Een enorme schaal bitterballen ging aan mijn neus voorbij richting bestuurskamer van vv. Rozenburg, alwaar de sponsors van die club, twee concurrerende aannemers, prijsafspraken zaten te maken over de te bouwen openbare damestoiletten voor de gemeente. De stemming zat er goed in, want Rozenburg had zojuist met 4-1 gewonnen van onze Zinkwegse Boys.
De tweede nederlaag op rij voor onze jongens. Een afgevaardigde van het bestuur had zojuist verklaard, dat hij het volste vertrouwen had in trainer Mark Smeding van de boys. Dus gingen er al snel geruchten, dat bestuurslid Jan de(n) Boer zijn neef Frank al had gepolst.
Er gingen nu grote kannen bier de trap op naar de steeds luidruchtiger wordende aannemers. Er werd gelachen over het voorstel om Rem Koolhaas de toiletten te laten ontwerpen. Een openbaar damestoilet van glas leek toch geen goed idee, alhoewel dit het dichtst het ‘wildplasgevoel’ van de dames zou benaderen.
De penningmeester van de Zinkwegse Boys zocht zijn scooter weer op. Wellicht zou hij meer indruk hebben gemaakt met een Harley Davidson en een ‘No Surrender’ jack. Voor de wedstrijd had hij nog gezegd: “Vandaag gaat het gebeuren!” zonder daarbij te zeggen wat er dan zou gaan gebeuren. Een echte diplomaat.
Volgende week beter.
Auteursarchief: Ype
de zelfafnametest
Eens in de twee jaar krijg ik van de rijksoverheid een zelfafnametest om te laten controleren of ik darmkanker heb. Hiertoe dien ik een staafje in een door mij geproduceerde drol te prikken en op te sturen in een speciaal kokertje. Dat klinkt simpeler dan het is. Ons toilet is hier niet geschikt voor. Wij hebben een modern toilet, waarbij de uitwerpselen direct de diepte ingaan en niet landen op een zogenaamd ‘nakijkertje’, zoals vroeger. Het ‘nakijkertje’ is een plateautje in de pot, waar de drol even op kan uitrusten, voordat hij aan de grote reis naar het riool begint. Ideaal om nog even om te kijken naar de restanten van een copieuze maaltijd, alvorens door te trekken. Of om er met een teststaafje in te prikken. Op wel vier posities.
Maar, zoals gezegd, wij beschikken niet over een dergelijk beschouwend toilet. Dus ik moest iets verzinnen om mijn hoop nog vóór de frisse duik in het water op te vangen, want met een schepnetje de natte drol uit de diepte opvissen leek me ook geen goede optie. Mijn opvangkeuze viel op een afgewassen bakje van de chinees. Dus de zelfafnametest vlug doorgelezen en met het bakje richting toilet. Dat viel niet mee, al zittend met een bakje tussen de benen door naar achteren teneinde de poep op te vangen, en dan persen en goed vasthouden. Bij het persen wil er wel eens wat plas meekomen, en dat mag weer niet in het bakje komen. Die natte hand kan gewassen worden. Met een rood hoofd produceerde ik wat testmateriaal en moest dit ook nog weer onder mij vandaan zien te krijgen zonder het bakje zo te kantelen, dat ik weer opnieuw zou moeten beginnen of de test op de vloer van het toilet zou moeten uitvoeren.
Toen deze toer uiteindelijk gelukt was, kwam ik erachter, dat het teststaafje nog op tafel in de huiskamer lag. en ik het bakje zo gauw niet ergens neer kon zetten. Dus met de broek op de enkels en een bamibakje vol poep in de hand naar de huiskamer geschuifeld, schaterend gadegeslagen door mijn lieve echtgenote, die stellig weigerde mij bij mijn getob te helpen. (“Ik vind het veel te leuk om het te bekijken, en je stinkt te veel”) Vervolgens het staafje in de hoop geprikt (op vier plaatsen) en in het bijbehorende buisje gestopt. Daarna de terugreis, al schuifelend naar de wc om het Chinesen-bakje te legen en mijn kont af te vegen. Chinees eten uit zo’n bakje heeft sindsdien toch een bijsmaakje…
Na stap 1, het nemen van het monster, en stap 2, het invullen van een formulier, volgde stap 3: De boel opsturen. Dit moest geen probleem zijn, ware het niet, dat uit de daarbij vermelde informatie bleek, dat de test op de dag van het produceren verzonden moest worden, maar dan wel op maandag, dinsdag, woensdag dan wel donderdag, omdat anders het materiaal bij aankomst in het laboratorium onbruikbaar zou zijn.
