Het gemak

De hittegolf had lang genoeg geduurd. Eindelijk was het iets koeler. Ome Arie zat weer op zijn vertrouwde plek op het ‘leugenbankje’ bij de haven. Toch leek er iets aan hem veranderd, maar ik kon maar niet bedenken wat. Door het mooie weer en het Corona-gedoe was het haventje ‘s avonds vol en ‘s ochtends leeg. Bootjes, die anders nooit van hun ligplaats kwamen werden opgepoetst en weer gebruikt waar ze voor bedoeld waren: om mee te varen. Soms ging dat met enige horten en stoten, want achterstallig onderhoud blijft niet ongestraft. Motoren starten niet, het jarenlange slechte weer zit in de zeilen, de schippers schipperen ook als beginners. Ik stopte mijn pijp, schonk koffie uit de inmiddels gebruikelijke thermosfles en samen genoten we van het moment. En toch zag ik iets aan hem… 

Aan de overkant van ons was een onfortuinlijke watersporter de tol van jarenlange verwaarlozing van zijn roestige vlet aan het betalen: de motor vertikte het. De verwijtende blik van zijn vriendinnetje sprak boekdelen. Hij mompelde net hard genoeg voor ons: “nou is het een keer mooi weer om eens met die rotboot te gaan varen, doet dat kreng het niet!”. De sfeer was heel ver beneden N.A.P. Het wicht was al met een blik van afgrijzen aan boord gestapt in een zomerse outfit, welke niet echt paste bij het nog net drijvende bonk roest. Ome Arie bekeek uiterst geamuseerd het romantische tafereel: “Denkt u, meneer Ype, dat onze ‘grote roerganger’ die koffiemolen nog aan de praat gaat krijgen?” Ik lachte: “Het ziet er niet best voor hem uit, ome Arie! Weer een relatie met opstartproblemen!” Glimlachend trokken we simultaan aan onze pijpen. “Ach, er is overal wel eens wat!”, zuchtte ome Arie, maar wel met een glimlach. Ik keek opzij. “discussie met Riek verloren?”, vroeg ik, wetend, dat echtelijke debatten nooit mannelijke overwinnaars kennen.  Hij knikte en ik wachtte af. “Volgens Riek stonk het in ons toilet. Ik wist wel hoe dat kwam; mijn darmen reageren niet echt welriekend op broodjes frikandel. Maar daar dit een illegaal gekochte snack betrof hield ik mijn mond.” “Illegaal?” was mijn verbaasde reactie. Ome Arie knikte: “Wanneer ik zoiets eet, krijg ik steevast commentaar!” Hij grijnsde: “en zeker wanneer ik het milieu verziek met de gevolgen ervan!” Hij nam een trekje en blies met zichtbaar genot een geurig wolkje uit. “Dus ik ga zeer belangstellend ons toilet besnuffelen en zeg tegen mijn lieve echtgenote: “ik vrees, dat dit alleen met een geheel nieuwe pijp opgelost kan worden”. Nou, meneer Ype, u begrijpt, dat deze constatering keihard aankwam!” Hij lachte: “”Je hoeft toch zeker niet alles open te breken, hoop ik?”, piepte ze. Ik keek heel bedenkelijk, trok mijn jas aan en zei: “eerst maar eens op pad voor die nieuwe pijp!” En vertrok. Je had dat gezicht moeten zien!” Hij zette zijn pet op standje ‘ondeugend’ en vervolgde: “Dus ik ga naar de sigarenboer en koop deze nieuwe pijp!” Trots hield hij het rookgerei omhoog. Nu zag ik, wat er anders aan hem was! Zijn pijp! “Maar Riek verwachtte een afvoerpijp..” bracht ik zijn verhaal weer op gang. Ome Arie begreep de hint: “Toen ik thuiskwam stak ik hem op, liep naar het toilet en blies er een wolk naar binnen. ‘Nu is die lucht zeker wel weg?’, vroeg ik. Ze was laaiend, want ze vond een nieuwe pijp steeds te duur en voelde zich vreselijk beetgenomen!” Ome Arie bekeek het verworvene en gaf toe: “hij was inderdaad best prijzig.” Uiterst tevreden nam hij het pronkstuk weer in zijn mond en genoot van zijn volgende trek. “Razend trok ze haar jas aan en sloeg de buitendeur met een klap achter zich dicht.” Ik fronste en vroeg: “Oei, dat klinkt ernstig. Bleef ze lang weg?” Ome Arie knikte: “Toch zeker een uur.” Hij nam een trekje. “Daarna kwam ze binnen met een onheilspellend triomfantelijke kop. Ik ging me zorgen maken. Na een trage kop thee pakte ze een flesje uit haar tas en zei: “Dit is speciaal spul voor stankproblemen in de wc. Het is een vloeistof en het is Frans!” Ze hield het voor mijn neus: ‘Eau de toilette’ stond er op het flesje. En het aankoopbedrag op het bewust achtergelaten prijskaartje overtrof dat van mijn pijp ruimschoots!” Hij kon er nu wel om lachen. Aan de overkant startte de koffiemolen tegen alle verwachtingen in tóch. De roestbak voer langzaam de haven uit.

