Net toen ik mijn eerste spruitje, met een klein beetje mosterd, naar mijn mond wilde brengen ging de telefoon. Met een zucht stelde ik mijn eerst hap uit en nam op. “Met mevr. X van Natuurmonumenten!”, klonk het vrolijk. Daar werd ik nou niet vrolijk van. “U heeft een paar maanden geleden een combikaart gekocht voor de pont naar Tiengemeten en het bezoek van enige attrakties aldaar en nou vroeg ik me af, hoe u dat bezoek ervaren heeft.” Ik was heel even stil. Toen kon ik het …niet laten: “Welk bezoek? Ik had de avond daarvoor zwaar getafeld en moest op de boot erg nodig naar het toilet. Toen ik daar af kwam voer die schuit opeens achteruit.” Het bleef even stil. “Ik had de wal gemist, zullen we maar zeggen en heb dus niks van Tiengemeten gezien.” Het bleef nu erg stil. “O”, klonk het vervolgens, “O”, en weer even stilte. Die had ze niet aan zien komen. Toen herpakte ze zich weer. “Maar nu gaat het weer goed met u?” El zat inmiddels op de achtergrond te lachen. “Ja, hoor”, zei ik, “Ik zit net lekker te eten.” Het kwartje viel niet. De dame ging ijzerenheinig door en probeerde vervolgens nog de een of andere vrijwillige bijdrage van me los te krijgen. “Want u moet toch toegeven, dat er steeds minder natuur in ons land komt”, betoogde ze gloedvol, en ze had wat moeite met mijn ietwat chagrijnige antwoord, dat Natuurmonumenten dan volgens mij ook steeds minder geld nodig zou moeten hebben. Teleurgesteld hing ze op.
Wie me tijdens mijn maaltijd stoort om te zeuren om geld maakt weinig kans.
Gelukkig waren mijn spruitjes nog niet helemaal koud geworden.
Bridge
Mijn zus Annemieke geniet van haar pensioen. We waren er pas op de koffie en ze zei intens te genieten van ‘het niks hoeven’. Fijn vrijwilligerswerk doen met nog grijzere medeburgers, die bevend proberen zonder te morsen een slokje koffie binnen te krijgen. En dat is dan je voorland. Over een paar jaar houd je zelf een aantal vrijwillige sukkels van de straat.
Ook is ze gaan bridgen. Wanneer je wat ouder wordt heb je een aantal keuzes. Of je gaat een keer per week naar de bi…ngo, daar moet je wel een beetje kien voor zijn en hard voor kunnen schreeuwen. Of je gaat klaverjassen, dat is vooral voor bouwvakkers met versleten ruggen, die zoete herinneringen hebben aan klaverjaspotjes tijdens het vorstverlet. Of je gaat brrrridgen. Dat is voor de gegoede bejaarde. Bridge moet je leren, daarvoor bestaan cursussen. Mijn zus heeft zo’n cursus doorstaan en zich aangemeld bij een brrrridgeclub. Een verzameling zijden sjaaltjes om de rimpelige nekkies te verbergen en een enkele stropdas in een zaaltje met allemaal net te kleine tafeltjes waarop glaasjes priklimonade of een stiekeme port.
Ze moest haar plekkie zoeken met een nummer. Uiteindelijk vond ze haar nummer, nummer 3. Ze wilde gaan zitten, maar de brugwachter van dienst siste: “Je hebt nummer 3 blauw, en hier moet nummer 3 groen komen! Ben je kleurenblind?” “Nou, aan haar sjaaltje te zien, wel”, siste een ander brilserpent zachtjes, maar net hoorbaar. Dus Annemieke stond met een rood hoofd weer op, en bleef ronddwalen, tot er nog maar één plekkie over was. Inderdaad, nummer 3 blauw. Ze werd aan die tafel al afkeurend aangekeken. Gezichten spreken boekdelen. ‘Zeker niet kien genoeg voor de bingo’, zag je ze denken. Toen zuslief even later belangstellend vroeg, of de rimpelnek naast haar wellicht exceem aan haar oor had, omdat dit sjaaltje daar steeds aan zat te jeuken, wanneer ze haar partner iets duidelijk wilde maken, was de stemming op elfstedentemperatuur beland.
Annemieke is inmiddels lid van een andere bridgeclub.