Het was vrijdagmorgen.
Shit!
Didi
Er werd op het raam geklopt. Het was al laat en we waren de rommel van Elly’s zestigste verjaardagsfeest aan het opruimen. We openden nieuwsgierig de deur en daar stonden Suus en Frits, de overburen, allebei met een glas wijn in de hand. “Gefeliciteerd!” klonk het, en ze hieven het glas, staande voor de voordeur. We konden er wel om lachen. Dus we deden alle lichten maar weer aan en pakten zelf ook nog een drankje.
Soms kunnen onverwachte (na-)feestjes erg gezellig zijn. Het werd laat, ook omdat ze even hun ei kwijt moesten. Het gaat niet goed met hun Didi, een stoere Old English Bulldog. Dat is een hond, die lijkt op Churchill, maar dan zonder sigaar. Een vervaarlijk uitziend gevaarte met een heel lief karakter. Het beest is pas vier en zal mogelijk niet te genezen zijn. Frits had het er duidelijk moeilijk mee. Hij bleef hoop houden, eigenlijk een beetje tegen beter weten in. Suus deed net of ze het ‘zakelijk’ kon benaderen, maar haar toneelspel was matig. Een hond is toch een lid van je gezin.
Het werd steeds later en het gesprek werd steeds beter.
Diep in de nacht gingen ze met hun lege glas in de hand terug naar de overkant. Licht slingerend. Het viel me op, dat de stoere Frits er, ondanks zijn tattoos en oorringen, opeens veel minder vervaarlijk uitzag, een beetje breekbaar zelfs. Een Old English Bulldog met een klein hartje.
F-drolletje
Wanneer ik het terras voor de kantine oploop, begint Bertus wat heviger te vegen. Hij is boos op me omdat ik in een vorig stukje de draak gestoken heb met zijn spraakprobleem. Hij heeft gelijk, dat weet ik. Ik ga me bij hem verontschuldigen. Ik had het niet zo mogen doen, maar was me niet bewust van de gevoeligheid van dit onderwerp bij hem. Bertus accepteert mijn excuus en wil graag weer een biertje van me aannemen. Gelukkig. Bertus gaat verder met het aanvegen van het terras voor de kantine, zachtjes brommend over de peuken, die daar overal liggen. Er zijn speciale asbakken, maar die worden niet altijd gezien.
Na het vredesakkoord ga ik even naar het toilet. Daar ik wat ouder ben, plas ik tegenwoordig zittend. Hier zijn lange discussies met mijn echtgenote aan voorafgegaan. Volgens haar is mijn brandspuit veranderd in een douchekoppie. En dat geeft gespetter op de vloer. Ik heb uiteindelijk maar toegegeven.
Op de bril van het herentoilet zit poep. Dat wordt dus geen zittend gezeik. In de diepte drijft een klein drolletje. Een F-drolletje. (Of heet dat tegenwoordig een JO9-drolletje?) De brilpoep is waarschijnlijk van hetzelfde F-je. Ik glimlach, en maak een wc-papiertje nat om de bril schoon te maken, me bedenkend, dat er mensen zijn, die wekelijks de wc’s schoonmaken en kleedkamers aanvegen. Die verdienen veel respect. Tevreden ga ik de kantine weer in, en voel me een beetje Zinkwegger; met elkaar ruimen we alle shit op, al is het maar een F-drolletje. Even later drink ik samen met Bertus het beloofde biertje aan de bar en zitten we het allebei weer naar onze zin te hebben.
