Met het puntje van zijn tong uit zijn pijpenloze mond zat ome Arie op zijn telefoon te turen en met zijn knokige boerenvingers toetste hij wat in. Om vervolgens wanhopig omhoog te kijken. “Goeiemorgen, ome Arie!”, zei ik, heel vrolijk in een poging de oude baas wat op te monteren, want hij oogde niet echt vrolijk. “Ik heb gisteren een nieuwe telefoon gekocht, meneer Ype!”, sloeg hij de gebruikelijke ochtendbegroeting over, “En dan beloven ze, dat ze alles voor je overzetten, maar dat ding…”, hij wees naar het mobiel in zijn verweerde linkerhand, “vraagt wel steeds om allerlei wachtwoorden!” Ik knikte, want daar was ik ook onlangs achter gekomen. Ome Arie toetste weer wat in, schudde mismoedig het hoofd na wéér een mislukte poging en legde het communicatiemiddel opzij. “Eerst maar een pijpje stoppen”, bromde hij, het duidelijk niet naar zijn zin hebbend. En meer tegen zichzelf dan tegen zijn toehoorder: “Ik weet toch haast zeker, dat het Bertha-drieëntwintig-uitroepteken moet zijn, maar was het nou mèt of zonder hoofdletter?” Het mobieltjes tijdperk was niet gemakkelijk voor een oude veeboer. Hij veegde de zweetdruppeltjes van zijn bovenlip, stak zijn pijp op en keek mijn kant op zonder echt naar me te kijken; “Dat was mijn favoriete koe…” Vervolgens leek hij wat te ontspannen: “Sorry, meneer Ype, dat ik u niet eens fatsoenlijk een ‘goede morgen’ heb gewenst!” Hij keek er oprecht schuldig bij. “Die dingen”, hij wees op zijn telefoon, “bepalen in steeds sterkere mate ons dagelijks leven!” Hij blies een grote rookwolk als ter ondersteuning van zijn stelling. “Laatst hoorde ik, dat zelfs ons seksleven door die krengen beïnvloed wordt!” Ik schoot in de lach: “Op onze leeftijd, ome Arie?” Hij lachte nu wel met me mee: “Ik bedoel dus niet direct voor ons in persoon, maar in het algemeen!” Hij keek even om zich heen of niemand stiekem mee kon luisteren, en vervolgens met de hem zo typerende ondeugende blik: “Wist u, dat door de mobiele telefoon het favoriete standje voor jongeren tegenwoordig ‘op-zijn-hondjes’ is?” Ik wist het niet. “Dan kunnen ze allebei tijdens de daad hun telefoon blijven checken!”
Tabak
Het deurbelletje klonk toen ik omlaag stapte het kleine tabakswinkeltje in. Een ouderwetse nering met een oud baasje, dat zijn klanten altijd uiterst vriendelijk iets in hun maag trachtte te splitsen. Tot tweedehands pijpen toe: “Van een oud baasje geweest, hij heeft er maar kort van kunnen genieten…” Hoofdschuddend, dat ik dit buitenkansje aan mijn neus voorbij liet gaan borg hij de oude schoenendoos met afgekloven rookgerei weer weg achter een gordijntje onder de toonbank. Hij gunde de weduwe toch zò haar paar extra erfcentjes. Na aftrek van zijn commissie natuurlijk. Het belletje ging weer. Ome Arie betrad het winkeltje. Hij begroette ons hartelijk: “Meneer Ype, Jo!” Hij tikte aan zijn pet. Middenstander Jo herkende direct een potentiële kandidaat voor de erfpijpen en haalde de schoenendoos weer boven de toonbank: “Kijk, meneer Arie, ik heb op een veiling de hand weten te leggen op een aantal zeer fraaie pijpen. Uit een erfenis!” Trots toonde hij de oude pijpen als ware het heuse museumstukken. Ome Arie bekeek de afgekloven waar met een vies gezicht. “Maar die heeft iemand al in zijn mond gehad!” wees hij. “Die oude baas had zowel een boven- als een ondergebit, dus feitelijk heeft hij de pijpen zèlf nooit aangeraakt!” probeerde Jo nog even, maar begrijpend, dat deze verkoop niks ging worden borg hij de morsige schoenendoos toch maar weer op. “Hoe kan ik de heren dan helpen?” Ik wees een pakje pijptabak aan. Ome Arie keek heel