Prostaat

Het haventje van ons dorp was een oase van rust. Veel plezierjachtjes waren uit het water gehaald voor hun jaarlijkse onderhoud, waardoor veel ligplaatsen leeg waren. Ome Arie zat er al toen ik mijn gouden koets achter de GEBO parkeerde. Plek genoeg, want de ijsverkoop was waarschijnlijk ook op een winters niveau. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik. De oude baas tikte ter begroeting met het mondstuk van zijn pijp tegen zijn pet. Ik pakte mijn pijp. “Hoe gaat het zo, ome Arie?”, vroeg ik, echt geïnteresseerd, daar hij een beetje somber leek. “Ach,”, mompelde hij, “voorlopig gaat het goed.” Hij trok aan zijn pijp. Er zat hem duidelijk iets dwars. “Ik ben gisteren voor onderzoek naar het ziekenhuis geweest.” Ik schrok een beetje van zijn neerslachtige toon. Ik durfde niets te vragen. Het bleef even stil. Hij keek mijn kant op: “Oudemannenkwaal…” Hij keek omlaag, “Ik had opeens een rode straal, terwijl ik geen rode bietjes had gegeten.” Ik knikte, want begreep, dat hij bloed geplast had. “De huisarts stuurde me gelijk door naar de uroloog.” Hij zocht weer even troost in zijn pijp. “Dus daar was ik gisteren.” “Het onderzoek werd gedaan door een vriendelijke juffrouw met allerlei tatoeages op haar gespierde armen.” Ik kreeg er een beeld bij. Ome Arie vervolgde: “En die tattoo-mop ging met een dun buisje mijn gevalletje in om naar het binnenste van mijn blaas te kijken…” Hij keek opzij: “Het was niet pijnlijk, hoor, de handeling zelf, bedoel ik.” “Maar je ligt daar toch, eh, nogal bloot, zal ik maar zeggen.” Ik snapte het. Het was weer even stil. “En daarna moest ik op mijn zij gaan liggen, want ze wilde even…” Hij maakte een gebaar met zijn hand, wat niets aan mijn verbeelding overliet: Het inwendig onderzoek. Via de anus op zoek naar de prostaat. “En nu is Riek nijdig op me…” Deze wending overviel me:”Riek boos?” “Was zij er bij?” Hij knikte. “Ze had me gewaarschuwd, dat ik geen, zoals zij dat noemt: ‘zogenaamd’ geestige opmerkingen mocht maken.” “Want in mijn zenuwen gebeurt me weleens, dat ik er opeens wat uit flap!” Ik knikte begrijpend. “Dus die juffrouw zit in mijn gevoel tot haar elleboog in mijn achterste, vraagt ze: ‘heeft u ook wel eens erectieproblemen?’ Die vraag overviel me nogal, en ik was toch wat nerveus, meneer Ype. Dus ik flap er uit: ‘Normaal niet, maar op dit moment zou u hiervoor toch heel erg uw best moeten doen!’.” Ik schoot in de lach: “Dus nu is Riek een beetje pissig?”, zeg ik, zonder me de wat ongelukkige woordkeus te realiseren. Ome Arie kon er gelukkig wel om lachen.

