Het verplicht op afstand van elkaar leven leek de humeuren van de mensen geen goed te doen. Alleen merkte ik daar die dag weinig van bij ome Arie. Hij kwam fluitend op zijn fiets bij ons bankje aan de haven aan en stalde zijn tweewieler tegen een paaltje. Ik moest wel lachen om dit tafereel, daar fluiten met een mondkapje op niet echt resulteerde in een welluidende melodie. Hij had het zelf inmiddels ook door en vanachter het beschermmiddel kwam een brede grijns. “Goeiemorgen, meneer Ype!” groette hij vriendelijk alvorens hij zijn pijp ging zitten stoppen. “Goeiemorgen, ome Arie! Wat een zonnig humeur op deze donkere dag vlak voor Kerstmis?” Ik had mijn pijp inmiddels opgestoken en nam een tevreden trekje. “Inderdaad, meneer Ype, ik ben in een beste stemming!” Hij stak zijn pijp op en vanuit een geurende wolk lachte hij: “Een kerst zonder mijn vegetarische schoonzus, hoe groot kan mijn geluk zijn?” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ik wist van zijn diepgewortelde hekel aan schoonzus Agaath. Ome Arie zat met een gelukzalige glimlach voor zich uit te praten: “Niet vegetarisch gourmetten met bloemkoolroosjes, in geitenkaas gegratineerde worteltjes en broccoli stengels in tomatensaus, maar gewoon stukjes biefstuk en plakjes ontbijtspek!” Zo te zien liep het water hem al in de mond. Ik moest ook denken aan de naderende kerst, hetgeen mijn humeur niet positief beïnvloedde: “hou op, ome Arie; ik ben juist gevlucht, omdat mijn lief al dagenlang naar allerlei kookprogramma’s op televisie zit te kijken. De mooiste en verleidelijkste kerstmenu’s verschijnen op ons enorme beeldscherm!” Ome Arie keek verbaasd opzij: “Maar u was toch op dieet, meneer Ype?” Hij klonk oprecht medelijdend. “Inderdaad, ome Arie, inderdaad,”, zuchtte ik: “dus van al dat smakelijks hoef ik niks op mijn bord te verwachten!” Ik zocht troost in mijn pijp. Ome Arie schudde meewarig zijn grijze boerenkop en herhaalde: “dus voor u wordt het deze kerst groente gourmetten: bloemkoolroosjes, misschien in magere geitenkaas gegratineerde worteltjes en broccoli-stengels in tomatensaus!” Vervolgens schoot hij in de lach; een gemene plagerige lach. Even mocht ik hem niet.
Auteursarchief: Ype
Wisselgeld
Verlaten straten, geen kerstlichtjes in de bomen bij het prachtige oude raadhuis van ons dorp: het was of de wereld in rouw gedompeld was. Het sombere weer veranderde daar ook weinig aan. Ome Arie rookte zijn pijpje, ik het mijne. Er viel weinig te zeggen. “Goeiemorgen, ome Arie!” klonk het achter ons. Een bekende stem. Het was neef Tinus, of neef Nitus, zoals ome Arie hem placht te noemen. Hij zag er niet blij uit. Dat was ook door zijn oom opgemerkt: “wat is er aan de hand, knul, je ziet er niet blij uit?” De aangesprokene zuchtte en mompelde, net verstaanbaar: “Ik heb een bekeuring gekregen…” Hij keek richting schoenen. “Ach, dat is mij zo vaak overkomen, dat is toch niet het einde van de wereld? Waar heb je die bon voor gekregen?” De snoodaard keek heel even naar zijn oom: “ik was op een feestje met een paar vrienden…” hij zuchtte: “een boete van €95,- krijg je daar tegenwoordig voor. Het is niet eerlijk; de jeugd mag helemaal niks meer, terwijl er bewijzen genoeg zijn, dat die Corona best meevalt!” Ome Arie knikte en pakte tot mijn stomme verbazing zijn portemonnee en haalde er twee briefjes van €50,- uit. “Ik zal je helpen knul!” Ik zat het tafereel met open