Dineetje

Ik ga graag met mijn vrouw uit eten. We doen dat het liefst bij een grieks restaurant bij ons in het dorp, maar ook wel eens ergens anders, zoals die keer in Breda.
We zaten net te genieten van ons Ouzootje, toen er een gezelschap binnenkwam. Vaak is het direct duidelijk waar een gezelschap voor bij elkaar is gekomen. Bijvoorbeeld oma wordt 90 en heeft centen genoeg om op een etentje te trakteren, dus wordt het arme mens door twee potige kleinzoons uit haar verzorgingshuis gesleurd, naar een restaurant ontvoerd en aldaar op een stoel neergeplant, terwijl het hele gezelschap haar toezingt. Liefst het één of andere zelfgemaakte vers. (Wanneer ik bij zo’n gelegenheid een papier uitgereikt krijgt, waarop bovenaan staat: ‘Op de wijs van: Toen onze mop een moppie was’ krijg ik acuut last van mijn darmen en vlucht ik voor minimaal een halfuur naar het toilet…) Na zulk een vreselijk gezang vertelt iedereen haar, hoe leuk ze het allemaal moet vinden, terwijl het arme mens geen idee heeft, waar het allemaal over gaat en zich zorgen maakt, dat ze niet op tijd voor het eten thuis is.
Mijn ouders hebben eens meegemaakt, dat zo’n oma bezweek tijdens de toespraak van zoonlief. Dood. En zoonlief maar doorgaan, het glas heffend: “Nou, oma, nog vele jaren in een goede gezondheid!” Het mensje zat een tikkie in elkaar gedoken en reageerde niet. Het hele gezelschap hief het glas en oma zat er een beetje dood te wezen. Heel vredig. Men kwam er nog wel vóór het dessert achter, dat ze toch wel een tikkie erg stil was. Volgens mijn vader werd het oudje op een oude deur de eetzaal uitgedragen. Hij had geen hap meer naar binnen kunnen krijgen, hetgeen voor mijn vader vrij uitzonderlijk was. Sinds die dag mocht ik geen toespraken meer houden tijdens familie-dineetjes.
Maar dat was hier dus niet het geval. Geen oma te bekennen, tenminste, het leken allemaal oma’s en opa’s. Het was een bejaardenclub of zoiets. We zaten er gezellig samen naar te raden. Een klaverjasclub scoorde het hoogst in onze bookmaker’s poule. Maar uit de door ons moeizaam afgeluisterde gesprekken werd weinig duidelijk.
We kregen ons eten en genoten van het gebodene, zonder de aandacht voor de vijftig tinten grijs achter ons helemaal te verliezen.
Binnen gezelschappen heb je altijd een bepaalde rolverdeling. Er is altijd een luidruchtige lolbroek. Die altijd dezelfde grap heeft. “Dat zei mijn vrouw vannacht ook!” Let maar eens op, deze grap is universeel. Wanneer je gewoon zegt: “Dit vind ik lekker” dan komt de lolbroek met: “Dat zei mijn vrouw ook vannacht!” Te pas en te onpas. Vaak wordt er dan ook nog gelachen ook, waardoor de lolbroek deze ‘grap’ zal blijven maken. Uiterst irritant, zeker voor zijn vrouw.
Op een bepaald moment stond één van ons achterbuurgezelschap op. De enige, die als heer vermomd was. Vast de voorzitter. Verenigingen vinden in hun midden altijd wel de één of andere nette domoor, die ergens een net pak en een stropdas in de kast heeft, zichzelf graag hoort praten en het heerlijk vindt in het middelpunt van de belangstelling te staan. En die zijn toespraken steevast begint met: “Vanaf deze plaats wil ik iedereen welkom heten” Wat heeft deze plaats ermee te maken? Niks.
Deze dus ook. Hij ging uitvoerig allerlei mensen bedanken, voor hun gastvrijheid of zoiets, en nog steeds konden Elly en ik niet bedenken, wat deze mensen nou aan elkaar bond. De voorzitter sprak onduidelijk en te lang en ging vervolgens uitslagen voorlezen. Van een heel jaar! Pas toen begreep ik, dat het om een biljartvereniging ging. De voorzitter had ook een lollige bui, en ging verder: “Piet heeft een moyenne van 0,06 en we zijn blij, dat hij het laken niet heeft gescheurd !” De lolbroek er gelijk achteraan: “dat zei mijn vrouw ook vannacht..” Een ander: “Wat deed Piet vannacht bij jouw vrouw?” De hele grijze duiventil gierde het uit.
Vreselijk.
We aten snel door, want we hadden genoeg gehoord. Toen ook nog bleek, dat de voorzitter de eerste prijs aan zichzelf ging uitreiken werd het ons teveel. We sloegen het toetje maar over.
“Wat een slap gelul” zei Elly, toen we buiten stonden. “Dat zei Zijn vrouw ook vannacht” grapte ik, doelend op de lolbroek. Ik werd vernietigend aangekeken…