“En, hoe was uw kerst? Gezellig met uw familie doorgebracht?” Een standaardbegin van een gesprek met een patiënt na de kerstdagen. Voor me op de massagebank lag een oude man op zijn buik, met de typerende gerimpelde slappe ouwemannenbillen. “Het was geweldig!” antwoordde de oude baas en hij lachte. Hij lachte zo hard, dat mijn nieuwsgierigheid werd gewekt. “Wat is daar zo grappig aan?” vroeg ik. De man schokte nog even na. “Ik heb de kerst helemaal alleen doorgebracht. Op eerste kerstdag heb ik bij de Chinees om de hoek lekker eten gehaald en ik had al eerder een heerlijk drankje en een forse ijstaart gekocht. Allemaal voor mezelf, goedkoop en genoeg voor twee dagen.” Ik zweeg even, want zag een eenzaam tafereel voor me. Een man alleen met een bordje bami en niemand om samen de kerst mee te vieren. “Maar dat is toch helemaal niet om te lachen?” hernam ik het gesprek. “Tuurlijk wel, jongen”, zei de oude baas, “Want ik had speciaal voor de kerst een ‘kerst-app’ aangemaakt!” Ik was even uit het veld geslagen. “Een kerst-app?” Zijn buik schudde weer van het lachen. “Inderdaad, een kerst-app. In die app zaten mijn zoon en dochter en alle kleinkinderen. Ik had mijn laptop op tafel voor me neergezet, en kon alles volgen. Zoals die gasten opgedirkt bij het kerstdiner van de andere grootouders zich kapot verveelden en telkens op hun telefoontjes met mij zaten te chatten, terwijl die andere grootouders zich groen en geel zaten te ergeren. En ze aten niet al het ijs voor mijn neus op!” Hij lag nu onbedaarlijk te bulderen. Mijn oudste kleinzoon liet me zelfs de sjagrijnige kop van die trut van een oma zien, terwijl ze hem gelastte zijn telefoontje nou eens neer te leggen!” Hij proestte het uit, “En die knul met zijn meest onschuldige gezicht: ‘maar oma, ik praat met opa de Jong, want die is zo eenzaam met de Kerst!’ En toen draaide het zijn toestelletje zo, dat ik dat onweer-smoel van dat mens kon zien, geweldig!”
Ik kon er ook wel om lachen en rondde de behandeling af. “Dus volgend jaar gaat u die kerst-app weer gebruiken?” De man schudde zijn hoofd. “Nee, dan komen ze allemaal bij mij en neem ik ze gewoon mee naar de Chinees om de hoek. Gezellig, alleen vind ik het wel fijn, wanneer die gasten dat telefoontje dan even gewoon met rust laten…”
kerst
De kerstdagen zijn weer voorbij, de strijdbijlen kunnen weer worden opgegraven en de kerstboom afgetuigd. Maar het grootste probleem is het weer in de doos zien te krijgen van het gourmetstel. Dit jaar heb ik foto’s gemaakt van het uitpakken van het gourmetstel: eerst in de doos, dan half uit de doos en uiteindelijk naast de doos om goed te kunnen zien hoe het ultieme kerstapparaat oorspronkelijk verpakt zat. Tevergeefs. Diverse pogingen om het gisteren weer in die doos te krijgen, leidden tot niets behalve enorme frustraties en bijna tot het daarbij behorende gedrag: het gourmetstelwerpen. Maar juist vóór dat laatste kreeg ik een briljante ingeving. Ik moest dit probleem wetenschappelijk zien op te lossen. Met natuurkunde! Daarbij moeten we beginnen bij het begin, en stap voor stap het gourmetstel-gebruik beschouwen. Wat doen we met een gourmetstel? Gourmetten, zal een oplettend lezertje antwoorden. Wat is gourmetten? Het verwarmen van voedsel teneinde het enigszins eetbaar te krijgen. Verwarmen! Dat is de sleutel van het probleem. Een gourmetstel is voor een groot deel van metaal gemaakt, en metaal reageert op warmte door? Uit te zetten!! Het gourmetstel is uitgezet door de warmte. Het is logisch, dat het vervolgens niet meer in de verpakking past, want de verpakking is níet opgewarmd. En dus te klein. Oplossing: Ik heb het gourmetstel, in plaats van weg te werpen, in de vriezer gezet. Om te krimpen. Dan past het vanavond gewoon weer in de doos en kunnen we de kerstdagen in vrede afsluiten…
Tante Nel
Het viel me op, dat ze bijna niet hoger werd toen ze opstond van haar stoel. Ook viel me op, dat er wel een grootheid stond, ondanks haar bescheiden lichaamslengte. Onze Nel van Dijk, of ’tante Nel’, zoals Bas Nijhuis haar al snel noemde. En dat deed hij, omdat zijn gevoel hem dat ingaf; ze voelde als een liefdevolle tante, zoals de hele kantine aanvoelde als een gewone huiskamer, waar hij als kwajongens-achtig neefje zijn schelmenstreken vertelde aan zijn familie. Om de saaie kerstdagen door te komen. Met tante Nel als zijn grootste fan.
