Het nieuws verspreidde zich als een rennend vuurtje over het voetbalsportpark: er is een Scout gesignaleerd! Vaders spraken hun zoontjes stimulerend toe (‘vandaag komt het erop aan, jongen! Als je je stinkende best niet doet breek ik je benen!’) Moeders spoedden zich naar het toilet om er zo goed mogelijk uit te zien. Lippen werden gestift, en er werd zachtjes gekankerd (‘net op een dag, dat mijn haar er weer eens niet uitziet! Wat moet zo’n man wel niet denken’) Een andere moeder maakte haar ogen op en vroeg: ‘Komt’ie van Feijenoord, of PSV misschien?’ Niemand wist het antwoord…
Aan de bar werd op gedempte, samenzweerderige toon gesproken over de mogelijke reden van het bezoek van de Scout; ‘Zou hij voor Sven komen, of voor David? Ik hoorde, dat ze vaak naar heel andere spelertjes komen kijken, dan wij denken. Van die snelle spitsen hebben ze er vaak genoeg, hij kan ook voor een keeper komen, of voor een grote back’ ‘Als’ie voor een grote bek komt, maakt jouw Ralf wel een goede kans’ De sneer werd niet begrepen; de spanning was te groot.
Tijdens de wedstrijd van de Jo11 werd er door iedereen vorsend rondgekeken. Zou die oudere man achter het doel de Scout zijn? Of die nonchalante figuur daar aan de overkant. Niemand wist het. De lippenstift-dame liep gehuld in een te aanwezige wolk parfum langs de lijn te paraderen, af en toe haar zoontje opvallend positief aanmoedigend: “Goed zo, Jeffrie de Jong, goed gedaan, dat overspelen!” Het mannetje in het veld, dat bij die naam scheen te horen, keek stomverbaasd naar zijn moeder. Ze noemde hem toch nooit bij zijn volledige naam? En ze was toch nooit zo positief? Zou ze nou al dronken zijn?
Het bleef een raadsel, en na de wedstrijd ging het speculeren in de kantine verder. Toen kwam er een knulletje binnen van een jaar of 10. Hij liep naar de bar en bestelde een Fristie, Tevreden lurkte hij aan het rietje. Hij had een beige overhemdje aan en een groen sjaaltje. Aan zijn broekband hing een petje waarop in hele kleine lettertjes,net leesbaar, stond: Scouting Nederland.
Auteursarchief: Ype
Stoeligans
Wanneer ik het over ‘mijn Zinkwegse boys’ heb, vraagt men mij wel eens of deze club ook last heeft van hooligans, een harde kern zogezegd. Mijn antwoord is dan kort en bondig: “Neen! De Zinkwegse boys heeft wel een harde supporterskern, maar die veroorzaken geen overlast, slopen geen reclameborden en zeker geen agenten. Ze zitten voornamelijk gezellig samen aan de stamtafel van de Blauwrode heren te praten over die goede oude tijd. De tijd, dat zij zich na een wedstrijd nog in de sloot moesten wassen, terwijl het riool nog in diezelfde sloot werd geloosd. Stink-Bikkels waren het, nu zijn het zijn meer stoeligans”.
Vaak wordt er dan verbaasd gekeken. Maar het is waar; de Zinkweg heeft wel degelijk een harde kern. Deze harde kern is vaak op zaterdagmorgen om 07.00 uur al te vinden op hun stoel aan de stamtafel met een bakkie koffie. Waarom zo vroeg? Om hun plek veilig te stellen als hotelbejaarden, die voor dag en dauw handdoekjes gaan leggen op de ligstoelen bij het zwembad?
Nee.
Gewoon, omdat ze op tijd ‘op de voetbal’ willen zijn. Even genieten van de rust en van hun status als stoeligan.
De voorgaande week en de komende dag wordt daar doorgenomen. Oordelen geveld, als ware het een Sanhedrin (Joodse hoge raad). En koffie gedronken.
Maar ze doen veel meer. Ze zetten de kleine doeltjes klaar voor de jeugd, schrijven kleedkamerindelingen op een schoolbord, prikken gaten in het veld, als daar water op staat. En krijten de lijnen. Maar daar hoor je ze niet over. Dat vinden ze gewoon. Hun namen hoeven niet genoemd.