het patatdoelpunt
“Het wonder is geschied!” klonk het, begeleid door het vrolijke geklepper van zo’n 30 voetbalschoenen op de tegels voor de bestuurskamer van de Zinkwegse Boys. Het waren de spelers van het G-team en hun tegenstanders. Ze waren allemaal op weg naar de kantine om het hen beloofde gratis patatje op te halen. Jan Schipper kon een grijns niet onderdrukken. Hij verontschuldigde zich even bij zijn medebestuurders, met wie hij zat te vergaderen, om opheldering te vragen in de kantine. Daar stonden ze, de voetballers van de G-teams, die zojuist hun wedstrijd op het tweede veld hadden afgesloten. Wat de uitslag was, wisten ze niet precies, maar wel dat Arie had gescoord. En de voorzitter, Jan Schipper dus, had ergens in de eerste helft even langs de lijn staan te kijken en in een opwelling geroepen, dat hij zou trakteren, wanneer Arie van der Velden een doelpunt zou maken. Want daar zou een wonder voor nodig zijn. En had zijn hielen nog niet gelicht, of in de tweede helft geschiedde dat wonder. Dus stonden 14 G’s zich te verdringen voor het luik van de frituur in de kantine. Jan kon er om lachen en loste zijn belofte in. Tevreden werd de patat verorberd.
Jan vroeg zich wel af, hoe het mogelijk was dat de betreffende speler, een vijftiger met het syndroom van Down, die door zijn motorisch achterstand zijn ene been bijna niet voor het andere kon krijgen, had gescoord. Daar was echt een wonder voor nodig. “We hebben hem een beetje geholpen” sprak een Zinkwegspeler, met zijn mond halfvol patat. “En wij ook”, zei een G-speler van de tegenpartij glunderend, “Want je had gezegd, dat wij dan ook een patatje zouden krijgen!” Dat klopte, wist Jan, en daardoor moest hij nog harder lachen. De doelpuntenmaker zelf begreep het allemaal niet erg, die zat met zijn patatje in het midden van de belangstelling de dag van zijn leven te hebben.
Dit verhaal speelde zich zo’n 26 jaar geleden af. De doelpuntmaker is inmiddels overleden. Maar bij de Zinkwegse boys spelen nog steeds mensen met een verstandelijke beperking in G-teams. Gewoon, omdat ze erbij horen. Dat weet iedereen in de Hoekse waard.
Zonder meer
Hij stond bovenop een keukentrap te balanceren met een krijtje in zijn hand. Met grote letters begon hij, met het puntje van zijn tong uit zijn mond te schrijven: WELKOM! Hij las op het briefje, dat hij van de bazin had gekregen en ging met steeds kleinere letters, omdat het schoolbord niet breed genoeg was, verder: ZINKwegse boys. De laatste ‘s’ stond er nog net bijgekriebeld. Trots keek hij op het restaurant neer. “Teken er nog een voetbal bij”, zei iemand, en de schrijver draaide zich weer naar het bord en tekende een voetbal. Zwart met witte stippen, want hoe doe je dat anders op een schoolbord. Het schoolbord hing boven de ‘pass’ van eetcafé ‘Zonder meer’ in Oud-Beijerland. Gerund door mensen met een enorm enthousiasme, die een verstandelijke beperking hebben. En dat heb ik liever dan een restaurant met mensen, die een enorm verstand hebben, maar een enthousiasme-beperking.
De medewerker op de trap kreeg van een collega een rietje aangereikt. “Om die bal op te blazen!” Er klonk luid gelach uit de keuken.
Ik was wat vroeg. Zoals het bord al aangaf werd de selectie van de ZWB verwacht. Deze had s’ochtends eerst getraind en was vervolgens naar ‘Boxing’ (een sportschool) gegaan, alwaar vetmetingen gedaan werden en voorlichting over voeding gegeven. De mannen druppelden in groepjes binnen, druk bezig met hun telefoons. Ze bekeken de gekregen informatie en vergeleken vetpercentages. Er werd gepraat over de juiste voeding voor sportlui! Verzorger Leo zat met een tevreden grijns tegenover me. Voeding is één van zijn stokpaardjes. Zou de boodschap nu eindelijk overkomen?
