond. Ondanks de weldadige rust was ome Arie mopperig: “Er gebeurt hier nooit wat.” Ik knikte en vond het best. Beneden ons zwom een rat voorbij. Doodgemoedereerd met de snorharen trots omhoog. (Ik had die ochtend mijn bril schoongemaakt!) “Kijk, een rat”, wees ik met de steel van mijn pijp. “Kijk, een lijk”, ging Arie daar spectaculair overheen. Je hebt altijd baas boven baas. Hij wees. Niet ver van ons vandaan dreef iets groots in het water. De rugzijde van zo te zien een blauwe overall dreef boven water en lange blonde haren golfden eroverheen. “Moet je dan één-één-twee bellen of dat andere nummer?” vroeg ome Arie. “Echt spoedeisend is het zo te zien niet echt’” Ik knikte. “Kost dat andere nummer eigenlijk beltegoed?” Ik wist het niet. Gelukkig was het onderwerp van ons dispuut nu ook door een voorbijganger opgemerkt die direct zijn mobiel pakte en er, vóórdat hij belde, eerst een foto van maakte. Wij gingen er eens goed voor zitten. Al gauw hoorden we naderende sirenes. “Die herrie lijkt me wat overbodig.” bromde ome Arie. Ik knikte. Vijf minuten maken voor iemand, die de tijd verlaten heeft, niet meer uit. Gelukkig stopte de herrie toen de agenten uitstapten. De beller was snel gevonden evenals het lijk. Vreemd genoeg leken de dienders nu weinig haast meer te maken. Er werd wat in mobilofoons gebabbeld en twee erg jonge meisjes-agenten ging linten spannen. “Lintwurmen”, typeerde ome Arie. Ik vond hem wel grappig. Het ene wurm rolde haar lint onze richting uit. “Mag ik het hier even vastmaken ome Arie?”, vroeg ze vriendelijk, terwijl ze het lint aan het bankje vast knoopte. Ik keek hem stomverbaasd aan. “Tuurlijk, Mariska”, bleek hij haar inderdaad te kennen. “Oud buurmeisje”, verontschuldigde hij zich bij mij. Ze ging aan de andere kant verder met haar afzetlint. Door het aanvankelijke gebruik van de sirenes stroomden de nieuwsgierigen toe en waren de linten nodig. Wij zaten goed, want het lint zat zo, dat we eigenlijk vanaf onze knieen in overtreding waren. Ons uitzicht werd derhalve niet belemmerd. “Wat is hier aan de hand, ome Arie?” Een verfomfaaide kater was achter ons komen staan. “Zo, Dirk,”, gaf ome Arie geen antwoord, “Feestje gehad?” Het jongmens grijnsde pijnlijk: “Vrijgezellenfeest, gisteravond. Ik heb bij Sjaak geslapen. Door het grind rond de boerderij kan ik onmogelijk stilletjes laat thuiskomen.” Ome Arie knikte begrijpend: “Dan slaan die rothonden aan, natuurlijk,” Hij wees: “Er schijnt een lijk in de haven te drijven!” De agente kwam terug met een lege rol. “We wachten op de waterpolitie”, informeerde ze ons, “Dat is standaardprotocol in dit soort situaties. Die doen dan het sporenonderzoek, met duikers en zo!” Ze klonk enthousiast. Eindelijk gebeurde er iets in het dorp. “Dan kunnen ze misschien gelijk naar mijn ketelpak zoeken, dat ben ik hier vannacht ergens verloren,” zei Dirk. Iedereen werd stil. Doodonschuldig vervolgde hij: “Gevuld met blonde Debby, van de Pabo!” Achter ons klonk nu geroezemoes: “Het is een schooljuf!” “Nee!” trachtte Dirk nog te verbeteren; “Een opblaaspop, van die andere Pabo, vanwege het vrijgezellenfeest!” Op dat moment stoof de opblaasboot van de waterpolitie het kleine haventje in…
Toilet
Er heerste een gezellige drukte in het prachtige haventje van ons dorp. Het was de laatste decennia helemaal opgeknapt met gevels, die oudheid suggereerden. De meeste mensen, die ik erover sprak, vonden het een geslaagde suggestie. Twee pijprokende oudere mannen pasten daar uitstekend bij, vonden ome Arie en ik over onszelf. We bespraken oude tijden en nieuwe waarden en waren het bijzonder met elkaar eens zonder echt naar de ander te luisteren. Een ‘oudemannenhuisgesprek’. Het gaf niks; ons pijpje rookte er niet minder om en de zon scheen op onze kop. “Vroeger was ‘nabuurhulp’ of ook ‘nabuurschap’ genoemd iets volkomen normaals op het platteland.” oreerde ome Arie, toen ik even niks zei. Ik knikte. “Wanneer iemand overleed gingen