mond te bekijken, maar bemoeide me er niet mee. Ome Arie gaf ons ‘slachtoffer’ de €100,-. De knul pakte het aan. “Ik krijg nog wel €5,- van je terug”, zei ome Arie vriendelijk, “want ik heb wel begrip voor je, maar ik geef je geen fooi voor je goede gedrag!” Neef Tinus deed het ontvangen geld in zijn zak en diepte er €5,- uit. Hij wilde dat aan ome Arie geven maar deze maakte een afwerend gebaar: “misschien is dat wisselgeld van de bar van dat feestje, en ik behoor tot een risicogroep!” De knul keek naar de muntjes in zijn hand, daarna naar ome Arie en toen naar mij. Ik knikte: “Je wilt toch niet de dood van je ome Arie op je geweten hebben, zeker?” Het kwartje moest even vallen. “Maar je weet toch niet of dat geld besmet is?” stamelde hij. “Nee, dat is waar!” zei ome Arie en hij hield zijn hand nu op, “dus als ik ziek word, zullen we nooit weten of het door die vijf euro is. En bovendien valt die Corona best mee!” De knul trok haastig zijn hand met het geld terug: “maar iedereen zal mij erop aankijken!” Ome Arie en ik knikten simultaan. Tinus pakte zijn telefoon en vroeg: “zou u mij alstublieft een tikkie willen sturen, ome Arie? Dat is wel veilig!” Ome Arie knipoogde naar mij en pakte zijn mobieltje: “als je mij stap voor stap uitlegt hoe dat moet, knul, dan lijkt me dat een verstandige oplossing!”
Kistje
Het was dagen somber weer geweest, maar op deze zondagmorgen scheen een bleek zonnetje. Toen ik op mijn scootertje aan kwam rijden bij ons bankje aan de haven zag ik, dat ome Arie bedachtzaam zijn pijpje zat te stoppen. Zijn pet stond nadenkend. Ik stalde mijn vervoersgenot naast het bankje, groette de oude baas, die net zijn pijp aanstak en ging op gepaste afstand m’n eigen pijp zitten stoppen. Ome Arie blies een welriekende wolk uit en groette me terug: “goeiemorgen, meneer Ype!” Achter ons fietsten een paar kerkgangsters haastig voorbij. De één met het hoedje op, de ander met het hoedje in een plastic tasje aan het stuur; een somber lint wapperde in de wind. Net als ik keek ome Arie ze na. Hij schudde zijn hoofd. Maar hij zei weinig. Ik trok aan mijn pijp en dacht het mijne. “Alweer bijna kerst”, verbrak ik de stilte, “het feest van de geboorte, van de hoop…” Ome Arie keek even opzij en blies een wolk rook uit. Ik wachtte even, maar er kwam geen reactie. “Ga je met de kerst wél naar de kerk, ome Arie?” Hij schudde zijn hoofd. Hoopvol wachtte ik op een mooi verhaal toen er een klein meisje aan kwam rennen. “Hallo, opa Arie!” liet de kleine geen twijfel omtrent haar identiteit. “Je favoriete kleinkind, ome Arie?”, vroeg ik plagerig, wetend, dat hij tegen ieder kleinkind zei, dat het zijn ‘favoriet’ was. “Maar niet verder vertellen, meneer Ype!”, lachte hij met een knipoog. Het blije kind klom bij opa Arie op schoot. Ik schatte haar op een jaar of zeven, maar ik ben slecht in het schatten van leeftijden van kleine meisjes. Ze zijn vaak zo wijs. “Mama is bij oma Riek en die zei, dat ik u moest gaan zoeken, opa!” Ome Arie trok aan zijn pijp en probeerde tijd te rekken, daar zijn tabak nog lang niet helemaal tot as vergaan was. Het kleine meisje snoof de geur op. “Dat ruikt lekker, opa!” Hij vroeg: “waar ruikt het dan naar?” De kleine dacht even na. Het antwoord was ontwapenend: “Naar opa!” Ze keek, tevreden over haar antwoord, rond. Ze bekeek mij ook van top tot teen. “Is dat ook een opa?” Ome Arie knikte: “vast wel!” Ik liet het