Het was eindelijk weer weer voor het bankje bij ons haventje. Na wat herfstbladeren te hebben weggeveegd en mijn pijpje te hebben opgestoken genoot ik van het najaarszonnetje. Het was fris, dus de dikke jas was niet overbodig. Na een klein kwartiertje kwam ome Arie aangefietst. Zijn pet stond op vrolijk. “Goeiemorgen, ome Arie!”, groette ik, “Je hebt je klompen weer terug, zie ik?” (Zie verhaal ‘bushokje’) Ome Arie knikte en pakte zijn pijp. “Inderdaad, meneer Ype, de klompendansers hebben alle bejaardenhuizen in de Hoeksche Waard bezocht.” Hij stopte tabak in de ruime kop van zijn rookgerei. Tevreden stak hij zijn pijpje aan. Zo zaten we te genieten van de herfst. In de haven waren leden van de watersportvereniging druk bezig een niet meer zo goed drijvende steiger uit het water te takelen voor reparatie. Een voor ons heel onderhoudend gedoe. Opeens stopte er een aan de krakende en piepende remmen te horen nogal bejaarde fiets achter ons haven-bankje. “Hoi, opa Arie!” Een jongmens met zijn petje achterstevoren op zijn kop stapte af. “Als dat mijn favoriete kleinzoon niet is!”, groette ome Arie, zoals hij iedere kleinzoon begroette. “Natuurlijk, opa, maar dat komt natuurlijk omdat ik naar jou vernoemd ben!” De knul geloofde het echt. “Hoe gaat het, Arie?” De naamgever klonk opgelucht. Ik wist, dat hij wel eens de namen van zijn 13 kleinkinderen door elkaar haalde. “Redelijk, opa. Door dat corona-gedoe is het leven wel erg saai!” Ome Arie knikte want hij begreep best, dat het voor jongeren geen gemakkelijke tijd was. Hij keek de knul aan: “Wel een goed idee om je pet zo te dragen, dan kan je nek nooit verbranden door de zon!” En hij draaide zijn eigen pet ook om. Jonge Arie schoot in de lach: “Maar jouw pet heeft een veel te korte klep, opa!” Quasi-teleurgesteld draaide de oude Arie zijn pet weer in de ‘boerenstand’. Ik kon wel lachen om het gedol van de twee Aries. ‘Kleine’ Arie had zijn fiets tegen een hekje geparkeerd en kwam bij ons zitten. De bank was groot genoeg om voldoende afstand te bewaren. “Ik wil rapper worden, opa!” Opa keek opzij: “Daar zal je moeder blij om zijn jongen, want ze maakte zich best wat zorgen over je tempo…” Hij meende het! Het joch zuchtte: “Zo bedoel ik het niet, opa!” Ik lachte nu nog harder. “Rèpper, opa, je spreekt het uit als rèpper, da’s Engels!” probeerde hij zich te verduidelijken, maar ome Arie wilde het niet begrijpen. De knul keek mij ietwat wanhopig aan, zoekend naar steun. Ik kreeg medelijden en probeerde te helpen: “Net als Ali B. Ome Arie!” Deze knipoogde naar mij, stiekem achter de rug van zijn kleinzoon om. Die had inmiddels een rood hoofd gekregen. Ome Arie kreeg medelijden. “Die ken ik wel. Dat is toch die Marokkaan, die steeds met zijn stoel zit te draaien?” Nu begreep kleine Arie, dat opa hem zat te dollen en schoot in de lach. Even was het stil. Ome Arie stampte de tabak in zijn pijp een beetje aan en stak hem opnieuw aan. Mijn pijp had dit onderhoud nog niet nodig. Kleine Arie schraapte weer wat moed bij elkaar: “jij bent toch dichter, opa?” Ome Arie keek verbaasd, maar beaamde het. “Kun je me helpen met mijn teksten?” Ome Arie keek nu nog verbaasder. “Dus je wil rapper worden, maar je kunt niet rappen?” Onze rapper knikte. Ik durfde niet te lachen, maar ome Arie dus wel. Kleine Arie keek beteuterd. Opa kreeg medelijden: “Heb je al een artiestennaam, Arie?” Nu klaarde onze artiest een beetje op: “wat dacht je van Arie V., opa?” Ouwe Arie dacht na. “Waar staat die V. dan voor?” “Geen idee opa, maar het klinkt toch goed?” “Dan zou ik er Arie 2 van maken!,” bemoeide ik me er ook mee. De Aries keken ietwat verstoord mijn kant op. “Omdat jullie samenwerken!” verduidelijkte ik mijn vondst. De rappers keken elkaar aan en er volgde, geheel tegen de regels van deze tijd, een innige high five.