Spiegelen

Ome Arie was met die hete dagen steeds aan het Spui te vinden. Onder zijn parasol zat hij tevreden zijn pijp te roken en te genieten van het gedoe op het water. Ik trof hem die dag rond koffietijd. Ik had een thermosfles koffie meegenomen en werd met open armen ontvangen. “Goeiemorgen, meneer Ype! De koffie komt als geroepen, ik zit hier uit te drogen!” Zijn pet stond vrolijk. Ik ging zitten en stopte mijn pijp. Zo dronken we ons bakkie, rookten ons pijpje, en lieten de wereld even stilzwijgend aan ons voorbij gaan. Een echtpaar trachtte hun motorbootje bij de buitensteiger af te meren, hetgeen door de sterke stroming niet echt soepeltjes ging. Moeders hing op een bepaald moment als een vaatdoek buitenboord met haar onderste helft in het water. Toen haar schipper zich hardop afvroeg wat ze daar hing te doen was haar snedige antwoord: “Ik hang hier op de tram te wachten!” “Die komt vandaag niet, want er staat water op de rails”, was ’s mans antwoord. Ome Arie stond net lachend op om de ongelukkige zeelieden te gaan helpen, toen een paar zwemmers hen al te hulp schoten. De zeemeermin kon droge kleren aantrekken en de schipper kon op zoek naar een bloemist om de bonje weer bij te leggen. 

Ome Arie stak zijn gedoofde pijp weer aan. De rust was weergekeerd. Maar niet voor lang:  “Daar zul je neef Nitus hebben”, bromde mijn bankgenoot; “Hij heet eigenlijk Tinus. Zijn dwarsheid heeft hem zijn bijnaam opgeleverd.” Er kwam een lang mager jongmens op een oude damesfiets naar ons bankje gefietst. Het ging zo langzaam, dat het me verbaasde, dat’ie niet omviel. Uiteindelijk haalde hij het en met een wat norsig “Goeiemorgen” viel hij tussen ons in op het bankje. En zuchtte diep. “Ik ben ontslagen.” Ome Arie leek niet echt verbaasd. “Ach, Tinus, dat is je toch wel vaker gebeurd, daar hoef je toch niet zo voor te zuchten?” Ondanks deze bemoedigend bedoelde woorden zuchtte de draadnagel nogmaals. “Maar ik deed zo mijn best en had een geweldig idee! Word ik er om ontslagen…” Hij keek ome Arie aan: “Je zult zien, dat die chef met mijn idee aan de haal gaat!” Ome Arie keek mij even aan en knipoogde stiekem.  Neef Nitus ging verder: “Het was mijn taak de melkproducten bij te vullen in de supermarkt.” Ome Arie veinsde een enorme belangstelling: “Spiegelen, toch? De nieuwste producten achteraan zetten, zodat de klanten eerst de oudere producten pakken?” Het jongmens knikte: “Maar alle klanten weten dat inmiddels, dus die halen het hele schap overhoop om het achterste pak melk te pakken!” Daar zat een logica in. “Dus ik stelde voor om juist te ontspiegelen!” Hij was nog steeds trots op deze geweldige vondst: “Dat spaart de medewerker van de winkel veel tijd en de klant ook!” Nu zuchtte ome Arie diep: “En daar was de manager het niet mee eens?” Tinus boog zijn hoofd: “Nee, de sukkel…” en keek ome Arie weer aan: “En weet je wat een energie dat scheelt? Die deuren voor de koeling hoeven dan veel minder lang open!” Ome Arie glimlachte en dacht mee: “Het is een geweldig idee, jongen. Ik denk dat de manager het inderdaad over heeft genomen. En door jouw briljante idee kon hij direct bezuinigen op personeel, alleen jammer dat jij daar de dupe van bent geworden!” Neef Nitus keek nu erg besodemietert: “Dus ik ben slachtoffer van mijn eigen idee?” Ome Arie legde een troostende arm om zijn schouder: “Ik denk het wel, knul!” En hij knipoogde naar mij: “Ik denk het wel!”

Hooiberg

Het was bloedverziekend heet. Hittegolf. Zwetend scooterde ik langs de haven. Het vertrouwde bankje was leeg. Begrijpelijk, want het was gewoon te warm en in het haven was nergens een zuchtje wind tussen de prachtige geveltjes. Ik besloot even een stukje langs het Spui te rijden richting ‘Klein Profijt’, een bezoekerscentrum bemand met vrijwilligers, waar ik een beste bak koffie hoopte te scoren. Toen mijn scootertje net het steile opritje naar de top van de dijk puffend en steunend had volbracht zag ik ome Arie zitten; op een bankje bij het Spui. Hier was wel wat wind. Hij had een parasolletje meegekregen op zijn fiets en zat met een juffrouw tegen zijn borst geklemd. Ik besloot door te rijden naar de koffie. Bij ‘Klein profijt dronk ik rustig mijn bakkie en genoot van het uitzicht over het water. Zo zat ik een uurtje alvorens ik mijn gemotoriseerde vriend weer opzocht. 