maar zo. “Mijn andere opa is dood!” Het was even stil. Ome Arie keek een tikkie moeilijk. Ik keek een tikkie moeilijk. Wanneer kinderen praten over leven en dood is de waarheid niet altijd een goede optie. Ome Arie probeerde een afleidingsmanoeuvre: “Het is bijna Kerstmis, vind je dat leuk?” Er werd diep nagedacht: “Wel zielig, dat dat baby’tje in een kistje lag, hè, opa?” Opa keek nu nog moeilijker. Ik kon er de lol wel van inzien. “Opa lag ook in een kistje toen hij begraven werd!” Ik moest inwendig lachen: de afleidingsmanoeuvre leek niet erg geslaagd. De kleine hersentjes maalden op volle kracht: “en de dominee zei, dat we opa terùg-gaven aan moeder Aarde, toen ze hem begroeven!” Ze keek heel wijs. Ome Arie keek mij vragend aan, maar ik begreep de kleine ook niet helemaal. Die dacht weer even diep na en vroeg, een beetje bezorgd: “zouden ze kindeke Jezus ook hebben opgegraven, net als andere Opa, toen hij geboren werd?”
Kerstlicht
Het was koud. Steenkoud. We zaten op ons bankje aan de haven met bevende handen onze pijpjes te stoppen. Normaal zou ik samen met ome Arie mijn toevlucht hebben gezocht in Barona om me te warmen aan hete chocolademelk en te genieten van een heerlijke appelpunt. Maar deze simpele genoegens des levens werden ons door het voortwoekerende corona-virus ontnomen. Barona was en bleef voorlopig dicht. Uiterst triest voor de uitbater, een Heer uit Beijerland, maar natuurlijk vooral voor ons. Je eigen leed voel je nou eenmaal zelf het meest. We trachtten onze handen te warmen aan onze pijpen als waren het kleine kampvuurtjes. “Het is eigenlijk veel te koud om hier te zitten,” bromde ome Arie. Ik knikte: “ik moest er even uit, ome Arie.” De oude boer glimlachte: “ik ook, meneer Ype, vooral toen Riek heel geïnteresseerd naar ‘koffietijd’ zat te kijken.” Hij trok aan zijn pijp. Ik trok aan mijn pijp. “Bodemdierendag…” zeiden we tegelijk, alsof we elkaars gedachten konden lezen. We schoten in de lach. “Toen de één of andere viagra-omzet-verhogende natuurliefhebster de kijker aanraadde om vooral de regenworm en het pissenbed ‘te omarmen’ trok ik het niet meer!” We schoten nu allebei onbedaarlijk in de lach… Zo zaten we blauwbekkend te doen of we genoten van onze pijp, tot de kou het won. Ome Arie stond op, klopte zijn pijp uit en deed zijn dikke handschoenen weer aan. “Ik ga maar eens een paar driewegstekkers halen voor de lampjes voor in de kerstboom.” Ik keek hem verbaasd aan: “Een paar driewegstekkers? Hoezo dat, ome Arie?” Hij zwaaide zijn been over zijn fiets en mopperde: “Ik vertik het om steeds wanneer ik van Riek weer een nieuw snoer moet kopen, het oude weg te gooien, wanneer daar nog niet alle lichtjes van kapot zijn!” Ik schoot in de lach: “Hoeveel snoeren ga je dan in die boom hangen, ome Arie?” Terwijl hij wegfietste antwoordde hij met een zucht: “Dat zullen er een stuk of vijf zijn, vrees ik…”
Sneakers
