Soms krijgt mijn lief het op haar heupen. Dan gaat ze opeens heel erg schoonmaken. Heel erg. Vooral, wanneer dat op een zaterdagochtend is. Zoals die dag aan het begin van het voetbalseizoen. Daar ik geen zin had mijn krantje met mijn voeten opgetild en gehinderd door het lawaai van een stofzuiger te moeten lezen, vluchtte ik naar mijn voetbalclub, de Zinkwegse boys. Het was vroeg en vochtig. De f-jes (tegenwoordig heet dat anders) waren op het zompige weiland aan het voetballen. Twaalf kleine mannetjes en twee kleine vrouwtjes met iets te grote broekjes waaruit dunne spillebeentjes staken, die blij achter een bal aanrenden. Schitterend. Langs de lijn stonden enthousiaste ouders hun kroost aan te moedigen. Ik ging naast een nette dame staan, die er wat ongemakkelijk bijstond. “Hoeveel staat het?”, vroeg ik. “Ik geloof één-nul achter”, zei de dame, “Ze zijn net begonnen en mijn man kijkt nu al chagrijnig”. Ik zei maar niks. Langs de zijlijn stond een man allerlei aanwijzingen te roepen, die duidelijk door de spelertjes niet begrepen werden. “Dat kan weer een leuk weekend worden”, zei de dame. “Hij kan er ook niks aan doen. Hij is ook altijd, zoals hij dat zelf zegt ‘competitief’ opgevoed” Ik keek vragend opzij. “Hij wil gewoon het beste voor zijn zoon”
Competitief. Ik moest denken aan die knul in zijn rolstoel in een klein gymzaaltje in IJsselmonde, nu zeker 30 jaar geleden. Ik was daar naartoe meegenomen door een kennis van me, een polio-patiente, die fanatiek rolstoel-basketbalde. Bij de ‘Arrows’ een rolstoelbasketbalclub in Rotterdam. Allemaal mannen en vrouwen, die ondanks hun handicap ook competitief waren. Op die ene knul na. Zwaar spastisch. Hij zat de hele avond voor een basket te proberen de bal in het netje te krijgen. Tevergeefs. Honderden keren moet hij het geprobeerd hebben, duizenden zelfs. Altijd mis. Zijn vader stond altijd bij hem en gaf hem steeds weer de bal aan en bleef hem positief stimuleren. Engelengeduld.
Door zijn spasme kreeg hij de bal nooit hoog genoeg om de basket te bereiken. Zijn ploegmakkers hadden, om hem te helpen, eens de basket laten zakken. Maar dat wilde hij niet. Dan was het niet echt, zoals veel in zijn leven niet echt leek.
“Hoe lang is hij het al aan het proberen?” vroeg ik mijn kennis. “Hij is al 4 jaar lid, komt iedere week, en het is hem nog nooit gelukt” zei ze, “Wanneer het hem lukt, stopt hij, zegt hij altijd. Want je moet op je hoogtepunt stoppen!” Ik moest even slikken. “De andere leden hebben diepe bewondering voor hem en zijn vader. Geen van ons heeft zo’n mentaliteit”.
‘ Competitief’ . Is het niet zo, dat je pas van een gewonnen wedstrijd kunt genieten, wanneer je er al heel veel hebt verloren? Mijn grote voorbeeld is onze basketballer, die al die duizenden worpen niet als mislukking ziet, maar als de weg naar dat ene hoogtepunt.
Ik keek op uit mijn mijmeringen en het viel me op, dat de dame naast me iets kleiner leek. “Ik zink weg” zei ze een beetje benauwd. “Ik ben ook Zinkwegse boys aanhanger”, wilde ik zeggen, maar kon mijn zin niet afmaken, daar de dame opeens om mijn nek hing. Ik kon nog maar net blijven staan. Stomverbaasd, daar ik niet gewend ben door dames om de nek gevlogen te worden, maakte ik me voorzichtig los uit de omhelzing. Ze stond er wat ongelukkig bij met haar hoge hakjes geheel in de grond gezakt. Als een toren van Pisa.