Ome Arie zat er nog. Nu alleen. Ik besloot tot een praatje, stalde mijn scooter achter mijn pijprokende vriend, ging zitten en besloot zelf ook een pijpje te roken. (Dat had ik bij ‘Klein Profijt’ niet gedurfd, want daar zijn ze nogal van het milieu en zo…) We groetten elkaar en waren tevreden. “U hebt dezelfde tabak als ik, meneer Ype, maar toch ruikt’ie heel anders!” Z’n petje stond op standje lollig. Ik werkte mee en keek verbaasd. “Ik heb net als u het merk Roken is dodelijk!” lachte ome Arie. Ik hlachte gezellig mee. Het was even stil. “Water ruikt altijd zo fris,” mijmerde ik genietend de geur van het Spui opsnuivend. Ome Arie snoof mee. “Net gemaaid gras vind ik ook heerlijk. Dat doet me aan vroeger denken.” Hij rommelde wat aan zijn provisorisch aan het bankje vastgemaakte parasol, zodat ik ook wat schaduw had. Een groep jongeren sprongen van het remmingswerk juist buiten het haventje het Spui in. Niet geheel zonder risico, want het stroomde er behoorlijk stevig. “Heerlijk, zo jong te zijn!” wees ome Arie met zijn pijp, “Ik heb hier vroeger ook vaak gezwommen. Zelfs naar de overkant. Daar moest je dan een eind stroomopwaarts lopen voordat je weer terugzwom. Recht oversteken lukt geen mens!” Inderdaad zag ik aan de overkant een paar jongens lopen. En een meisje. “Dat is mijn nichtje!” zag ome Arie mijn waarderende blik. “Die zat net nog in zak en as, maar zo te zien heb ik haar weer wat opgevrolijkt!”  “Dus dat was die dame, die tegen je aan zat te huilen, toen ik een uurtje geleden langs kwam,” zei ik, en ik trok aan mijn pijp, wachtend op een verder verhaal. “Haar moeder had haar betrapt met een vriendje en had nogal lelijk gedaan. Het vriendje was het huis uitgeschopt en had niks meer van zich laten horen!” Ik begreep het; “’t jong geluk verstoord.” Ome Arie knikte. “Ik vertelde haar, dat ik ook eens betrapt ben!” Hij verzette zijn petje naar stand ‘ondeugend’, “In de hooiberg!” Hij grijnsde, “Het was zo’n hete zwoele zomeravond als gisteren. In huis niet te harden, zo heet. Een perfecte avond voor de hooiberg!” Ik kon me er iets bij voorstellen. “Dus ik pak het laddertje, dat aan de voorkant tegen onze hooiberg stond en zette het aan de achterkant, zodat mijn ouders ons niet zouden kunnen zien vanuit hun slaapkamerraam.” Hij blies een dodelijk wolkje uit, “het was volle maan en geen wolkje in de lucht. Dus Riek en ik samen de hooiberg in om wat plezier aan elkaar te beleven. We waren een jaar of 18, denk ik!” De zwemmers waren inmiddels weer bijna terug. Er klonk gelach en geluk vanuit het water en vanaf de kant. De achterblijvers werden uitgelachen, vooral door het betrapte nichtje. Ome Arie bekeek het gedoe even, maar vervolgde toen zijn verhaal: “We genoten volop, toen ik opeens een zachte stem hoorde: mijn vader!” Hij kon er nu om lachen, “ik schrok me een hoedje en maatje pink.” Ik kon er ook wel om lachen: “had hij het laddertje gemist, toen hij uit het raam keek?” was mijn logische vraag, “Nee, joh, hij kwam niet via het laddertje!” Ik keek nu verbaasd. “Hij kwam door het hooi gekropen om te vragen of ik het laddertje weer terug wilde zetten voor mijn moeder!” Die had ik niet aan zien komen en ik schoot in de lach. “Dus ik dat laddertje teruggezet en me maar even teruggetrokken, zodat mijn ouders rustig af konden dalen. We waren niet echt gekleed op een familie-overleg, zal ik maar zeggen…” Hij stak zijn pijp weer aan, die was door alle opwinding uitgegaan. “En daarna heb je er niks meer over gehoord?” Hij schudde zijn hoofd. “Erg weinig, alleen zei mijn vader, dat rubber heel slecht voor koeien is.” Ik keek vragend opzij: “Door de schrik was maatje pink iets verloren! Geen idee, hoe mijn vader dat wist, maar ik heb de volgende ochtend wel een paar uur gezocht naar een condoom in de hooiberg!” 

Ons zwemstertje stond inmiddels in innige omhelzing met haar zojuist gearriveerde vriendje.