Sponsor/vrijwilligers-avond Zinkwegstijl: heerlijke hapjes (ik heb hierbij, godzijdank, die tegenwoordig gebruikelijke, smakeloze mozzarella gemist!), gratis drankjes en drie uitstekende sprekers. Eerst onze Jan de Boer, die de verbroedering uitstraalde, en toen scheidsrechter Bas Nijhuis met kompaan en ‘aangever’ Eddy.
Wat me opviel was, dat Bas en Eddy, ondanks de hitte, geen van beiden zweetten. Daaruit bleek, dat ze hun publiek zonder moeite meekregen in hun plezier, dat ze niet hoefden te ‘sleuren’. Ook zij hadden een heerlijke en relaxte avond. Iedereen zat met een brede grijns op het gezicht. Echte verbroedering.
En daar stond Nel. Als symbool voor al onze vrijwilligers. Vlak voor de pauze stond ze op om haar waardering voor de avond te laten blijken, en aan het einde van de voordracht deed ze het nog eens. Recht uit haar hart, maar ook recht uit ons hart. En de boomlange Bas Nijhuis ging, voor zover zijn blessure het toeliet, door de knieën om op de foto te gaan met ‘zijn’ tante Nel. Vol respect.
Brilletje
“Je knijpt met je ogen!” zei mijn lief, terwijl ik nietsvermoedend zat te lezen. De toon beloofde niet veel goeds; ze ging in de ‘zorgmodus’. “En bij Hans Anders zijn de brilletjes in de aanbieding”. De aap uit de mouw zat me vals aan te grijnzen. “We gaan morgen gelijk even kijken.” Tegenspraak wordt in zo’n situatie niet geduld.
De volgende dag, vrijdag, mijn vrije dag, welke ik doorgaans uiterst lui verspil, werden er lakens van mijn lijf gerukt, terwijl ik juist een zeersmakelijke droom had. “We hebben een afspraak bij de opticien!” Licht mopperend stond ik op, want zonder dekens en lakens is zo’n bed toch minder aantrekkelijk, Ik werd wakker onder de douche en kleedde me aan.
Bij de brillenwinkel ging een juffrouw mijn ogen opmeten. Eerst zat er een machientje in mijn ogen te spugen en daarna moesten we naar het onderzoekskamertje. Terwijl de jongedame mijn stoel klaar zette leerde ik vast de onderste regel van de lichtbak met letters, die voor me aan de muur hing, uit mijn hoofd, want ik wilde wel graag goed voor de dag komen.
Toen ik zat kreeg ik een ding met gaten, waarin glaasjes zaten voor mijn hoofd, moest ik kijken naar de lichtbak en moest ik allerlei vragen beantwoorden. Gelukkig had ik die onderste regel goed uit mijn kop geleerd, want op deze afstand kon ik hem absoluut niet lezen. De dame verbaasde zich er wat over, dat ik de regel erboven niet geheel foutloos op kon lezen. Maar ik had niet voldoende tijd gehad om die ook nog in mijn geheugen op te slaan. Ze begon me al een beetje als een demente te behandelen en even twijfelde ik, of ik haar, gewoon om te pesten, ‘mevrouw Anders’ zou noemen. En op het antwoord van die brilslang: “Nee, zo heet ik niet!” direct, zonder aarzeling: “O, u heet anders?” te zeggen. En dat zonder te lachen. (Mijn vader noemde zichzelf op zo’n moment ‘Oost-Indisch dement’ …) Elly vindt mij in zo’n situatie niet grappig. Meestal krijg ik dat achteraf in de auto te horen.