erg naar mijn aankoop. “Welke heeft u, meneer Ype?” Ik keek hem verbaasd aan, “Borkum Rif van MacBaren, ome Arie, die heb jij toch ook altijd?” De oude boer keek wat ongelukkig. “Dat bedoel ik niet, meneer Ype, ik bedoel wèlke Borkum Rif?” Op het pakje wijzend keek hij me aan. Ik begreep er niets van. Stamelend legde hij uit: “Ik heb liever niet de ‘van roken kunt u impotent worden’, of die met K. Het liefste heb ik die met: ‘van roken kunt u onvruchtbaar worden’…” Ik keek op mijn aankoop en daar bleek inderdaad ome Aries’ favoriete waarschuwing op te staan. Ik gaf hem het pakje en ome Arie kocht een ander pakje met een andere afschrikwekkende afbeelding en nog afschrikwekkender tekst. Hij gaf het mij met de woorden: “Deze ziekte wil ik niet! En onvruchtbaar ben ik gelukkig al jaren, na een kleine ingreep, al heel lang geleden!” Tevreden stapte hij met het minder erge pakje pijptabak het winkeltje uit, begeleid door het vriendelijk rinkelende belletje.
De Tandem
Bij de eerste zonnestralen in de lente was het in ons haventje een drukte van belang. Een nieuw vaarseizoen voor hobbyschippers lag in het verschiet en er werd verwoed geschuurd, geschilderd en proefgedraaid met motoren. Ik zat het gedoe samen met ome Arie te bekijken, onderwijl genietend van mijn pijpje en het besef, dat ik zelf geen boot had, welke al deze zorg behoefde. Mijn medebankzitter genoot ook zichtbaar van het uitzicht en zijn rustige bestaan, omringd door de heerlijke geur van een zojuist opgestoken pijp. Hij zuchtte eens diep, haalde daarna diep adem en wees met zijn pijp mondstuk naar al de ijver vóór ons: “Die lui werken zich in het zweet om straks in drie weken op en neer te varen naar god-weet-waar om er vervolgens achter te komen, dat hun thuishaven de mooiste haven van de hele reis is!” Ik keek even verbaasd opzij en vroeg me af of hij zich de schoonheid van deze zin bewust was. Ik vermoedde van wel, want hij had me al vaker versteld doen staan van zijn wijsheid. Hij glimlachte slechts. Achter ons stopte een tandem met twee grijze bodywarmers. Ze stapten af en keken zoekend om zich heen. “Weet u of we hier ergens onze tandem-accu op kunnen laden?” Het bodywarmer-mannetje stond met een stekker in zijn hand vragend ome Arie aan te kijken. Deze keek op zijn beurt mij weer vragend aan. Ik wees naar de haven: “op de steigers zijn stopcontacten!” Alle ogen volgden de richting van de steel van de pijp, waarmee ik wees. “Wanneer jullie snoertje lang genoeg is, of jullie de accu van de tandem los kunnen koppelen, moet dat lukken.” Het bodywarmer-vrouwtje keek mijn kant op: “Mag dat dan?” Zes ogen keken nu vragend mijn kant op. “Dat weet ik niet…” antwoordde ik, een beetje bedremmeld. “Misschien kunt u dat aan iemand van de watersportvereniging vragen.” En ik wees weer richting bedrijvige schippers. Het stel stalde de tandem tegen een lantaarnpaal, zij nam plaats op het bankje naast het onze terwijl hij de afneembare accu van de fiets haalde en met de oplader in zijn andere hand op zoek ging naar een hulpvaardige watersporter. Zij keek blij om zich heen: “Wat een prachtig haventje!” Wij beantwoorden deze observatie met een bevestigend rooksignaal. Ze ontwaarde de achteringang van onze onvolprezen ijssalon ‘Gebo’. “Kun je daar ijsjes kopen?” Ome Arie knikte: “En patat!” Hij is nog uit de tijd, dat de woorden ‘snackbar’ of ‘cafetaria’ nog niet bestonden en een patattent slechts gefrituurde aardappelen en hooguit kroketten verkocht. De vrouwelijke tandemhelft reageerde enthousiast: “Geweldig, dan kunnen we hier ook wat eten, terwijl de accu wordt opgeladen!” Op de