Auteursarchief: Ype
Poëtische larie van ome Arie
De dichter zette, trots als een pauw
Onder zijn nieuwste rijmelarij
Achter zijn naam een ©-tje erbij
Alsof iemand zijn kunstwerk stelen zou.
Ome Arie ©
Alles moest de Korendijkse slikken
Daarom liet ze alles stikken
Verliet huis en haard
En de Hoeksche Waard
ze was klaar met pikken
Ome Arie ©
Toen hij hoorde hoe, gelijk een sirene, de Rhoonse griende
Sprong de Hoeksche waard, aangestaard door alle drie zijn vrienden
Zo uit de kroeg in de Oude Maas
Alwaar hij verzoop, de domme dwaas
Tot ongenoegen van de klant, die hij net bediende.
Ome Arie © (uit de bundel ‘poëtische larie van ome Arie’.)
Bushokje
Het was een grauwe dag. Er hing een nevel over het haventje van ons dorp. Het bankje bij het stille haventje van ons dorp stond al heel lang leeg. Zo lang, dat ik me zorgen ging maken over ome Arie. Tijdens de oneindig lange zomer was het nooit in me opgekomen naar zijn adres te vragen. Alsof dat het sprookje abrupt zou doen eindigen, alsof ome Arie dan té echt zou worden, het mysterie voorbij. Nu speet me dat, daar ik me zorgen over hem maakte.
Tot vanmorgen. Opeens zag ik hem voorbij-fietsen door de nevels, diep over zijn stuur gebogen in een dikke winterjas en een pet met oorkleppen. Maar zonder klompen. Hij dreef zijn pedalen aan met huiselijke geruite huis-slippers. Ik schoot in de lach, hetgeen door onze held op slippers werd opgemerkt. Hij stopte en kwam naar me toe: “Meneer Ype, dat is weer even geleden!” Hij leek oprecht blij me weer te zien. “Ome Arie!” was mijn opgeluchte antwoord, ook blij hem weer in levende lijve te zien.
“Het is geen weer voor een pijpje”, bromde hij. Ik knikte: “Laten we even schuilen in dat bushokje.” Hij zette zijn fiets tegen de zijkant van het wachthok en leek tevreden over deze schuilplaats. En pakte, ondanks hetgeen hij zojuist gezegd had, zijn pijp en begon deze te stoppen. Ik volgde zijn voorbeeld en zo genoten we, als was het zomer, van onze heerlijk geurende tabak. Een dame kwam op ons aflopen, maar deinsde bij het bushokje terug door de melange van onze pijprook. Ze keek niet blij en keek op haar horloge. “De bus komt zo!” pafte ome Arie, die het dichtst bij haar zat, goedmoedig. De dame was niet gevoelig voor zijn goedmoedigheid: “Wel beetje asociaal, die stank in een bushokje!” Mijn goedmoedige vriend nam een trekje van zijn pijp. Ik nam een trekje van mijn pijp. “Het is wel een manier om mensen op anderhalve meter afstand te houden”, zei ik bijdehand, doelend op de corona-regels. Ome Arie glimlachte, de mevrouw niet: “u mag in de bus toch ook niet roken!” bitste ze. “We hoeven helemaal niet in de bus!” antwoordden wij in koor. De chagrijnige dame was even met stomheid geslagen. Gelukkig kwam, voordat ze kon reageren, de bus. Mopperend besteeg ze het openbaar vervoer. De buschauffeur keek ons verbaasd aan, wilde wat zeggen, maar zei toch maar niks en sloot hoofdschuddend zijn deur alvorens hij wegreed, richting Rotterdam. Ome Arie keek me aan en we schoten beiden in de lach. De volgende bus werd op een scherm op een paal voor onze zitplaats aangekondigd. Nog zeker zo’n twintig minuten rust. Tevreden leunden we weer achterover in de luwte van het bushokje en rookten ons pijpje. Ik keek ome Arie aan en wees op zijn sloffen: “Hoe zit het met je pantoffels, ome Arie? Is er een klomp gebroken?” De oude baas keek eerst naar mij en daarna naar zijn eigen voeten en