Bloeddruk

Ome Arie kwam op zijn dooie akkertje en zijn fiets de hoek om. Zijn pet stond ietwat humeurig op zijn grijze krullen. Na de gebruikelijke rituelen; fiets neerzetten, rookbenodigdheden uit de fietstas pakken en met een zakdoek zijn plek op de bank schoonwrijven, ging hij zitten en stopte zijn pijp, maar niet voor een wat brommerig: “Goeiemorgen.” Ik had zojuist mijn pijp aangestoken en zat te genieten van het uitzicht op de haven en de geur van de verse tabak. Toen ook ome Arie’s pijp een heerlijke lucht verspreidde keek ik opzij. “Nog last met zitten, ome Arie?”, refereerde ik aan hetgeen trouwe lezers in het vorige verhaal konden lezen. (Anders in swartboek.nl)  Ome Arie pafte nog even door en bromde toen: “Ik ben bij de dokter geweest.” “En kon hij je helpen?” was mijn belangstellende reactie. “Noem dat maar helpen. En het is trouwens een ‘zij’. Of eigenlijk twee ‘zijen’. Het zijn twee vrouwelijke huisartsen die in deeltijd werken.” Hij keek me nu aan en vroeg: “U weet nogal veel, toch, meneer Ype?” Ik vond van niet, maar daar reageerde hij niet op: “Wist u, dat mijn bloeddruk ‘s zomers aanmerkelijk hoger is dan ‘s winters?” Dat wist ik niet. “En gisterenmiddag was’ie behoorlijk hoog, dat heeft met het prachtige weer te maken…” Ik begreep er helemaal niets meer van, dus wachtte geduldig nadere uitleg af. “Met dat warme weer dragen de dames nogal laag uitgesneden truitjes. Gisteren met bloeddruk meten boog de blonde deeltijddame voorover en toen ik in de diepte keek,  werd ik een beetje duizelig door de hoogtevrees.” Er kwam nu toch klein grijnsje. “En bij die donkere is het dal ook niet veel minder diep.” Ik kon er wel om lachen, zeker toen hij er zachtjes aan toevoegde:  “Ik noem ze altijd ‘de Alpenzusjes!’” Hij trok aan zijn pijp en we keken hoe een paar jochies speelden met een rubberbootje in de haven. “Afijn, ik kreeg mijn gebruikelijke preek over de risico’s van roken en dat ik af moest vallen en meer moest bewegen. Maar toen kwam het ergste.” Hij wachtte even om het dramatische effect te versterken. “Riek was meegegaan en dat vond ik al een beetje gek, maar die moest die brilslang zo nodig vertellen, dat ik zo lang over een plas deed.” “Maar dat doet ze, omdat ze zich zorgen over je maakt, ome Arie.” pafte ik een strenge rookwolk. “Dat is helemaal niet nodig!” weer-pafte ome Arie: “Ik zit graag lang op de plé omdat ik daar tenminste ongestoord mijn krantje kan lezen, zonder dat Riek de hele tijd tegen me aan zit te kletsen!” Ik lachte nu hardop, maar zei gelijk bezorgd er achteraan: “Heb je dat ook tegen die dokter gezegd?” “Ja,” was het korte antwoord, “Waar Riek bij zat?!” reageerde ik bewonderend; “ Dat is lef hebben!” Ome Arie knikte: “Maar dat hielp weinig, want dat alpenzusje wilde me toch graag onderzoeken.” Hij keek benauwd. Ik begreep het: “Ik weet het, ome Arie, met zo’n plastic handschoen en dan je achterste in op zoek naar je prostaat.” Hij knikte. “Gelukkig viel het wel mee, en ze heeft me gelijk zalf voor mijn brandblaren gegeven.” Hij ging even verzitten ter ondersteuning van zijn zitvlak-lijden. Ik kon er wel om lachen: “En heb je een verwijzing gekregen voor een uroloog?” “Nee,” en met een glimlach opzij: “Wel probeerde ze ons naar een relatietherapeut te krijgen, want Riek zat na mijn plé-bekentenis te koken op haar stoel. Maar ik vond, dat ik voor die grap al genoeg gestraft was door die berggeit!”

Familieweekend

Ondanks het aanhoudende mooie weer had ik ome Arie een paar dagen gemist. Ik was dan ook opgelucht toen hij weer aan kwam fietsen. Het verbaasde me iedere keer weer, dat hij kon fietsen met klompen. Hij stapte af en ging een beetje moeizaam zitten. Ik besloot niet naar deze moeizaamheid te vragen. “Goeiemorgen, ome Arie!” begon ik vrolijk. “moggûh”, bromde hij terug en begon zijn pijp te stoppen. “Ik heb je een paar dagen gemist.” probeerde ik. Hij blies zijn eerste rookwolkje uit en antwoordde niet. Ik besloot niet aan te dringen en trok aan mijn pijp. Ik kende hem langer dan die dag en wist, dat er vanzelf wel iets zou komen. Inderdaad, na een minuut of vijf bromde hij: “Ik was naar een familieweekend.” Ik reageerde even niet. “Bij de verre nicht van mijn vrouw in de Achterhoek.” (zie eerder verhaal op swartboek.nl: ‘Puur natuur’) Hij vertrok zijn gezicht toen hij even ging verzitten. “De hele familie van mijn vrouw was er. Vreselijk.” Ik moest wel even lachen om zijn gemopper en kon het niet laten hem een beetje te plagen: “Dus je schoonzus Agaath was er ook?” Hij knikte slechts. Ik wist, dat de relatie tussen hem en de zus van Riek niet bepaald vriendschappelijk was. “Inderdaad!” Hij zuchtte, “En die had bedacht, dat we wel op de camping bij nicht Marieke konden kamperen.” Deze mededeling moest even bezinken. Ik durfde het bijna niet te vragen: “Maar dat is toch ook een ‘Puur natuur’ camping?” Ome Arie knikte. Ik vervolgde aarzelend: “En het was prachtig weer…” Ome Arie zuchtte diep: “En Riek vond, dat ik niet kinderachtig moest doen!” Ik schoot in de lach: “Dus jij hebt daar in je blote kont rondgelopen!?” Hij keek erg ongelukkig en er kwam een zielig wolkje uit zijn pijp: “Ik heb wel mijn klompen aangehouden en geweigerd mijn pet af te zetten!” Een statement om aan te geven, dat hij, ondanks zijn naaktheid, niet zijn hele identiteit had willen opgeven. Ik zag het voor me en kon met moeite mijn lachen inhouden. “Dus je liep daar slechts met je pet op je kop en je klompen aan je voeten rond?” “Nou, ook mijn geitenwollen sokken, natuurlijk, want met blote voeten in je klompen is geen doen.”  Nu schoot ik echt in de lach. “Ja, lach maar, dat deden de anderen ook, vooral schoonzus Agaath!” Ik keek even opzij: “Die liep daar ook ‘puur natuur’?” Ome Arie zuchtte weer eens: “Inderdaad, en daar wordt een gezonde vent niet blij van, zal ik je zeggen.” Hij stak zijn pijp, die was uitgegaan, weer aan. “En ze werd behoorlijk nijdig, toen ik zei, dat ze haar bonten slip ook wel uit mocht doen.” “Bonten slip?” vroeg ik. “Fout, natuurlijk, het was helemaal geen slip; ze bleek een bontmuts te hebben…” Hij lachte nu zelf ook, maar vertrok gelijk weer even zijn gezicht. Ik keek hem vragend aan. Hij legde uit: “Mijn billen vergeten in te smeren, en die zijn geen zon gewend! Hopeloos verbrand door de zon. Dus nu moet ik op de blaren zitten.” 