Naast me werd ook gepraat over stoppen met roken. Iedereen was bezig met het komende seizoen, iedereen was gefocust op ‘beter worden’ op ‘beter presteren’.
Frank, de ober met Downsyndroom, nam de bestelling op voor de drankjes. Hij herkende verzorger Leo en omhelsde hem. Omdat hij Leo’s vrouw kende. Kok Jaco stond in de keuken naar me te zwaaien. Hij is patiënt bij me en fervent Ajax-aanhanger. Daar plaag ik hem soms mee. Hij plaagt mij, wanneer Feijenoord verliest. Ik zwaaide terug.
De drankjes voor onze tafel werden gebracht door een vrouwelijke collega van Frank. Ze probeerde het volle blad op tafel te krijgen. Dat lukte bijna; een flesje fris viel om. Ik had met haar te doen; ze deed zo haar best met haar beperkte motoriek.
Niemand nam haar iets kwalijk. Niemand klaagde. Er werd gedweild en een nieuw flesje gebracht. Het hoorde erbij, en haar collega’s losten het probleem samen met haar gewoon op. Als een team.
We kregen een heerlijke pomodorisoep. In leuke, maar onpraktische vierkante soepborden. Want hoe krijg je het laatste beetje uit de hoek? Ik moest me inhouden om niet stiekem mijn bord af te likken.
Frank kwam afruimen. Met een blad vol vierkante soepborden ging hij de keuken in. Hij haalde de vaatwasser net niet. Er klonk een donderend geraas. Er konden weer gewone ronde soepborden besteld worden.
Maar wederom werd niemand iets kwalijk genomen. Leo vroeg aan de bazin of ze de keuken aan het verbouwen waren, en deze lachte slechts. Het hoort er gewoon bij, dat dingen wel eens tegenzitten. In de keuken hielp iedereen mee met opruimen. De sfeer bleef opgeruimd. En de rest van de lunch kwam vrijwel zonder vertraging op tafel. Vlotter dan bij veel andere eettenten. Voor 26 personen. Wat een team!
Na het eten gingen de laatste rokers naar buiten. Youri ook, alhoewel hij al een tijdje bezig is met ontwennen. Hij heeft een soort inhaler als hulpmiddel. Ik had zoiets nog niet eerder gezien, dus keek benieuwd hoe hij het apparaat aan zijn mond zette en inhaleerde. Bij het uitblazen was het net of de Nieuw-Amsterdam stoom afblies. Alarmfase 2 ging in werking: de hele straat was direct gehuld in een dikke mist. Ik keek Leo aan en Leo keek mij aan en we schoten beiden in de lach. Wat een rookwolk! De veroorzaker zelf kon er geen genoeg van krijgen; hij nam nog een paar halen. Het rookalarm van de benedenwinds gelegen Hema moest haast wel afgaan, maar het bleef stil.
Deze zaterdag zou wel eens de basis kunnen zijn van een seizoen, waarin de doelstelling, handhaving in de derde klasse, gewoon wordt gehaald. Het besef dat je door jezelf te verbeteren het team op een hoger niveau kunt krijgen, maar ook het besef dat je de missers van je medespelers samen op moet lossen is ons bijgebracht door het team van ‘Boxing’ en door het team van ‘Zonder meer’. Klasse!
rust zacht
Het potkacheltje snorde tevreden, vol warme vlammetjes. Uit de keuken blies de oven heerlijke geuren de kamer in. Ik zat in een hoekje stil te genieten. Het is nog maar een paar maanden geleden, misschien net een jaar. Tante Riet en haar dochter Margo waren voor een lunch naar het nieuwe huis van Harm en Rita gekomen, die als altijd hadden gezorgd voor een warm welkom. Lekkere hapjes en een heerlijke soep, zoals volgens mij alleen Rita en Elly die kunnen maken.
