Zije sok

We zijn weer op bezoek geweest bij tante Riet. Het gaat niet goed met haar; ze gaat de kerst niet halen.  Ze is daar zelf erg nuchter over: “Ik ben 86 jaar en heb een mooi leven gehad.  Ik kan ermee leven, dat ik binnenkort op een ochtend dood wakker word.” Tante Riet heeft haar droge Rotterdamse humor ondanks alles altijd behouden.

We haalden herinneringen op aan ome Cor, haar overleden man, en de boksers; eerst Guus, daarna Rex en later Baloe. Ik kan ome Cor nog uittekenen zoals hij daar liep: die magere gestalte met een zelfgedraaide peuk in zijn mond, een bal in zijn ene en de riem van de hond in de andere hand. Ik behandelde in die tijd nog vaak patiënten aan huis in de buurt waar ome Cor en tante Riet woonden. Meestal zag hij me niet, omdat hij teveel bezig was met Guus, Rex en later Baloe. Hij was gek op die beesten. Hij had heel zijn leven een hond willen hebben, maar pas toen hij gepensioneerd werd, vond tante Riet het goed. Dan moest hij het beest wel zelf uitlaten. En dat deed hij graag. Samen met een enthousiast om  hem heen springende bokser liep ome Cor iedere dag naar het park ‘de twee heuvelen’ en gooide daar op een veldje de bal weg. De hond erachteraan om hem op te halen en terug te brengen. En dat hielden ze een behoorlijke tijd vol. Daarna rustte de oude baas even uit op een bankje en draaide een shaggie. En dan gingen ze weer naar de Arenastraat waar tante Riet de koffie klaar had. Het was een man van weinig woorden, maar aan zijn gezicht kon je zien, dat hij het naar de zin had.

Er kwamen fotoboeken tevoorschijn en tante Riet genoot van de herinneringen. Ze had een goede dag en praatte honderduit. Buiten begon het te gieten van de regen. Elly, mijn vrouw vluchtte naar binnen met een gieter in haar hand; ze was net bezig geweest de plantjes op het balkon water te geven. Tante Riet en ik schoten allebei in de lach.

Naast het bed hing een schema met tijden en namen. “Dat zijn de mensen van thuiszorg, die steeds langskomen”, zei tante Riet, die me zag kijken. “Ze hoeven niet veel te doen, want ik kan zelf nog veel”.  Buiten klonk gedonder; onweer. “Ze kijken iedere dag of ik geen doorligplekken heb, en helpen met het verschonen van mijn bed. En s ‘nachts is er iemand. Dat vind ik wel een prettig idee.”  Ze keek op het schema. “Marjolein”, zei ze, en wees een naam aan. “Die kwam alleen maar praten”, de afkeuring droop van haar gezicht, “Zo’n zije sok, vreselijk”. “Hoe bedoel je, tante Riet?”, vroeg ik, toch een tikkie nieuwsgierig. “Nou, ze bedoelde het wel goed hoor!” Even werd er nagedacht: “Maar ze willen allemaal maar, dat ik pijn heb, en dat heb ik niet” Ik keek nu niet-begrijpend. “Iedere keer vragen ze weer: ‘Heeft u geen pijn?’ en lijken wel teleurgesteld, wanneer ik zeg, dat ik geen pijn heb” Ze zuchtte; “Ik ben alleen erg moe”.  Er viel een korte stilte. “En die Marjolein wilde het bovendien maar over het naderende einde en zo hebben, die had zeker een cursus stervensbegeleiding van de kerk gehad of zo”. Ik moest even lachen. Tante Riet had haar eigen geloof, en daar past geen kerk bij. “Toen ze begon over de herrijzenis ben ik herrezen om te gaan plassen.” Ik zag het voor me: Een dame, die met een ernstig gezicht en devoot gevouwen handen naast het bed vreselijk haar best zit te doen, en dan staat de stervende patiënte op om te gaan plassen.

Marjolein was weggegaan, en hoefde voor tante Riet niet perse terug te komen. Ze nam het de vrome dame niet kwalijk, maar ze pasten gewoon niet bij elkaar. Een zije sok en een Rotterdamse, dat gaat niet werken.

Dat wil niet zeggen, dat het werk van mensen als Marjolein niet zou moeten worden gewaardeerd. Ze doen het toch maar. Dat er dan wel eens een ‘mismatch’ tussen zit, gewoon omdat twee mensen geen klik met elkaar hebben, hoort er gewoon bij. Maar ik neem mijn petje af voor al die thuiszorgmedewerkers, die het voor tante Riet mogelijk maken thuis haar waardigheid te behouden. Zelfs voor Marjolein!