Eigen volk eerst.

Het ons zo vertrouwde bankje bij het ons zo vertrouwde haventje van het ons zo vertrouwde dorp was nog leeg. Van ome Arie nog geen spoor. Ik stalde mijn scootertje, veegde wat laatste herfstblaadjes terzijde, droogde met mijn zakdoek mijn zitplaats op het gemeente-meubilair, zodat ik met een droog achterwerk mijn pijp kon stoppen. Eh, dat stoppen deed ik natuurlijk gewoon met mijn ietwat verkleumde handen, want ondanks het gouden herfst-zonnetje was het toch fris. Deze voorbereiding op mijn rookgenot vergde dermate veel aandacht, dat ik niet eens de komst van mijn rook-genoot had opgemerkt. “Goedemiddag, meneer Ype!”, klonk het plots naast me. “Goedemiddag, ome Arie!”, zei ik, oprecht blij hem weer te zien. Het was alweer even geleden. Oudere mensen hebben het altijd druk, waarbij de bejaarden-definitie van ‘druk’ ver van de gangbare definitie staat. Vijf afspraken per week is ‘bejaardendruk’. We staken onze pijpjes op en genoten van de rust. Totdat deze ruw verstoord werd door een snerpend elektronisch toetertje. Achter ons remde een felrode scootmobiel. Achter op het ding was een lange flexibele stok met een vlaggetje gemonteerd. Als op een kinderfietsje. Het vlaggetje was oranje-wit-blauw. De prinsenvlag. Ome Arie zag het ook. “Met zo’n scootmobiel is het verstandig om ultrarechts te houden.”, zei hij droogjes. Ik lachte een klein lachje. Schoonzus Agaath, want die was de bezitter van het voertuig, kon er niet om lachen. “Ja, lachen jullie maar! Ons Geertje heeft toch maar mooi de verkiezingen gewonnen!” Ze reikte naar achteren om met haar vlaggetje te zwaaien. “Geertje?”, mompelden ome Arie en ik in koor. We keken elkaar aan. We waren even met stomheid geslagen. Op zich was dat wel eerder gebeurd, maar zelden met zoveel stomheid. Schoonzus Agaath zwaaide nogmaals potsierlijk met haar kinderfietsen-vlag en riep luid: “Eigen volk eerst!” Ze ging weer recht zitten en keek ons ietwat uitdagend aan. Ik reageerde niet. Ome Arie reageerde niet. We gingen weer recht zitten met uitzicht op ons prachtige haventje. We bliezen gelijktijdig een wolkje rook uit, wetend, dat we niet zo simpel van ome Arie’s schoonzus af zouden komen. “Zo, dus de heren kijken als altijd de andere kant op?” Ze reed haar strijdwagen tot voor ons bankje. “Zoals jullie ook de andere kant opkijken, wanneer die gelukzoekers ónze huizen inpikken en ónze vrouwen verkrachten!” Ze stak een gebalde vuist in de lucht: “Eigen volk eerst!” Ome Arie keek even mijn kant uit. Ik wist, dat tegenspreken weinig zin had, maar kon het niet laten: “Ik heb al een huis en voor dat verkrachten ben ik wat te oud geworden…” Ome Arie schoot in de lach. Schoonzus Agaath dus niet. Ze draaide haar scootmobiel en vertrok. Zonder een woord.