Nadat er in een hoog tempo allerlei lensjes voor mijn ogen gedraaid waren en ik steeds allerlei vragen moest beantwoorden, keek de dame wat zorgelijk. Ze noteerde van alles en vroeg: “Zal ik nog even, geheel vrijblijvend, een gehoortest doen?” “Wat zegt u?”, vroeg ik en vond mezelf best grappig, maar de humor ontging haar volledig. Ik vond de gehoortest niet van belang. Gelukkig hoefde ik geen test te ondergaan voor het gevoel in mijn vingertoppen, omdat de metingen van mijn ogen hadden uitgewezen, dat een spoedcursus braille hier op zijn plaats was, en dus werd er vervolgens de nieuwe bril besteld.
Deze nieuwe bril is inmiddels binnen, en ik kan er prima mee lezen, alleen knijp ik nog wel met mijn ogen. Misschien is die leeslamp wat te fel…
Takkie hulst
Mijn opa Mulder was een bijzondere, charmante man. Altijd in voor een grapje, nooit chaprijnig. Ook toen hij al ernstig ziek was bleef hij een zeer prettig mens. Hj lag in het oude st. Jozefziekenhuis in Gouda en kreeg de ene bloedtransfusie na de andere. Leukemie. Er was geen houden meer aan, zijn toekomst was uiterst beperkt. Maar hij klaagde niet. Waarom klagen over het onvermijdelijke? Je kunt het niet veranderen en je maakt het leven er voor anderen niet gemakkelijker op. Dus opa maakte er het beste van. Zo zei hij tegen de patient, die naast hem lag en erg verdrietig was, omdat hij de kerstdagen niet thuis zou mogen doorbrengen: “Beste man, wees niet bedroefd! De kerst is hier fantastisch! Ze versieren de boel, je krijgt geweldig te eten en alle patienten krijgen een takkie hulst achter hun oren.!” De man lachte zo onbedaarlijk, dat ze hem bijna moesten reanimeren. En toen opa op een dag geholpen werd door een leerling verpleegster en deze trots vertelde, dat ze de volgende dag haar speld, het bewijs van haar gediplomeerd zijn, zou krijgen, zei hij: “Wanneer jij morgen hier binnenkomt met je speld op, neem ik mijn hoedje voor je af!” De jongedame bloosde een beetje en zei: “Meneer Mulder, u heeft geeneens een hoed!” en liep lachend de deur uit. De volgende dag had mijn opa al heel vroeg een krant bemachtigd en daar een steek van gevouwen. Toen de verse echte zuster trots de zaal opkwam met haar speld vooruit, zat opa rechtop in zijn bed en nam met een diepe buiging zijn steek voor haar af. De anderen op de zaal applaudisseerden voor het meisje, dat dieprood stond te glimmen van trots. Toen opa uiteindelijk zijn strijd verloor, en mijn ouders afscheid van hem namen, viel het hun op, dat veel verpleegsters met rode betraande ogen liepen.
kunstgebit
In deze periode krijgen we in de fysiotherapie-praktijk vaak telefoontjes als hieronder: “Goedemiddag, met… , u weet wel, van drie maanden geleden met die rugklachten.” Dat weet ik meestal niet meer, maar ik ga gelijk zoeken in mijn computer. “Wanneer bent u voor het laatst geweest?” probeer ik dan, want dan kan ik eventueel in de agenda van die dag kijken. Meestal lukt het me uiteindelijk wel om de desbetreffende patiëntengegevens te vinden. “Hier heb ik het. U was na twaalf behandelingen klachtenvrij, toch? Heeft u nu weer last gekregen?” “Nee, het gaat nog steeds prima!” “Nou, dat is fijn om te horen, maar waar kan ik u dan mee helpen?” “Ik wilde toch graag dit jaar nog een paar keer komen” “O, heeft u ergens anders last van gekregen?” “Nee, ik heb nergens last van, maar volgens mijn verzekeringspolis heb ik nog drie behandelingen te goed, dus misschien kunt u me dan gewoon masseren. Het zou toch zonde zijn om die beurten voorbij te laten gaan. Ik heb genoeg premie betaald.” “Dat kan, maar heeft u ook al een afspraak met uw tandarts gemaakt?” “Met mijn tandarts, waarom, ik heb helemaal gaan last van mijn tanden?” “Om ze te laten trekken!” “Waarom zou ik mijn tanden laten trekken als ik nergens last van heb!?” “Uw verzekering vergoedt toch ook een kunstgebit? Het zou toch zonde zijn om die vergoeding voorbij te laten gaan.” “tuut…tuut…tuut…tuut…”
Paraplu
De wedstrijd tussen onze Zinkweg en GSC/ODS verliep gunstig voor onze Boys. In een druilerige regen werden de punten binnengehaald. Ik stond langs de kant te kijken enigszins gehinderd door Ad Fiere, die naast me als een overspannen Limburger stond te vendelzwaaien met zijn paraplu, mijn hoofd telkens op een haar na missend. Dus toch een risico-wedstrijd.