haalde zijn schouders op: “Die zijn uitgeleend…” Hij keek een beetje ongelukkig en was duidelijk wat verlegen met de situatie; “Riek en die zus van haar doen opeens heel erg aan volksdansen.” Ik keek erg onbegrijpend. “Volksdansen? Met Agaath?” (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Ome Arie knikte; “Agaath kreeg het lumineuze idee te gaan volksdansen voor zielige bejaarden. Buiten, voor het raam van verzorgingshuizen hier in de Hoeksche Waard. Als afleiding in de Corona-isolatie.” Ik kon een glimlach niet onderdrukken: “En dan met name een klompendans, zeker?” “Hoe raadt u het zo, meneer Ype. En daar Agaath nogal lange tenen heeft, waren er behoorlijk grote klompen nodig…”
De tijd des tands
Toen ik ons bankje bij de haven naderde viel me op, dat ome Arie er wat verlaten bij zat. Zonder pijp en zonder aanstalten te maken deze te gaan stoppen. Ik nam plaats en zocht mijn rookgenot wél op, als altijd. Ome Arie zuchtte: “De tijd is onherroepelijk en onbarmhartig…” Ik keek stomverbaasd opzij, niet gewend aan dergelijk zwaarmoedig taalgebruik van mijn bankgenoot. Hij glimlachte kort om mijn reactie, maar zijn stemming veranderde niet echt. Er spookte van alles door mijn hoofd: zou hij gestopt zijn met roken en daarom zo neerslachtig? Hij vervolgde: “Wanneer je kind bent, kan de tijd soms niet snel genoeg gaan. Dagen duren weken in je verlangen naar een volgende verjaardag of een Sinterklaasfeest. En later kijk je reikhalzend uit naar je zestiende verjaardag waarop je je eerste legale rit op je Kreidler zou mogen gaan maken” Mijn mond viel open van verbazing, zo had ik ome Arie nog nooit meegemaakt! Hij zuchtte nogmaals en had moeite met zichzelf, zo zonder pijp. Ik kreeg medelijden met hem, al begreep ik niet waarom eigenlijk… “Daarna het hunkerend verlangen naar andere hoogtepunten. Je trouwdag, je eerste huwelijksnacht!” “Ach, ome Arie, dat zijn nu toch geweldige herinneringen, daar hoef je toch niet zo melancholiek over te doen?” trachtte ik verdere intieme ontboezemingen te voorkomen. “Op onze leeftijd leven we nu eenmaal met de dag. En zo moeten we het ook leven, denk ik; met de dag!” Het klonk zelfs voor mezelf niet echt overtuigend. Want ik besefte net zo goed als ome Arie, dat we gewoon een paar gepensioneerde ouwe kerels waren, die onze tijd verkwanselden op een bankje bij het prachtige haventje van Oud-Beijerland. Ome Arie werd er ook niet echt vrolijker door: “Het is net of de tijd na je afdanking uit het werkzame leven sneller gaat. Weken duren dagen. Alsof magere Hein je nazit op een dikke Harley Davidson!” Ik moest nu wel lachen om zijn beeldspraak. Ik zag het voor me: ome Arie op zijn elektrische fiets, aangedreven door magere beentjes met klompen en daarachter een zeis-dragend skelet op een motorfiets. “Ja, lach maar!” bromde mijn metgezel. Even was het stil. Toen ging me een lichtje op: “Moet je soms voor je halfjaarlijkse controle naar de tandarts, ome Arie?!” Brommend stond hij op; “Hoe raadt u het zo, meneer Ype, hoe raadt u het zo!” en hij fietste weg, zijn noodlot tegemoet…
Stofzuigen