En s’middags, wanneer het eerste verliest, stampen ze hun agressie weg in de oud-papier container. (Oud papier is nog steeds een bron van inkomsten.)
In de zomervakantie komen deze ‘stille krachten’ ook vaak in actie. Zo is er veel werk verricht toen er deze zomer een nieuwe vloer in de kantine werd gelegd. De oude plavuizen-vloer lag enigszins scheef, in die mate, dat het gemorste bier vanzelf naar het toilet liep. Het niet-gemorste bier doet dat ook, maar daar zit bij mij een vertraging van een uurtje tussen.
Kortom, de vloer moest worden geëgaliseerd. Zo geschiedde. Mijn probleem is, dat de bar niet mee omhoog is gegaan met de voor de drinkplaats liggende vloer. En de barkrukken zijn hetzelfde gebleven. Nu zitten mijn ellebogen te hoog.
Zou ik bij de stoeligans mogen aanschuiven? Maar dan wel wat later, want op zaterdag om 07.00 uur lig ik, net als ieder normaal mens, nog lekker in mijn bed…
2 hoofdtrainers
Lang geleden had de een of andere keurige domoor, die toen voorzitter was, in zijn gebrekkige wijsheid besloten, dat het eerste van de Zinkwegse boys twee hoofdtrainers nodig had. Dat werden Hans Koers en Adrie Vink. Hans was een voormalig profvoetballer uit de tijd, dat profvoetbal verboden werd door de KNVB. (zwarte bladzijde uit onze voetbalgeschiedenis) Aad had zijn sporen verdiend in het amateurvoetbal.
Het eerste jaar liep het goed: de boys promoveerden. Maar het tweede seizoen ging al gauw minder goed tussen de beide heren. Er was geen duidelijkheid meer over de eindverantwoordelijkheid. Eerst nam Aad steeds het voortouw, maar hij kreeg er een hekel aan, dat hij vaak bij de spelers de vervelende boodschappen moest brengen. (“Sorry, Ton {van Driel}, jij begint op de reservebank”)
Bij de wedstrijd tegen Stellendam (uit) was de controverse goed zichtbaar; Aad zat op een stoel links naast de dug-out en Hans op een stoel rechts naast de dug-out. Ik zat met verzorger Edwin Puymbroek en de reserve spelers ertussenin. De wedstrijd verliep dramatisch, bij de rust 2-0 achter en na de rust werd het al snel 3-0. Een penalty, omdat er weer eens een speler van Stellendam luid schreeuwend ter aarde stortte, hetgeen gezien hun beeldschone verzorgster begrijpelijkerwijze regelmatig gebeurde. De gekwetste speler zorgde er ook voor, dat hij zo kronkelde van de pijn, dat hij goed kon zien, hoe de blonde toverfee kwam toegesneld met een voorgevel, die schudde als die van een hotel op Kos tijdens de laatste aardbeving. Toen ze vervolgens een halve spuitbus coldspray leegspoot in de broek van de zogenaamd aan zijn edele delen gewonde ongelukkige, kwamen Edwin en ik bijna niet meer bij: “Heeft hij gelijk voor de rest van de wedstrijd zijn eigen ijszakkie bij zich!” Hans en Aad konden er niet om lachen. Die zaten met sjagrijnige koppen te mokken.
Even later werd het 4-0. Edwin en ik konden het niet laten, we zeiden tegen Aad: “Aad, Hans wil Arne Vos wisselen, als voorbeeld voor de rest!” Aad ontplofte, want aanvoerder Arne was volgens hem de enige speler, die juist niet gewisseld moest worden. Hij zat briesend op zijn stoeltje, maar deed verder niks. Toen probeerden we hetzelfde bij Hans. Bingo! Ook deze zat te koken op zijn stoeltje en deed ook niks. Wij zaten samen met de reservespelers te gieren van het lachen.
We hebben het naderhand maar opgebiecht voordat de heren elkaar te lijf zouden gaan.
Maar twee hoofdtrainers gaat dus nooit werken!
Adrie Vink
Vandaag wordt mijn oude voetbalvriend Adrie Vink tachtig jaar. Hij ziet er nog best uit, maar de tijd heeft wel sporen nagelaten. We treffen elkaar nog regelmatig bij de herenclub van de Zinkwegse boys. De gesprekken gaan moeizaam door de herrie in de met veel mensen gevulde ruimte. Adrie hoort slecht, en dan vooral wanneer er veel lawaai is.