achtergrond leek de accu-expeditie succesvol te zijn verlopen want de mannelijke tandemhelft was met lege handen op de terugweg. Ome Arie trok tevreden aan zijn pijp: “zo, uw accu is straks weer helemaal opgeladen voor de rest van de reis!” “Ben benieuwd hoever we komen…”, zuchtte de dame. Ome Arie keek haar verbaasd aan. Ze vervolgde: “We moeten helemaal naar Heerhugowaard, zeven uur fietsen!” Ome Arie keek even verbaasd mijn kant op en vervolgens weer naar de ongelukkige fietster. Deze zuchtte weer diep: “Daar wonen we. We zijn vanmorgen van huis vertrokken en pas hier door de politie van de weg gehaald.” Wij keken nu allebei erg verbaasd. “Onze camper staat hier vlakbij. Ik heb wel drie keer tegen die snuggere vent van me gezegd, dat die tandem op de fietsendrager aan weerskanten veel te veel uitstak!”
Het roze pijpenzakje
Pijp roken is nog een hele toer bij windkracht zes. Ik zat dan ook behoorlijk te tobben om mijn tabak in de brand te krijgen toen ome Arie aan kwam lopen. Met een rokende pijp. Hij zag mijn geploeter en wees met zijn rookwortel naar het bushokje, even verderop in de straat langs ons prachtige haventje. “Daar kunt u uit de wind staan, meneer Ype!” Hij ging zelf zitten. Ik volgde zijn raad op en voegde me niet veel later, met een brandende pijp, bij hem op ‘ons’ bankje. We zaten het matig naar ons zin te hebben, want de tabak waaide zowat onze pijp uit, terwijl het juist getuigt van ultiem genieten wanneer de geurige wolkjes langzaam omhoog cirkelen. Ome Arie haalde een felroze gebreid zakje uit zijn jaszak en uit dat fraaie stukje huisvlijt diepte hij een pijpenstampertje. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Hij zag het en glimlachte zelf ook. “Van mijn nichtje. Heeft ze speciaal voor mij gemaakt op de dagbesteding. Ik was zo dom om te zeggen, dat ik de kleur niet belangrijk vond!” Ik knikte begrijpend. “Het is mijn favoriete nichtje, een mongooltje…” Ik keek even een beetje afkeurend opzij. Alsof hij mijn gedachten kon lezen vervolgde hij: “Tegenwoordig mag je dat niet meer zeggen. Ik weet het, meneer Ype, want dat is beledigend. Al is dat zo niet bedoeld. Het is tot ziekte gebombardeerd. Of syndroom.” Hij bekeek het roze stukje huisvlijt. “Alsof het dan minder erg is.” Ik begreep hem. Het gaat over de gedachte erachter. “Dit rare roze pijpenzakje heeft mijn nichtje heel veel moeite gekost.” Hij hield het vast alsof het zijn kostbaarste bezit was. “Door de Corona mocht ze een tijdlang niet naar de dagbesteding en dan zat ze thuis met haar tong uit haar mond verwoede pogingen te doen om het pijpenzakje voor haar ome Arie klaar te krijgen. Hopeloze pogingen, want ze kan niet zelfstandig breien. Desondanks pakte ze het iedere morgen weer op om er een vruchteloze dag haar best op te doen. Alleen, thuis.” Hij liep even naar het bushokje om zijn pijp weer aan te steken. Terug vervolgde hij zijn verhaal: “Uiteindelijk mocht ze weer mondjesmaat naar de dagopvang. En kon ze het roze pijpenzakje eindelijk afmaken. Maanden is ze bezig geweest met dat stomme ding!” Hij zweeg even, rookte zijn pijp. “Zij klaagde nooit, ze accepteerde gewoon haar lot. Ze wilde alleen zo graag dat breiwerkje voor mij afmaken. Vandaar dat dat ding zo belangrijk voor me is. Ik ben trots, dat ik ermee voor gek mag zitten” Hij keek opzij. “Eigenlijk mag je haar inderdaad niet vergelijken met de mongolen, die vinden, dat ze recht hebben het kampioenschap van hun voetbalclub te vieren, of feestjes te houden in het park.” Ik knikte: “De echte mongolen…” Een windvlaag deed mijn woorden vervliegen. Maar het gaat om de gedachte.