de gordijnen dicht of werden er lakens voor de ramen gehangen. Ook bij de buren.” Ik knikte. “Dus toen onze buurvrouw in ons appartementencomplex haar man onlangs verloor probeerden wij haar met van alles te helpen.” Ik knikte, maar vermoedde al een vreemde wending van dit verhaal. “Dat is nu drie weken geleden en ze komt nog steeds bij ons een kakkie doen.” “Een bakkie, bedoel je!” verbeterde ik. “Nee, een kakkie!” zei ome Arie, en hij trok zonder een spier te vertrekken aan zijn pijp. “Haar man is op het toilet gevonden, morsdood! Dat schijnt wel vaker te gebeuren.” Ik kon er niet om lachen. “En nu durft de buurvrouw niet meer naar haar eigen toilet. Het is net een camping op de galerij, wanneer ze met haar wc-rol onder haar arm naar ons oversteekt.” Het was best een triest verhaal, maar het lachen stond me nu toch nader dan het huilen. “Maar het duurt nu al drie weken…” Hij keek me een tikkie ongelukkig aan. “En wanneer ik een keer nodig moet terwijl de weduwe op onze doos zit moet ik met de wc-rol onder mijn arm naar hààr toilet rennen.” Hij kreeg het al benauwd bij de gedachte. “En hoe gaat dat dan ‘s nachts?”, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ome Arie trok aan zijn pijp en een heel vies gezicht; “Dan doet ze alles op een vies antiek po-otje, dat dan ‘s ochtends weer onze kant op klotst.” Zijn gezicht sprak wanhopige boekdelen terwijl hij mijn kant op keek: “Ze zal toch wel weer eens thuis gaan poepen?” Ik lachte niet. Ome Arie klopte zijn pijpje uit en vroeg: “Gaat u mee een bakkie koffie met appelgebak doen bij Barona, meneer Ype?”, om daar met een zucht aan toe te voegen: “Dan kan ik daar ook even naar het toilet!”
Verjaardag
Er hingen wat grijze wolken, maar het zonnetje prikte er lekker doorheen. Ik zat alleen op het bankje bij de haven te genieten van de bedrijvigheid op een aantal bootjes. Achter in de haven, vlakbij het sluisje, werd een jachtje uit het water getakeld. Van ome Arie geen spoor. Desondanks haalde ik mijn tabak tevoorschijn en stopte mijn pijp. Het bootje stond al op de kant te druipen toen ik genietend mijn pijp aanstak. “Eh, ahem”, kuchte iemand achter me. Een struise grijze dame stond achter me. Ze wees op de lege plek naast me: “Die andere meneer is er nog niet?” Ze was iets verlegen. “Ome Arie?,” ik schudde mijn hoofd, waarbij mijn pijp nogal koddig heen en weer slingerde. “Nee, die heb ik vandaag nog niet gezien.” Toen kreeg ik een vermoeden: “Bent u zijn vrouw?” En ik maakte een uitnodigend gebaar om haar op het bankje te laten plaatsnemen. Ze knikte en ging zitten. “Hij heeft de autosleutels nog in zijn zak en ik wil zo naar de verjaardag van mijn zus.” Ik knikte begrijpend. “Hij zal zo wel komen.” bemoedigde ik, en genoot van mijn pijp. Het was even stil. “Gaat hij niet mee naar verjaardagen?” won mijn nieuwsgierigheid. “Normaal wel, maar deze verjaardag laat ik hem liever thuis!” Net op dat moment kwam het onderwerp van onze conversatie aangefietst. De sleutels werden overhandigd met wat familiezakelijke mededelingen en Riek vertrok. Ome Arie nam haar plek in en stopte zijn pijp. “Ik heb even nieuwe tabak gekocht”, zei hij teneinde zijn verlate komst te verklaren. “Heeft Riek lang moeten wachten?” Ik schudde ontkennend mijn hoofd. “Lang genoeg om te vertellen, dat je niet mee mag naar de verjaardag van je schoonzus…” Hij grijnsde. “De verjaardag van Agaath. Die mis ik graag!” Gezien onze ontmoeting met de dame in kwestie (lees op swartboek.nl het verhaal ‘roken’) enige dagen geleden kon ik me daar iets bij voorstellen. Ome Arie stak zijn pijp op, pafte een paar wolkjes en vervolgde: “Het zal u wellicht zijn opgevallen, meneer Ype, dat ik haar niet erg mag…” Dat was me inderdaad wel duidelijk. “Ze heeft erg veel mening en zelf erg lange tenen. Een nare combinatie.”