Door het miezerige weer genoodzaakt ons goed in te pakken zaten ome Arie en ik, gehuld in dikke jassen op ons bankje onze handen te warmen aan onze pijp. De wind maakte het kouder dan het eigenlijk was. Ome Arie was wat stil, die ochtend. Ik besloot rustig de reden van zijn neerslachtigheid af te wachten. Die kwam pas toen hij zijn pijp uit klopte en zijn vertrek aankondigde: “Ik moet gaan, meneer Ype, want ik moet nog boodschappen doen.” Ik keek verbaasd. “Riek is gisteren gevallen en zit met een dikke enkel op de bank.” “Da’s niet zo best, ome Arie! Wat is er gebeurd?” Hij stond op. “Sinds ik met pensioen ben hebben we al de discussie over wie wat moet doen in het huishouden.” Ik knikte begrijpend, want deze situatie kwam me bekend voor. “Uiteindelijk ben ik qua stofzuigen overstag gegaan…” Ik glimlachte, want kreeg een beeld van onze ouwe boer achter een stofzuiger. Hij raadde mijn gedachten: “Maar ik zag mezelf nou niet bepaald achter zo’n lawaaiig geval door het huis drentelen, dus ik kocht een stofzuigrobot!” Ik keek bewonderend; “Slim bedacht, ome Arie!” Hij nam het compliment met een glimlach in ontvangst. “Dat ding werkt prima, slaat geen plekkie over, gaat onder het bed door, kan zelfs onder het lage dressoir en dat, terwijl ik mijn krantje lees!” Ik vond zijn vindingrijkheid wanneer het op vermijden van huishoudelijke taken aan kwam bewonderenswaardig. “Geweldig bedacht ome Arie, maar wat heeft dat met de enkel van Riek te maken?” Ome Arie zwaaide zijn been over zijn fiets. “Die robot kwam net onder het dressoir vandaan toen Riek met een blad koffie de kamer in kwam.” En, terwijl hij wegfietste: “nu zit zij met haar voet omhoog en ik met de gebakken peren…”
Pakketje
De toegang tot ons bakkie koffie met appelgebak was hermetisch afgesloten. Barona was dicht vanwege Corona. Ome Arie kwam met de pet op winterstand en gehuld in een dikke jas naast me op ons bankje zitten. Op gepaste afstand, natuurlijk, want gezien onze leeftijd was voorzichtigheid geboden. Hij pakte zijn pijp en tabak en begon zijn rookgenot voor te bereiden. “Sorry, dat ik zo laat ben, maar ik werd opgehouden door een pakketbezorger.” Hij stak zijn pijp op. “Riek had voor het eerst iets via internet besteld: een nieuw oplaadkabeltje voor haar laptop. Daarom hielden we in spanning de brievenbus in de gaten. Vanmorgen, net toen ik hierheen wilde komen stopte er zo’n busje van een koeriersbedrijf: het pakje!” Ik genoot van mijn pijp en ome Arie’s verhaal. “Ik ging naar de hal van ons appartementencomplex om het pakje op te halen, maar de jonge bezorger kreeg het niet goed door de gleuf.” Hij trok aan zijn pijp en blies zonder het te beseffen een mooi O-tje uit. “Dus ik doe de buitendeur open en vraag aan die knul: “Zal ik u even helpen? Die gast kijkt me aan en zegt: “Die brievenbusopening is net te klein!” Ome Arie nam zijn pijp even uit zijn mond. “Dus ik zeg tegen hem: ‘u kunt het pakje ook aan mij geven.’ Die knul stopt met proppen en vraagt: “bent u een buurman?” Ik antwoord: ‘nee, ik ben geen buurman’ “dan mag ik het pakje niet aan u geven. Mijn instructies zijn heel duidelijk: ‘in de brievenbus en als dat niet lukt bij de buren afgeven!” Ome Arie nam weer een trekje teneinde zijn pijptabak brandend te houden. “Dus ik zeg tegen dat licht: ‘ik ben het zelf!’ En wat zegt hij? ‘U bent toch geen mevrouw?'” Nu schoot ik in de lach, ook vanwege het verongelijkte hoofd van de verteller. “Dus er zat niks anders op: ik moest ervoor zorgen, dat dat pakje in onze brievenbus terecht zou komen. Samen duwen was vanwege de Corona geen optie, dus ik ging naar binnen, deed de brievenbus met de sleutel vanaf de halzijde open en begon aan het pakje te trekken. Het zat echter muurvast. Op een gegeven moment zegt ons genie: ‘het gaat niet, laten we het er maar weer uit trekken, dan neem ik het maar weer mee naar ons uitgiftepunt in Rotterdam dan kan mevrouw het daar ophalen!’ U begrijpt, meneer Ype, dat ik het daar niet mee eens was, dus terwijl hij het pakje er weer uit probeerde te trekken, trok ik aan de binnenkant om het toch naar binnen te krijgen!” Dit beeld bezorgde mij tranen in mijn ogen van het lachen en van spijt, dat ik het niet gezien had. “Toen kwam Riek gelukkig kijken waar ik zo lang bleef…” Hij kon er gelukkig zelf ook om lachen. “Die stond natuurlijk stomverbaasd te kijken naar twee kerels, die aan haar pakketje stonden te trekken, liep naar buiten en vroeg: “Waar zijn we hier mee bezig?” De pakketbezorger liet los en ik niet. Wonder boven wonder schoot het pakketje nu wel door de gleuf naar binnen. Ik viel achterover de hal in.” Hij voelde aan zijn rechter heup, waar wellicht de blauwe plek was ontstaan.” Ik kon wel lachen bij dit beeld. “Gelukkig was de inhoud niet beschadigd…” lachte ome Arie nu ook; “want hoe hadden we dat uitgelegd….”
Lingerie
Er brandden grote rode lichten aan weerszijden van de uitgang van ons haventje. De sluisdeuren waren gesloten. Voor mij één van de tekenen van de herfst met hogere waterstanden en wateropjagende stormen. Ons bankje bij de haven was leeg en nat. Waterdruppels dropen van de rugleuning. Voorbijgangers snelden richting warmte en droogte. Voor zover mijn heup het toeliet haastte ik me richting mijn auto. Toen ik langs Barona liep werd er stevig op een raam van de genoeglijke serre geklopt. Ome Arie zat met zijn Riek aan een tafeltje met een dampende kop koffie en een forse appelpunt voor zich te gebaren, dat ik naar binnen moest komen. Ik aarzelde even, maar ik draaide toch om en trad het etablissement binnen. “Ga zitten, meneer Ype!” Ome Arie was duidelijk blij me te zien. Ik wist niet goed, of ik me nog voor moest stellen aan Riek, want we hadden elkaar slechts terloops ontmoet. (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Ik groette haar beleefd: “Goedemorgen, mevrouw!” Ze groette hartelijk terug. Ik nam plaats en bestelde ook koffie met appelgebak. Na wat gebruikelijk gezwam over het weer stond Riek op. Ze had haar koffie haastig naar binnen gewerkt. “Ik ben even een boodschap doen.” En weg was ze. Ik kreeg mijn versnapering en nam een slok hete koffie. “Ze is even naar hiernaast…” fluisterde ome Arie zachtjes, bevreesd gehoord te worden, terwijl de zaak verder vrijwel leeg was. Ik keek waarschijnlijk niet erg snugger, want hij fluisterde een nadere toelichting: “Hunkermuller!” Ik schoot in de lach om dat ‘hunker-‘, maar hij was bloedserieus. “Ze moet een nieuwe BH…” Nu knikte ik begrijpend: “En daar wil je als vent liever niet bij zijn.” Hij knikte. Ik begon aan mijn appelgebak en vroeg langs mijn neus weg: “Heb jij wel eens lingerie voor je vrouw gekocht?” Tot mijn verbazing kreeg ome Arie een iets rode kop. “Ja, en daarom ga ik absoluut nooit meer zo’n winkel binnen!” Hij fluisterde nu nog zachter. “Ik wilde Riek eens echt verrassen en kocht hiernaast het meest sexy setje wat ze hadden!” Ik kon me er even weinig bij voorstellen; een wat oudere boer, die lingerie voor zijn vrouw ging kopen. “Die verkoopster deed vrij onbeleefd tegen me en daar begreep ik niets van. Tot ze vroeg, wat voor maten mijn ‘neem-ik-aan-uw-vrouw’ dan wel had.” Ik begreep wat hij bedoelde. “Ze pakte het met tegenzin