Het geeft niet. De verhalen uit ons voetbalverleden veranderen weinig, en we kennen ze allebei. Ze worden ieder jaar wel iets sterker. Als je ze zou geloven waren we geweldige voetballers. Onbegrijpelijk, dat we Oranje nooit gehaald hebben. Nou moet ik toegeven, dat dit in mijn geval zeker zwaar overdreven is. Ik kon gewoon niet voetballen. Ik deed gezellig mee. Maar vriend Adrie was één van de 4 à 5 echte voetballers in het team, onbegrijpelijk snel met zijn korte beentjes. Kees van Dijk, Daan van Hengel, Harry Dikmans, Kees Bakker (Kees van de havendam), dat waren de andere kanjers. Ze speelden in het vijfde in de nadagen van hun carrière. Aad was al vijftig in het jaar dat we kampioen werden! (1987-1988). Onze eigen sir Stanley Matthews. De avond, dat we ons kampioenschap vierden, in zaal Koster in Klaaswaal, was op de dag, dat Nederland Europees kampioen werd. Wat een feest! Pleun van de Mark kwam gekleed in een fel oranje ketelpak. Door het dolle heen.
Zoete herinneringen aan een mooie tijd. En herinneringen, die onuitwisbaar zijn. Herinneringen waar we elkaar voor moeten bedanken. Bedankt en van harte Aadje!
Zije sok
We zijn weer op bezoek geweest bij tante Riet. Het gaat niet goed met haar; ze gaat de kerst niet halen. Ze is daar zelf erg nuchter over: “Ik ben 86 jaar en heb een mooi leven gehad. Ik kan ermee leven, dat ik binnenkort op een ochtend dood wakker word.” Tante Riet heeft haar droge Rotterdamse humor ondanks alles altijd behouden.
We haalden herinneringen op aan ome Cor, haar overleden man, en de boksers; eerst Guus, daarna Rex en later Baloe. Ik kan ome Cor nog uittekenen zoals hij daar liep: die magere gestalte met een zelfgedraaide peuk in zijn mond, een bal in zijn ene en de riem van de hond in de andere hand. Ik behandelde in die tijd nog vaak patiënten aan huis in de buurt waar ome Cor en tante Riet woonden. Meestal zag hij me niet, omdat hij teveel bezig was met Guus, Rex en later Baloe. Hij was gek op die beesten. Hij had heel zijn leven een hond willen hebben, maar pas toen hij gepensioneerd werd, vond tante Riet het goed. Dan moest hij het beest wel zelf uitlaten. En dat deed hij graag. Samen met een enthousiast om hem heen springende bokser liep ome Cor iedere dag naar het park ‘de twee heuvelen’ en gooide daar op een veldje de bal weg. De hond erachteraan om hem op te halen en terug te brengen. En dat hielden ze een behoorlijke tijd vol. Daarna rustte de oude baas even uit op een bankje en draaide een shaggie. En dan gingen ze weer naar de Arenastraat waar tante Riet de koffie klaar had. Het was een man van weinig woorden, maar aan zijn gezicht kon je zien, dat hij het naar de zin had.
Er kwamen fotoboeken tevoorschijn en tante Riet genoot van de herinneringen. Ze had een goede dag en praatte honderduit. Buiten begon het te gieten van de regen. Elly, mijn vrouw vluchtte naar binnen met een gieter in haar hand; ze was net bezig geweest de plantjes op het balkon water te geven. Tante Riet en ik schoten allebei in de lach.