Ik hielp haar om haar stilettootjes uit het gras te trekken en liep met een grijns op mijn gezicht naar de kantine voor een bakkie koffie. Achter me hoorde ik gejuich. De gelijkmaker.
Dineetje
Ik ga graag met mijn vrouw uit eten. We doen dat het liefst bij een grieks restaurant bij ons in het dorp, maar ook wel eens ergens anders, zoals die keer in Breda.
We zaten net te genieten van ons Ouzootje, toen er een gezelschap binnenkwam. Vaak is het direct duidelijk waar een gezelschap voor bij elkaar is gekomen. Bijvoorbeeld oma wordt 90 en heeft centen genoeg om op een etentje te trakteren, dus wordt het arme mens door twee potige kleinzoons uit haar verzorgingshuis gesleurd, naar een restaurant ontvoerd en aldaar op een stoel neergeplant, terwijl het hele gezelschap haar toezingt. Liefst het één of andere zelfgemaakte vers. (Wanneer ik bij zo’n gelegenheid een papier uitgereikt krijgt, waarop bovenaan staat: ‘Op de wijs van: Toen onze mop een moppie was’ krijg ik acuut last van mijn darmen en vlucht ik voor minimaal een halfuur naar het toilet…) Na zulk een vreselijk gezang vertelt iedereen haar, hoe leuk ze het allemaal moet vinden, terwijl het arme mens geen idee heeft, waar het allemaal over gaat en zich zorgen maakt, dat ze niet op tijd voor het eten thuis is.
Mijn ouders hebben eens meegemaakt, dat zo’n oma bezweek tijdens de toespraak van zoonlief. Dood. En zoonlief maar doorgaan, het glas heffend: “Nou, oma, nog vele jaren in een goede gezondheid!” Het mensje zat een tikkie in elkaar gedoken en reageerde niet. Het hele gezelschap hief het glas en oma zat er een beetje dood te wezen. Heel vredig. Men kwam er nog wel vóór het dessert achter, dat ze toch wel een tikkie erg stil was. Volgens mijn vader werd het oudje op een oude deur de eetzaal uitgedragen. Hij had geen hap meer naar binnen kunnen krijgen, hetgeen voor mijn vader vrij uitzonderlijk was. Sinds die dag mocht ik geen toespraken meer houden tijdens familie-dineetjes.
Maar dat was hier dus niet het geval. Geen oma te bekennen, tenminste, het leken allemaal oma’s en opa’s. Het was een bejaardenclub of zoiets. We zaten er gezellig samen naar te raden. Een klaverjasclub scoorde het hoogst in onze bookmaker’s poule. Maar uit de door ons moeizaam afgeluisterde gesprekken werd weinig duidelijk.
We kregen ons eten en genoten van het gebodene, zonder de aandacht voor de vijftig tinten grijs achter ons helemaal te verliezen.
Binnen gezelschappen heb je altijd een bepaalde rolverdeling. Er is altijd een luidruchtige lolbroek. Die altijd dezelfde grap heeft. “Dat zei mijn vrouw vannacht ook!” Let maar eens op, deze grap is universeel. Wanneer je gewoon zegt: “Dit vind ik lekker” dan komt de lolbroek met: “Dat zei mijn vrouw ook vannacht!” Te pas en te onpas. Vaak wordt er dan ook nog gelachen ook, waardoor de lolbroek deze ‘grap’ zal blijven maken. Uiterst irritant, zeker voor zijn vrouw.
Op een bepaald moment stond één van ons achterbuurgezelschap op. De enige, die als heer vermomd was. Vast de voorzitter. Verenigingen vinden in hun midden altijd wel de één of andere nette domoor, die ergens een net pak en een stropdas in de kast heeft, zichzelf graag hoort praten en het heerlijk vindt in het middelpunt van de belangstelling te staan. En die zijn toespraken steevast begint met: “Vanaf deze plaats wil ik iedereen welkom heten” Wat heeft deze plaats ermee te maken? Niks.