Er werd gelachen om het verhaal van Vos over twee voortvarende leden uit een oud verleden, die eens alle betonnen paaltjes rond het veld hadden geverfd met eersteklas wegverf. Oersterk, vooral wanneer gebruikt met de vereiste verfharder. Dit detail hadden de heren echter niet gevonden bij de waarschijnlijk van de vrachtwagen gevallen bussen verf, evenmin als de gebruiksaanwijzing. Dus toen Wim Biesheuvel twee weken later met zijn gloednieuwe broek tegen zo’n paaltje leunde zat er opeens een witte bies op de pantalon. De verf was nog steeds niet droog en de broek was volledig verziekt. Pas toen kwam het besef, dat er met die verfklus wellicht iets mis was gegaan.
Ondertussen miste ik het tegendoelpunt van GSC omdat de paraplu inmiddels een heel andere vorm dan in de folder van de Ali-expres had aangenomen en me nu echt alle zicht op het veld had ontnomen. Ad gaf het gelukkig op en deponeerde het ding in een prullenbak. De heren langs de lijn bromden even goedkeurend, zoals ze ook goedkeurend hadden gebromd bij het tegendoelpunt. Omdat Ad had gezegd, dat het 0-3 zou worden en ze er niet aan moesten denken, dat hij een keer gelijk zou hebben.
Kipfileetje
Gisteravond was het twintigjarig jubileum van de BlauwRode Heerenclub. De BRHC is het laatste bastion van mannelijkheid in deze roze eeuw. Het was de honderdste vergadering en werd afgesloten met het toppunt van mannelijkheid: Spareribs vreten. Brokken vlees van het bot afscheuren, terwijl het vet langs je kin je baard inloopt. En zonder een paar kritische kraaloogjes die altijd zien, dat je mayonaise morst op je nieuwe trui. Heerlijk!
De enige dissonant was, dat het bestuur, in een onbegrijpelijke vlaag van zwakte, had besloten, dat er ook kipfileetjes besteld konden worden. KIPFILEETJES!! Ik vroeg me af voor wie deze malle keuze bedoeld was. Mannen met botte kunstgebitten? Dieetverslaafden? Voor watjes, die niet beseffen, dat teveel hormoonkip eten vreselijke gevolgen kan hebben? Zoals borsten en een voorkeur voor roze overhemden?
Gelukkig viel het aantal bestellingen mee, en durfden de meeste kipsukkels na mijn toespraakje geen fileetje meer te pakken. De andere nuggets verstopten zich met hun gevogelte in een ver hoekje, bang om gezien te worden. En er waren genoeg heerlijke spareribs (Van het schippershuis in Numansdorp, klasse!) om stiekem toch te doen alsof je een echte man bent.
Met voldoende bier om al het lekkers weg te spoelen en het enorme vrienden-gezelschap (93 man) was het weer een uiterst aangename Heeren-avond!
Robert probeerde nog wat acrobatiek op een wankele bank, viel en landde wat ongelukkig, waarbij hij zijn enkel bezeerde. Het knappe was, dat hij ondanks al deze capriolen zijn sigaar in zijn mond en brandend had weten te houden. Hij was gelukkig snel terug van de HAP waar letsel aan zijn enkelbanden werd vastgesteld. En op zo’n moment is er dan ook een Heer, die met het slachtoffer even op en neer rijdt naar de Huisartsenpost. Want Heer ben je in voor- en tegenspoed.
