Doelpaal

“Doe je wel je jas aan, jongen?”, riep mijn moeder steevast, wanneer ik op woensdagmiddag aankondigde, dat ik buiten ging spelen. Natuurlijk deed ik mijn jas aan. En op het parkeerterrein, waar we altijd na schooltijd gingen voetballen deed ik hem weer uit. Want de jas was doelpaal. Gelukkig zag mijn moeder dat niet.
Wij voetbalden elke dag, na schooltijd. En ook in het weekend. Op zondag werd dit niet door iedereen gewaardeerd en soms de politie gebeld. In die tijd kwam er dan ook echt een veldwachter om ons te verjagen, of erger nog; onze bal in beslag te nemen. Wanneer de beste man in zijn politiedafje kwam, was dat geen meestal groot probleem. De eerste die het surveillancevoertuig zag aankomen riep hard: “Juuuut!!!”, waarop iedereen een kant oprende, liefst een brandgang (tussen de huizen) in, want daar kon het politievoertuig niet in.
Tot die ene middag, dat onze koddebeier op de fiets kwam. “Juuuut!!!”, klonk het, en we stoven uiteen. Ik rende de brandgang in, maar de agent volgde me nu wel probleemloos. Net op tijd kon ik een tuin inrennen en door een openstaande keukendeur een huis in. Het was het huis van buurvrouw Kamp, de moeder van Keessie Kamp, die nooit meevoetbalde, omdat hij liever roze jurkjes zat te kleuren. (Of zoiets, hij hield misschien ook gewoon niet van voetballen…) Gelukkig was de buurvrouw net boven aan het stofzuigen en hoorde ze me daardoor niet. Toen de agent doorgefietst was, haalde ik opgelucht adem en sloop weer weg. “Dat was op het nippertje”, zei ik tegen mijn vriendje, weer terug op het voetbalparkeerterrein. Toen zag ik, dat mijn doelpaal weg was. We gingen zoeken en zagen vanuit de bosjes, dat de agent, met mijn houtje-touwtje-jas in zijn hand voor de deur van buurvrouw Kamp stond. Foute boel. De agent begreep, dat de onverlaat hem beet had gehad, deed mijn jas in zijn fietstas en vertrok richting bureau. Weg jas! Ik moest naar huis bij mijn moeder te biecht.
Het jasje werd van het bureau gehaald en ik moest de volgende woensdagmiddag strafregels komen schrijven. ‘Ik mag niet voetballen op de openbare weg’. 100 keer. Ik kreeg vier pennen, een blauwe een rode, een groene en een zwarte. “Iedere letter een andere kleur”, zei de agent, terwijl zijn collega op de achtergrond zat te lachen.
Vanaf die dag was ik altijd toevallig mijn jas vergeten, wanneer ik ging voetballen.