Bruidspaar

De rust was weergekeerd in ons haventje. De Titanic had haar reis naar Willemstad  voortgezet. De wasmachine op het achterdek, Marietje aan het roer en de anderen klaverjassend aan de kaarttafel. Gelukkig was er weinig kans op ijsbergen op haar route… Ome Arie stopte zijn pijp uit een nieuw baaltje en ik genoot van mijn vertrouwde Mac Baren mixture. Het was prima weer en we genoten van ons simpele geluk. Ter vergroting hiervan had ik zelfs een thermosfles koffie meegenomen met een paar plastic bekertjes. Ome Arie nipte net aan zijn bakkie toen er een blinkende auto stopte. De handvatten en de antenne waren versierd met linten. Er stapte een drukdoend jongmens uit, die de deur openhield voor een bruid. Aan de andere kant verscheen een knul uit in een onwennig zittend donker kostuum. “Verrek”, zei ome Arie, “Dat is Sjaak!” De herkenning was wederzijds want er werd gezwaaid. Het jongmens pakte wat fototoestellen en begon erg artistiek te doen. Het stel bij een dukdalf, het stel op de steiger, de bruid voor een roestige schuit, de bruid met een hengel (die de artiest uit de handen van een nietsvermoedende visser had gerukt!). De bruid genoot van de aandacht; de bruidegom stond er wat lullig bij. Zoals alle bruidegommen op alle bruiloften. Opeens hield het op. We konden niet goed zien wat de oorzaak van de plotse onderbreking van de fotosessie was. Er werd druk getelefoneerd en de bruidegom kwam onze kant op. “Dit geloof je toch niet!” klonk hij niet erg gelukkig en hij ging naast ons zitten. Ome Arie schonk een bakkie koffie voor hem in. “Laat die eikel van een fotograaf zijn autosleutels in het water vallen, en over een uurtje moeten we bij het stadhuis zijn!” Ome Arie wilde hem geruststellen: “Dan breng ik je toch even achterop mijn fiets en de bruid kan wel bij meneer Ype op de scooter.” Dit leek mij met de jurk niet echt een geschikte oplossing en de bruidegom ging hier ook niet verder op in. “Ze gaan de sleutels proberen boven te krijgen met een hele sterke magneet”, bromde hij en hij vroeg aan ome Arie: “mag ik uw telefoon lenen, dan bel ik even een taxi, want dat wordt natuurlijk niks.” Ome Arie had medelijden en overhandigde hem het gevraagde. “Het komt wel goed, knul, heus. Daar hoef je toch niet om te huilen?” De knul nieste en brieste: “Huilen? Die rooie ogen heb ik door die verrekte hooiberg waar we de eerste fotosessie hebben moeten  ondergaan!” Hij nieste nog een paar keer. “Ik heb al jaren last van hooikoorts, maar dat fotogenie zei, dat dat niks gaf omdat er een rode ogen correctie op zijn camera zit!” Op dat moment kwam de taxi de hoek om en snelde de bruidegom naar zijn bruid. De fotograaf haalde met een rood hoofd een oude fiets uit de haven en zag daar wel een mooie foto in: de bruid bij een roestig rijwiel. Maar hij kon dit niet meer voorstellen, want het bruisdspaar reed al weg in de taxi. “Hatsjoe!” klonk het nog.