.” Inderdaad, dat was ik met hem eens. Ook ik word wel eens geconfronteerd met zo’n brilslang, die tijdens een verjaardag of zoiets een uitgebreide verhandeling begint over de psychische zwakte van mensen, die te dik zijn, of van mensen die roken. Al naar gelang degene, die ze wil kwetsen. En haar slachtoffers zijn vrijwel altijd te beleefd om een dergelijke irritante op hààr onbeschofte gedrag te wijzen. Ik ga meestal gewoon weg. Ome Arie wekte me uit mijn overpeinzingen: “Vorig jaar was ik het gewoon helemaal zat! Het begon al bij onze binnenkomst: ‘Zo, Truus (de echte naam van Riek), ben je nou wéér aangekomen!’” Om dan vervolgens mij van top tot teen in ogenschouw te nemen en veelbetekenend te zuchten.” Ik zag het voor me. “En dat sarren ging maar door. ‘Jij zeker geen taart, Arie?’ was de druppel. Ik stond op en ging de tuin in, waar de jongere gasten allemaal zaten. Veel gezelliger.” Er kwam een klein glimlachje; “Ik wist, dat dat lieve, ideale zoontje van haar wel eens zat te blowen. En zo te ruiken was dat nu weer het geval.” Hij praatte nu zachtjes, samenzweerderig, alsof niemand het mocht horen. “Dus ik vroeg aan die gast, of ik ook een beetje van dat spul voor in mijn pijp mocht…” Ome Arie keek om zich heen of niemand meeluisterde. “Die gast lachte en die gaf me inderdaad wat weed…” Ik lachte nu ook. Echt weer een actie voor ome Arie. “Dus dat spul in mijn pijp. Ik rook die pijp nooit over mijn longen, dus dacht, dat er niet veel kon gebeuren.” Ik lachte nu hardop; “dat denkt iedereen ome Arie: dat er niks gebeurt!” Ome Arie knikte: “Ik dus ook. Ik voelde er helemaal niks van. Ik vond het dan ook volkomen normaal, dat ik met mijn pet achterstevoren op mijn kop de Marseillaise zat te klepperen met twee eetlepels op mijn been, omdat het die dag Quatorze Juillet was!” Hij lachte nu zelf ook hardop, “en het Wilhelmus begon te zingen als antwoord!” Hij had tranen in zijn ogen van het lachen. “Riek heeft me toen gauw de auto ingesleurd. Tot spijt van mijn neefje, want die vond zijn ome Arie helemaal geweldig!” Ik vond het ook geweldig en sloeg op mijn knieën van de pret. Toen we uitgelachen waren zei ome Arie, zogenaamd heel triest: “en daarom mag ik nu niet meer mee naar de verjaardag van schoonzus Agaath…” En na een korte stilte: “Hahahahaha!”
Vragen
Sinds ik ome Arie heb leren kennen word ik bestormd met vragen. Helaas weet ik weinig meer over hem te vertellen dan al verteld aan mijn trouwe lezers. Ome Arie is gewoon ome Arie. Een simpele boer met genoeg ‘gezond boerenverstand’, zoals mijn vader zou zeggen. Over onderwerpen, waar wij ons druk maken lijkt hij geen mening te hebben. Rassendiscriminatie?: “Er zijn witte koeien, zwarte koeien, zelfs rooie koeien, en van alles daartussenin. De één is een melkkoe, de ander een vleeskoe. De opbrengst hangt vaak van het ras af. Maar het zijn allemaal runderen en eten allemaal gras…” bromt hij dan tussen een paar rookwolkjes uit zijn pijp door. Ik laat zo’n onderwerp dan maar rusten. Over Corona?: “Riek en ik zijn al jaren heel gelukkig met elkaar op anderhalve meter.” Vaak komt er dan nog de vaststelling dat zulks volkomen normaal is. “D’er zit niet zoveel trek meer in de schoorsteen”, is dan weer zo’n aparte uitspraak. Ome Arie vindt een mening iets voor kapitaalkrachtigen. Over politiek: “Ik stem nooit uit mijn portemonnee. Dat heb ik van mijn moeder geleerd. Een uitkeringstrekker, die op een partij stemt, welke op zijn uitkering, in mijn geval AOW, wil bezuinigen is niet slim. Voor allerlei idealen heb ik gewoon niet genoeg geld.” En hij kan me dan enorm verbazen, wanneer hij er vervolgens aan toevoegt: “Nur die allerdümmsten Kälber wählen ihre Metzger selber*”. En wanneer hij dan mijn verbazing ziet, met een glimlach: “Bertold Brecht, toch, meneer Ype?” Ik moet hem dan het antwoord schuldig blijven. (En het later opzoeken.) Ome Arie paft simpelweg zijn pijpje op het bankje bij het kleine haventje, blijft mij respectvol, zij het met een licht spottende ondertoon, ‘menéér Ype’ noemen, en beschouwt het leven. Ongecompliceerd, met zijn gezonde boerenverstand.
