Net toen ik mijn eerste spruitje, met een klein beetje mosterd, naar mijn mond wilde brengen ging de telefoon. Met een zucht stelde ik mijn eerst hap uit en nam op. “Met mevr. X van Natuurmonumenten!”, klonk het vrolijk. Daar werd ik nou niet vrolijk van. “U heeft een paar maanden geleden een combikaart gekocht voor de pont naar Tiengemeten en het bezoek van enige attrakties aldaar en nou vroeg ik me af, hoe u dat bezoek ervaren heeft.” Ik was heel even stil. Toen kon ik het …niet laten: “Welk bezoek? Ik had de avond daarvoor zwaar getafeld en moest op de boot erg nodig naar het toilet. Toen ik daar af kwam voer die schuit opeens achteruit.” Het bleef even stil. “Ik had de wal gemist, zullen we maar zeggen en heb dus niks van Tiengemeten gezien.” Het bleef nu erg stil. “O”, klonk het vervolgens, “O”, en weer even stilte. Die had ze niet aan zien komen. Toen herpakte ze zich weer. “Maar nu gaat het weer goed met u?” El zat inmiddels op de achtergrond te lachen. “Ja, hoor”, zei ik, “Ik zit net lekker te eten.” Het kwartje viel niet. De dame ging ijzerenheinig door en probeerde vervolgens nog de een of andere vrijwillige bijdrage van me los te krijgen. “Want u moet toch toegeven, dat er steeds minder natuur in ons land komt”, betoogde ze gloedvol, en ze had wat moeite met mijn ietwat chagrijnige antwoord, dat Natuurmonumenten dan volgens mij ook steeds minder geld nodig zou moeten hebben. Teleurgesteld hing ze op.
Wie me tijdens mijn maaltijd stoort om te zeuren om geld maakt weinig kans.
Gelukkig waren mijn spruitjes nog niet helemaal koud geworden.