Avondvrijheid
Het was al donker, maar ik moest toch even een rondje met mijn scootertje. De avondklok was afgeschaft en ik wilde de herkregen vrijheid op passende wijze vieren. Gewoon even ’s avonds laat langs ons haventje rijden. Zomaar. Omdat het weer kon. Fluitend reed ik langzaam de dijk over en zag toen tot mijn stomme verbazing ome Arie zitten. Het was al donker, maar het donkere silhouet was onmiskenbaar. Een pet, een rookwolk en een pijp. Ik stalde het scootertje pakte mijn pijp en mijn tabak uit de bergruimte onder het zadel en ging naast mijn oude vriend op het bankje zitten. Hij keek even opzij en tikte met zijn pijp aan zijn pet, een potsierlijk gebaar, maar typerend voor ome Arie, dus was ik het gewoon. “Nog laat op pad, meneer Ype?” Het was meer een constatering dan een vraag, dus ik knikte slechts, pakte mijn pijp en stopte deze langzaam en zorgvuldig, daar haast hierbij geen pas heeft. “Vrijheid, iets om te koesteren, ome Arie! Na die weken avondklok voelt het gewoon als een nieuwe vrijheid, dat ik weer na tien uur ’s avonds een stukje op mijn scootertje kan gaan rijden!” Ik pakte m’n aansteker en stak de brand in mijn tabak en blies grote rookwolken alsof die mijn woorden als rooksignalen van een vredespijp bestemd waren voor een wijde omgeving. Ome Arie keek opzij en grijnsde: “Weet u zeker, dat u überhaupt nog wel op uw scootertje mag rijden, meneer Ype?” Ik schoot in de lach, stond op en pakte uit mijn scooter twee in een theedoek gewikkelde glaasjes en een fles lekkers. “Jij ook een drankje, ome Arie?” De oude veeboer knikte en ik schonk voor ons beide een slokkie ultiem genieten in. “Ik hoopte eigenlijk al een beetje, dat ik je hier zou treffen, Arie.” Ik zei het bewust zonder het gebruikelijke ‘ome’, om het moment extra lading te geven. En dat deed het; we klonken op een gezonde toekomst en dronken zwijgend en uiterst langzaam, genietend van het schijnsel van de maan in het water van ons prachtige haventje. Als twee oude vrienden.