(*: Vertaling: ‘alleen de allerstomste kalveren kiezen hun eigen slager’ en waarschijnlijk niet oorspronkelijk van Bertold Brecht)
Fietsenstalling
Het was een zonnige zondagmorgen. In het haventje was iemand iets aan het schuren, wat gelukkig niet teveel lawaai maakte. Een verlate kerkgangster fietste gehaast voorbij met, verwoed slingerend aan haar stuur, een plastic tasje waarin haar hoedje. Ome Arie keek haar na. “Zeker bang, dat dat hoedje verbleekt in de zon.” Hij was een beetje mopperig. Ik liet hem maar een beetje met rust. Tot ik een luid geknor van zijn maag hoorde. “Hoor ik nou jouw maag knorren, ome Arie?” kon ik niet nalaten te vragen. Hij knikte. “Riek heeft besloten, dat ik op dieet moet.” Zijn petje stond niet vrolijk. “Ze maakt zich misschien zorgen over je gezondheid?” suggereerde ik. “Nee, niet over mijn gezondheid, maar over het dooienfonds.” bromde hij. “Het dooienfonds?!” Hij bleef me verbazen. “Het dooienfonds!” beaamde hij. Ik besloot rustig af te wachten. Hij zuchtte: “wanneer het lijk zwaarder is dan 120 kilo wordt niet alles vergoed.” Ik keek verbaasd. “De kist moet degelijker, de kuil dieper en er moeten meer dragers komen.” Ik schoot in de lach. “Ja, lach maar!”, bromde onze knorrepot, “ik zit met de ellende! En dat allemaal voor mijn begrafenis…” Ik probeerde serieus te blijven, wat nog een hele opgave was. “Heb je al bedacht hoe je begrafenis moet worden, ome Arie?”, probeerde ik het gesprek ernstig te houden. Tevergeefs. “Ik wil opgebaard worden in de fietsenstalling van ons appartementencomplex. Daar zijn stopcontacten voor elektrische fietsen, dus er is stroom voor een koeling”. Ik kon mijn lachen niet meer inhouden: “maar waarom de fietsenstalling?” Hij trok aan zijn pijp; “Ik heb de mooiste momenten van mijn leven gehad in de fietsenstalling van school, samen met mijn Riek.” Hij was doodernstig. (Het juiste woord in dit geval…) “Nog één keer met haar alleen in de fietsenstalling, dat is mijn laatste wens.” Meende hij het nou echt of zat hij me verschrikkelijk in de maling te nemen? Hij klopte zijn pijp uit, stond op en lachte: “Kom, dan trakteer ik u op een bak koffie met appelgebak, meneer Ype!” Het laatste dus…
Pet
“Zo, ome Arie, heb je een nieuwe pet?” Ik zette mijn scooter op de standaard en pakte mijn pijp en tabak uit de bak onder mijn zadel. “Nou, eigenlijk is dit mijn oude pet. Die draag ik alleen, wanneer de nieuwe in de was zit.” Ik ging zitten en begon mijn pijpje te stoppen. Het was niet echt warm, maar met een trui en een jas was het best uit te houden. “Ik ben deze pet een tijd kwijt geweest”. Hij had me al aan zien komen. “En een boer zonder pet is moeilijk te begrijpen…” Ik keek verbaasd, en begreep hem mét pet ook even niet. Ome Arie zag mijn onbegrip, glimlachte en legde uit: “Bij een boer moet je altijd even kijken hoe de pet staat. Staat de pet scheef achter op de kop, dan heeft’ie waarschijnlijk een borrel op, staat’ie vóór op de kop, dan heeft’ie de pest in, staat’ie een tikkie schuin, dan is het ‘boer zoekt vrouw’!” Ik snapte het en stak mijn pijp op. Zijn pet stond nu vrij neutraal. “Je bent deze een tijd kwijt geweest?”, bracht ik hem weer terug op zijn oorspronkelijke verhaal. Hij knikte. “Wij boeren kunnen nooit ’s zomers met vakantie. En zoals eerder verteld (zie eerdere verhalen op swartboek.nl) ben ik ook niet zo’n vakantieganger.” Ik kon me dat verhaal nog herinneren. (titel: ‘Fiets’) “Toen mijn kinderen wat ouder werden en voor de beesten konden zorgen haalde Riek me over om een keer op wintersport te gaan. In Oostenrijk.” Hij zuchtte. “Toen ik op een avond met mijn pet achter op mijn kop uit de kroeg kwam heeft ze me zover gekregen dat ik met dat idee akkoord ging.” Ik moest lachen om het beeld dat ik hierbij kreeg. “Ja, lach maar!”, mopperde ome Arie, maar hij zette zijn pet in de ‘vrolijk-stand’. “Dus wij met de trein naar Oostenrijk, op zich wel een belevenis. Ik was nooit verder gekomen dan de Achterhoek.” “Naar je verre nicht?” gokte ik. Ome Arie knikte. “In Oostenrijk hadden we een appartement gehuurd, zodat Riek zelf bruine bonen met spek kon klaarmaken, want dat vreemde voer is niks voor ons.” Ik knikte begripvol doch niet begrijpend, want zo exotisch is het eten in de Alpenlanden toch niet. “We huurden ski’s en meldden ons voor skiles.” Ik glimlachte bij de gedachte aan Arie en Riek uit de polder, niet meer de jongsten, in een skiklasje. “Het was geen succes. Riek werd al gauw met een dom Engels mens in een apart kneuzengroepje gezet en ik had blaren op mijn voeten. Die skischoenen leken niet op mijn vertrouwde klompen.” Hij rookte een paar trekjes omdat zijn pijp dreigde uit te gaan. “De tweede dag gingen we met zo’n stoeltjeslift omhoog. Ik zat naast ‘die Heidi aus Wuppertal’, die alleen oog had voor de skileraar. Die deerne was zo tochtig als een jonge koe in een lentewei.” Hij liet me even uitlachen en ging toen verder. “En dat rund stootte met haar skistok mijn pet van mijn kop toen we hoog boven een bos zweefden.” Hij schoof zijn pet naar voren; hij kon er nog boos over worden. “Dat was mijn laatste dag op de piste. Riek hoefde ook niet meer. We zijn de volgende dag met de bus naar Salzburg gegaan en hebben daar een nieuwe pet gekocht…” Hij zette zijn huidige pet weer in de ‘neutraalstand’. Het bleef even stil, maar ik voelde, dat er nog meer moest komen. “Het jaar daarna zijn we lekker thuisgebleven. Mijn zoon is toen met zijn toenmalige vriendin gaan wintersporten. Er was weinig sneeuw, dus bezochten ze een soort museum, waar voorwerpen werden tentoongesteld, die in de zomer ervóór onder de stoeltjesliften waren gevonden. Skistokken, ski handschoenen, zelfs een kunstgebit.” “En een Hollands boeren-petje?” gokte ik. “En een Hollandse boerenpet!” verbeterde ome Arie mijn ietwat denigrerende toon.
Puur Natuur
Vanonder een paraplu kwam een rookwolkje. Het rook bekend; ome Arie’s pijp. Hij zat op ‘ons’ bankje, diep ineengedoken onder het regenscherm. Het miezerde al de hele ochtend in die mate, dat ik mijn scooter in de garage had laten staan. Ik had mijn auto vlakbij geparkeerd om een boodschap te doen toen ik het rooksignaal ontving. Ik pakte een paraplu uit mijn achterbak en maakte de bank droog met mijn zakdoek. Tenminste, ik probeerde dat, maar veel hielp het niet. Die broek zou wel weer drogen. Ome Arie leek weinig last van het weer te hebben. “Boeren zijn vaak blij met wat regen”, las hij mijn gedachten. Ik knikte begrijpend, terwijl ik mijn pijp trachtte te stoppen, hetgeen best lastig is, wanneer je ook nog een paraplu in bedwang moet houden. Gelukkig hield de regen even op, zodat ik mijn handen vrij kreeg. Ook ome Arie klapte zijn paraplu in. “De boeren hebben het niet makkelijk.” Hij ging wat meer rechtop zitten. “De boeren hebben het eigenlijk nooit gemakkelijk gehad. Wij, Riek en ik, hebben ook van alles moeten bedenken om de eindjes aan elkaar te knopen.” Ik trok tevreden aan mijn pijp: daar kwam weer een sterk verhaal! “Op een goede dag hoorde Riek van haar verre nicht in de Achterhoek, dat ze daar leuk bijverdienden met een zogenaamde ‘boerencamping’.” Hij trok aan zijn pijp, mij de kans gevend het gezegde rustig te kunnen verwerken. “Riek was behoorlijk enthousiast, vooral omdat de nicht wel wilde helpen met het aanmelden bij een organisatie die gericht was op een heel net publiek. Puur Natuur heette die club.” “Want je wilt niet allemaal feestende jongeren op je erf hebben”, begreep ik. Ome Arie knikte, “Dus ik ging allerlei faciliteiten aanleggen. Stroomkabels ingraven, douches en toiletten konden simpel in de schuur en ik had nog genoeg plek voor een klein winkeltje voor melk, kaas en dergelijke.” “Je bent dus