Deze dus ook. Hij ging uitvoerig allerlei mensen bedanken, voor hun gastvrijheid of zoiets, en nog steeds konden Elly en ik niet bedenken, wat deze mensen nou aan elkaar bond. De voorzitter sprak onduidelijk en te lang en ging vervolgens uitslagen voorlezen. Van een heel jaar! Pas toen begreep ik, dat het om een biljartvereniging ging. De voorzitter had ook een lollige bui, en ging verder: “Piet heeft een moyenne van 0,06 en we zijn blij, dat hij het laken niet heeft gescheurd !” De lolbroek er gelijk achteraan: “dat zei mijn vrouw ook vannacht..” Een ander: “Wat deed Piet vannacht bij jouw vrouw?” De hele grijze duiventil gierde het uit.
Vreselijk.
We aten snel door, want we hadden genoeg gehoord. Toen ook nog bleek, dat de voorzitter de eerste prijs aan zichzelf ging uitreiken werd het ons teveel. We sloegen het toetje maar over.
“Wat een slap gelul” zei Elly, toen we buiten stonden. “Dat zei Zijn vrouw ook vannacht” grapte ik, doelend op de lolbroek. Ik werd vernietigend aangekeken…
kampioenswedstrijd
Bij een wedstrijd van de Boys sta ik het liefst achter de dug-out, die ze speciaal voor mij doorzichtig gemaakt hebben. Daar sta ik achter verzorger Leo, mijn maat. Zo ook zaterdag. De wedstrijd was net begonnen toen een klein meisje achter me langs huppelde. Helemaal in haar spel. Opeens stopte ze. Ze zag een nieuw speeltoestel: een klimrek! Tussen de dug-outs stond een stelling, waarop een camera met man, die de wedstrijd voor de Hoekse waard-tv stond te filmen. Het meisje zag alleen een klimrek en begon enthousiast te klimmen, want daar dienen klimrekken voor. De cameraman dacht even, dat hij in Groningen was, want hij voelde lichte aardschokken. De beelden van de wedstrijd werden ook wat minder stabiel. Toen zag hij het meisje aan zijn stelling hangen. Zachtjes zei hij tegen haar, dat het geen klimrek was. Hij zei het gelukkig heel vriendelijk. Het meisje keek verbaasd, liet zich uit het televisie-klimrek zakken om vervolgens vrolijk verder te huppelen. Ik kon niet anders dan glimlachen, net als de cameraman.
De twee mannen naast me hadden niets van het incidentje meegekregen. Ze hadden het te druk met zichzelf. Degene, die het dichtst bij me stond was een oud scheidsrechter. Toen ik opmerkte, dat de jonge scheids van een week geleden in mijn ogen redelijk goed gefloten had, werd ik afkeurend bekeken. “Hij liep zijn diagonaal niet goed!” De diagonaal is heilig. (De scheids moet zich diagonaal over het veld bewegen, zodat hij altijd goed zicht heeft op zijn grensrechters) Wanneer je de wedstrijd goed aanvoelt, steeds dicht bij het spel bent, maar je loopt je diagonaal niet goed, bak je er in mijn buurman’s ogen dus niets van. “Hij is daarom vorig jaar ook gedegradeerd” wist hij nog met een vals lachje te vertellen.
Vast een hele irritante man in het veld geweest, dacht ik. Door dit soort figuren zijn AED’s onontbeerlijk in kantine’s van 4e klassers geworden. Je houdt toch je hart vast, wanneer je weer zo’n pedante eikel als fluitist krijgt? Braaf z’n diagonaaltjes lopen en er verder niets van snappen…
Ik hield mijn mond maar en ergerde me gezellig verder aan de scheids van dienst in het veld, die ook keurig zijn diagonalen hobbelde en af en toe, redelijk willekeurig, wat op zijn fluit blies.