Tante Riet genoot, ondanks dat ze haast niets meer kon proeven. Haar smaak deed het niet meer. Het maakte niet uit; ze genoot van haar nichtjes, die geluk uitstraalden. Van de soms heerlijke slappe flauwekul, die uitgekraamd werd, van het ophalen van familiedingen. In Margo’s iets droevige ogen glommen pretlichtjes. Er werd veel gelachen, zoals vaak bij zoete herinneringen.
Nel was er met Kimmy, Elly, Harm en Rita, en er kwamen jongens van Rita langs. Het was de ongedwongen chaos, die gezellig maakt.
Tante Riet kwam gewoon voor de lunch, en als ‘Housewarming’. Alhoewel dat house warm genoeg was.
Ik bekeek het allemaal vanuit mijn hoekje, want Tante Riet was geen echte familie van mij, maar van Elly en Rita. Alhoewel tante zelf geen verschil maakte. Ze knuffelde ons jongens net zo stevig. Misschien zelfs iets steviger, als een soort waarschuwing, dat we goed voor onze meisjes moesten blijven zorgen.
Ik mocht tante Riet erg graag. Mocht, inderdaad. Ze is dood.
Bij één van onze laatste bezoeken zat ze fier in haar bed te grappen, dat ze die Magere Hein nu wel eens wilde ontmoeten. “Misschien is het wel een hele knappe vent!” zei ze, langzaam, met haar wat krakende stem. Weer kreeg ze ons aan het lachen.
Zondag, juist voor etenstijd heeft ze hem ontmoet. Hij droeg een zwarte mantel met daaronder de naakte waarheid. Hij had een witte roos bij zich. Tante Riet keek hem aan. Hij was adembenemend mooi. Hij pakte zijn gouden zakhorloge en zei slechts: “Het is tijd, lieve Riet”
Hij nam haar bij de hand en samen vertrokken ze naar het diner. Het zou haar weer heerlijk smaken, de kaviaar, de speklapjes, het ijs. Net als vroeger.
Rust zacht, lieve tante Riet.
Jan-Kees
“I’m a very good swimmer, I SINK” is waarschijnlijk de slechtste openingszin ooit. Uitgesproken door Jan-Kees, die met zijn ouders en wat kennissen op vakantie in Venetië was. Mijn ouders en mijn zus waren daar ook. Laatstgenoemde schoot in de lach bij deze zoveelste onbeholpen poging van superlul Jan-Kees, die, staande in zee, in zijn beste steenkool-Engels probeerde met een meisje in gesprek te komen. Sorry, maar een betere kwalificatie dan ‘superlul’ kan ik niet bedenken. Hij was het enige kind van een paar oude mensen, die bevriend waren met mijn ouders. En hij was daarom volgens mijn moeder een beetje zielig, dus wij mochten hem niet pesten. Dat was een moeilijke opgave. Vooral omdat Jan-Kees er gewoon om vroeg, met zijn brilletje en zijn poedelhaar. Volgens ons ging hij niet naar de kapper maar naar de hondentrimster. Een blanke met een Afro kapsel. Maar, zoals gezegd, wij mochten Jan-Kees niet plagen.
In die tijd luisterde je nog (zoveel mogelijk) naar je ouders, dus wij hielden ons erg in, wanneer Jan-Kees met zijn ouders bij ons op visite was, of wij gedwongen waren met onze ouders mee te gaan op visite bij hen. Ondanks de vele provocaties van onze superlul moesten wij ons inhouden. We probeerden hem dan ook zoveel mogelijk te mijden, want wanneer we hem pestten kregen we straf. Hij bezat een in mijn ogen prachtige zeilboot, een mahoniehouten Schakel, maar zeilde daar nooit mee, omdat hij het niet alleen durfde. De eikel. Hij moest altijd een fokkenmaat meehebben. Het ergste wat mijn ouders me aan konden doen, was me mee te sturen met Jan-Kees als fokkenmaat. Jan-Kees misbruikte zijn eigendom van de Schakel om mij dan rond te commanderen.