Doelpaal
“Doe je wel je jas aan, jongen?”, riep mijn moeder steevast, wanneer ik op woensdagmiddag aankondigde, dat ik buiten ging spelen. Natuurlijk deed ik mijn jas aan. En op het parkeerterrein, waar we altijd na schooltijd gingen voetballen deed ik hem weer uit. Want de jas was doelpaal. Gelukkig zag mijn moeder dat niet.
Wij voetbalden elke dag, na schooltijd. En ook in het weekend. Op zondag werd dit niet door iedereen gewaardeerd en soms de politie gebeld. In die tijd kwam er …dan ook echt een veldwachter om ons te verjagen, of erger nog; onze bal in beslag te nemen. Wanneer de beste man in zijn politiedafje kwam, was dat geen meestal groot probleem. De eerste die het surveillancevoertuig zag aankomen riep hard: “Juuuut!!!”, waarop iedereen een kant oprende, liefst een brandgang (tussen de huizen) in, want daar kon het politievoertuig niet in.
Tot die ene middag, dat onze koddebeier op de fiets kwam. “Juuuut!!!”, klonk het, en we stoven uiteen. Ik rende de brandgang in, maar de agent volgde me nu wel probleemloos. Net op tijd kon ik een tuin inrennen en door een openstaande keukendeur een huis in. Het was het huis van buurvrouw Kamp, de moeder van Keessie Kamp, die nooit meevoetbalde, omdat hij liever roze jurkjes zat te kleuren. (Of zoiets, hij hield misschien ook gewoon niet van voetballen…) Gelukkig was de buurvrouw net boven aan het stofzuigen en hoorde ze me daardoor niet. Toen de agent doorgefietst was, haalde ik opgelucht adem en sloop weer weg. “Dat was op het nippertje”, zei ik tegen mijn vriendje, weer terug op het voetbalparkeerterrein. Toen zag ik, dat mijn doelpaal weg was. We gingen zoeken en zagen vanuit de bosjes, dat de agent, met mijn houtje-touwtje-jas in zijn hand voor de deur van buurvrouw Kamp stond. Foute boel. De agent begreep, dat de onverlaat hem beet had gehad, deed mijn jas in zijn fietstas en vertrok richting bureau. Weg jas! Ik moest naar huis bij mijn moeder te biecht.
Het jasje werd van het bureau gehaald en ik moest de volgende woensdagmiddag strafregels komen schrijven. ‘Ik mag niet voetballen op de openbare weg’. 100 keer. Ik kreeg vier pennen, een blauwe een rode, een groene en een zwarte. “Iedere letter een andere kleur”, zei de agent, terwijl zijn collega op de achtergrond zat te lachen.
Vanaf die dag was ik altijd toevallig mijn jas vergeten, wanneer ik ging voetballen.
Pergola
Wanneer ik de hoek om ga, richting Sam Hagenplein, zie ik een grote pergola voor de kantine staan. Op zich wel aardig, maar een pergola bij een voetbalkantine is nou niet het meest voor de hand liggende bouwsel. “Moet er nog een druivenstruik overheen gaan groeien?”, vraag ik belangstellend. Er wordt gegrinnikt. “Nee, het wordt een terrasoverkapping”, zegt de Mop. “Het doet me aan de vakantie denken”, zegt een ander, “Net een caravan-voortent zonder tentdoek…” Eén van de bouwers van de constructie, Stefan de Goeij, staat er bij, en houdt wijselijk zijn mond. Hij heeft samen met Mark Elderson al aardig wat uurtjes in het bouwwerk zitten en is zo verstandig zich niet op de kast te laten jagen. Ze worden ‘Buurman en Buurman’ genoemd, maar ook dat is slechts plagerij. Uiteindelijk wordt hun moeite heus beloond. Zinkweggers hebben nu eenmaal een vreemde wijze om hun waardering te laten blijken.
Er wordt gevoetbald, voor het eerst thuis na de zomerstop. Een bekerwedstrijd. Ondanks de droogte ligt het veld er zeker goed bij. De harde kern van supporters staat tevreden het één en ander te bekijken. De boys van het keurkorps scoren er lustig op los. Het wordt 6-0. Tijdens de wedstrijd vallen er wat druppels. “De overkapping lekt”, constateert iemand. Stefan gaat maar de kantine in. Zolang hij alles samen met Mark moet doen, gaat het gewoon niet sneller, had hij willen zeggen. Maar hij begint de Zinkweggers te begrijpen en zegt gewoon niks. Op het terras klinkt weer gegrinnik, maar stiekem wordt al zijn werk heus gewaardeerd…
BMI-tax
Misschien heb ik het al eens eerder geschreven, maar dan nog maar eens: Ik heb een kolerehekel aan ‘mijn bestwil’. Vroeger als kind werden ons de vreselijkste dingen aangedaan vanwege ‘Onze bestwil’. We moesten levertraan slikken, vreselijke spuiten in ons laten prikken, onze kiezen laten boren en nog meer van dat ergs.