Naast het bed hing een schema met tijden en namen. “Dat zijn de mensen van thuiszorg, die steeds langskomen”, zei tante Riet, die me zag kijken. “Ze hoeven niet veel te doen, want ik kan zelf nog veel”. Buiten klonk gedonder; onweer. “Ze kijken iedere dag of ik geen doorligplekken heb, en helpen met het verschonen van mijn bed. En s ‘nachts is er iemand. Dat vind ik wel een prettig idee.” Ze keek op het schema. “Marjolein”, zei ze, en wees een naam aan. “Die kwam alleen maar praten”, de afkeuring droop van haar gezicht, “Zo’n zije sok, vreselijk”. “Hoe bedoel je, tante Riet?”, vroeg ik, toch een tikkie nieuwsgierig. “Nou, ze bedoelde het wel goed hoor!” Even werd er nagedacht: “Maar ze willen allemaal maar, dat ik pijn heb, en dat heb ik niet” Ik keek nu niet-begrijpend. “Iedere keer vragen ze weer: ‘Heeft u geen pijn?’ en lijken wel teleurgesteld, wanneer ik zeg, dat ik geen pijn heb” Ze zuchtte; “Ik ben alleen erg moe”. Er viel een korte stilte. “En die Marjolein wilde het bovendien maar over het naderende einde en zo hebben, die had zeker een cursus stervensbegeleiding van de kerk gehad of zo”. Ik moest even lachen. Tante Riet had haar eigen geloof, en daar past geen kerk bij. “Toen ze begon over de herrijzenis ben ik herrezen om te gaan plassen.” Ik zag het voor me: Een dame, die met een ernstig gezicht en devoot gevouwen handen naast het bed vreselijk haar best zit te doen, en dan staat de stervende patiënte op om te gaan plassen.
Marjolein was weggegaan, en hoefde voor tante Riet niet perse terug te komen. Ze nam het de vrome dame niet kwalijk, maar ze pasten gewoon niet bij elkaar. Een zije sok en een Rotterdamse, dat gaat niet werken.
Dat wil niet zeggen, dat het werk van mensen als Marjolein niet zou moeten worden gewaardeerd. Ze doen het toch maar. Dat er dan wel eens een ‘mismatch’ tussen zit, gewoon omdat twee mensen geen klik met elkaar hebben, hoort er gewoon bij. Maar ik neem mijn petje af voor al die thuiszorgmedewerkers, die het voor tante Riet mogelijk maken thuis haar waardigheid te behouden. Zelfs voor Marjolein!
Motoragent
Reed ik laatst met mijn audi op de snelweg werd ik aangehouden door een motoragent. “Papieren!” Dus ik gaf Bromsnor mijn rijbewijs en zei, met Surinaamse tongval: “houdt u mij aan, omdat ik Suwart ben?” De diender snapte het niet. Dom of geen humor. Een vernietigende blik. “Ik hield u staande, omdat u met uw telefoon bezig was” Ontkennen had geen zin. “U heeft gelijk, ik keek even op mijn telefoontje, maar ik zat niet te bellen!” De motormuis stak een preek af over mijn levensgevaarlijke verkeersgedrag. Dat werd dus gewoon een prent. En daar hoort de standaardvraag over het waarom van de wandaad bij. Ik kon het niet laten: “Ik keek op Grindr of er nog homo’s in de buurt waren. En inderdaad: een leatherboy op een motorfiets!” Hij vond het niet leuk: ” Dat wordt nog een bekeuring, voor beledigen van een ambtenaar in functie.” Hij sloeg zijn bonnenboekje weer open. “Wat hebt u daarop te zeggen?” zei hij triomfantelijk. Ik antwoordde: “Onzin, en zelfs discriminatie op basis van seksuele geaardheid. Houdt geen stand bij een rechtbank. Ik overweeg zelfs een klacht” Hij keek nu erg dom. Ik vervolgde: “Wanneer ik een vrouw was geweest, die op Tinder had gekeken voor een leuke vent, zou u zich niet beledigd hebben gevoeld, toch?” Zuchtend verscheurde hij de bekeuringen….
de limousine
Leo de wegenwachter komt wel eens trainen in de praktijk. Dat is altijd gezellig. Hij heeft door zijn werk net als ik altijd wel wat te vertellen. Zoals het verhaal van de limousine met pech.
Tijdens een nachtdienst, die redelijk rustig was verlopen werd Leo verzocht hulp te bieden aan een imposante limousine, die met panne ergens gestrand was. Dus werd er met het bekende gele wagentje koers gezet naar de onfortuinlijke rijkaard, die niet verder kon. Leo was meer benieuwd naar de inzittende van het gevaarte dan naar de aard van de storing.