Tijdens een verjaardag bij ons thuis ging het mis. Behalve de superlul en zijn ouders waren er ook andere buren, met Onbereikbare Ellen. Onbereikbare Ellen keek vanuit een onmetelijke hoogte minzaam glimlachend op ons neer. Ook letterlijk, want ze was erg lang. Ze basketbalde en had een mooi sportief lijf.. Jan-Kees probeerde Onbereikbare Ellen mee te krijgen in zijn Schakel. Logischerwijze had deze daar weinig trek in. Toen moest ik zo nodig bijdehand doen: “Leuk, joh, Ellen, samen met Jan-Kees zeilen! En dan ergens in de Biesbosch een mooi plekje zoeken om te zwemmen…” Ellen zat te gruwelen bij het idee. “Gezellig, zo samen met Jan-Kees”, plaagde ik verder, “Heb je wel eens een poedel naakt gezien?” Ellen schoot in de lach, de visite keek nu vernietigend mijn kant op. Fout. Mijn moeder reageerde heel koeltjes: “Ik denk, dat Ellen daar geen zin in heeft. Ik denk ook, dat het een goed idee is, dat jij met Jan-Kees gaat zeilen.” En het gewone gekeuvel werd hervat.
Dus ik moest mee. Vreselijk. Die Schakel lag voorover van de troep in het vooronder. Er lag zelfs een gasstelletje met gasflesje en een keteltje om thee te zetten. Thee! Ik was toen 17 jaar. Ik was al een paar jaar zeilinstructeur, die op de zeilschool alleen bij het ontbijt thee dronk tegen de droge bek van het drankgebruik van de vorige nacht. Waarom had die eikel niet gewoon een krat bier in het vooronder? We voeren over het Wantij richting Ottersluis, kwamen daar, ondanks het geschutter van onze poedelschipper, schadevrij doorheen, en hesen de zeilen op de Nieuwe Merwede. Ik hoopte maar, dat ik niet gezien zou worden door bekenden, want de zeilen stonden er beroerd bij. Jan-Kees had het helemaal naar zijn zin en commandeerde er lustig op los. Ik nam mijn straf gelaten, en deed net of ik het ook geweldig vond. Die mooie boot, die arme mooie boot, zo misbruikt!
Na een paar uur zag ik achter de Moerdijkbrug donkere wolken. Hele donkere wolken, in de vorm van een aambeeld boven de horizon. “Heb je die bui daar gezien?” vroeg ik aan de schipper. “Huh, bui?” klonk het, “Welke bui?” Hij keek op mijn wijzen richting brug. “O, dat is ver weg, dat waait wel over” Hij had geen idee, wat er te komen stond. Het transistorradiootje van onze superlul begon inmiddels verschrikkelijk te kraken. De poedel begon wat aan knopjes te draaien, omdat hij geen idee had, wat de oorzaak van het gekraak was. Ik wel. Ik wist nu zeker, dat er onweer op komst was. “Ik weet hier vlakbij een mooi haventje, zullen we een lekker warm kopje thee zetten?” vroeg ik met mijn vriendelijkste stem. “O, dat is wel een goed idee!” antwoordde onze zeildweil. “Zal ik het roer even overnemen, ik weet precies waar dat haventje is” zei ik. Het lukte, hij trapte er in. De bui kwam al behoorlijk snel onze kant op, dus snel handelen was geboden. Jan-Kees streek de zeilen, terwijl ik de buitenboordmotor startte en vol gas naar de vlakbij gelegen vluchthaven voer. We waren net op tijd. Het theewater was nog niet eens opgezet, toen er een gigantisch noodweer losbarstte. Op de Merwede sloegen veel boten om, braken masten af en liepen schepen op strekdammen. Jan-Kees zat met een bleek bekkie een beetje besodemieterd te kijken met zijn fluitketeltje in zijn hand. Door de regen was zijn poedelkapsel volledig over zijn ogen gezakt.
Toen ik ’s avonds thuiskwam, zat mijn vader rustig zijn krantje te lezen. “Het was zelfs op het nieuws”, zei hij, al verder lezend. “Maakte u zich dan geen zorgen?”, vroeg ik, wij spraken onze ouders altijd met U aan. “Welnee, ik wist toch, dat jij erbij was”. Ik was even stil. Beetje trots. Geen idee, dat die ouwe zoveel vertrouwen in me had. “We zijn een vluchthaven ingegaan om thee te drinken” zei ik. Die ouwe keek me nu even over zijn krant heen aan. “Thee? Jij drinkt toch nooit thee?” “Het was de enige manier om die poedel naar de kant te krijgen”, zei ik. De krant schudde zachtjes. Mijn vader zat stiekem te lachen.