Bubbel
Toen ik met mijn scootertje welgemutst aankwam bij onze vaste rookplek zag ik, dat het anders was dan anders. Ome Arie stond met een ongelukkig hoofd met zijn fiets aan de hand bij de haven. ‘Ons’ bankje was bezet door een ruziënd stel. En het bankje ernaast had gewoon niet zijn voorkeur, dat wist ik. Waarom dat was wist ik niet. Toen hij toch zijn fiets stalde en op het andere einde van ons bankje ging zitten snauwde de dame van onder haar hoogpolig tapijt: “Wil je wel uit onze bubbel blijven!” Ome Arie keek verbaasd opzij: “Hebt u het tegen mij?” “Wie anders, zie je iemand anders, dan!?” Ome Arie wees naar mij. Ik bekeek alles zittend op mijn scooter. De bitch had me nog niet gezien en keek nu ook mij vuil aan. Onze veehouder vroeg mij met een heel onschuldig klinkende stem: “U kent deze dame, meneer Ype?” Ik schudde mijn hoofd, maar begreep waar hij heen wilde. “Waarom deze vraag, ome Arie?” Hij glimlachte en knipoogde naar me, “Omdat ze ‘je’ zei, meneer Ype, en ik kan me niet herinneren ooit met haar geknikkerd te hebben, of dat ze familie van me is, dus ik dacht, dat ze wellicht tegen u praatte!” Ik keek erg verbaasd: “Maar ik kom net aanrijden, ome Arie, en ík zit toch niet in haar bubbel?” Het stel zat ons gesprek duidelijk geïrriteerd aan te horen. Ome Arie stond op: “Bubbel, meneer Ype, bubbel?” Hij keek even geringschattend opzij en omlaag naar het ‘gelukkige’ paar, “Aan het gesprek te horen is het meer een ’trubbel’! Daar wil toch niemand in zitten…” Hij wandelde, nagestaard door het verbouwereerde koppel rustig naar het andere, bovenwinds gelegen, bankje en begon zijn pijp te stoppen. Ik stalde mijn scooter, nam plaats in ‘onze bubbel’, en volgde zijn voorbeeld. Binnen twee enorme, gezamenlijk uitgeblazen rookwolken hadden we het stel van ‘ons’ bankje verdreven.
Afstandsbediening
Er wordt hard gewerkt aan de sluisdeuren voor ons haventje. Ome Arie zat het gedoe al pijpstoppend met grote belangstelling te bekijken. Ik zette mijn scooter op de standaard, pakte mijn rookgerei en ging op het bankje mijn pijp zitten stoppen. “Goeiemorgen, ome Arie!” De oude baas tikte ter begroeting met het mondstuk van zijn pijp tegen z’n pet. Vervolgens wees hij met hetzelfde pijponderdeel naar het gedoe in de havenmond. “Geen idee, wat ze daar allemaal uitspoken!” bromde hij. “Ik wel”, antwoordde ik trots. Er werd vragend opzij gekeken. “De deuren worden zo aangepast, dat ze op afstand bediend kunnen worden!” Trots over mijn eigen kennis leunde ik achterover en nam een fikse haal aan mijn pijp. Ome Arie keek beurtelings naar de werkzaamheden en weer naar mij. “Dus dan kun je, bij wijze van spreken, vanaf ons bankje met een afstandsbediening de sluisdeuren dicht doen?” Ik knikte. “Dan is het te hopen, dat bij hoogwater de afstandsbediening niet zoek is, zoals laatst bij ons thuis. Heb ik op een zondag een uur lang naar een kerkdienst zitten kijken, terwijl Riek aan het zoeken was!” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. “Zelfs uitzetten kon niet…”, mopperde hij verder. “Tot ik mijn zoon ging bellen, of hij een oplossing wist.” Hij blies een wolkje rook uit. “Lukte dus ook niet!” Klein bejaarden-leed; verplicht naar een kerkdienst kijken, verstoten van communicatie met je kinderen. De oude baas zuchtte: “Zat ik met de afstandsbediening te bellen…”
Dooie mus