Vergeetachtig

Het klokgelui van de zondagmorgen was net afgelopen. Ik zat met ome Arie te genieten van een weldadige rust toen er een oud vrouwtje plompverloren tussen ons in kwam zitten. “Even genieten van die heerlijke geur van jullie pijpen, heren!” Ze snoof de lucht luidruchtig naar binnen. “Mijn man rookt ook pijp, weet u, maar nu even niet…” Ze snoof weer. “Ik mis het wel, hoor, maar hij is zijn pijptabak kwijt. Hij is wel meer kwijt de laatste tijd!” Ome Arie keek achter haar voorovergebogen gestalte langs onbegrijpend mijn kant op. De oude dame wees: “Kijk, de ‘Nescio’, dat is onze boot. We wisten zo gauw geen naam en dat klonk wel chic.” De ‘Nescio’ was een fraaie motorvlet van zo’n twaalf meter. Rondom een dikke kabelaring en een gigantische leguaan op de boeg. (Voor de landrotten: Dat zijn beschermingen van touwwerk rondom!) “Mijn man heeft het touwwerk allemaal zelf gemaakt! We hadden vroeger een binnenvaartschip.” Alsof ze mijn gedachten had gelezen. “Dat hebben we verkocht en nu varen we nog voor ons plezier.” Ze zwaaide naar haar man, die de stuurhut uitgekomen was en zoekend rondkeek. “Hij is altijd ongerust, wanneer ik even weg ben.” Ze zuchtte; “Heeft u misschien een beetje tabak voor hem? Ik ben het gisteren vergeten en het is vandaag zondag?” Ome Arie haalde zijn bijna volle pakje tabak uit zijn zak en gaf deze aan haar; “Hier, dat moet voor vandaag voldoende zijn!” Het oudje nam het heel blij aan: “Dank u wel, hij zal er erg blij mee zijn.” Ze glunderde: “En ik ook, want ik vind het toch zo lekker ruiken!” Ze slofte terug naar de vlet. Voor ze onderdeks verdween zwaaide ze naar ons. “Ik heb thuis nog een nieuwe baal.”, zei ome Arie. “Je mag er straks wel één van mij stoppen, ome Arie!” waardeerde ik zijn gulheid. Even later zagen we de oude baas tevreden met een rokende pijp op het dek plaatsnemen. Het dametje kwam nu met een jerrycan uit het stuurhuis en maakte een praatje met de zojuist wakker geworden Tattoo van de ‘Titanic’. (zie vorig verhaal!) Even later zagen we hem een fiets van het dek halen, de jerrycan op de bagagedrager vastbinden en onze kant opfietsen. “Heren, waar kan ik hier ergens diesel halen?” Ome Arie wees hem de weg en fluitend ging hij op weg. Ondertussen bleek ons lieve oude wijffie al eerder Blondy zo gek gekregen te hebben, dat deze een was voor haar ging doen, want de wasmachine stond op de steiger luid stampend te centrifugeren, terwijl opoe er met haar wasmand naast stond te wachten. Ome Arie volgde het gedoe en stopte een nieuwe pijp met mijn tabak. Blondy hielp het vrouwtje de was op te hangen aan een geïmproviseerde waslijn aan boord van de ‘Nescio’. Niet veel later kwam de jerrycan vol met diesel terug en hielp Tattoo met het vullen van de brandstoftank met een grote trechter. Het oudje had inmiddels de koffie klaar en iedereen dronk tevreden een bakkie. Wij ook, want ze bood ons ook een vrij stug kopje koffie aan. Blondy had er nog een koekje bij en iedereen was tevreden. Na een tweede bakkie ging ieder zijns weegs. De ‘Nescio’ werd gestart en voer,  de was wapperend aan het mastje, langzaam de haven uit, nagezwaaid door ons allemaal. 

Toen ome Arie zijn pijp uit klopte en op huis aan wilde kwam Blondy voorbij. “Wel leuk oud stel, vind je niet?” zei ik, “Toch jammer, dat die oude schipper wat vergeetachtig wordt…” Ze keek niet blij: “Heel jammer, inderdaad. Haar geheugen is helaas ook niet al te best. Ze hebben de diesel niet betaald! Ze gaf mij zo’n gehaakt hoog hoedje op een wc-rol en zei even later tegen mijn vent, dat ze alles met mij ‘geregeld’ had!” Ome Arie schoot in de lach: “Zijn jullie even beetgenomen!”, gierde hij. En ik lachte: “Nescio is toch de schrijver van ‘De uitvreter’, een knul, die op andermans zakken leeft?” en daarna, gierend van het lachen: “En andermans tabak oprookt?!” Ome Arie keek nu net zo besodemieterd als Blondy.

Titanic

Ome Arie’s pijp viel uit zijn mond van verbazing, hij kon hem nog maar net opvangen: “Moet je nou kijken!” mompelde hij. Door het sluisje van ons prachtige haventje voer een antieke motorkruiser met een uitgebreide ‘deklading’. Op het voordek stonden fietsen, in de gangboorden hingen allerlei skateboards, een hele trampoline en op het achterdek stond een heuse wasmachine. ‘Amsterdam’ stond in grote letters op de spiegel. (=achterkant.) “Dat verbaast me niks”, doelde ome Arie op de vermelding van de thuishaven. Op de boeg was met grote letters ‘Titanic’ geverfd. “Dat verbaast me ook niks!” Ome Arie nam weer een trekje van zijn pijp. We keken toe hoe het geval werd afgemeerd. De bemanning bestond zo te zien uit twee echtparen en een meisje van een jaar of tien. Één van de mannen had een tatoeage op zijn bovenarm. Een anker. Samen met de andere zeeman pakte hij de wasmachine van het achterdek en zette deze op de steiger. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan. “Je denkt toch niet, dat…” zei ik. Ome Arie wees en knikte slechts. De Mokumers koppelden het apparaat met een tuinslangkoppeling aan de kraan op de steiger en deden de stekker in het stroomkastje, ook op de steiger. De ene dame begon er was in te doen, terwijl de andere dame, een volslanke blondgeverfde struise figuur met een peuk in haar mondhoek zoekend om zich heen keek. Ze kon zo te zien niet vinden waar ze naar zocht en kwam vervolgens op ons af. “Nou zul je het beleven”, mompelde ome Arie. “Mijne heren,” klonk het met een onvervalste Amsterdamse tongval, “waar staat hier ergens een molen?” Deze vraag hadden we niet zien aankomen. “Molen?”, vroegen we dan ook in koor. “Ja, een molen,” reageerde de blonde, “jullie weten toch wel wat een molen is? Volgens tante Marie uit het café is er in het straatje achter de molen een supermarkt. De boot…” ze wees naar het drijvend antiek, “was van haar en haar man, maar me vent heeft hem van haar gekocht, toen ome Krelis de pijp uitging”. Wij keken elkaar verbaasd aan. “Waar denkt u te zijn?” Durfde ik te vragen. “Willemstad!” was het stellige antwoord. Ze wees om zich heen; “Oude geveltjes, terrasjes bij de haven, alleen mis ik die molen!” Ome Arie schoot in de lach. Ik kon me nog net goedhouden; “Dit is Oud-Beijerland!” Ze keek nu erg verbaasd en herhaalde: “Oud-Beijerland?! Krijg nou tieten!!” En schreeuwde naar het vaartuig: “Hee, Sjaak, volgens die boeren hier leggen we hier helemaal niet in Willemstad, breng jij de kaart ‘es!” Ze draaide zich weer richting boeren, ons dus, en vroeg: “ken u dan effe aanwijzen waar we nou eigenlijk wèl zijn?” Sjaak kwam met een dik boek onder zijn getatoeëerde arm aangesloft. “Kijk, kaarten van de ANWB!” Hij overhandigde ons trots ‘Het beste boek voor de weg’ van zo’n dertig jaar oud. “Is dat jullie kaart?”, vroeg ik, stomverbaasd. “Wat is daar mis mee?!”, vroegen Blondy en Tattoo in koor. Ome Arie had de grootste pret, wees op de kaart de Dordtse Kil aan en hikte van het lachen: “Jullie hebben bij Dordrecht de afslag naar Willemstad gemist!!” De twee keken nu erg besodemieterd. “Toen zaten we in de kajuit te klaverjassen,” mopperde Tattoo. “Klopt,” zei Blondy, “toen zat Marietje aan het stuur!” Ome Arie en ik sloegen op onze knieën van het lachen…