Polen
Bertus vertelde trots, dat hij een nieuwe auto had gekocht. Het kwam er wat moeizaam uit, want hij had een paar ‘sappies’ gedronken. “Wat voor merk, Bertus?” vroeg ik belangstellend. “Alles zit erop en eraan”, probeerde de beste man mijn vraag nog te ontwijken, maar ik hield vol: “Leuk, Bertus, maar wat voor merk is het?” Bertus keek me nu iets minder gelukkig aan en probeerde antwoord te geven: “een SUSUSU….” Een ander wilde helpen: “Een stoomlocomotief, Bertus?” Gelach, “Een Suzuki!” Opgelucht nam de autobezitter een slok uit zijn flesje bier.
Het was zaterdagmiddag en prachtig weer. We zaten voor de kantine van de Zinkwegse boys te genieten van het vooruitzicht op een nieuw seizoen. Het veld lag er nog ongeschonden bij. Er stonden zelfs nog geen krijtlijnen op. Op de steigerhouten tafel stond een leeg krat bier. Het tweede had getraind en de één na de ander ging huiswaarts. Een klein groepje bleef over. Er werd gepraat over koetjes en kalfjes. Niet vreemd bij een plattelandsclub als de Zinkweg.
Er kwamen steeds nieuwe drankjes, iedereen wilde zijn rondje geven om niet gierig te lijken. En de sterke verhalen verdrongen de koetjes en de kalfjes.
Over de reizen van een groepje zinkweggers naar Polen. Verhalen, die je steeds opnieuw kunt horen en die nooit vervelen.
Ze waren er diverse keren geweest, met een groep van zo’n zeven man, zij het niet steeds in dezelfde samenstelling.
Kwajongens waren het, maar aardige kwajongens.
Na een week trokken ze dan weer huiswaarts, sommigen naar moeder de vrouw en hun kinderen.
De thuisreis ving altijd aan om 08.00 uur. Vos was daar heel strikt in, want die wilde op tijd weer thuis zijn. Het maakte niet uit, hoe dronken zijn passagiers de avond ervoor waren geweest, hij vertrok op tijd.
Zo ook die keer. Ze hadden de laatste passagier met moeite zijn nest uit- en de auto in-gekregen en vertrokken om 08.03. Vos was daardoor al een tikkie sjagrijnig en gaf vol gas.
De schone slaper had geen tijd gekregen voor een bak koffie en was licht kankerend weer in slaap gevallen. Na een uurtje werd hij wakker. “Ik moet schijten” klonk het een beetje benauwd.
De chauffeur reageerde niet. “Ik moet echt schijten” klonk het weer, nu wat dringender. Weer geen reactie. “Anders doe ik het hier in de auto, en ìk heb geen last van die stank, hoor!” Nu reageerde Vos wel. “Piep” (Vloeken heb ik maar even door een ‘piep’ vervangen) Hij draaide de eerstvolgende parkeerplaats op.
De kakker wachtte niet eens af tot de auto helemaal stilstond, griste het gehaakte hoge hoedje, waar een wc-rol in zat, van de hoedenplank en rende de dichtstbijzijnde bosjes is.