Op ‘ons’ bankje bij de haven zat een niet onknappe jongedame zoekend om zich heen te kijken. Ik twijfelde even, maar zette toch mijn scooter op zijn standaard, ging zitten en stopte snel mijn pijp. Wellicht zou ik haar uit kunnen roken vóór ome Arie zou arriveren. De wind stond gunstig dus mijn duivelse plan had een redelijke kans van slagen. Helaas kwam op het moment, dat ik mijn tabak tot ontbranding kon brengen met de daarbij behorende enorme wolk wicht-verdrijvende rook, ome Arie aangestrompeld. En waar normaal de voor ome Arie zo typerende klompen plachten te zitten, blonken glimmend witte sportschoenen. Ik verloor bijna mijn pijp doordat mijn mond openviel van verbazing. Het juffertje sprong op en zwaaide naar hem: “Ome Arie, ik ben er al!” Mijn mond kon niet verder open. Ome Arie zakte met een diepe zucht op de naast me vrijgekomen plek en groette me als altijd: “Goeiemorgen, meneer Ype!” En tegen de jongedame: “dat is meneer Ype!” Zij groette me beleefd. “Dit is mijn lievelingsnichtje Tessa” bromde de oude baas mijn kant op, terwijl hij zijn pijp en tabak tevoorschijn haalde. Ik glimlachte, wetend, dat ieder van zijn nichtjes zijn lievelingsnichtje was, en keek, zonder iets te zeggen naar zijn sneakers en vervolgens vragend naar hem. De oude baas begreep me donders goed, maar hield zich even Oostindisch dement terwijl hij onverstoorbaar doorging met het voorbereiden van zijn rookgenot. Nadat hij zijn pijp met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht had opgestoken keek hij me aan, wijzend op zijn oogverblindend schoeisel: “Gisteravond van de Sint gekregen!” Hij leek er toch niet helemaal gelukkig mee. Ik moest om mezelf lachen terwijl ik snedig opmerkte, dat ik niet verwachtte, dat veel mensen schoenen in hun schoen zouden hebben kregen. Mijn oude vriend reageerde met: “In mijn geval in mijn klomp, meneer Ype!” Nicht Tessa begreep weinig van deze oude-mannen-humor. “En er zat ook een gedicht bij, toch, ome Arie?” Haar oom knikte. “Dat ik, gelijk de goedheiligman bewoog als een houten Klaas, en dus zulks bij het lopen resulteerde in een donderend geraas” hij lachte, “of zoiets”. Nichtje stond te glimmen van de napret: “wij hebben alles kunnen volgen door een videoverbinding!” Ik genoot van de pret van de twee. “Maar toch vraag ik me af, waarom je niet gewoon op je klompen kunt wandelen, ome Arie. Dat ben je toch je hele leven al gewend?” De oude boer knikte: “Dat ben ik wel gewend, alleen geen kilometers lang! Toen ik van de week hier vandaan kwam, had ik de blaren op mijn voeten. Die zijn nog niet helemaal over, vandaar dat ik nog steeds moeilijk loop. Door deze ‘loopschoenen’ moet het beter gaan…” Ik keek verbaasd van zijn schoenen naar zijn nichtje en tenslotte naar hem. “Loopschoenen?” “Loopschoenen, om mee te lopen, dus!”, beaamde onze atleet. Het nichtje keek ook, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, dat oude boeren over straat gaan rennen. “Ik heb er ook zo’n lichtgevend hesje bij gekregen, voor s’avonds!” Hij nam een ferme trek van zijn pijp, hetgeen hij met een hoestbui moest bekopen. Ik wachtte even af tot hij weer op adem was. “Maar je gaat toch zeker niet hardlopen?” Hij keek verbaasd: “Wie heeft het over hardlopen? Ik heb het over gewoon lopen!” “Loopschoenen zijn om mee hard te lopen, te rennen, te joggen!”, zei ik, een tikkie belerend. Het nichtje knikte: “Stoer, hoor, ome Arie, en dan ren ik gezellig met u mee!” Het werd stil. Ik schoot in de lach, want Arie Gebrselassi keek nu erg besodemieterd. “Hardlopen? Ik vind wandelen al erg genoeg…”, stamelde hij. Nu begreep Tessa het misverstand ook en gierde het uit: “U moet gewoon wándelschoenen hebben!” Dat begreep hij. Hij keek een beetje wanhopig mijn kant op en daarna weer naar Tessa. “Maar dan moet je me toch nog steeds leren hoe ik mijn veters moet strikken, Tessa!” verklaarde hij de aanwezigheid van zijn favoriete nichtje….