Pubers

De zon scheen meedogenloos. Het was zo heet, dat ome Arie in een kaki korte broek kwam aangefietst, maar nog niet zo heet, dat hij zijn geitenwollen sokken, gestoken in de vertrouwde klompen, had thuisgelaten. “Zeg maar niks,” bromde hij, “Riek moest zo nodig al mijn lange broeken in de was doen ‘omdat het vandaag zo lekker droogt'” deed hij haar stem na. Ik moest lachen. We voerden ons ochtendritueel op: we stopten onze pijpen. Een blonde dame met haar zonnebril bovenop haar kop en twee puberkinderen in haar kielzog zeulde een koelbox, een enorme boodschappentas en een paar handdoeken onder haar armen onze kant op. De knul en zijn zus droegen hun telefoontje. Hij zag er koddig uit met een bolletje haar bovenop een kale kop. “Het lijkt wel een poedel, die net van de trimsalon komt”, vond ome Arie. “Ach, een puber.” Zei ik begripvol. De zus had zwart haar, zwarte lippen en zwarte kleren, voornamelijk van leer. “Vroeger heette dat een punker, toch?”, reageerde ome Arie en trok aan zijn pijp. “Op die leeftijd moeten ze ‘een statement maken’,” onderwees ik. Ome Arie was niet onder de indruk. “Zoals jij vroeger met je Kreidler-brommer!” Hij glimlachte bij de herinnering: “Dat was om indruk te maken bij de meisjes…” zuchtte hij in zoete herinnering. Hij keek mijn kant op: “En u, meneer Ype, hoe probeerde u indruk te maken?” Ik nam mijn pijp uit mijn mond en hield deze omhoog: “Door pijp te gaan roken, ome Arie. Ik dacht, dat de meisjes mij dan razend interessant zouden gaan vinden, maar dat viel tegen. De meeste meisjes hielden niet van pijpen.” Ome Arie vertrok geen spier: “Riek wil me vanwege die pijp zelfs niet meer kussen!” Daarna schoten we allebei in de lach. De moeder had inmiddels de pompeuze speedboot bereikt, welke recht voor onze voeten lag. Het was hoog water dus ze kon zo het steigertje opstappen en haar lading in de polyester badkuip laten vallen. De pubers bleven op enige afstand geboeid op hun telefoonschermpjes staren. Het: “Komen jullie nou ook even helpen!” resulteerde in een diep gezucht. “Ik doe dit ook voor jullie! Ik heb niet voor niks moeite gedaan om mijn vaarbewijs te halen, zodat we niet meer hoeven te wachten tot jullie vader eens een keertje zin heeft…” De pubers reageerden niet. “Golfen! Meneer is gaan golfen, terwijl de mussen van het dak vallen!” Ome Arie keek mijn kant op, maar durfde weinig te zeggen; de speedboot lag binnen gehoorsafstand. Er werden wat spullen opgeborgen, deurtjes opengemaakt en ons verse vaarbewijs wilde de enorme buitenboordmotor starten. Dat ging niet echt soepel. Er klonk wel een startmotor, maar het gevaarte bleef verder stil. Net op dat moment kwam de rubberboot van de waterpolitie zachtjes de haven binnen gevaren. “Daar zul je agenten Waakzaam en Dienstbaar hebben.” zei ome Arie. Ik glimlachte. De roerganger was een struise agente, die aan haar mouw te zien een streepje vóór lag op haar mannelijke collega. Ze meerden af naast de badkuip. “U weet, dat voor een snelle motorboot als deze een vaarbewijs nodig is, mevrouw?” vroeg Waakzaam, terwijl zijn meerdere het opgeblazen politierubber aan de steiger vastbond. Moeder toonde trots haar verse vaarbewijs. Ze mopperde: “Niet, dat er veel te varen valt, want het kreng wil niet starten!” Agente Dienstbaar klom op de steiger en bood hulp aan. “Gaan jullie even een ijsje halen!” opperde de moeder en ze gaf de pubers wat geld. De agente had de enorme kap van de motor afgehaald, liet haar ondergeschikte een gereedschapskist uit de politieboot toveren en begon wat te sleutelen. Toen de likkende pubers terugkwamen stond ik op: “Ome Arie, laat die kinderen maar even hier zitten, daar verderop is een bankje in de schaduw.” Ome Arie aarzelde. “Vanwege je blote witte benen! Straks verbrand je nog!” Hij liet zich overhalen. De ijseters bedankten zelfs beleefd. Vanaf onze schaduwplek konden we het getob op de speedboot gelukkig verder goed volgen. “Die motor is verzopen”, zei de agente, “Even wat meer gas geven, dan krijgt’ie meer lucht.” Vaarbewijsje duwde de gashendel een stuk naar voren. “Moet je opletten”, verkneukelde ik me. De motor sloeg inderdaad met donderend geraas aan. Gelukkig lag de boot goed vast, want hij wilde full speed de haven in. Een enorme golf spoot omhoog recht over ons bankje. Punky en Poedel waren drijfnat. Het bolletje op poedels kop hing er nu triest bij, de bolletjes op de ijsjes dropen over hun handen. Ome Arie en ik hadden de grootste pret, evenals agent Waakzaam. “Jij zag dit al aankomen, zeker?” vroeg ome Arie, toen we uitgelachen waren. “Welnee”, loog ik, en ik knipoogde.