De eikel draaide zich om en ging het gesprek aan met zijn veel interessantere andere buurman, die vroeger bij Feijenoord gevoetbald scheen te hebben. In het eerste. Op de bank. Het hoe en waarom daarvan werd uitvoerig uitgelegd. Het viel me op, dat de heren net kikkers waren; ze bliezen zichzelf op. De één was een geweldige scheidsrechter in de eerste klasse amateurs geweest, de ander hét grote talent op de bank bij het grote Feijenoord. ‘Dus allebei nét niet’ dacht ik, en probeerde me weer op de wedstrijd van de boys te richten. Maar het gekwaak ging verder. Na de bank van Feijenoord was de Rabobank de werkplek van de voetballer geworden. ‘Eens bankzitter, altijd bankzitter’ dacht ik met een gemeen grijnsje. Toen het gesprek vervolgens ging over de hypotheekrentes in de jaren 80 van de vorige eeuw, werd het me teveel en ben ik even aan de andere kant van de dug-out gaan staan. Aan de kant van trainer Mark en assistent Henk. En niet te vergeten van ‘stille kracht’: elftalleider Roberto.
Aan de overkant van het veld probeerde het kleine meisje nu op de platte kar, die klaarstond voor de aanstaande kampioenen, te klimmen. Dat nieuwe speeltoestel was nog veel mooier dan die saaie stelling…
Zuurkoolstamppotpoeder
Jitske was een prachtige vrouw. Ze was een medestudente op de academie voor fysiotherapie. Tijdens een soos-avond kletste ik als Brugman (alhoewel, dat was een dominee, misschien meer als Cyrano de Bergerac..) en ouwehoerde zo een eerste kus bij elkaar. Meer niet. We spraken af elkaar de volgende dag weer wat verder te ontdekken, en Jitske ging naar huis.
De volgende morgen op de academie was ik weer nuchter en dronk samen met Jitske koffie. Het gesprek liep een tikkie stroef. Ze bleek iets minder leuk, dan ik dacht. Had ik de klassieke fout gemaakt veel zelf te praten en weinig te luisteren? Of was er niks te luisteren?
Ze was wel aardig en heel mooi, maar miste iets. Eigenlijk miste ze heel veel. Humor, bijvoorbeeld.
Maar ik vond het zielig om haar zomaar te dumpen. En voelde me een beetje schuldig, dat ik haar gezoend had. Tijdens het gesprek bleek, dat ik haar tijdens de soos-avond had uitgenodigd om bij mij op mijn studentenkamer te komen eten.
Dus ik moest iets bedenken om haar ervan te overtuigen, dat ik niet de ware voor haar was. Zonder haar erg te kwetsen.
Ik verstopte mijn borden en mijn bestek op 2 lepels een vork en 1 mes na. Ik kocht kant en klare zuurkoolstampot in poedervorm. ‘Maggi-wat-maak-je-me-nou’ heette dat. Daar nog een rookworst bij en het feestmaal kon bereid worden.