Nu een paar weken geleden onze regering kwam met een aantal voorstellen ‘Voor onze bestwil’, zoals het ontmoedigen van het roken (Kassa: De accijns op de tabak weer omhoog, om de teruglopende opbrengst van de afgelopen jaren, omdat veel mensen zijn gestopt met roken, te compenseren), het heffen van belasting op suiker en vooral suikerhoudende frisdranken en natuurlijk het verhogen van de accijns op alcohol. Allemaal voor ‘onze bestwil’.
Ik werd somber en voorzag nog veel meer ellende. Een BMI-tax. (Belasting Moddervette Ingezetenen.)
Bij een BMI hoger dan 30 een extra heffing. Bij 40 nog meer, etc. Vroeger zei een minister dan: “De buikriem met worden aangehaald!” Maar ditmaal is het voor ‘onze eigen bestwil’. Ze bedoelen het zo goed met ons.
Happy-hour
Het happy-hour van de bar op de camping ergens in Frankrijk wordt druk bezocht. Vooral door de Hollanders, want twee drankjes voor de prijs van één is wel een erg verleidelijk aanbod. Ook voor ons, dus wij zakken regelmatig rond 17.00 uur op het gezellige terras neer. (Het happy-hour duurt van 16.30 tot 18.00 uur, maar wanneer je om 16.29 al staat te trappelen voor een plekkie staat dat zo hebberig…) We moeten dan vaak al een plekje zoeken, want al die Hollanders zitten er dan al flink te tanken.
Het is ook de beste gelegenheid om mensen te leren kennen. Gewoon niks zeggen en rustig gaan zitten luisteren. Ik mag graag in mijn vakantie op een terras een pijpje roken en al het ge-ouwehoer om me heen aanhoren.
“Weet je wie er ook van zijn vrouw af is?” Hoor ik naast me iemand aan een tafelgenoot vragen. De ander weet het niet. “Piet, je weet wel, die behanger.” De ander kijkt niet verrast. “Hij was erg jaloers en toen ze ergens binnenkwamen en zijn vrouw zei: ‘Goh, die lul ken ik’, ging het helemaal mis!” De ander kijkt verbaasd en vraagt: “Is dat zo erg dan?” De verteller zegt met een grijns: “Het was in een sauna…” Ik moet nu even glimlachen. De grapjas gaat verder: “Nu is hij helemaal in zijn eentje op vakantie in een klein tentje ergens op een nudistencamping.” Hij wacht even voor het juiste effect. De ander: “Een nudistencamping?” “Ja, zijn ex heeft hem bij de scheiding helemaal uitgekleed!” Gelach. “Nu is hij echt ‘lul de behanger'” roept een ander. Meer gelach. Aan de andere kant zitten een paar mannen te pauwen. Pauwen is het opscheppen tegen elkaar over hun belangrijkheid in de maatschappij. De opponenten zetten hun veren op als pauwen. “Wat doe jij voor werk, als ik vragen mag?” Ik heb bedacht, dat de verliezer degene is, die begint over een neefje of achterneefje, dat nóg belangrijker is. Pronken met andermans veren, wordt het dan. Heerlijk. Vooral wanneer de ander er in meegaat, en een nog belangrijker familielid in de strijd gooit. Dan neem ik nog een slok van één van mijn twee biertjes en geniet.