Dat viel tegen; de limousine bleek een oud wrak, dat in zijn nadagen werd afgeragd door een stel studenten. Het oude lijk stond met een uitgeputte accu en vertoonde geen enkel teken van leven meer. Het merendeel van de ingezetenen trouwens ook niet; de heren hadden duidelijk een feestje gehad en nog duidelijker geen spaatjes rood gedronken. De ballen waren als balletjes. Leo had wel vaker onbekwame studenten gezien, trok zich er niks van aan en ging aan de slag. Hij laadde de accu op en vroeg aan de Bob van het gezelschap of hij wilde proberen te starten. “Die vraag had ik al verwacht!” klonk het antwoord. Leo keek verbaasd. “De sleutel is een beetje zoek”, verontschuldigde de gast zich. Er werden een paar ballen wakkergeschud en de limo werd doorzocht op zoek naar de sleutel. Zonder resultaat. Zelfs de vloermatten werden uitgeschud, niet geheel handig boven de sloot, maar er werd geen plons gehoord. Een van de minder frisse passagiers had een idee: “Misjschien heeft Roderick, hem wel, die isj naar huisj gaan lopen toen de minibar leeg was. Hij had thuisj nog een fles w-hik-sjky, die ging hij halen” mompelde deze student. Leo probeerde de studentenlogica niet te begrijpen. “Weet je waar die Roderick woont?” vroeg Leo, die toch wel die limo weer aan de praat wilde krijgen. “Nou, zjo ongeveer”, klonk het niet overtuigend. Leo besloot het erop te wagen. De bal werd in het gele autootje gepropt en ze gingen op zoek. Na wat omzwervingen door een uitgestorven binnenstad zei de brave borst opeens: “Hier wasj het ergensj” Hij wees: “Volgensj mij zjag zijn huisj er ongeveer zjo uit” Het klonk niet echt overtuigend. Ze stonden in de binnenstad met oude bouwvallige panden, die vaak als studentensilo’s worden gebruikt. Voordat Leo had kunnen vragen of de lullo het wel zeker wist, was deze uitgestapt en belde ergens aan. Mis! Er werd een raam opengeschoven en gevraagd naar de gezondheid van de bal: “Ben jij wel helemaal lekker? Het is drie uur in de nacht, idioot!” De lullo vroeg nog aan de raamhanger of die wist waar Roderick woonde en kreeg nog antwoord ook. Leo zat inmiddels met zijn hoofd in zijn handen, want die zag de klacht bij zijn baas al, want met een wegenwachtautootje ben je nu niet bepaald anoniem.
De lullo kwam tevreden terug, “Het isj hier vlakbij!”
Twee straten verder waren ze bij het huis van vriend Roderick. Leo ging voor de zekerheid maar mee met de bal om meer klachten t voorkomen. Het aanbellen leverde geen resultaat op. Dus Leo keek eens door de brievenbus de hal in. Daar zag hij de brave borst liggen; op de trap in diepe slaap. Hij had zijn bed niet gehaald. Leo probeerde Doornroosje zachtjes wakker te roepen, en daarna iets harder. Tevergeefs. Hard roepen was geen optie, want het hele studentenhuis wakker maken leek geen goed plan. Maar een wegenwachter zou geen wegenwachter zijn, wanneer hij geen oplossing in zijn gele werkplaatsje zou hebben. Een bezem werd met behulp van tape verlengd met nog een stok, die ze ergens vonden, en het por-gereedschap werd door de brievenbus gepropt om de schone slaper wakker te porren. Het lukte. Een lodderig oogje ging open en er kwam beweging in de alcoholhoudende berg. Roderick werd wakker.
Gelukkig bleek de trapslaper inderdaad de sleutel te hebben meegenomen. Dus Leo met sleutel weer terug naar de ballenbak om zijn reparatie te kunnen voltooien.
Gelukkig hoefden de heren niet ver meer, want onze wegenwacht maakte zich toch wel zorgen over de betrouwbaarheid van de accu.
Hij reed voor de zekerheid maar achter de limo aan en zuchtte van verlichting toen de Bob het gevaarte zonder verdere storingen bij het studentenhuis had geparkeerd. ‘Weer een goede daad verricht’, dacht hij, toen hij zijn gele autootje weer richting snelweg stuurde…
Er is de volgende dag geen klacht bij de wegenwacht binnengekomen
zondagmorgen
Het eerste slokje koffie op zondagmorgen. Zoals dat warme vocht strelend zijn weg zoekt naar beneden is eigenlijk niet goed te beschrijven. Daarbij een simpele krentenbol en het uitzicht op de akker vol door de zon fel verlicht goudgeel tarwe, wachtend op de in stofwolken gehulde zwaar grommende New Holland oogstfabrieken op wielen.