Stappenteller
Toen ik mijn scooter naast ons bankje aan de haven op zijn standaard hees viel me op, dat ik de fiets van ome Arie nergens zag. Maar hij zat er wel, al pijpstoppend op zijn vertrouwde plekje. “Goeiemorgen, meneer Ype!” groette hij als altijd. Ik groette terug en ging op mijn vertrouwde plek zitten. Ik pakte mijn pijp en volgde ome Aries’ voorbeeld. We staken bijna simultaan ons ochtendgenot aan en genoten van het uitzicht. Mijn nieuwsgierigheid won het van de weldadigheid van de rust: “Waar is je fiets, ome Arie?” De oude baas blies een geurige wolk de atmosfeer in. “Die staat thuis in de stalling. Ik ben komen lopen!” En hij nam een diepe trek van zijn pijp. Ik reageerde verder niet, wetend, dat het verhaal vanzelf zou komen. “Zitten is het nieuwe roken, meneer Ype!” bromde hij, “Dat is weer van dat brilslangen-gesis. Voor je ‘bestwil’! Ik heb een gloeiende hekel aan mijn bestwil…” Ik moest altijd lachen om zijn verontwaardiging. “Ja, lach maar!” moest hij zelf toch ook wel een beetje lachen. Maar ik had nog geen antwoord op mijn vraag: “wat heeft dat met je fiets te maken, ome Arie?” “Dat komt door het horloge, dat ik voor mijn verjaardag heb gekregen, meneer Ype!” Zoals vaker was hij me nu volkomen kwijt, en ik keek dan ook erg niet-begrijpend. Hij liet me zijn horloge zien. Ik keek hem verbaasd aan: “Een smartwatch, ome Arie? Wat moet jij nou met een smartwatch?” De oude boer keek naar het stuk elektronica op zijn pols, daarna naar mij en vervolgens weer een beetje triest op zijn polscomputer: “Er zit een stappenteller op. Riek vond, dat ik te veel zat. Ze heeft me het horloge gegeven met de boodschap, dat ik iedere dag minimaal tienduizend stappen moest doen.” Hij leek niet erg blij met zijn cadeau. “Maar ome Arie, ik heb dat ding nooit eerder gezien en je bent in augustus jarig geweest!” Ik was erg verbaasd. “Dat klopt!” was zijn korte reactie. Hij stampte de tabak van zijn pijp aan met een speciaal stampertje, en stak hem weer aan. “In het begin ging het uitstekend, ik haalde vrijwel iedere dag mijn stappen-quotum.” Ik begreep nog steeds niet, waarom ik pas op dat moment, het was december, het horloge zag of over het bestaan ervan hoorde. “Ik liet Riek ‘s avonds voor het slapen gaan mijn stappen-aantal zien en we waren dan beiden erg tevreden.” Hij zuchtte, nam een paar trekjes aan zijn pijp, blies rustige wolkjes en vervolgde: “Tot vorige week: toen ging de Friese staartklok achterlopen!” Ik keek hem verbaasd aan en grapte: “maar gelukkig had je een betrouwbaar horloge!” Ome Arie zuchtte. “Ik had een paar dagen niet opgelet en toen liep het Friese erfstuk zo ver achter, dat Riek een klokkenmaker belde.” Ik knikte, zonder er iets van te begrijpen. Hij schudde het hoofd: “en ik wist daar niks van!” Ik begon een vermoeden te krijgen: “die tienduizend stappen liep je niet echt, vrees ik?” Ome Arie knikte: “oerstom van me, natuurlijk! Die reparateur had het euvel snel gevonden: mijn smartwatch hing stappen te verzamelen aan de slinger…” Ik zat nu hardop te lachen. “En met fietsen verzamel je niet veel stappen, dus voor straf moest ik van Riek nu gaan lopen…”