Camping
UVVeltje
Munttheemuts
“Juffrouw, er zit een bijsmaakje aan mijn muntthee!” , zei de dame, terwijl ze haar glas muntthee vol walging van zich af schoof. “Dat zal de honing zijn, die u erin gedaan hebt, mevrouw”. Ik zat op een terras te genieten van het uitzicht op een prachtige kruidentuin en van deze conversatie naast me. De serveerster kon bij mij na dit snedige antwoord niet meer stuk. Ik had al plezier om het voorafgaande. En had er een beetje schuld aan. De munttheemuts had vanaf het moment, dat ze op het terras plaatsnam zitten vitten op haar dochter. Het meisje van een jaar of twaalf liet al het commentaar gelaten over zich heenkomen. Ze was waarschijnlijk niet anders gewend. “Wil je cola? Weet je wel, hoe dik je daarvan wordt?”, vitte ze, toen de dienster de bestelling opnam, Het meisje zweeg. “Neem een voorbeeld aan mij, ik wil gezonde muntthee” en tegen het dienstertje: “Heeft u verse muntthee?” Het meisje wees op de voor ons liggende kruidentuin: “Ik pluk de takjes vers, ze staan vlak voor u, mevrouw!” Dochterlief zuchtte en keek mij aan. Ik knipoogde even stiekem. Er kwam een flauw glimlachje.
De dienster kwam even later met de bestelling. Een cola en een kopje heet water. Ze hurkte bij de muntplanten en knipte er een stukje af en bracht het stukje struikgewas naar het tafeltje. De buurvrouw vond het geweldig. “Dat is echt vers!”, kirde ze, en ze begon het groen door haar gekookte water te soppen. Daarna goot ze er honing bij, dat in een cupje naast haar gezonde drankje op het schoteltje had gelegen. Met een gelukzalige blik in haar ogen nam ze een slok. Toen kon ik het niet laten. Even verderop liep een teckeltje. “Kijk Elly, daar is die leuke teckel, die hier net nog zo parmantig over de munt stond te pissen”, zei ik, goed hoorbaar voor het munttheetafeltje. Dochterlief keek mij aan, nam een slok van haar foute cola en knipoogde nu op haar beurt.
Invalidenparkeerplaats
“Zal ik u even helpen, meneer?” vroeg ik vriendelijk aan een jonge knul, die met een krat bier op weg was naar de snelle auto, die op de invalidenparkeerplaats naast de mijne stond. Zonder invalidenparkeerkaart achter zijn raam. “Wellicht kunt u door uw handicap uw kratje niet gemakkelijk in uw auto tillen, en ik help invalide mensen graag!” zei ik, wijzend op het bord recht vóór zijn auto. De knul keek heel verbaasd, en stamelde: “O,O, eh, sorry, dat bord had ik niet gezien…” “Oei,”antwoordde ik,”U heeft een visuele handicap. Mag u dan wel rijden?” De knul gooide het kratje bier achterin zijn auto en wist niet hoe snel hij weg moest komen.
Op het bankje bij de parkeerplaats zat de man met de lederen cowboyhoed met daar een grijze paardenstaart onderuit en gekleed in een korte broek. Die zit daar bijna altijd en kletst met iedereen, die met hem wil kletsen. Hij kon mijn asocialen-aanpak wel waarderen en zat te lachen. “Da’s een goeie”, zei hij, “want wanneer je zegt, dat’ie niet zo asociaal moet zijn om zijn wagen op een invalidenplek te zetten, loop je het risico, dat je naar de tandarts moet, omdat je een klap op je bek krijgt”. Hij lachte. Ik ging naast hem zitten. Hij ging verder: “Die invalidenplek is wel een bron van vermaak”, Ik keek verbaasd. Hij ging verder: “We wonen hier in een dorp (Zuid-Beijerland), en iedereen kent elkaar. Laatst wilde er twee invaliden op die plek gaan staan, volkomen legaal, allebei met zo’n kaart. Ze kenden elkaar. Ze kregen woorden wie er nou het meeste recht op had, wie er nou het meest gehandicapt was. Ze waren tegelijkertijd aangekomen en stonden klem vóór de bewuste plek. Eerst gingen de raampjes open en werd er wat heen en weer gescholden, maar uiteindelijk stonden de twee hoogbejaarde gehandicapten wankelend tegenover elkaar met hun krukken te zwaaien als een soort ridders van de orde der kreupelen.” Hij lachte bij het vertellen, alsof hij het weer voor zich zag. “Ik ben maar opgestaan om de boel te sussen, want het liep behoorlijk uit de hand. Ze maakten elkaar uit voor ‘aansteller’ en ‘oplichter’, en dat de ander die invalidenkaart volkomen onterecht had gekregen.” Ik zag het ook voor me en moest er om lachen. Toen kwam mijn lief met haar boodschappen uit de winkel. Ik groette de cowboyhoed en hielp haar met inladen. Terwijl zij toch niet invalide is.