Kapper

Blauwe maandag. De meest deprimerende dag van het jaar. Aan ome Arie was dit niet te merken. “Dat geldt alleen voor werkende mensen”, had hij vorig jaar, of was het het jaar daarvoor geweest, gezegd: “Die zitten weer in de routine van alledag, met een lange maand, die niet in overeenstemming is met de lengte van hun salaris.” Hij had daarbij een krachtig rookwolkje uitgeblazen. “Met goede voornemens, die minder goed vol te houden bleken.” Ik zat in gedachten hieraan mijn pijpje te stoppen, waardoor ik de komst van ‘het orakel van de havendam’ niet eens had opgemerkt. “Mòrge, meneer Ype!” klonk het opgewekt. Ik groette terug, na mijn eerste rookwolk. “Het is niet eenvoudig om hier te komen!” Ome Arie wees naar de Bierkade, die was afgesloten vanwege een groot gat. Gegraven om allerlei buizen in te leggen. Geen idee waarvoor. Ik had het eens gevraagd aan een oude baas, die met zijn handen diep in zijn zakken van achter een hek de werkzaamheden kritisch stond te bekijken, maar deze had weinig licht in mijn duisternis gebracht: “Waterleiding, of riool. Maar kan ook voor iets anders zijn.” Vervolgens had hij weer zijn aandacht op het gat gericht. “Wat doet het ertoe…”, mompelde hij nog. “Wat doet het ertoe.” Je ziet ze regelmatig; oude mannen, die bij bouwputten naar de werkenden staan te kijken. Wellicht terugdenkend aan de tijd, dat ze er zelf nog ‘toe deden’.
“Ik moest een stukkie omfietsen,” wekte ome Arie me uit mijn dagdroom. Ik knikte. “Daarom was ik iets later.” Hij stak zijn pijp op. We rookten even in stilte. Ik was minder opgewekt dan mijn vriend. Door de blauwe maandag? Misschien ook. Maar ook, omdat ik net gehoord had, dat mijn kapper ermee gestopt was. Met alles. Er was nog een traumahelikopter geweest, maar niets mocht meer baten. Zo’n jonge vent. Hij was de laatste tijd wel erg stil geweest. Bij mijn laatste knipbeurt had hij precies twee woorden gezegd: “Kort?” Ik had geknikt. “Baard?” Ik had weer geknikt. Ik vind het juist fijn, wanneer een kapper niet te veel tegen me kletst, zeker, wanneer deze pro Ajax is. Maar nu twijfelde ik. Had ik toch iets moeten zeggen? Of gewoon vragen hoe het met hem ging? Had het ertoe gedaan?

Leefstijl

Ome Arie had gelijk gekregen. Er was veel sneeuw gevallen. De omstandigheden waren hierdoor enige dagen niet echt optimaal voor ons pijprokers geweest. Gelukkig was de dooi weer ingetreden en konden we weer genieten van het uitzicht op het mooie haventje van ons dorp. De sluisdeuren waren open met daarachter een strook rustig Spui, met aan de overkant de boom. Het water stroomde amper. Het was kerend tij. Zo genoot ik van de rust en mijn pijpje. Ome Arie zat naast me. Hij genoot ook. Zijn gezicht betrok echter, toen de scootmobiel van zijn schoonzus de bocht om kwam zeilen. “Nee toch…”, zuchtte hij. Maar vluchten kon niet meer. “Ik kon wel raden, dat je hier je tijd zat te verdoen met dat daar!” Met ‘dat’ bedoelde ze mij? Ome Arie reageerde niet. Hij trok aan zijn pijp en blies een wolkje rook uit. “Daar zou je allereerst mee moeten stoppen,” klonk het streng. Ze wees op de pijp. “Ik ben zojuist bij zus Riek geweest en die maakt zich ernstig zorgen over je gezondheid!” Ome Arie keek verbaasd, maar hield verstandig zijn mond. De storm was echter nog niet over: “We zijn het erover eens, dat je in het nieuwe jaar je leefstijl zal moeten veranderen!” Ze zette haar handen in haar zij, hetgeen er redelijk belachelijk uitzag in een scootmobiel. “Je moet naar een lifestyle-coach!” “Een lifestyle-coach?”, verbrak ome Arie zijn stilzwijgen, “Is dat een omgebouwde methadonbus?” Ik schoot in de lach, hetgeen me een vernietigende blik van schoonzus Agaath opleverde. Ome Arie hield zich van de domme. De bezorgde schoonzus draaide haar wagentje, zei: “Ik zou nooit met zo’n sukkel getrouwd willen zijn!”, en reed in de hoogste versnelling weg. Ik keek ome Arie aan. Deze had een klein glimlachje op zijn verweerde gezicht: “Dat is het enige waarover ik het met mijn schoonzus eens ben!” Hij stak zijn pijp nog eens aan. Grote rookwolken verlieten zijn mond, alsof hij daarmee zijn woorden kracht wilde bijzetten.