van alle markten thuis, ome Arie!”, zei ik bewonderend. Hij nam het compliment glimlachend in ontvangst. “De eerste caravan kwam al twee weken later.” Hij wees met zijn pijp omhoog; “Toen was het net zulk weer als vandaag. Het waren hele nette mensen. Een gezinnetje met twee nog jonge kinderen.” Ik stak mijn pijp weer aan omdat deze door het aandachtig luisteren was uitgegaan. “De volgende dag kwamen de opa en oma ook. Met een camper. Riek was helemaal blij! Toch een extra bron van inkomsten in een moeilijke tijd.” Ik voelde een ‘maar’ aankomen, maar het bleef even stil. Ome Arie pafte zijn pijp en ik pafte mijn pijp. “Die avond belde Riek helemaal enthousiast met de verre nicht. De mensen van de camper hadden ook wel eens bij hun in de Achterhoek gekampeerd. ‘Ricky en Slingertje’ noemde zij hen. Riek snapte er weinig van. Tot de volgende morgen. Het was een prachtige ochtend. De zon scheen en we zaten buiten op ons terras aan de koffie toen er een klein jongetje langs rende. In zijn blootje.” Ome Arie pauzeerde om het effect te versterken. “Dat was op zich niet zo’n probleem, maar toen het moedertje er ook spiernakend achteraan rende keek Riek toch wel wat verbaasd.” Ome Arie lachte. “Even later kwamen Ricky en haar man ook voorbij. Toen werd ons duidelijk waar dat ‘Slingertje’ vandaan kwam!” Ik kon wel om dit verhaal lachen. “Dus jullie camping was weer snel gesloten?” vroeg ik. “Nee, hoor, die is nog heel lang open gebleven. Het was inderdaad een heel net publiek en de inkomsten waren mooi meegenomen!” Hij klopte zijn pijp uit en borg hem op. “Alleen wat lastig, wanneer we visite kregen als het mooi weer was…”
Roken
Het was een redelijke dag, met zon en wat schapenwolkjes. Ik had net mijn pijp en mijn tabak gepakt, toen ome Arie opeens zijn brandende pijp in mijn hand drukte. “Hou even vast, daar komt mijn schoonzus Agaath!” Ik zat stomverbaasd naar de pijp te kijken toen een oude, in het zwart geklede vrouw op een scootmobiel stopte bij ons bankje. “Wat ruik ik?” kraste ze, “Een pijp? Jij rookt toch zeker niet weer? En dan ook nog stiekem achter mijn zus’ rug om?” Haar ogen vlamden en ze hief een knokig vingertje bestraffend omhoog. Ome Arie wees op mij als hoofdverdachte. “Ikke niet, maar die meneer rookt als een schoorsteen.” Ik kon niets uitbrengen en zat er wat lullig bij met twee pijpen in mijn handen. “Zo erg…”, loog ome Arie gezellig verder, “dat hij met de ene pijp de andere aansteekt!” Ik keek van de ene pijp naar de andere, me afvragend hoe ik zoiets voor elkaar zou moeten krijgen. De heks keek vernietigend mijn kant op. Ik stopte snel ome Arie’s pijp in mijn jaszak en stopte met het stoppen van de mijne. “Weet u wel hoe gevaarlijk roken voor uw gezondheid is?” Ik wist het. “En dan nog met twee pijpen tegelijk bezig zijn, een schande is het!” Ik keek erg schuldbewust, want discussiëren met een antirook-brilslang is zinloos, dat wist ik uit ervaring. “Mijn oudoom Hendrik is daar een voorbeeld van. Hij is niet ouder geworden dan 24!” Tegen beter weten in kon ik het niet laten: “24? en dan al longkanker?” Schoonzus Agaath keek me vernietigend aan: “Nee!” Ome Arie schudde ook slaafs zijn hoofd. Ik durfde niet verder te vragen, maar dat was ook niet nodig, want nijdig vervolgde ze: “Hij diende in Nederlands Indië. Toen hij in een pikdonkere nacht op wacht stond stak hij zijn pijp op en vrijwel direct werd zijn kop eraf geschoten!” “Van zijn pijp?” vroeg ik, een tikkie onnozel, “Nee, van zijn romp!” kraste de heks nijdig. Ome Arie zat zijn lachen in te houden. “Zo zie je maar, dat roken levensgevaarlijk is!” Ik hield wijselijk mijn mond, waarop de zwarte weduwe haar scootmobiel de sporen gaf en wegreed. Ome Arie lachte nu hardop. “Dat is dus mijn schoonzus!” wees hij haar na. En vervolgens, ietwat zorgelijk: “Weet jij, dat er rook uit je jaszak komt?”