Gevlucht
Ome Arie zat diep ineengedoken in zijn dikke jas, met een winterpet over zijn oren getrokken op ons bankje aan de haven. Ik moest wel lachen om deze aanblik: Een enorme baal stof waar een dun sliertje rook uit kwam. Ik besloot ook tot een pijpje en stalde mijn scootertje. De baal stof had me opgemerkt en groette me: “Môgge, meneer Ype.” En zweeg verder. Ik stopte mijn pijp, genietend van het uitzicht op het rustige haventje. Het was herfst, dus er was geen maritieme activiteit. Door de wind klapperde ergens een val tegen een mast. Het typische geluid van dun staaldraad tegen aluminium. “Tik-tik-tik!” Een medewerker van de plantsoenendienst blies met een lawaaiig apparaat gevallen bladeren in een voor mij onbegrijpelijke richting. Ook ome Arie bekeek de noeste arbeid en schudde onbegrijpend zijn hoofd. Maar zei niets. Ik glimlachte; alleen mannen kunnen zo zitten, zonder een woord, maar elkaar volkomen begrijpend. Zo rookten we samen ons pijpje, onverstoorbaar genietend van de stilte in ons, de rust. Alsof de tijd even stilstond. Toen ging er diep in de berg textiel een telefoon rinkelen. Ome Aries’ mobiel klinkt, naar hijzelf vindt, zoals een telefoon hoort te klinken. Zoals het oermodel van de telefoon van vroeger op de boerderij. Na wat paniekerig gezoek vond hij zijn mobiel en het lukte hem zelfs verbinding te krijgen. Uit het gesprek dat volgde begreep ik, dat het Riek moest zijn. Zijn eega. Hij knikte wat, hij bromde wat en verstopte het communicatiemiddel weer diep in de berg kleding. En zei niks. Nu werd mijn nieuwsgierigheid sterker dan mijn behoefte aan stilte: “Het thuisfront?” Ome Arie knikte en zweeg. Ik keek weer vóór me en trok aan mijn pijp. Het ging me ook niks aan. Zo paften we nog even verder tot ome Arie zijn pijp uit zijn mond nam en de tabak aanstampte. “De kust is weer veilig.” Hij nam zijn pijp weer ter mond en stak hem aan. “Ik was gevlucht voor schoonzus Agaath, en Riek belde, dat die weer is vertrokken, dus ik kan weer met een gerust hart op huis aan…” Hij maakte echter nog geen aanstalten. “Vlucht je echt je eigen huis uit, wanneer je schoonzus komt?” daagde ik hem uit, “is ze zo erg?” Ome Arie zuchtte, “Het is net of ze steeds erger wordt!” Hij blies een geïrriteerd wolkje uit. Ik besloot hem niet verder te plagen en stak mijn gedoofde pijp opnieuw aan. Onze weldadige rust was verstoord. Ome Arie had duidelijk een enorme hekel aan zijn schoonzus, maar dat wist ik al een tijdje. “Dat mens is zo gruwelijk dwars, vreselijk!” Ik knikte begrijpend. Iedereen heeft wel zo iemand in zijn omgeving. Iemand, die je liever niet in je omgeving hebt. “Ze heeft een nogal vertekend wereldbeeld. Dat kan natuurlijk ook door dat dikke brilletje komen…” bromde ome Arie. Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ik wist inmiddels, dat de oude boer er geen extreme standpunten op nahield. Hij was door het leven getekend en schudde over veel zaken slechts het grijze hoofd. Een verstandig man.