Sneeuw

Nieuwjaarsdag. Ome Arie zat al op zijn vertrouwde plek op ons bankje bij de haven. De straten waren bezaaid met rood vuurwerk-papier. Ik groette mijn oude vriend, die bij wijze van antwoord met zijn pijp aan de rand van zijn pet tikte. Het was stil. De roes van oudejaarsavond werd uitgeslapen. Het vuurwerk was verstomd. Ik stopte mijn pijp. Het voelde als een vredespijp. Ik heb een hekel aan vuurwerk. Altijd al gehad. Ome Arie had eens verteld, dat hij nog weleens met melkbussen en carbid in de weer was geweest. Lang geleden. Nu staken wij alleen nog pijpjes aan, of, bij speciale gelegenheden, een sigaar. Er viel van ons weinig vuurwerk meer te verwachten. Tot groot genoegen van onze echtgenotes. Op ons bankje zat zo’n honderd jaar huwelijk. Er zijn niet veel bankjes die dat mogen dragen. Zo zaten we nog even te havenstaren. “Ze geven sneeuw op,” zei ik om de stilte even te doorbreken. Ome Arie keek me verbaasd aan, stond op en keek naar de lucht. Eerst de lucht boven het Spui, daarna boven het dorp. Hij trok aan zijn pijp. “Ja, ja,” mompelde hij, “zo, zo,” en weer blies hij wat rook de lucht in. Hij krabde aan zijn baard en ging langzaam weer zitten. “Dat zou best een kunnen, meneer Ype, dat zou best eens kunnen!” Ik keek hem met enige bewondering aan. Die oude boeren konden, met hun jarenlange ervaring, aan subtiele tekens vaak formidabel het weer voorspellen. Toch een beetje nieuwsgierig kon ik niet nalaten hem op opheldering te vragen. “Hoe zie je dat dan, ome Arie?”, vroeg ik. De oude baas blies een wolkje uit. “Kijk, de rook gaat naar het oosten, dus er staat een westenwind.” Hij krabde aan zijn baard: “Maar die ruimt naar noordelijke richting…” Hij stond weer op en wees: “Daar zie je wat grijze bewolking, echt zo’n sneeuwlucht, je kunt het bijna ruiken!” Hij snoof de lucht op terwijl hij weer ging zitten. “Zo, dus!,” zei hij triomfantelijk. Hij leunde zelfvergenoegd achterover. Mijn bewondering was immens: “Geweldig! Ik zou het hooguit op buienradar kunnen zien, maar ome Arie rúikt het, fantastisch!” De Pelleboer van deze tijd genoot van zijn pijp. Even was het stil. Toen zei hij zachtjes: “En ik had vanmorgen ook eventjes op buienradar gekeken. Maar alleen ter controle hoor!”

Naaikrans

Oudjaarsdag. Ik was na mijn koffie met oliebol even naar ons haventje uitgeweken voor een pijpje. Ome Arie kwam niet veel later. Ook hij had, zo te zien aan de poedersuiker in zijn baard, een oliebol gegeten. We rookten onze pijpjes en overdachten het jaar zonder iets te zeggen. Tot ome Arie zuchtte: “Ik ben even het huis ontvlucht.” Ik knikte, alsof ik hem begreep. “Het naaikransje zit deze week bij ons thuis.” Ik begreep het nu minder. “Ze breien voor allerlei goede doelen. Babymutsjes voor Birma, sokjes voor Sudan, truien voor Trinidad…” Hij keek me ietwat triest aan. “Truien voor Trinidad?,” vroeg ik, “Daar is toch snikheet?” De oude boer knikte: “Dat zei ik ook, maar ik mocht me er niet mee bemoeien. Ze vonden het gewoon mooi klinken.” Ik kon er wel om lachen; “En toen ben je maar gevlucht?” Hij trok aan zijn pijp en schudde zijn grijze kop. “Nee, toen nog niet, dat deed ik pas nadat de lieve dames de meest vreselijke martelingen zaten te bedenken voor mogelijke daders van diverse misdrijven.” Ik keek nu even verbaasd zijn kant op. Hij ging verder: “Die gruwelijke fantasieën beginnen dan met: ‘Ik zou wel raad weten met zo’n vent’. Vervolgens stapelen de martelingen zich op. De dames willen er niet voor elkaar onderdoen en maken het steeds gruwelijker.” Hij rilde nog bij de gedachte. “En ondertussen zitten ze gezellig wantjes voor Warschau te breien.” Ik besloot maar niks te vragen over de noodzaak van handschoenen voor Polen. Het klonk goed, maar het nut? Ome Arie keek nog ietwat bedrukt: “Toen ze de ballen van de dader hadden doorboord met hun breinaalden en vervolgens geroosterd op de barbecue, terwijl ze nog vastzaten aan het slachtoffer, ben ik vertrokken.” Hij gruwde nog van het beeld, dat hij door de gezellig breiende dametjes voorgeschoteld had gekregen. “Het zijn maar fantasieën, ome Arie. Ze zouden nooit hun breinaalden uit een nauwkeurig opgezet breiwerk halen voor zoiets, eh, kloterigs…” Het was even stil. Ome Arie ging achterover zitten en ontspande. “Dank u, meneer Ype!”