Het was redelijk weer. Er was weinig wind met een behoorlijk verwarmend zonnetje. Ome Arie zat al op ons bankje toen ik met mijn scootertje aankwam bij het prachtige haventje van ons dorp. Een jongedame in een vakantie-achtige outfit wilde foto’s van hem maken met een imposante camera. Ik hield eerbiedig wat afstand van fotografe en fotomodel en volgde het moeizame gesprek: “Genädige herr, bitte?” Ome Arie schudde zijn boerenkop: “Nee, veeteelt!” De dame dreigde teleurgesteld af te druipen. Ik besloot te helpen. “De dame vroeg of ze een foto van je mocht maken, ome Arie!” Ons fotomodel vond zulks natuurlijk geen probleem, en nadat ik het de fotografe had uitgelegd schoot deze haar plaatjes. Helemaal gelukkig met haar onderwerp: een bejaarde boer met echte klompen en een pet. Nadat ze vertrokken was ging ik zitten en stopte mijn pijp. “Maar ome Arie, je hebt me wel eens verteld, dat je vroeger regelmatig ging wintersporten. Hoe deed je dat dan, wanneer je geen woord Duits spreekt?” Aangesprokene trok aan zijn pijp. “Er waren altijd wel mensen, die net als u me wilde helpen. En Riek spreekt wel wat Duits en Engels.” Ik kon me er wat bij voorstellen en genoot verder van mijn pijp. Er hipten een paar geile mussen rond ons bankje. Voorjaar. Ome Arie bekeek het tafereel en leek mijn gedachten te lezen. “Het is weer voorjaar. Stomme beesten!” Ik lachte. “Vroeger waren wij ook stomme beesten…” De klompenier keek opzij; “Maar niet zo stom, dat we met onze stomme snavel tegen een keukenraam aan vlogen, zoals die mus bij ons gisteren!” Ik schudde mijn hoofd, nee, zo stom waren we inderdaad nooit geweest, maar we konden ook niet vliegen. “We konden ook niet vliegen…” las ome Arie mijn gedachten weer eens. “Afijn, die stomme vogel ligt op ons balkon nog wat stuip te trekken en sterft.” Ik nam een trek van mijn pijp. Ome Arie nam een trek van zijn pijp. “Riek stond net in de keuken toen het gebeurde. Die was helemaal overstuur.” Ik knikte. “En toen deed ik iets stoms…” Hij keek schuldbewust, “Ik lichtte de deksel van de braadpan, die op het fornuis stond, op en zei tegen het lekker bruin gebakken haantje: “Jij kon gelukkig niet vliegen, hè, ouwe jongen!” En toen werd ik de keuken uit gescholden.” Ik schoot in de lach.
Dierenarts
Bij ons bankje aan de haven stond de fiets van ome Arie. Hij zat zijn pijp te stoppen en groette me uiterst vriendelijk: “Goeiemorgen, meneer Ype!” Ik ging zitten en pakte mijn pijp, “Goeiemorgen, ome Arie!” en ik maakte een wijzend gebaar naar de leegte naast de bank: “Geen Joseph?” Van de teckel ontbrak inderdaad ieder spoor. “Inderdaad, die is weer gewoon terug bij Agaath.” Hij stak zijn pijp aan. “En dat werd tijd, want Doortje loopt op alledag…” Hij doelde op pitbull Doortje die een kortstondige, maar uiterst vruchtbare relatie met teckel Joseph had beleefd. En zonder dat haar baasjes, een grote baardige Feyenoord-hooligan, daarvan op de hoogte was, daar druk bezig met het uiteenzetten van de nodige complottheorieën aan Ome Arie. Maar dit staat uitgebreid beschreven in een eerder verhaal. Ik knikte, want ik kende ome Arie’s zorgen. Het resultaat van Joseph’s amoureuze escapades zou nergens op kunnen lijken, maar zou natuurlijk ook wèl ergens op kunnen lijken. Op Joseph. En zulks zou zelfs bij de verder niet zo snuggere hooligan een sterk vermoeden kunnen doen ontstaan. En daar zat onze gepensioneerde veehouder niet echt op te wachten ervan uitgaand, dat het hier toch mogelijk om een nogal ongewenste zwangerschap ging. Zo zaten wij, ieder met onze gedachten, ons pijpje te roken. Het