Speedboot

De zon scheen meedogenloos. Het was zo heet, dat ome Arie in een kaki korte broek kwam aangefietst, maar nog niet zo heet, dat hij zijn geitenwollen sokken, gestoken in de vertrouwde klompen, had thuisgelaten. “Zeg maar niks,” bromde hij, “Riek moest zo nodig al mijn lange broeken in de was doen ‘omdat het vandaag zo lekker droogt'” deed hij haar stem na. Ik moest lachen. We voerden ons ochtendritueel op: we stopten onze pijpen. Een blonde dame met haar zonnebril bovenop haar kop en twee puberkinderen in haar kielzog zeulde een koelbox, een enorme boodschappentas en een paar handdoeken onder haar armen onze kant op. De knul en zijn zus droegen hun telefoontje. Hij zag er koddig uit met een bolletje haar bovenop een kale kop. “Het lijkt wel een poedel, die net van de trimsalon komt”, vond ome Arie. “Ach, een puber.” Zei ik begripvol. De zus had zwart haar, zwarte lippen en zwarte kleren, voornamelijk van leer. “Vroeger heette dat een punker, toch?”, reageerde ome Arie en trok aan zijn pijp. “Op die leeftijd moeten ze ‘een statement maken’,” onderwees ik. Ome Arie was niet onder de indruk. “Zoals jij vroeger met je Kreidler-brommer!” Hij glimlachte bij de herinnering: “Dat was om indruk te maken bij de meisjes…” zuchtte hij in zoete herinnering. Hij keek mijn kant op: “En u, meneer Ype, hoe probeerde u indruk te maken?” Ik nam mijn pijp uit mijn mond en hield deze omhoog: “Door pijp te gaan roken, ome Arie. Ik dacht, dat de meisjes mij dan razend interessant zouden gaan vinden, maar dat viel tegen. De meeste meisjes hielden niet van pijpen.” Ome Arie vertrok geen spier: “Riek wil me vanwege die pijp zelfs niet meer kussen!” Daarna schoten we allebei in de lach. De moeder had inmiddels de pompeuze speedboot bereikt, welke recht voor onze voeten lag. Het was hoog water dus ze kon zo het steigertje opstappen en haar lading in de polyester badkuip laten vallen. De pubers bleven op enige afstand geboeid op hun telefoonschermpjes staren. Het: “Komen jullie nou ook even helpen!” resulteerde in een diep gezucht. “Ik doe dit ook voor jullie! Ik heb niet voor niks moeite gedaan om mijn vaarbewijs te halen, zodat we niet meer hoeven te wachten tot jullie vader eens een keertje zin heeft…” De pubers reageerden niet. “Golfen! Meneer is gaan golfen, terwijl de mussen van het dak vallen!” Ome Arie keek mijn kant op, maar durfde weinig te zeggen; de speedboot lag binnen gehoorsafstand. Er werden wat spullen opgeborgen, deurtjes opengemaakt en ons verse vaarbewijs wilde de enorme buitenboordmotor starten. Dat ging niet echt soepel. Er klonk wel een startmotor, maar het gevaarte bleef verder stil. Net op dat moment kwam de rubberboot van de waterpolitie zachtjes de haven binnen gevaren. “Daar zul je agenten Waakzaam en Dienstbaar hebben.” zei ome Arie. Ik glimlachte. De roerganger was een struise agente, die aan haar mouw te zien een streepje vóór lag op haar mannelijke collega. Ze meerden af naast de badkuip. “U weet, dat voor een snelle motorboot als deze een vaarbewijs nodig is, mevrouw?” vroeg Waakzaam, terwijl zijn meerdere het opgeblazen politierubber aan de steiger vastbond. Moeder toonde trots haar verse vaarbewijs. Ze mopperde: “Niet, dat er veel te varen valt, want het kreng wil niet starten!” Agente Dienstbaar klom op de steiger en bood hulp aan. “Gaan jullie even een ijsje halen!” opperde de moeder en ze gaf de pubers wat geld. De agente had de enorme kap van de motor afgehaald, liet haar ondergeschikte een gereedschapskist uit de politieboot toveren en begon wat te sleutelen. Toen de likkende pubers terugkwamen stond ik op: “Ome Arie, laat die kinderen maar even hier zitten, daar verderop is een bankje in de schaduw.” Ome Arie aarzelde. “Vanwege je blote witte benen! Straks verbrand je nog!” Hij liet zich overhalen. De ijseters bedankten zelfs beleefd. Vanaf onze schaduwplek konden we het getob op de speedboot gelukkig verder goed volgen. “Die motor is verzopen”, zei de agente, “Even wat meer gas geven, dan krijgt’ie meer lucht.” Vaarbewijsje duwde de gashendel een stuk naar voren. “Moet je opletten”, verkneukelde ik me. De motor sloeg inderdaad met donderend geraas aan. Gelukkig lag de boot goed vast, want hij wilde full speed de haven in. Een enorme golf spoot omhoog recht over ons bankje. Punky en Poedel waren drijfnat. Het bolletje op poedels kop hing er nu triest bij, de bolletjes op de ijsjes dropen over hun handen. Ome Arie en ik hadden de grootste pret, evenals agent Waakzaam. “Jij zag dit al aankomen, zeker?” vroeg ome Arie, toen we uitgelachen waren. “Welnee”, loog ik, en ik knipoogde.