in als een cadeautje en keek me vernietigend de deur uit…” Ik moest wel lachen om dit relaas. “Maar dat is niet alles: toen ik thuiskwam verstopte ik het setje. Het was een paar dagen vóór onze trouwdag moet u weten…” Ik begreep zijn goede bedoeling en vond het eigenlijk wel erg romantisch voor de nuchtere ome Arie. “En wat vond Riek van je cadeau?” Was ik toch wel benieuwd. “Ze vond het te vroeg.” fluisterde onze Amor. “Te vroeg?” Ik begreep hem niet. “Ze vond het een dag te vroeg in mijn sokkenla!” Nu begon ik een vermoeden te krijgen; “en Leiden in last?” Ome Arie knikte: “En hoe! Ze was razend en verdrietig tegelijk, want ze dacht, dat het voor een ander bedoeld was, ook vanwege de volkomen verkeerde maat!” Hij nam een hap appelgebak. “Het heeft me heel veel moeite en rozen gekost om het weer recht te zetten. En ik ben samen met haar teruggegaan naar hiernaast om de zooi te ruilen voor een degelijk badpak!” Ik nam ook een hap van mijn appelgebak. Toen ik mijn mond weer leeg had vroeg ik nieuwsgierig: “en wat zei die verkoopster, toen je echt met je eigen vrouw kwam?” Ome Arie glimlachte: “Ze was alleraardigst, maar kon het niet nalaten even te benadrukken, dat kerels eigenlijk niet in de hunkermuller thuishoren…”
Japans
De herfst was nu duidelijk ingetreden. ‘Ons’ bankje aan de haven was nat en leeg. Ik speurde vanachter de iets beslagen ramen van mijn auto in het rond naar een spoor van ome Arie. Een rookwolk uit zijn pijp of zijn tegen een lantaarnpaal gestalde fiets. Dat laatste ontdekte ik niet ver van ‘Barona’. Ik parkeerde mijn auto en vond mijn vriend aan de bar van zijn vaste regen-schuilplaats. “Ome Arie,” groette ik. “Meneer Ype,” bromde hij. Zijn pet stond als het weer; een beetje depressief. “Dit weer stemt niet echt vrolijk, ome Arie,” begreep ik. Hij kreeg een kop koffie van de barman. “U ook een appelgebakkie koffie, meneer Ype,” vrolijkte hij al wat op. “Zeg ik geen nee tegen,” en klom ietwat moeizaam op de barkruk naast ome Arie. “Gisteren was het ook zulk triest weer.” Hij nam een slok koffie, terwijl het appelgebak vóór hem neergezet werd. Ook ik kreeg de lekkernij met een flinke dot slagroom. “Laten we het ons dan maar binnenshuis naar de zin maken,” doelde ik wijzend op de taart. Ome Arie glimlachte, voor zover dat ging met zijn mond vol. Hij werkte alles in een rap tempo weg en veegde zijn mond af met een grote rode boerenzakdoek. “Zo, dit gaat beter dan dat getob van gisteravond!” Klonk het, nu behoorlijk opgevrolijkt. Ik had mijn mond nog vol, dus kon niet vragen, wat er dan de avond ervóór gebeurd was. Maar ik wist, dat ome Arie geen aansporing behoefde. “We kregen visite van oude vrienden en besloten buiten de deur te gaan eten.” Hij wenkte de uitbater en wees op zijn lege kopje. “Ook nog een appelgebak erbij?” grapte de tapgast. Ome Arie lachte en schudde zijn hoofd; “ik heb mijn buik nog vol van gisteren!” De man ging koffie inschenken en ik vroeg ook om nog een bakkie: “deze is van mij!” Ome Arie vervolgde: “die gasten houden nogal van meedoen met allerlei nieuwigheden, dus ze wilden naar een Japans restaurant.” Ik zag de bui al hangen, daar hoefde het geen herfst voor te zijn. “Gelukkig hoefde ik niet op mijn knieën te zitten, maar ik moest wel mijn voer met stokjes naar binnen zien te krijgen!” Ik zag zijn kop vóór me, welke hij gehad moest hebben bij deze constatering. Daar ik zelf ook wel eens met tob-sticks