Vacature
Het was koud, vooral op de scooter. Ik had mijn dikke jas aan en ook mijn handschoenen opgezocht. De herfst had de laatste bladeren van de meeste bomen doen vallen. Ook op ons bankje bij de haven. Ik veegde ze er af met mijn verpakte hand en ging zitten op het koude hout. Een lichte trilling door de kou golfde vanaf mijn achterwerk omhoog. De tijd verwarmde gelukkig mijn zitplaats. En later deed mijn pijp hetzelfde met mijn inmiddels naakte handen. Ome Arie was laat. Hij hijgde licht toen hij voor zijn doen lenig van zijn elektrische fiets stapte. Zijn pet stond redelijk vrolijk. Hij stopte snel zijn pijp alsof hij mijn rooktijd wilde inhalen. Ik glimlachte. “Heb je je verslapen, ome Arie?”, kon ik niet nalaten hem te plagen. “Nee, meneer Ype, maar toen ik net weg wilde gaan wees Riek me op een stukkie in de krant.” Hij stak zijn pijp aan. “Een vacature..” Ik keek hem verbaasd aan: “Een vacature?” Hij knikte, blies een grote wolk rook uit en zuchtte; “Ze zoeken een nieuwe ‘dichter van de Hoeksche Waard’!” Ik had het artikeltje inderdaad ook gezien en er verder weinig aandacht aan besteed. Er werd gezocht naar een rijmelaar, die iedere maand iets zou moeten dichten over een gebeurtenis in onze geliefde Hoeksche Waard. De vorige ‘Jules Deelder van de polder’ vond ik persoonlijk geen groot poëet, maar dat leek voor deze functie geen bezwaar. “Volgens Riek is het echt iets voor mij, maar dan moet ik voor één december vijf gedichten en een motivatie insturen. En ik heb het al zo druk met andere sinterklaasgedichten…” Hij keek niet erg enthousiast. Ik kreeg medelijden; “Je hebt mij wel eens wat gedichten laten horen, ome Arie. Die waren best goed. Dat is toch al een begin?” (Zie eerdere verhalen op swartboek.nl) Het viel me op, dat zijn pet nu op standje ‘zorgelijk’ stond. En dat terwijl hij er volgens mij niet met zijn handen aangezeten had. Ik zat me daar nog over te verbazen, toen ome Arie zijn pijp uit zijn mond nam en begon te declameren: “Op een bankje bij de haven zit ik lui…..En kijk door de open sluis naar het snelstromende Spui….ik weet dat het na enige uren dromen….De and’re kant op zal stromen….Dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, heen en weer…Tot in lengte van eeuwen, maar dan ben ik er niet meer….” Hij nam snel weer een trekje van zijn pijp teneinde te voorkomen, dat deze zou uitdoven. Ik wilde hem net complimenteren met deze poëzie, toen hij vervolgde: “Onlangs waren de deuren dicht….Het spui volledig uit het zicht…De tijd stond stil…” Hij keek mij wanhopig aan: “Wat rijmt er op ‘stil’?” Ik zat hem bewonderend aan te kijken. “Dat is niet nodig, ome Arie, dat is echt niet nodig! Je moet het zo laten. Juist het contrast van het niet rijmen van de laatste zin vind ik prachtig!” Hij keek verbaasd. Ik zuchtte: “Ik vrees echter, dat je niet geschikt bent voor de baan van ‘Dichter van de Hoeksche Waard!” Hij keek me verbaasd aan: “Niet?” Ik knikte: “Daar ben je veel te goed voor!”
