Naaikrans

Oudjaarsdag. Ik was na mijn koffie met oliebol even naar ons haventje uitgeweken voor een pijpje. Ome Arie kwam niet veel later. Ook hij had, zo te zien aan de poedersuiker in zijn baard, een oliebol gegeten. We rookten onze pijpjes en overdachten het jaar zonder iets te zeggen. Tot ome Arie zuchtte: “Ik ben even het huis ontvlucht.” Ik knikte, alsof ik hem begreep. “Het naaikransje zit deze week bij ons thuis.” Ik begreep het nu minder. “Ze breien voor allerlei goede doelen. Babymutsjes voor Birma, sokjes voor Sudan, truien voor Trinidad…” Hij keek me ietwat triest aan. “Truien voor Trinidad?,” vroeg ik, “Daar is toch snikheet?” De oude boer knikte: “Dat zei ik ook, maar ik mocht me er niet mee bemoeien. Ze vonden het gewoon mooi klinken.” Ik kon er wel om lachen; “En toen ben je maar gevlucht?” Hij trok aan zijn pijp en schudde zijn grijze kop. “Nee, toen nog niet, dat deed ik pas nadat de lieve dames de meest vreselijke martelingen zaten te bedenken voor mogelijke daders van diverse misdrijven.” Ik keek nu even verbaasd zijn kant op. Hij ging verder: “Die gruwelijke fantasieën beginnen dan met: ‘Ik zou wel raad weten met zo’n vent’. Vervolgens stapelen de martelingen zich op. De dames willen er niet voor elkaar onderdoen en maken het steeds gruwelijker.” Hij rilde nog bij de gedachte. “En ondertussen zitten ze gezellig wantjes voor Warschau te breien.” Ik besloot maar niks te vragen over de noodzaak van handschoenen voor Polen. Het klonk goed, maar het nut? Ome Arie keek nog ietwat bedrukt: “Toen ze de ballen van de dader hadden doorboord met hun breinaalden en vervolgens geroosterd op de barbecue, terwijl ze nog vastzaten aan het slachtoffer, ben ik vertrokken.” Hij gruwde nog van het beeld, dat hij door de gezellig breiende dametjes voorgeschoteld had gekregen. “Het zijn maar fantasieën, ome Arie. Ze zouden nooit hun breinaalden uit een nauwkeurig opgezet breiwerk halen voor zoiets, eh, kloterigs…” Het was even stil. Ome Arie ging achterover zitten en ontspande. “Dank u, meneer Ype!”