Tattoo

Ons haventje lag er wat verloren bij. Tweede kerstdag. Het was nog vroeg. Het zonnetje scheen zonder veel warmte te geven. Ome Arie zat diep in zijn winterjas gedoken. Een klein rookwolkje steeg op van onder zijn winterpet. Die met die ietwat potsierlijke oorflappen. Het was koud. Ik stalde de gouden koets (mijn autootje is goudkleurig) bij de GEBO teneinde een pijpje op te steken in het goede gezelschap van mijn oude vriend. “Goeiemorgen”, bromde ome Arie. “Goeiemorgen”, bromde ik terug. Ik pakte mijn pijp. “Nog festiviteiten gehad, gisteren?”, vroeg ik, terwijl ik mijn pijpje stopte. Ome Arie zuchtte: “We hebben ouderwets ge-gourmet. Met familie. Het was matig gezellig.” Er klonk enige twijfel in zijn stem. Ik keek hem vragend aan. Hij blies een wolkje rook uit. “Alleen werd ik mijn schoonzus met haar gedweep met haar Geertje een tikkie zat!” Daar kon ik me iets bij voorstellen. Tegenwoordig zijn zelfs kerst-gesprekken onaangenaam. Vaak zelfs op de persoon gericht. “Je bent toch niet de discussie aangegaan, ome Arie?”, vroeg ik bezorgd, “Je weet toch dat dat zinloos is?” Hij stelde me gerust: “Nee, hoor, ik heb me ingehouden.” Hij trok aan zijn pijp. Even was het stil. “Maar we zijn wel vóór het dessert naar huis gegaan.” Ik keek hem aan: “Was je haar zo zat?” Hij schudde zijn hoofd. “Ook dat, maar ik moest mee met Riek. Ze was een beetje boos op me.” Hij keek schuldbewust. “Ik heb alleen mijn schoonzus maar voorgesteld om Geertje’s kop op haar rug te laten tatoeëren, maar dan wel zo, dat het bandje van haar bikini dan precies over zijn ogen zou zitten, zodat hij niet herkend zou worden op het strand. Voor haar eigen veiligheid…” Hij keek schuldbewust opzij: “Onschuldig grapje, maar het viel niet goed. Ze verafschuwd tattoages…”.

Eigen volk eerst.