Trekker
Het was al een paar dagen geen weer om genoeglijk ons pijpje te roken op het bankje bij de haven. Toen ik er langs kwam met mijn auto vond ik het maar een triest gezicht, zo’n leeg nat bankje dat stond te druilen bij de haven. En ik miste de verhalen van ome Arie. Toen ik moest stoppen voor een parapludrager op het zebrapad zag ik dat ome Arie’s fiets voor de kroeg stond. Ik besloot een kop koffie en parkeerde mijn auto een klein stukje verderop. Ome Arie zat aan de bar met een bakkie voor zich en genoot van een fors stuk appeltaart. “Gwoeiemworgen”, mompelde hij met volle mond, toen hij me zag. “Goeiemorgen, ome Arie, goeiemorgen, bar-mevrouw!”, antwoordde ik terwijl ik mijn druipende jas aan de ouderwetse kapstok hing. De dame achter de bar groette vriendelijk terug en keek vragend om de bestelling. “Een bakkie en die appeltaart lijkt me ook wel wat”, wees ik naar de laatste hap, die in ome Arie’s mond verdween. De dame ging aan het werk. “Da’s alweer een tijdje geleden, dat we elkaar zagen, ome Arie”, zei ik, terwijl ik op de barkruk naast hem ging zitten. Hij knikte en veegde zijn mond af met een grote rode zakdoek. “Het is ook geen weer”, bromde hij, “Ik zit al dagen binnen. Riek heeft me er uit geschopt; ze wilde even stofzuigen en stoffen en was mijn kop ook zat!” Ik knikte, want ook bij mij thuis hing een donkere wolk. Ik kreeg mijn koffie en mijn appelgebak. “Heeft u ook zoetjes?” De bar-mevrouw keek verbaasd, maar bracht de suikervervangers. “Om de appeltaart te compenseren”, grapte ik mijn standaard-grap, waar al jaren niemand meer om lacht. De bar-mevrouw glimlachte beleefd, en zei iets, wat door een voorbij-knetterende scooter volkomen verloren ging. “Rotherrie!” gromde ik. Ome Arie glimlachte. “De mijne maakte vroeger net zo’n herrie!” Hij kreeg een kwajongensachtige blik in zijn ogen. Ik keek even verbaasd. “Een Kreidler. Een echte Kreidler. Rood natuurlijk. Toendertijd had je de Kreidlers en de Zündapps, en later kreeg je de Puchs. Dat vonden wij maar eitjes!” Het was niet geheel duidelijk of dat op de brommers of op de berijders sloeg. Ome Arie maakte zijn bakkie leeg en bestelde een nieuwe. “Jij ook nog?” vroeg hij, maar het grootste deel van mijn koffie stond nog op mijn keelgat te wachten, dus ik bedankte. “Weet je, dat er nog eens een Nederlander Wereldkampioen is geworden in de motorsport met een Kreidler?” Ik wist het. “De mijne haalde ook gemakkelijk de 90”, glom ome Arie, “Dat beaamde ook de motoragent, die op de Langeweg naast me reed en mijn Kreidler in beslag nam. Doordat mijn grote liefde zo’n herrie maakte, had ik de BMW van die Juut niet horen aankomen…” Ik keek opzij: “Dat was behoorlijk balen, zeker?” Hij knikte, maar leek er nu weinig last meer van te hebben. “Ik heb hem een paar weken later wel teruggekregen, maar zonder de ‘opvoer-onderdelen’. Dus een halve motor!” Hij kon er nu wel om lachen. Hij dronk van zijn verse bak. “De zaterdag daarna zou ik met mijn vriendinnetje naar de film in Spijkenisse gaan: De Sound of Music.” De barvrouw lachte: “Dat is lang geleden!” Ome Arie knikte. “Maar dus niet op mijn Kreidler met haar armen om me heen.” Hij zuchtte. “Ben je wel gegaan?” vroeg ik. Hij knikte. “Met de trekker.” “Met de trekker?” vroegen de bar-mevrouw en ik in koor. “Ik ben de hele zaterdag bezig geweest het ding schoon te maken. Een enorme klus.” Hij roerde volkomen zinloos in zijn koffie. “Toen ik haar ophaalde keken haar ouders wel wat vreemd. Ze woonde in een nieuwe woonwijk en daar kwam niet vaak een nogal forse tractor. Haar moeder keek uit het keukenraam en zag alleen maar wiel.” Hij grijnsde. “Mijn vriendinnetje was zo overdonderd, dat ze zonder veel commentaar in haar mooie jurkje omhoog klom en naast me kwam zitten.” De bar-mevrouw zag het vóór zich en er de voordelen wel van: “Nou, achterop zo’n brommer zit je ook niet echt op je charmantst.” Ome Arie knikte. “Dus wij naar de bioscoop in Spijkenisse.” “Met de pont”, droeg ik mijn steentje bij aan het verhaal. “Met de pont”, herhaalde ome Arie. “En ik keek bij het van de pont afrijden goed op mijn horloge omdat ik wilde weten, hoe lang ik zou doen over de rit van pont naar bioscoop, en, belangrijker nog: van bioscoop naar pont.” Wij, de bar-mevrouw en ik, keken niet-begrijpend. “De laatste pont terug ging om 23:00 uur en die mocht ik niet missen!” Het was ons duidelijk. “Helaas was die trekker niet echt snel, dus we hebben het einde van de film nooit gehaald.” “De pont wel?” vroegen wij in koor. “Gelukkig wel, maar op het nippertje!” De bar-mevrouw vond het wel zielig voor het vriendinnetje, maar ome Arie stelde haar gerust: “Ze is de week erna met een Zündapp naar diezelfde film gegaan.” Even was hij stil. “Ze is later ook met hem getrouwd.” Hij nam weer een slok koffie: “Weten jullie eigenlijk of die familie von Trapp nog meegedaan heeft aan die korenwedstrijd?”