was nog behoorlijk fris, dus we zaten diep in onze jassen gedoken. Ome Arie met zijn winterpet. Af en toe kwam er een wolkje rook uit de hoop kleding. Ik kon er wel om grinniken. Na een tiental minuten kwam het ‘ijsjesmeisje’ weer aangehuppeld. (Zie vorig verhaal) Met een uitzonderlijk groot ijsje. Ze ging triomfantelijk tussen ons in zitten. “Ik word toch maar geen fotomodel!” Ome Arie knikte, ik knikte. Dat leek ons duidelijk, gezien de enorme ijsberg. “Ik word dierenarts!” Ome Arie keek verbaasd, maar er volgde een nadere uitleg: “Gisteravond was de dierenarts bij ons thuis!” Ze klonk erg enthousiast. “Want onze Doortje heeft puppy’s gekregen. Lief joh, ze lijken wel een beetje op het hondje, dat u van de week bij u had, meneer!” Haar onschuldige grote blauwe ogen keken diep in de kleine bruine schuldige kijkertjes van ome Arie. “En daarom heb ik van pappie dit ijsje gekregen…” Vlak achter ons stond een enorme kerel met een volle baard: “Ga je mee, meisje, want pappie wil vanmiddag nog wel even op televisie naar Feyenoord kijken!” Ome Arie dook tegen een mogelijk herkenning nog dieper in zijn jas en ook ik durfde niet nòg eens om te kijken. “Dag, oude meneren!” riep de ijsprinses, terwijl ze weg huppelde.
Fotomodel
Na een schijnbeweging van enkele dagen bleef het voorjaar koud. Ome Arie zat met teckel Joseph naast zich zijn handen te warmen aan zijn dampende pijp. “Goeiemorgen, meneer Ype!” groette hij, toen het lawaai van mijn scootertje was uitgedoofd. Wellicht moest ik eens naar de uitlaat laten kijken. “U moet eens naar uw uitlaat laten kijken!”, las ome Arie mijn gedachten. Ik knikte: “Inderdaad, ome Arie, dat zal ik doen.” Ik ging op ons bankje bij het haventje zitten en pakte mijn pijp. Een meisje met een wollen mutsje op en wantjes aan ging tussen ons in zitten. In haar rechter wantje hield ze een enorm ijsje geklemd. Ze likte een enorme lik met haar ogen dicht. Puur genot. Ome Arie bekeek het tafereel vol verbazing: “Is het niet veel te koud voor een ijsje?”, kon hij niet nalaten te vragen. Het meisje keek vernietigend opzij. Een paar eigenwijze blonde haartjes loerden achter onder het mutsje vandaan. “Je bent oud!” zette ze de vraagsteller eerst op zijn plek. “Voor jonge mensen is het nooit te koud voor een ijsje!” Hier viel weinig tegenin te brengen. “En roken is veel slechter voor je…” Schaakmat. Ome Arie knikte. Ik glimlachte en stak mijn pijp op. De rook werd geroken en twee blauwe oogjes priemden mijn kant op. “Bah!” zei ze slechts, maar de smog verdreef haar niet van haar plek. Ik voelde me schuldig en probeerde mijn rook de andere kant op te blazen, hetgeen hopeloos mislukte. Ze wendde haar gezicht af richting ome Arie, die alles met een zachtaardige glimlach zat te bekijken. “Ik word later fotomodel!” Een ferme lik volgde. “Zo”, zei ome Arie, “dat is geweldig!” De kleine glom. Ome Arie knipoogde naar mij: “maar fotomodellen mogen eigenlijk niet snoepen!” Hij blies een vals wolkje rook uit.”Want dan worden ze te dik!” Deze waarschuwing kwam wel aan. De glimlach verdween van het blonde koppie. “En daarom kijken al die fotomodellen op televisiereclames net zo boos en chagrijnig als jij nu!” Het meisje keek even mijn kant op. Ik maakte ome Arie’s zin af: “omdat ze dus geen ijsjes meer mogen eten!” Het arme kind keek naar de koude lekkernij en beurtelings naar ons, vòòrdat ze opstond en het ijsje in een prullenbak gooide. Ik heb me nog nooit zo schuldig gevoeld.