Het ons zo vertrouwde bankje bij het ons zo vertrouwde haventje van het ons zo vertrouwde dorp was nog leeg. Van ome Arie nog geen spoor. Ik stalde mijn scootertje, veegde wat laatste herfstblaadjes terzijde, droogde met mijn zakdoek mijn zitplaats op het gemeente-meubilair, zodat ik met een droog achterwerk mijn pijp kon stoppen. Eh, dat stoppen deed ik natuurlijk gewoon met mijn ietwat verkleumde handen, want ondanks het gouden herfst-zonnetje was het toch fris. Deze voorbereiding op mijn rookgenot vergde dermate veel aandacht, dat ik niet eens de komst van mijn rook-genoot had opgemerkt. “Goedemiddag, meneer Ype!”, klonk het plots naast me. “Goedemiddag, ome Arie!”, zei ik, oprecht blij hem weer te zien. Het was alweer even geleden. Oudere mensen hebben het altijd druk, waarbij de bejaarden-definitie van ‘druk’ ver van de gangbare definitie staat. Vijf afspraken per week is ‘bejaardendruk’. We staken onze pijpjes op en genoten van de rust. Totdat deze ruw verstoord werd door een snerpend elektronisch toetertje. Achter ons remde een felrode scootmobiel. Achter op het ding was een lange flexibele stok met een vlaggetje gemonteerd. Als op een kinderfietsje. Het vlaggetje was oranje-wit-blauw. De prinsenvlag. Ome Arie zag het ook. “Met zo’n scootmobiel is het verstandig om ultrarechts te houden.”, zei hij droogjes. Ik lachte een klein lachje. Schoonzus Agaath, want die was de bezitter van het voertuig, kon er niet om lachen. “Ja, lachen jullie maar! Ons Geertje heeft toch maar mooi de verkiezingen gewonnen!” Ze reikte naar achteren om met haar vlaggetje te zwaaien. “Geertje?”, mompelden ome Arie en ik in koor. We keken elkaar aan. We waren even met stomheid geslagen. Op zich was dat wel eerder gebeurd, maar zelden met zoveel stomheid. Schoonzus Agaath zwaaide nogmaals potsierlijk met haar kinderfietsen-vlag en riep luid: “Eigen volk eerst!” Ze ging weer recht zitten en keek ons ietwat uitdagend aan. Ik reageerde niet. Ome Arie reageerde niet. We gingen weer recht zitten met uitzicht op ons prachtige haventje. We bliezen gelijktijdig een wolkje rook uit, wetend, dat we niet zo simpel van ome Arie’s schoonzus af zouden komen. “Zo, dus de heren kijken als altijd de andere kant op?” Ze reed haar strijdwagen tot voor ons bankje. “Zoals jullie ook de andere kant opkijken, wanneer die gelukzoekers ónze huizen inpikken en ónze vrouwen verkrachten!” Ze stak een gebalde vuist in de lucht: “Eigen volk eerst!” Ome Arie keek even mijn kant uit. Ik wist, dat tegenspreken weinig zin had, maar kon het niet laten: “Ik heb al een huis en voor dat verkrachten ben ik wat te oud geworden…” Ome Arie schoot in de lach. Schoonzus Agaath dus niet. Ze draaide haar scootmobiel en vertrok. Zonder een woord.

Vakantiegevoel

Vakantiegevoel.
De zomervakantie was weer voorbij. Het was rustig in het haventje. Op de achtergrond klonk het geluid van een cirkelzaag. Iedereen was weer aan het werk. Behalve wij, nutteloze gepensioneerden. Het was niet meer zo heet, dus Ome Arie zat weer met de vertrouwde geitenwollen sokken in zijn vertrouwde klompen zijn vertrouwde pijpje te roken. Er was weinig wind. De rook uit zijn pijp gaf de windrichting aan. Ik zette mijn scootertje op de standaard en ging, na een korte groet, naast mijn vriend op ‘ons’ bankje bij het mooie haventje van ons dorp zitten. Zorgvuldig stopte ik mijn pijp. Niet te los, niet te stevig. Een kunst op zich.
Een klein meisje kwam voorbij, steppend met een skateboard. Haar moeder draafde erachteraan. Hijgend verklaarde ze: “Haar grote broer is eindelijk weer naar school. Ze heeft lang op haar kans om zijn skateboard te kunnen gebruiken moeten wachten!” Begrijpend knikten wij. Ze zag het niet, want ze spurtte verder achter de snelheidsmaniak aan. Ome Arie keek op zijn horloge: “Ze moet voortmaken. Haar grote broer komt zo uit school vol verhalen en hunkerend naar zijn skateboard.” Ik blies een wolkje rook uit en dacht hardop: ‘En om nog heel even het vakantiegevoel terug te krijgen’. We zwegen verder, wetend, dat zo’n heerlijk gevoel er voor ons niet meer was.