Zeeverkenners

“Daar zul je de marine hebben!” wees ome Arie met het mondstuk van zijn pijp. Een zeeverkennersvlet kwam de haven ingeroeid. Twee knulletjes zaten aan de riemen, een jongmens van een jaar of zestien stond aan het roer te commanderen: “Riemen op, riemen ìn en haal!” De roeiers zaten te zweten onder hun petjes. “Dat zijn waterpadvinders, ome Arie!”, verbeterde ik hem. Ome Arie trok aan zijn pijp. De lelievlet, want zo heten die bootjes nou eenmaal, dreef vlak bij ons naar de kant. Het was vrijwel hoog water, dus we konden alles goed volgen. De roeiers ruimden hun riemen op en stapten met een lijntje in hun handen op de steiger. De kapitein pakte een steekkar en zette deze op de kade. “Goedemorgen heren”, zei hij vrolijk. Ome Arie keek niet echt vrolijk. “De jongens oefenen voor hun roeibrevet”, verklaarde de puber, “En ze doen het erg goed, vindt u niet?” Ik knikte beleefd. De twee mannetjes stonden zwetend te zwijgen. “We liggen met ons moederschip hier aan de overkant bij de Berenplaat voor anker en moeten een paar kratten bier halen voor de leiding. Is hier in de buurt een Albert Hein?” Ome Arie glimlachte: “Ja, hoor, maar dat is een stief kwartiertje lopen!” en begon de weg te wijzen. Ik vond de AH een wat ongelukkige keuze, maar liet hem even. “Het is maar goed, dat we de steekwagen hebben meegenomen, jongens!” Er trots aan toevoegend: “Zo zie je maar: een goede schipper is op alles voorbereid!” Welgemutst wilde hij aan de wandeling beginnen. “Maar je kunt dat bier ook bij de Dirk halen, dat is vlakbij.” Hij wees. Ik glimlachte. De drie gingen op pad. “Ik wilde het die twee gastjes niet aandoen”, verklaarde ome Arie toen ze weg waren. Ik keek opzij: “Wat heb je tegen de padvinderij?” Hij antwoordde niet gelijk, maar trok aan zijn pijp. “Ik kan niet zo goed tegen uniformen en zo.” Het bleef even stil. Ik probeerde te begrijpen en stopte een nieuwe pijp. Ook ome Arie zei even niets. Opeens begon hij te lachen: “Hij had die gastjes beter eerst hun knopenbrevet moeten laten halen!” en wees. De lelievlet dreef midden in de haven. “Is het afgaand tij?” vroeg ik. “Dat zal nu wel begonnen zijn”, glimlachte ome Arie. De vlet dreef inderdaad tergend langzaam richting Spui. Gelukkig waren de scouts snel terug. De kapitein vloekte niet, toen hij het onheil zag, maar begon zijn uniform uit te trekken. “Eigenlijk mag je hier niet zwemmen”, wees ome Arie plagerig op een bordje. “Nood breekt wet,” bromde de roei-instructeur, die onder zijn kleding gelukkig een zwembroek droeg. Hij voelde met zijn voet de temperatuur van het water. “Kan je hier staan?” vroeg hij aan ome Arie. “Ja, hoor!” was het stellige antwoord van mijn bankgenoot die glimlachend een trekje van zijn pijp nam. De knul stapte het water in. Helemaal kopje onder. “Maar dan moet je wel je adem even inhouden…” maakte ome Arie zijn zin af. Het petje van de zwemmer bleef drijven. Het zag er best lullig uit. De havenwandelaar kwam al snel proestend weer boven en pakte woedend zijn pet. “Je kon hier toch staan!” brieste hij richting ome Arie. “Ja, bij eb”, antwoordde deze rustig. “Je hebt, als goede schipper toch zeker wel opgezocht hoe groot het verval hier is?” Met een hoogrode kop zwom de zeeman naar de lelievlet, trok deze naar de kant, laadde zijn kleren, het bier en zijn grinnikende bemanning in en vertrok. Aangedreven door de buitenboordmotor.