Rap
Er waren een paar onstuimige herfstdagen gepasseerd sinds mijn laatste ontmoeting met ome Arie. (Zie ‘Arie2’) Ik had een lijst met Hoeksche Waardse woorden en uitdrukkingen gevonden en trachtte daar iets ‘rapperigs’ mee te maken om de Aries op gang te helpen. Maar dat viel niet mee. Ik zat in het zachte herfstzonnetje op ons bankje aan het pittoreske haventje van ons dorp zachtjes voor me uit te rappen, toen ome Arie naast me plaats nam. Hij zag er moe uit. “ Ik heb nachten bijna niet geslapen,” bevestigde hij mijn vermoeden, “En Riek wordt gek van mijn gerap…” Ik begreep zijn gevoel. “Je bent niet de enige, ome Arie. Het valt niet mee.” Hij stopte zijn pijp. Ik had dat nog niet eens gedaan en volgde zijn voorbeeld. Een zorgelijke stilte volgde. We rookten grote wolken en dachten diep na. “Hebt u al wat?” Vroeg ome Arie. Ik haalde diep adem: “heb jij een ritme voor me?” Ome Arie begon nogal klungelig met zijn pijpe-stampertje op ons bankje te timmeren. Een nabij lopende mevrouw met een keeshondje aan een roze lijntje schrok. Toen ik hardop begon te rappen: “Op mijn trekker zat neffe mij een mooie meid, niet van hier maar van gunterweid…” sleurde ze in paniek het arme beest aan zijn riempje de straat over, alwaar het beest luidruchtig kokhalsde. Ome Arie keek me bewonderend aan. “Zo-o”, zei hij slechts, “Zo-o!” Gesterkt door deze bijval ging ik verder: “verliefd pakt ik heur hand, maar reed weid, want het regende hoekvurrekies en de errepele moste van ’t land…” Ome Arie had dikke pret en deed ook een duit in het zakje: “het Groenjassie heette Aol, maar zo heetten ze daor allemaol…” We begonnen er net lol in te krijgen, toen ‘kleine Aai’ kwam aangefietst. “Wat doen jullie?” vroeg hij verbaasd. Ome Arie keek mij aan en ik keek ome Arie aan: “Wat doen jullie? Wij zijn voor jou aan het rappen, weet je nog?” Het ventje keek verbaasd: “Rappen? Maar dat was vorige week!” Wij keken hem verbijsterd aan, toen hij er, alsof dat allang bekend was, aan toevoegde: “Sinds gisteren wil ik toch liever vlogger worden, da’s simpeler…” Hij wees op zijn mobieltje op een stokkie en keek daarna vragend zijn opa Arie aan: “maar daar heb ik eigenlijk een betere camera voor nodig, wil je daar iets in investeren, opa?” Ome Arie keek mij even aan, knipoogde en antwoordde: “Jij denkt, dat ik mijn harses op het besteebord hè laete leggen, zeker?”(Groenjasse: inwoners van Maasdam)
Arie 2
Ome Arie zuchtte diep, toen ‘kleine’ Arie weer enthousiast op zijn gammele fietsie was gesprongen en, sneller, eh, rapper dan normaal was weggefietst. “Kun jij eigenlijk rappen, ome Arie,” vroeg ik, het antwoord eigenlijk wel wetende. Hij schudde zijn grijze krullenkop. Z’n pet stond zorgelijk. Hij keek me met erg trieste ogen aan. “Maar zo’n gast wil je toch ook niet teleurstellen…” Ik begon medelijden met hem te krijgen. “Kunt u ons helpen, meneer Ype? U schrijft toch ook wel eens stukkies?” Hij bracht me in een lastig parket. Mijn dichterlijke dienstverband bij de qua omvang van zijn oeuvre grootste dichter van alle tijden was niet bepaald een aanbeveling betreffende de kwaliteit van mijn werk. (Inderdaad, ik bedoel een heden ten dage nogal omstreden bisschop uit Spanje). Ome Arie begreep mijn zwijgen. We keken beiden weer zorgelijk voor ons naar de uitgang van het schilderachtige haventje van ons dorp. En dachten diep na. “Bovendien gebruiken rappers ook nog veel straattaal, en daar weet ik helemáál niks van”, droeg ome Arie niet bepaald bij aan het verbeteren van de stemming. Toch bracht hij me hierdoor op een idee: “Straattaal? Voor een rapper uit de Hoeksche Waard zou dat toch Hoeksche-waards moeten zijn?” Hij keek me met grote ogen aan: “Natuurlijk! Dat is het: de rapper van de Hoeksche Waard!” Alsof er een wereld voor hem openging. Vrolijk stapte hij, nadat hij zijn pijp had uitgeklopt, weer op ‘hum’ fiets, allerlei Hoeksche Waardse gezegden en woorden mompelend: “Gunterweid rijmt op mooie meid, neffen op beffen, maar dat gaat misschien te ver…” En zo fietste hij ‘hoiswaerts’. Ik kon er wel om lachen, klopte ook mijn pijp uit en startte mijn scooter. “Toch eens googelen naar woorden uit het Hoeksche Waards,” mompelde ik in mezelf, terwijl ik gas gaf.