had geprobeerd te eten begreep ik zijn verontwaardiging. “En, is het gelukt?” vroeg ik, eigenlijk tegen beter weten in. “Praat me er niet van!” gromde de oude boer, “het is net hooien met twee stelten! Die Jappen zijn gestoord!” Verontwaardigd nam hij een slok koffie. “Ik heb Rieks’ tas gepakt, omdat ik wist, dat daar altijd van alles in zit. En inderdaad: de oplossing!” Zoals altijd wist hij me tot op het laatst in spanning te houden. Ik keek hem vragend aan. Hij nam de laatste slok koffie. “Ze heeft altijd een puntenslijper bij zich?” “Een puntenslijper?” herhaalde ik met een vermoeden waar hij heen ging. “Een puntenslijper! Die gebruikt ze voor zo’n make-up potlood, geloof ik…” hij schoof zijn petje naar standje ‘slim’: “daarmee sleep ik een punt aan zo’n chopstick en kon vervolgens alles vastprikken. Die spleetogen kunnen nog wat leren van een ouwe boer!”
Coronatest
Het was miezerig weer. Ome Arie zat diep verscholen onder een grote paraplu zijn pijp te stoppen, hetgeen nog best lastig gaat terwijl je regenscherm dreigt weg te waaien. Ik had dat voorzien en vooraf thuis mijn pijp al gestopt, zodat slechts het aansteken nog voor wat problemen kon zorgen. Maar daarvoor had ik een creme-brûlée-brandertje als oplossing bij me gestoken. Terwijl ome Arie nog zat te worstelen met zijn rookgerei pafte ik al mijn eerste wolkjes onder mijn paraplu vandaan. Mijn compaan vloekte inmiddels binnensmondkaps, waarop ik hem mijn vlammenwerper aanbood. Al gauw zaten we gezamenlijk te genieten. “Hoe was de uitslag van de coronatest van je schoonzus eigenlijk, ome Arie?” (zie verhaal mondkapje op swartboek.nl) Hij blies een wolkje uit vanonder zijn mondkapje en bromde: “Niks aan de hand, natuurlijk!” Alsof Corona geen optie was in zijn directe omgeving, trouwens een breedgedragen misvatting. “Maar nu moet ze in therapie.” “In therapie?” herhaalde ik verbaasd, “maar er was toch niks aan de hand?” Ome Arie snoof een rookwolk onder zijn mondkapje en kreeg een hoestbui daar de rook niet weg kon. Nadat hij weer op adem was gekomen gromde hij: “In therapie bij een zielknijper vanwege haar ‘bijna-dood-ervaring’.” Ik schoot in de lach. “Ik weet dat je een hekel aan Agaath hebt, maar nu overdrijf je toch zeker?” Ome Arie was bloedserieus: “Nee, echt!” Mijn lach verstomde in pure verbazing. “Eerst is ze jaren op zoek geweest naar zichzelf, maar door de corona-dreiging is ze zichzelf tegengekomen. Gevonden! Dus moest ze een nieuw probleem bedenken!” Nu schoot hij zelf ook in de lach. “Volgens mij is ze gewoon gek op die therapeut.” Hij trok aan zijn pijp en tilde zijn mondkapje op om de rook uit te blazen. “Maar waarom draag je dan eigenlijk nog steeds dat mondkapje?” vroeg ik, echt verbaasd. Ome Arie keek opzij, trok aan zijn pijp en haalde langzaam de elastieken van het mondkapje van achter zijn oren. Hij wilde het beschermmiddel net met een grote boog de haven ingooien toen hij er net op tijd achter kwam, dat zijn pijpmondstuk nog door het speciaal daarvoor gemaakte gaatje in het mondkapje zat. (Zie verhaal ‘mondkapje’ op swartboek.nl) De vonken vlogen in het rond, maar gelukkig maakte ome Arie zijn worp niet af en werd de pijp een vliegende aftocht gespaard. Onze werper haalde de pijp uit het gat en deed het mondkapje netjes in een prullenbakje naast ons bankje. Met een ietwat rood hoofd trok hij weer aan zijn pijp en was gelukkig, dat deze nog niet uitgedoofd was.