Jitske kwam, zoals dat bij veel dames schijnt te horen, een kwartiertje te laat in een mooie jurk en beklom het smalle, met een vale loper beklede trapje naar mijn kamer, nadat ik de deur met een touwtje had opengetrokken. Het was wel wat anders dan de twee-onder-één-kap van haar ouders. Ik nam galant haar jas aan en nodigde haar uit plaats te nemen op mijn gammele stoeltje. Op tafel stond een waxinelichtje romantisch te zijn, en ik had een muziekje opgezet. “Even koken”, zei ik, en zette een ketel water op. Ze keek verbaasd. Ik pakte een pan uit een kastje met een gordijn ervoor, en zette deze op de andere pit van mijn campinggasstelletje, deed er wat water in en de rookworst. De verbazing nam toe. “Ja, sorry, hoor, maar als arme student heb ik niet zoveel spullen” loog ik vrolijk verder. Ze deed, alsof ze het begreep. Het water in de ketel kookte. Ik haalde na een paar minuten de rookworst uit het pannetje en gooide er de ‘Maggi-wat-maak-je-me-nou’ in met een grote zuurkoolstofwolk. Nu was haar verbazing al overgegaan in verbijstering. Ik voegde nog wat kokend water uit het keteltje toe, al roerend en vrolijk babbelend over koetjes en kalfjes, tot er een smeuige brij ontstond. Daarna werd de rookworst in stukjes gehakt en bij de zuurkoolspecie gesmeten. Ik zette zout en peper op tafel en, als summum van luxe, een potje mosterd.
Jitske werd steeds roder. Haar verbijstering begon richting boosheid te gaan. Het plan ging lukken.
Ik overhandigde haar een lepel. Daar ik wist, dat ze nogal christelijk was en gezien het culinaire dieptepunt op tafel vroeg ik haar of ze voor het eten wilde bidden. Ze schudde ontkennend haar hoofd. Deze maaltijd verdiende haar zegen niet. “Nou, tast toe dan!” zei ik en begon zelf enthousiast uit de pan te lepelen. Ze keek vol afschuw naar de lepel, naar de zuurkoolsmurrie en vervolgens naar mij en zat nu echt donkerrood te wezen. “Heb je geen bord?” “Nee, sorry, gisteren mijn laatste bord uit mijn handen laten flikkeren”, jokte ik verontschuldigend, “Maar dit is toch juist romantisch?”
Jitske zei niets,legde langzaam haar lepel neer, stond op, pakte haar jas, strompelde op haar hoge hakjes de trap af en vertrok. Zonder iets te zeggen. Haar idee over romantiek strookte niet geheel met het mijne.
Toen ze weg was pakte ik mijn verstopte bord en schepte het vol zuurkool. Viel eigenlijk best mee, dat ‘Maggi-wat-maak-je-me-nou’…..
Kermis
Het is alweer een tijdje geleden, dat ik op een kermis was. Ik houd niet zo van kermissen. Kermispersoneel kijkt altijd zo sjagrijnig. Daar worden ze op getraind: Vooral niet te vrolijk kijken! Vroeger vond ik botsautootjes nog wel leuk en daarbij vooral het gegeven, dat het ding achteruit ging rijden, wanneer je je stuur ver doordraaide. Waanzinnig. Bij een gewone auto moet je dan allerlei handelingen verrichten, bij zo’n botsauto kun je alles met één hand doen, en die andere hand nonchalant over de rugleuning leggen. Het waren ook altijd cabriootjes. En dan was er ook zo’n knul van de kermis, altijd met zo’n matje in zijn nek (De kermiskapper kent maar één kapsel: het matje. Zelfs de vrouw van de zuurstokkentent heeft een matje.) die van de ene botsauto op de andere sprong en magische handelingen deed om vastgelopen wagentjes weer aan de gang te krijgen. (vooral, wanneer deze gevuld was met vrouwelijk schoon.)
Toen ik later met mijn dochters wel eens langs een kermis kwam, en dat dus nooit zonder financiële schade lukte, viel me ook steeds op, dat de draaimolenaar kaartjes uit kinderhandjes kon rukken, terwijl hij de andere kant opkeek. Ik heb dat wel eens geprobeerd, maar dat valt nog niet mee. Ook viel me op, dat hij een enkele keer een soort glimlach grimaste, wanneer een kind vergezeld werd door een opa dan wel oma, of liefst nog allebei. Opa’s en oma’s betekenen kassa. Moeders alleen geven hooguit 2 ritjes, om van het gejengel af te zijn. Vaders mogelijk 3. Maar grootouders vertegenwoordigen het grootkapitaal voor de draaimolen.