Afscheid Mop
Misschien gek, dat ik even moet denken aan gisteren. Mijn cluppie moest de laatste wedstrijd voetballen, zoals dat heet om ’s keizer baard. De Zinkwegse boys was natuurlijk al kampioen en Fios had niets meer te winnen of te verliezen. Maar was het daarom een nutteloze pot?
Nee.
Het werd een belangrijke pot voor een aantal mensen. Zoals voor onze Mop (Arno Letterman) die vandaag een hele wrange moederdag beleeft, omdat zijn moeder er net niet meer bij is. Na een doelpunt van de boys liepen alle spelers naar misschien wel hun trouwste supporter en betrokken hem in een soort groepsknuffel. Als troost. Kippenvel.
Ik stond te ver af om zijn reactie te zien, maar bij een gezamenlijk biertje in de rust zei hij wel drie keer: “Toch mooi van die gasten..” Hij was aangedaan, voor zover onze Mop aangedaan kan zijn.
De wedstrijd kantelde en het gevoel, gek genoeg, ook. Na een doelpunt van Fios knuffelden onze tegenstanders een nog niet eens zo oude man aan de zijlijn, die mogelijk voor het laatst hun wedstrijd had kunnen bijwonen. Volgens een Fiosser naast me had hij kanker en nog maar kort te leven. Weer kippenvel.
Op het eind van de partij werd onder luid applaus afscheid genomen van een speler van Fios, die stopte met voetballen na een lange carriere bij de club. Zijn medespelers vormden een erehaag en de scheids klapte ook mee.
Het was de wedstrijd van het afscheid. Van het seizoen, van een speler, maar bovenal van mensen, die ons na staan en het nieuwe seizoen niet meer kunnen meemaken. Na de euforische wedstrijd van vorige week was dit de wedstrijd van de bezinning. Bezinning over waar het echt om gaat. Gelukkig zijn we dat niet vergeten.
Mop: sterkte!
bladblazer
Volgens de heren Black en Decker kan een tuinbezitter niet goed functioneren zonder bladblazer. Ik ben het daar niet mee eens, maar mijn lieve echtgenote had ergens zo’n ding geleend en probeerde me met een lief stemmetje te paaien: “Probeer het nou toch gewoon eens! Je zult zien hoe gemakkelijk zo’n ding is…” Toen ik niet echt positief reageerde, ging ze vervolgens de tuin in met de woorden: “Wanneer je klaar bent gaan we lunchen”, mij weinig keuze latend.
Allereerst ging ik voorzichtig kijken welke buren niet thuis waren om de juiste blaasrichting te bepalen. Ik had pech; alleen de bovenwindse buren bleken afwezig, dus het werd nog een hele klus om al die zooi tegen de wind in bij hun over de schutting te blazen. Maar ik had trek, dus begon voortvarend aan het gevecht. Nu maar hopen, dat de buurman niet thuis zou komen en met zijn bladblazer de boel terug zou gaan blazen, want ik had het nadeel van wind tegen. Zo’n bladblazer brengt het slechtste in een mens naar boven.
“En wat ben je nou eigenlijk aan het doen?”, klonk het na een kwartiertje achter me, toen ik net lekker op dreef was. “Bladblazen”, was mijn antwoord. “Bij de buren over de schutting heen?” Ik zette het blaasmachien uit en keek om. “En dat is jouw oplossing van het bladprobleem?” Ik keek waarschijnlijk niet echt slim. “Je kunt met dat apparaat ook zúigen, wist je dat?” Dus niet. Zuchtend gaf mijn tuinwerk-verschaffer me een zak aan, die aan het ding bevestigd moest worden, waarop het functioneerde als stofzuiger. Zuchtend en inmiddels behoorlijk hongerig begon ik te zuigen. Volle kracht, want het was al ver na lunchtijd. Ik voelde me belachelijk, dat ik de tuin stond te stofzuigen en zoog behalve de bladeren ook een half filharmonisch orkest aan violen op, een scheepslading Afrikanen en was al begonnen aan de primula’s toen er werd ingegrepen. “Aan jou heb ik ook niet echt veel.” De lunch liet nog een dik uur op zich wachten. Misschien is een appartementje met alleen een balkon niet zo’n slecht idee…