Naam
Ome Arie kwam statig aangefietst; strak in het pak. Zwart met een helderwit pas gestreken overhemd, zwarte gepoetste schoenen en zelfs een vest. Alleen zijn petje paste niet echt bij dit geheel. Hij stapte stijlvol af en kwam naast me op onze bank bij de haven zitten. “Een doopdienst”, legde hij uit op mijn vragende blik. “Van het zoontje van mijn jongste dochter.” Hij toverde ergens uit zijn prachtige outfit zijn pijp en een pakje tabak en begon te stoppen. Pijprokers stoppen juist om wèl te roken. “Ik moet wel gaan”, verontschuldigde hij zich bijna, “Riek staat er op, vooral omdat het manneke naar mij vernoemd is!” Hij stak tevreden zijn pijp op en onthulde met plechtige stem: “Adrianus Nicodemus!” “Zozo,” zei ik, onder de indruk, “Da’s niet niks, opa Arie!” Hij zat met een brede glimlach te genieten. Zo zaten we even simultaan te paffen. “Komt dat ‘Nicodemus’ ook bij jou vandaan, ome Arie?”, kon ik niet nalaten te vragen. Dat nalaten had ik mogelijk beter wel kunnen doen. Zijn glimlach trok gelijk weg. “Die Nico is de andere opa.” bromde ome Arie, “Een beetje té aanwezige man.” Ik keek opzij. “Bij verjaardagen ontwijk ik hem altijd. We liggen elkaar gewoon niet.” Dat leek me duidelijk. Er viel even een pijnlijke stilte. Ome Arie zuchtte. En zuchtte weer. Er zat hem duidelijk iets dwars. “Wat is er, ome Arie? Zie je tegen die kerkdienst op?”, vroeg ik. “Ik ben voorbereid”, zei onze zuchter en diepte een paar oordopjes uit zijn binnenzak. Ik keek hem verbaasd aan: “Zo erg zal die preek toch niet zijn? Het is een doopdienst!” Een derde zucht: “Het gaat om het zingen.” “Het zingen?”, vroeg ik. Hij knikte. “Die Nico zat bij de doopdienst van de oudste van mijn dochter achter me. Hij kwam boven alles uit. Qua volume.” Nu begreep ik de oordopjes. “Bovendien zat die namaak-Pavarotti daarbij ook nog vreselijk in mijn nek te spetteren!” Uit een andere binnenzak diepte hij een klein handdoekje. Ik schoot in de lach. “Ja lach maar”, bromde ome Arie, “Nu zal hij waarschijnlijk zelfs nààst me zitten, als mede-naamgever.” Het vooruitzicht stemde hem minder vrolijk, dat was duidelijk. “Maar ome Arie, door de huidige situatie mag er volgens mij nog niet worden gezongen in de kerk.” Hij keek me aan. “Meent u dat, meneer Ype?”, vroeg hij. Ik knikte. Er kwam een glimlach. “Wat een opluchting! Ieder nadeel heb z’n voordeel, zou Cruyff gezegd hebben.” Hij stopte zijn ‘overlevingspakket’ weer terug in zijn binnenzakken en trok tevreden aan zijn pijp. Zo zaten we even tevreden op ons bankje en genoten. “Zo, het wordt tijd”, klopte ome Arie zijn pijp uit, “Ik moet maar eens richting kerk gaan…” Hij stond op. “Eh, ome Arie, uw pet staat een beetje, eh, apart, bij uw keurige pak!” “Dat doe ik expres”, antwoordde hij, “Een klein protest!” Zoals zo vaak begreep ik hem even niet. Verbaasd keek ik hoe hij zijn fiets pakte. “Protest?” probeerde ik, “Bij de doopdienst van het naar jou vernoemde kleinkind?” “Ja”, hij keek even om: “Hij heet Adrianus Nicodemus, maar ze noemen hem Noah. Zo houden ze beide opa’s ontevreden!” Hij fietste hoofdschuddend weg.