Vakantie

Na enige dagen vakantie zat ik op ons bankje aan de haven te genieten van mijn in Sas van Gent aangeschafte nieuwe pijpje. Ome Arie kwam, juist nadat ik mijn eerste wolkjes genietend had uitgeblazen, de hoek om. Hij stalde zijn fiets achter onze vaste plek bij de mooie haven van ons dorp. “Goeiemorgen, meneer Ype!”, begroette hij. Ik groette terug. Hij ging ook op ons bankje zitten en stopte zijn pijpje. Het was nogal winderig, dus het aansteken van zijn rookgenot ging niet simpel. Uiteindelijk lukte het. Grote witte wolken kwamen uit zijn mond. Tevreden leunde hij achterover. Een paar jonge meiden vlogen op een fatbike voorbij. Ome Arie keek ze na, schudde zijn grijze kop, maar leverde verder geen commentaar. Het heeft geen zin je te ergeren aan de gang van zaken, wanneer je deze toch niet kunt beïnvloeden. “Hoe was uw vakantie?” Ik dacht even na. Er viel niet veel te vertellen. We waren met ons campertje richting Zeeuws-Vlaanderen gereden, vervolgens België in, om  vervolgens via Frankrijk weer snel naar huis te rijden. Dit alles duurde een dag of zes. Lang genoeg. Ik zat onderweg iedere avond voor mijn camper met enige weemoed aan ons bankje bij de haven te denken, terwijl ik mijn pijpje pafte. Maar dat ging ik niet allemaal vertellen. “Wel goed,” antwoordde ik. Het bleef even stil. “Blij, dat ik weer terug ben, ome Arie!” De aangesprokene keek opzij met een vragende blik. Ik glimlachte: “Begrijp me niet verkeerd, maar het mooiste moment van een reis is toch de eerste nacht weer thuis in je eigen bed!” De oude veeboer begreep het. De jonge meiden waren teruggekomen, hadden hun fatbikes zorgvuldig met dikke kettingen en enorme hangsloten aan een ijzeren fietsenrek vastgemaakt en zaten nu patat te eten. Ome Arie zag het ook. “En de patat is hier veel beter,” zei ik, “We kregen in Oostburg frites voor ons neergezet met een enorme berg mayonaise er overheen en een los zakje zout er bij.” Ome Arie kreeg een glimlach op zijn gezicht: “Dus hij was het zout vergeten en kon dat moeilijk over de frites-saus heen gooien!”  Waarschijnlijk de juiste conclusie. Ook had deze Guust Flater de frites veel te hard gebakken. In die mate, dat het meegeleverde houten vorkje bij de eerste prik-poging direct afbrak. Hopeloos. “We hebben deze bakken ellende in de kliko gegooid. Klagen leek zinloos. Deze pipo gaat het toch nooit leren.” Ome Arie begreep het: “Zoals nog steeds bijna alle frietbakkers het restje frites, dat in de uitschepbak is achtergebleven, op het laatst teruggooien in het hete vet met als resultaat van die keiharde zwarte patatjes. Niet te eten en erg ongezond!” De meiden hadden hun patatjes wel met smaak opgegeten. Ze vertrokken tevreden op hun vette fietsen.

Vaderdag

Vaderdag
Het haventje van ons mooie dorpje lag te glimmen in de zon. Aan de passantensteiger lag een plezierjacht van het formaat postcodeloterij-winnaar behoorlijk lelijk te wezen. Ome Arie compenseerde die lelijkheid met zijn forse gestalte, zijn markante grijze kop met een kromme pijp in de mond volledig. Ik parkeerde mijn scootertje en sloot me bij hem aan. Het was verder vrij rustig. Vaderdag. De dag, dat kiezelstenen met wat verf worden omgetoverd tot ‘presse-papier’, of het binnenste van w.c.- en keuken-rollen tot pennenhouder. In dat in een tijd, dat er vrijwel geen pen en papier meer gebruikt wordt. En blij, dat vader ermee is! Het zou tevens de dag van het amateurtoneel kunnen zijn!
Een aantal vaders had eerder deze week al hun mooiste cadeau gekregen. Aan veel gevels hing de vlag met de schooltas. Geslaagd! Ik herinner me nog de dag, dat ik slaagde voor mijn H.B.S. (inderdaad, ik heb nog een antiek diploma: H.B.S.-b, de beta variant). Mijn vader glom! (Hij had ook H.B.S.-b). We gingen direct naar mijn oma in het verpleeghuis in Zwijndrecht om haar het goede nieuws te vertellen. Op de terugweg gingen we langs de pijpenwinkel. Daar kreeg ik een mooie pijp. (Dat waren andere tijden. Toen was roken geen taboe.) En, nog mooier, later, toen mijn eigen dochters de vlag konden uithangen. Hoe mijn jongste, toen ze hoorde, dat ze geslaagd was, als een dolle hond door de tuin rende en sprong. Pure vreugde. En daardoor ook tranen in mijn ogen. (Nu weer…)
Prachtige herinneringen. Vaderdag? Het is voor mij iedere dag vaderdag.
Ome Arie keek opzij: “wat is er, meneer Ype?”, vroeg hij een beetje plagerig, “Geen vaderdag-cadeau gekregen?” “Ik hoef geen cadeaus, ome Arie, ik hoef geen cadeaus. Ik heb alles al.”