Bridge

Mijn zus Annemieke geniet van haar pensioen. We waren er pas op de koffie en ze zei intens te genieten van ‘het niks hoeven’. Fijn vrijwilligerswerk doen met nog grijzere medeburgers, die bevend proberen zonder te morsen een slokje koffie binnen te krijgen. En dat is dan je voorland. Over een paar jaar houd je zelf een aantal vrijwillige sukkels van de straat.
Ook is ze gaan bridgen. Wanneer je wat ouder wordt heb je een aantal keuzes. Of je gaat een keer per week naar de bingo, daar moet je wel een beetje kien voor zijn en hard voor kunnen schreeuwen. Of je gaat klaverjassen, dat is vooral voor bouwvakkers met versleten ruggen, die zoete herinneringen hebben aan klaverjaspotjes tijdens het vorstverlet. Of je gaat brrrridgen. Dat is voor de gegoede bejaarde. Bridge moet je leren, daarvoor bestaan cursussen. Mijn zus heeft zo’n cursus doorstaan en zich aangemeld bij een brrrridgeclub. Een verzameling zijden sjaaltjes om de rimpelige nekkies te verbergen en een enkele stropdas in een zaaltje met allemaal net te kleine tafeltjes waarop glaasjes priklimonade of een stiekeme port.
Ze moest haar plekkie zoeken met een nummer. Uiteindelijk vond ze haar nummer, nummer 3. Ze wilde gaan zitten, maar de brugwachter van dienst siste: “Je hebt nummer 3 blauw, en hier moet nummer 3 groen komen! Ben je kleurenblind?” “Nou, aan haar sjaaltje te zien, wel”, siste een ander brilserpent zachtjes, maar net hoorbaar. Dus Annemieke stond met een rood hoofd weer op, en bleef ronddwalen, tot er nog maar één plekkie over was. Inderdaad, nummer 3 blauw. Ze werd aan die tafel al afkeurend aangekeken. Gezichten spreken boekdelen. ‘Zeker niet kien genoeg voor de bingo’, zag je ze denken. Toen zuslief even later belangstellend vroeg, of de rimpelnek naast haar wellicht exceem aan haar oor had, omdat dit sjaaltje daar steeds aan zat te jeuken, wanneer ze haar partner iets duidelijk wilde maken, was de stemming op elfstedentemperatuur beland.
Annemieke is inmiddels lid van een andere bridgeclub.