We waren net getrouwd, op 10 september. Na de huwelijksnacht, welke we, net als iedereen, al geldtellend hadden doorgebracht, waren we de volgende morgen vertrokken. Op huwelijksreis in ons Toyotaatje naar Frankrijk met de tent. De tweede nacht hingen we gezellig aan de tentstokken met windkracht 6 en bittere kou. Maar het deerde niet; we waren jong en gelukkig. De derde nacht verliep meer volgens de huwelijkse verwachtingen.
Die derde dag was er in één of ander dorp kermis. Een roestig, vaal kermisje. We liepen erover, vol van elkaar, zonder echt geïnteresseerd te zijn in grijpertjes, die nephorloges probeerden op te takelen (en daarmee het geld uit je portemonnee) of hard rondtollende octopussen. Opeens besefte ik, dat mijn verse echtgenote die dag jarig was. Ze had het zelf nog niet eens in de gaten op haar roze huwelijkswolk. Ik had geen kado, ik was hard op weg haar eerste verjaardag met mij als echtgenoot te verpesten! Paniek. De kermis bracht gelukkig uitkomst. Ik liep naar de suikerspinnentent, waar een ongeïnteresseerde middelbare dame suikerspinnen stond te draaien, met een sigaret in haar mondhoek. Ik kocht de grootste die ze kon leveren. “We zijn net getrouwd”, probeerde ik in mijn beste steenkolen-Frans, Het was net, of ze toch even uit haar kermisrol viel en glimlachte.
En Elly? Die was stomverbaasd, want ze was echt haar eigen verjaardag vergeten. Ze at de roze suikerwolk met een heerlijke lach op haar gezicht. En ik smolt weer…
Dus wanneer ik nu langs een kermis kom, kijk ik altijd even, of ik een suikerspin voor haar kan kopen. Helaas vindt ze suikerspinnen niet echt lekker…
portemonnee
Ik heb veel respect voor moeders met kleine kinderen. Het zijn ware circusartiesten, zoals ze op een wankele fiets, met één kind voor in een zitje een ander kind met een soort heupworp achterop geslingerd krijgen. En dat met 2 volle boodschappentassen aan het stuur. Dan gaat er natuurlijk wel eens wat mis. In de stressvolle periode met kleine kinderen kan het gebeuren, dat er wel eens iets kwijtraakt, zoals een portemonnee. Ik heb wel eens de portemonnee van mijn Elly teruggevonden in de vriezer.
Om het allemaal wat gemakkelijker voor haar te maken, hadden we een klein autootje gekocht. Een Fiatje 126, met een piepklein motortje achterin. Elly was er dolblij mee, en hoefde geen halsbrekende toeren meer uit te halen op haar fiets. Toch hielp het niet helemaal. Op weer zo’n stressdag, waarop de baby niet op haar best was en er van alles gedaan moest worden, was Elly haar portemonnee kwijt. Helemaal in paniek vroeg ze buurvrouw Tineke, of deze even op Maartje kon passen, zodat zij terug kon naar de winkel, waar ze de portemonnee het laatst had gebruikt. Ze scheurde met het rode koekblik naar de winkel en kwam niet veel later in tranen terug. Niets gevonden. De buurvrouw bood haar een bakkie troost aan, en onze El kwam tot bedaren. “Misschien toch nog eens in je auto kijken?” opperde Tineke. El had er eigenlijk weinig zin meer in, maar samen gingen ze naar buiten. “Je auto stond hier net toch ook?” vroeg Tineke, en ze bukte en pakte een totaal platgereden portemonnee uit de goot onder de auto. Bij het uitladen van de boodschappen uit El’s jaszak gevallen. El keek haar aan, naar de portemonnee en weer naar Tineke. Toen schoten ze onbedaarlijk in de lach. El had de beurs laten vallen en was er vervolgens in haar haast om te gaan zoeken met haar achterwieltje overheen gereden. En op de terugweg waarschijnlijk nog een keer! “Ik voelde wel een hobbeltje” lachte ze. De portemonnee bleek beter tegen vrieskou dan tegen Fiatjes te kunnen dus werd vervangen. Door een felrood exemplaar. Die viel meer op.