Maar zover is het nog niet. Het is rustig, stil. Een beetje wind laat de halmen dansen, als in een vloeiende Weense wals met ruisende lange jurken. Een valkje hangt doodstil boven de akker te bidden voor zijn eten.
Maar dan zie ik, dat het gras gemaaid moet worden en de heg geknipt.
Met een beetje geluk gaat het straks toch weer regenen.
Eerst nog een bakkie koffie.
tante Riet
We zijn op bezoek geweest bij tante Riet. Ze lag in bed te genieten van ons bezoek. Tante Riet wordt door een gezwel uitgehold; ze is sterk vermagerd maar heeft wel een dikke buik. Ze wist het zelf eigenlijk al, toen de dokters het haar kwamen vertellen. Drie man, eh, één man, een brilslang en een hoofddoekje kwamen met klapstoeltjes onder de arm haar ziekenhuiskamer binnen. De klap-stoeltjes voor het slecht-nieuws-gesprek. Daar gaan ze dan op zitten om de tijd te nemen om de patiënt de klap te laten verwerken.
Maar zoals gezegd, tante Riet wist het wel. Opgelucht begonnen de hoogheer, het hoofddoekje en de brilslang vervolgens de behandelopties te vertellen. Er waren drie opties:
“1. We doen niks en u gaat dood.
2. We opereren u: halen de tumor weg en maken een stoma,
en 3.” hierbij liet onze geneesheer een korte stilte vallen, om te benadrukken, dat dit een unieke kans was, alsof hij een keuken verkocht: ” We gaan met een slang via uw mond naar binnen en plaatsen een buisje in uw darm, dan is de verstopping weg en heeft u nog wat tijd !” De esculapen leunden achterover alsof ze een geweldig aanbod hadden gedaan. Tante Riet liet zich even overdonderen en de klapstoeltjes werden tevreden ingeklapt.
Een paar uur later heeft onze heldin toch voor optie 1 gekozen.
De brilslang belde onthutst Margo, tante’s dochter: “Uw moeder wil naar huis en ziet van behandeling af. Wat moet ik doen?” Het antwoord was kort: “Niks, ik kom haar halen”. Margo kent haar moeder en lijkt op haar. Rotterdamse nuchterheid.
En daar lag ze dus; gewoon thuis. We knuffelden en lachten. Tante Riet was gewoon tante Riet. Ze maakte grapjes over haar bekertje water naast het bed. (“Je gelooft toch zeker niet dat dat echt water is, toch?”) Ze zong een liedje met haar krakende stem: : “Mocht ik aan de drank bezwijken, mocht ik naar de donder gaan, laat dan op mijn grafsteen prijken, ze kon niet meer op d’r benen staan!” en zei, dat we beter niet naar haar begrafenis konden komen, omdat ze bang was, dat ze dan niet zo gezellig zou zijn.
Ze heeft vrede met haar tijd.
Het keukenkastje
Toen ik begon met mijn praktijk aan de Kasteelweg hadden we geen cent te makken. Maar dat gaf niets; we waren jong en razend enthousiast. Een tante van Elly werd vaste klant. Tante Riet. Van haar kregen we een groen keukenkastje met schuifdeurtjes. Ideaal in het piepkleine keukentje. We waren er dan ook heel blij mee en het heeft jarenlang dienst gedaan. 25 jaar.
Behalve vrijgevig was ze altijd vrolijk, met die typische Rotterdamse humor. Keihard en recht voor z’n raap. Heerlijk. Wanneer tante Riet zei, dat ze iets prettig vond, was dat ook zo, want ze loog nooit.
Eigenlijk moet ik zeggen ‘vindt’, want tante Riet leeft nog. Maar ze heeft niet zo lang meer, want ze heeft kanker. Precies zoals ik het zeg, zegt zij het zelf ook. Op z’n Rotterdams. En ze wil niet behandeld worden, want ‘ze wil die magere Hein nu wel eens ontmoeten’ Een opmerking die typerend is voor dit geweldige mens.
Morgen gaan we nog even langs. Even knuffelen. En dan zal ze lachen en steevast beginnen over dat mintgroene keukenkastje.