‘De Roerdomp’

Friesland staat in mijn geheugen gegrift als het beloofde land waar het echter bijna altijd regent. Mijn voorouders van vaders kant, vandaar mijn Friese voornaam, kwamen daar vandaan. Mijn vader vond dan ook, dat wij daar naartoe moesten met vakantie. Om onze Friese ‘roots’ te ervaren. Hij had een motorkruiser gehuurd want Friesland is meer Fries-water dan Fries-land, dus varend is de beste manier om al dat moois te bekijken. En mooi was het.(en is het natuurlijk nog)
Ik vond die vakanties helemaal geweldig. We voeren met de ‘Roerdomp’ van dorp naar dorp, of stad, want Friezen hebben een andere wijze van classificeren, wanneer het op het waarderen van verzamelingen huisjes aankomt.
We hadden een opblaasbare tweepersoons-kano bij ons. Die was met een bode naar Friesland vervoerd, want een auto hadden we toen nog niet. (Vakanties waren in die tijd redelijk ingewikkeld.) Ik kon uren spelen met dat ding, waarbij onze teckel soms als nerveuze passagier meeging.
Mijn puberzussen vonden die vaartochten wellicht wat minder, want die hadden geen interesse is kano’s of varen en lagen verveeld op het voordek. Tenminste: die enkele keer, dat het niet regende. En ze hadden verder niets met varen.
Toch moesten ze wel eens een onwillige hand toesteken. Zoals die keer bij de Driewegsluis, gelegen op de grens van Friesland en Overijssel. Vóór het waterwerk voer mijn vader zachtjes op de zachte oever af en stond ik klaar met een lijntje om aan de wal te springen. Dat was mijn belangrijke functie: ik was de eerste ‘aanwalspringer’. Ik legde dan het touw met de lus rond een paal of knoopte het aan hetgeen ervoor bestemd was. Het was tot dat moment altijd goed gegaan, maar nu was er wellicht teveel wind. Ik hield het niet en stond als een heuse touwtrekker met mijn hakken in het gras te verliezen. Mijn jongste zus sprong aan land om te helpen, en algauw volgde zus twee. Ma kon niet achterblijven en sleurde uit alle macht mee, maar het ging toch mis. Tot overmaat van ramp riep mijn vader: “Niet loslaten!”, waarop het hele gehoorzame gezin gezellig met elkaar aan de voortros hangend het water in gesleurd werd. En dat verzekerd van aandacht van de omliggende pleziervaart, omdat teckel Court hysterisch stond te blaffen op de voorplecht en uit pure frustratie in de voortros stond te bijten.
“We varen nog niet zo lang, hoor!” riep mijn moeder als een soort verontschuldiging naar het grijnzende publiek. “Dat hadden we heus wel begrepen, hoor!” antwoordde een lollige zeiljachteigenaar even verderop. Mijn zussen hingen zich met hoogrode koppen te schamen en zwoeren, dat ze nooit meer meewilden op een door pa bestuurde boot. “Misschien staat de motor nog in z’n achteruit, opperde een andere buurman. “Nee, natuurlijk niet!” zei mijn vader nijdig. Gelukkig lukte het even later toch onze ‘Roerdomp’ af te meren. Het publiek was inmiddels te druk om los te gooien teneinde de sluis in te varen om vernietigend te applaudisseren. De sluismeester keek wat vreemd op, toen er een kruisertje zijn kolk binnenvoer met vier drijfnatte bemanningsleden aan boord. Hij had al veel gezien, maar dit…
Veel later, toen we allang weer thuis waren, biechtte mijn vader op, dat de 40pk motor inderdaad zachtjes achteruit had staan te malen, en hij na de opmerking van de buurman stiekem met zijn elleboog de motor in z’n vrij had gezet.
Het jaar daarop werd er een huisje in Grouw gehuurd.