Gifkikker
Mijn Elly is niet erg groot, bij zo’n anderhalve meter blijft de rolmaat steken. Maar ze komt wel uit Rotterdam. Dat maakt zeker verschil.
We woonden toen nog in de Vliegerstraat, in een oud huis in het oude westen van Rotterdam. Elly ging op een dag op haar fiets naar de buurtsuper op de Nieuwe Binnenweg. Ze was die dag niet in haar vrolijkste stemming. Op de terugweg kwam ze langs het jeugdbuurthuis, waar een paar hangjongeren zich, al wiet rokend, stonden te vervelen. Één van hen hield wel van een geintje en begon naar Elly te fluiten en te roepen. El had weinig nodig die dag, dus reageerde ietwat ontstemd. De knul, een donkere lange en ook brede gast, rende achter haar fietsje aan en dreigde achterop te springen, begeleid door luid gelach van zijn maten.
Zoals gezegd; mijn lief was die dag wat minder lief. Ze remde, gooide haar fiets tegen een daar toevallig aanwezige container, welke gevuld was met bouwafval, pakte hier een end hout met spijkers uit en keerde zich naar de onthutste belager. Deze begon nu haar stemming wat beter aan te voelen en zette het op een lopen; richting clubhuis. Elly met end hout erachteraan. De maten van de ‘held’ stonden nu nog harder te lachen. Gelukkig kon onze bodybuilder harder lopen dan zijn belaagster en kon hij precies op tijd het toilet bereiken om dekking te zoeken.
Toen begon onze heldin pas een beetje te begrijpen waar ze mee bezig was en besloot, dat het nu toch wel tijd werd om zich tactisch terug te trekken. Ze fietste ongestoord naar huis.
Ze heeft drie weken lang maar een andere route naar de buurtsuper genomen, omdat ze dan niet langs het jeugdhonk hoefde…
shampoo
Tijdens het douchen heb ik over het algemeen geen brilletje op. Dus wanneer ik enigszins visueel gehandicapt naar de shampoo grijp ga ik er vanuit, dat mijn gevoel me niet bedriegt bij de keuze van de fles. Dus vanmorgen vertrouwde ik weer op mijn gevoel en ging enthousiast mijn haar wassen. Maar dat spul schuimde niet en rook niet erg fris, en ik durfde, vanwege mijn kop vol shampoo ook niet op het flesje te kijken. Dus riep ik naar mijn vrouw: “Dat kleine witte flesje in de douche; het stinkt en ik probeer mijn haar ermee te wassen, maar het schuimt helemaal niet. Wat is dat voor kutshampoo?!” het antwoord was kort: “Dat klopt!” Ik waste mijn ogen schoon, verliet de douche en pakte mijn bril en las op het shampoo-flesje: ‘Lactacyd: voor de intieme hygiene van de vrouw’ Ik dacht, dat dat net zoiets was als de karnemelkzeep van vroeger.
Zachtjes mopperend kwam ik de badkamer uit. “Voor de intieme hygiene van de vrouw”, grumbelde ik, “En wat is er voor ons mannen dan? Niks, wij hebben zeker geen intieme hygiene nodig..” “Jawel, hoor, schat” klonk het vanuit het bed. “Voor jullie intieme hygiene hebben we bal-sem, maar dat gebruiken we pas, nadat jullie definitief zijn gestopt met zeuren” En ze draaide zich nog eens om.
blind
Ik ging mijn patient uit de wachtkamer halen. De man was een vaste klant en een tikkie apart. Dit keer was hij vergezeld door zijn vrouw. Tot mijn verbazing hielp ze hem overeind en liep hij aan haar arm richting behandelkamer. De vorige keer had hij volgens mij nog redelijk fit en zelfstandig de praktijk verlaten. “Let u maar niet op mij, ik ben blind geworden” zei hij, alsof zoiets de gewoonste zaak van de wereld was. “Zomaar opeens?”zei ik, en ik herinnerde me daarover een passage in mijn neurologie-leerboek van de academie: ‘Bij MS kan één van de vroegsymptomen een voorbijgaande blindheid zijn’ Maar dan aan één oog.
