Mentaliteit

Soms krijgt mijn lief het op haar heupen. Dan gaat ze opeens heel erg schoonmaken. Heel erg. Vooral, wanneer dat op een zaterdagochtend is. Zoals die dag aan het begin van het voetbalseizoen. Daar ik geen zin had mijn krantje met mijn voeten opgetild en gehinderd door het lawaai van een stofzuiger te moeten lezen, vluchtte ik naar mijn voetbalclub, de Zinkwegse boys. Het was vroeg en vochtig. De f-jes (tegenwoordig heet dat anders) waren op het zompige weiland aan het voetballen. Twaalf kleine mannetjes en twee kleine vrouwtjes met iets te grote broekjes waaruit dunne spillebeentjes staken, die blij achter een bal aanrenden. Schitterend. Langs de lijn stonden enthousiaste ouders hun kroost aan te moedigen. Ik ging naast een nette dame staan, die er wat ongemakkelijk bijstond. “Hoeveel staat het?”, vroeg ik. “Ik geloof één-nul achter”, zei de dame, “Ze zijn net begonnen en mijn man kijkt nu al chagrijnig”. Ik zei maar niks. Langs de zijlijn stond een man allerlei aanwijzingen te roepen, die duidelijk door de spelertjes niet begrepen werden. “Dat kan weer een leuk weekend worden”, zei de dame. “Hij kan er ook niks aan doen. Hij is ook altijd, zoals hij dat zelf zegt ‘competitief’ opgevoed” Ik keek vragend opzij. “Hij wil gewoon het beste voor zijn zoon”
Competitief. Ik moest denken aan die knul in zijn rolstoel in een klein gymzaaltje in IJsselmonde, nu zeker 30 jaar geleden. Ik was daar naartoe meegenomen door een kennis van me, een polio-patiente, die fanatiek rolstoel-basketbalde. Bij de ‘Arrows’ een rolstoelbasketbalclub in Rotterdam. Allemaal mannen en vrouwen, die ondanks hun handicap ook competitief waren. Op die ene knul na. Zwaar spastisch. Hij zat de hele avond voor een basket te proberen de bal in het netje te krijgen. Tevergeefs. Honderden keren moet hij het geprobeerd hebben, duizenden zelfs. Altijd mis. Zijn vader stond altijd bij hem en gaf hem steeds weer de bal aan en bleef hem positief stimuleren. Engelengeduld.
Door zijn spasme kreeg hij de bal nooit hoog genoeg om de basket te bereiken. Zijn ploegmakkers hadden, om hem te helpen, eens de basket laten zakken. Maar dat wilde hij niet. Dan was het niet echt, zoals veel in zijn leven niet echt leek.
“Hoe lang is hij het al aan het proberen?” vroeg ik mijn kennis. “Hij is al 4 jaar lid, komt iedere week, en het is hem nog nooit gelukt” zei ze, “Wanneer het hem lukt, stopt hij, zegt hij altijd. Want je moet op je hoogtepunt stoppen!” Ik moest even slikken. “De andere leden hebben diepe bewondering voor hem en zijn vader. Geen van ons heeft zo’n mentaliteit”.
‘ Competitief’ . Is het niet zo, dat je pas van een gewonnen wedstrijd kunt genieten, wanneer je er al heel veel hebt verloren? Mijn grote voorbeeld is onze basketballer, die al die duizenden worpen niet als mislukking ziet, maar als de weg naar dat ene hoogtepunt.
Ik keek op uit mijn mijmeringen en het viel me op, dat de dame naast me iets kleiner leek. “Ik zink weg” zei ze een beetje benauwd. “Ik ben ook Zinkwegse boys aanhanger”, wilde ik zeggen, maar kon mijn zin niet afmaken, daar de dame opeens om mijn nek hing. Ik kon nog maar net blijven staan. Stomverbaasd, daar ik niet gewend ben door dames om de nek gevlogen te worden, maakte ik me voorzichtig los uit de omhelzing. Ze stond er wat ongelukkig bij met haar hoge hakjes geheel in de grond gezakt. Als een toren van Pisa.
Ik hielp haar om haar stilettootjes uit het gras te trekken en liep met een grijns op mijn gezicht naar de kantine voor een bakkie koffie. Achter me hoorde ik gejuich. De gelijkmaker.