“Zal ik u even helpen, meneer?” vroeg ik vriendelijk aan een jonge knul, die met een krat bier op weg was naar de snelle auto, die op de invalidenparkeerplaats naast de mijne stond. Zonder invalidenparkeerkaart achter zijn raam. “Wellicht kunt u door uw handicap uw kratje niet gemakkelijk in uw auto tillen, en ik help invalide mensen graag!” zei ik, wijzend op het bord recht vóór zijn auto. De knul keek heel verbaasd, en stamelde: “O,O, eh, sorry, dat bord had ik niet gezien…” “Oei,”antwoordde ik,”U heeft een visuele handicap. Mag u dan wel rijden?” De knul gooide het kratje bier achterin zijn auto en wist niet hoe snel hij weg moest komen.
Op het bankje bij de parkeerplaats zat de man met de lederen cowboyhoed met daar een grijze paardenstaart onderuit en gekleed in een korte broek. Die zit daar bijna altijd en kletst met iedereen, die met hem wil kletsen. Hij kon mijn asocialen-aanpak wel waarderen en zat te lachen. “Da’s een goeie”, zei hij, “want wanneer je zegt, dat’ie niet zo asociaal moet zijn om zijn wagen op een invalidenplek te zetten, loop je het risico, dat je naar de tandarts moet, omdat je een klap op je bek krijgt”. Hij lachte. Ik ging naast hem zitten. Hij ging verder: “Die invalidenplek is wel een bron van vermaak”, Ik keek verbaasd. Hij ging verder: “We wonen hier in een dorp (Zuid-Beijerland), en iedereen kent elkaar. Laatst wilde er twee invaliden op die plek gaan staan, volkomen legaal, allebei met zo’n kaart. Ze kenden elkaar. Ze kregen woorden wie er nou het meeste recht op had, wie er nou het meest gehandicapt was. Ze waren tegelijkertijd aangekomen en stonden klem vóór de bewuste plek. Eerst gingen de raampjes open en werd er wat heen en weer gescholden, maar uiteindelijk stonden de twee hoogbejaarde gehandicapten wankelend tegenover elkaar met hun krukken te zwaaien als een soort ridders van de orde der kreupelen.” Hij lachte bij het vertellen, alsof hij het weer voor zich zag. “Ik ben maar opgestaan om de boel te sussen, want het liep behoorlijk uit de hand. Ze maakten elkaar uit voor ‘aansteller’ en ‘oplichter’, en dat de ander die invalidenkaart volkomen onterecht had gekregen.” Ik zag het ook voor me en moest er om lachen. Toen kwam mijn lief met haar boodschappen uit de winkel. Ik groette de cowboyhoed en hielp haar met inladen. Terwijl zij toch niet invalide is.