Pilletje
Ome Arie kwam met een verhitte kop haastig aangefietst. Hij verontschuldigde zich voor zijn late komst, alhoewel we geen tijd hadden afgesproken. Hij plofte neer en begon zijn pijp te stoppen. Dat ging wat minder bedachtzaam dan anders. “Wat is er, ome Arie, je bent zo gehaast?” vroeg ik. Hij zuchtte, stak zijn pijp aan en werd rustiger. “Ach, het zat vanmorgen gewoon een beetje tegen en dat is niet goed voor mijn bloeddruk!” Dat verklaarde zijn ietwat rode kop. “We waren al wat laat wakker en ik haastte me naar de badkamer om mijn pilletjes in te nemen. Drie minuscuul kleine pilletjes, die alledrie de neiging hebben zich aan hun doordrukstripjes vast te klampen…” Het fenomeen kwam me bekend voor. “Afijn, één zo’n kreng schoot uiteindelijk weg, zo de wasbak in. Ik probeerde hem nog vóór het afvoerputje te grijpen, maar hij ontweek behendig mijn onderscheppingspoging!” Hij werd bij de herinnering weer wat roder. “Maar dan neem je toch gewoon een nieuw pilletje?” Opperde ik bijdehand. “Dat was slimmer geweest, maar ik ging op zoek naar het ontsnapte medicijn,” hij keek er niet gelukkig bij, “Ik schroefde de sifon los in het badkamermeubel, waardoor de boel behoorlijk nat werd en lag daar gezellig over te vloeken, toen Riek om de hoek kwam kijken, wat ik aan het uitspoken was…” Hij zuchtte en trok aan zijn pijp, “het was een slagveld. Ik lag in mijn nakie op mijn rug, half in het kastje met een verhitte kop met die sifon in mijn hand en alles was nat!” Ik begreep het en hield mijn lachen in: “en ze was niet echt blij, vermoed ik?” “Dat kun je wel zeggen, meneer Ype, dat kun je wel zeggen…” Hij keek me aan: “Ze ging vernietigend over in de ‘wij-vorm’. Ze zei, heel koeltjes: “en wat liggen wij hier te doen!?”. Ik mompelde zachtjes dat ik één van mijn pilletjes had laten vallen…” Hij zweeg even en trok aan zijn pijp. “En vervolgens, ijskoud, zoals ze doet, wanneer ze me een enorme sukkel vindt: “En toen vonden wij het nodig om de hele badkamer te slopen?” Ik had toen beter niks kunnen zeggen!” Ik kreeg een beeld van hetgeen volgde en had medelijden. “Enne..”, vroeg ik voorzichtig, “heb je dat pilletje nog gevonden?” Ome Arie knikte bevestigend. “Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk!” zei ik, en ik stak mijn inmiddels gedoofde pijp weer aan, “waar zijn die pillen eigenlijk voor?” kon ik niet nalaten aan de patiënt met de inmiddels weer hoogrode kop te vragen. “Die slik ik tegen mijn hoge bloeddruk!” Nu kon ik mijn lachen niet meer inhouden…