“Bent u al bij uw huisarts geweest?” vroeg ik. “Nee, maar dat is niet nodig, want ik doe aan Kendo, en leef volgens de Chinese regels, en met mijn mentale energie, mijn Chi, kan ik mijzelf hiervan genezen” Ik was even met stomheid geslagen en dacht: ‘Waarom doe je dat dan niet bij die rugklachten waarvoor je al 6 keer bij mij onder behandeling bent geweest’, maar dit hield ik toch maar even voor me. De echtgenote keek me veelbetekenend aan en ik ging zijn rugklachten behandelen, alsof er verder niets aan de hand was.
Na zijn vertrek belde ik toch voor de zekerheid even met zijn huisarts, die slechts reageerde met: “O, die vent? Daar zou ik me als ik u was maar geen zorgen over maken!”
De week daarna kwam onze Martial artiest weer. Hij liep nu zonder zijn blindegeleide-vrouw, maar nog wat onzeker. “Het gaat al een stuk beter”, zei hij, “Sinds eergisteren zie ik alweer in zwart/wit” Ik schoot bijna in de lach, want dat stond nergens in ‘Klinische neurologie’ van Oosterhuis. Gelukkig kon ik mijn gezicht in de plooi houden en behandelde, nu zonder zorgen, zijn rug.
inbreker
Hij zat bij me op de massagebank met een dikke knie. Hij woonde tegenover de praktijk in ‘de gemsensprong’; een tehuis voor jongeren in de leeftijd van 12-16 jaar, die om diverse redenen niet meer thuis konden wonen. Ze leerden er voor zichzelf te zorgen. Vaak was er een nogal traumatische jeugd aan het verblijf daar voorafgegaan. Een aantal van hen waren gedetineerd geweest. Zoals dit mannetje, 14 jaar en nogal klein voor zijn leeftijd. “Hoe heb je je knie bezeerd?” vroeg ik. “Gestoten bij het klimmen” Hij was niet erg mededeelzaam. Ik behandelde hem en niet lang daarna functioneerde de knie weer als vanouds.
Niet veel later kreeg ik Charlie onder behandeling, een behoorlijk brede gast met een erg rustige uitstraling. Hij werkte in ‘de Gemsensprong’ als groepsleider en zijn sportverleden als karatekampioen kwam regelmatig goed van pas. Hij vertelde, dat hij bepaalde jongetjes nooit de rug toekeerde, omdat hij niet opgepakt wilde worden wegens ‘verboden wapenbezit’: Een mes in zijn rug. Ik lachte.
Hij vertelde, dat ze wekelijks de kasten van de bewoners doorzochten naar drugs en wapens. Laatst hadden ze nog een mes en een kleine koevoet gevonden. Dat laatste artikel was gebruikt bij een aantal inbraken. De werkwijze was steeds hetzelfde geweest: met een klein koevoetje werd een bovenlichtje opengebroken, het kleine mannetje moest naar binnen klimmen en van binnenuit de deur of een groter raam opendoen voor de ‘grote jongens’. Toen begreep ik de blessure van het kleine mannetje: Bij een inbraak in onze praktijk, enige weken eerder, waren de braaksporen volgens de politie ‘van een kleine koevoet’, bovendien was het raam-uitzettertje afgebroken. ‘Gestoten bij het klimmen’. Vanwege mijn beroepsgeheim mocht ik niks zeggen, maar dat was wel erg moeilijk.