Het duurde even, want de ongelukkige ging niet echt gemakkelijk af, maar na een kwartier veegde hij zijn achterwerk af met het gehaakte hoedje en vervoegde zich met de wc-rol in zijn hand weer bij het reisgezelschap. “Waar is dat hoedje?” gromde de eigenaar van de auto, “Dat heeft mijn oma nog speciaal voor mij gehaakt in de kleuren van de Zinkwegse boys!” Dat deden oma’s in die tijd nog: hoedjes haken waarin een wc-rol paste om op de hoedenplank van een auto te zetten. “Eh, dat wil je niet terug” mompelde de bospoeper, “Jij hebt zelf gezegd, dat dat hoedje was voor sanitaire noodgevallen! Ik moest de inhoud eruit halen en weer mee terugnemen.” Het was even stil. “Maar met een gehaakt hoedje kun je toch ‘piep’ je kont niet.afvegen, dombo!” “Nee, dat heb ik ook gemerkt, gelukkig zat dat wc-papier erin om mijn hand schoon te maken”. “Jij hebt ‘Piep’ bij het uitdelen van de hersens ook niet vooraan in de rij gestaan, idioot! Waar dacht je dat dat wc-papier dan voor diende?” “Sorry, dat het wc-papier was, zag ik pas later, toen ik iets zocht om mijn hand mee schoon te krijgen. Komt zeker door die Wodka van gisteravond…”
Vanuit de inmiddels gearriveerde tweede wagen met zinkweggers werd het gesprek gierend van het lachen gevolgd.. De mestauto zette zich, gevolgd door deze gierkar, weer in beweging. De stemming in de voorste auto was er niet beter op geworden.
Na drie kilometer begon onze milieuvervuiler met zijn kont te schuiven. Vos keek in zijn spiegel. Hij zag een benauwde kop. “Ik geloof, dat ik daarnet in een mierenhoop ben gaan zitten”
“Dat is je straf” zei de chauffeur. De Mop, die naast de bestuurder zat, zat met een grijns van oor tot oor.
Het geschuif en gekrab hield niet op. De medepassagiers werden er gek van, dus bij de volgende benzinepomp werd er weer gestopt. Vos parkeerde zorgvuldig naast een bus Poolse nonnen. De ongelukkige vloog de auto uit en verwijderde met zijn broek op zijn enkels de kriebelbeesten uit zijn ondergoed, Hij stond voorovergebogen met zijn rug naar de touringcar, van waar uit de pinguins een goed uitzicht hadden op zijn harige blanke billen met daartussen zijn carillon. Sommigen zaten met de snaveltjes open toe te kijken, anderen sloegen een kruisje en keken de andere kant op.
Na de striptease ging het beter met onze brave borst. Hij viel weer in een diepe slaap en werd pas halverwege Duitsland weer wakker. .
Dit verhaal is natuurlijk sterker dan de waarheid. Anders was er weinig te vertellen geweest. Want dat de heren ook naar Polen gingen om een arme weduwe te helpen, die in een hok woonde met een zootje kinderen, vertellen ze natuurlijk niet.
Laat de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet.
De lifestylecoach
De zelfmoordpoging van de anorexiapatiënte was hopeloos mislukt; toen ze van de flat sprong dwarrelde ze als een herfstblaadje naar beneden, landde niet al te hard, stond op, veegde het stof van haar kleren en ging naar huis om eens flink te bunkeren, zodat haar volgende poging succesvoller zou zijn.
Dit is natuurlijk niet grappig, want anorexia is een ernstige ziekte. Men zal mij terecht aanvallen over deze wrange grap.
Wanneer een dikke dame van dezelfde flat springt en de vereniging van eigenaren besluit van de door de val veroorzaakte krater een zwembad te maken, en naar haar te vernoemen, wordt dit best leuk gevonden. Niemand gaat mij deze eveneens wrange grap kwalijk nemen.
Ik ben dus gelukkig geen anorexiapatiënt. Om mij mag gelachen worden.
Maar mede door mijn corpulentie wilde mijn rechter heup niet meer zo graag wandelen. Al zeurde de linker nog zoveel, hij wilde niet mee. Ik moest dus wat afvallen. Wanneer je de diverse televisieprogramma’s over dit onderwerp moet geloven moest ik naar een Lifestylecoach.
Wat is een lifestyle-coach? Dat is een superbrilslang. Een brilratelslang, ze vraagt je de oren van de kop.
“Wat zie je, wanneer je in de spiegel kijkt?” Ik: “huh?” De brilslang: “Wanneer heb je voor het laatst voor de spiegel gestaan?” “Vanmorgen” zei ik, een beetje verlegen. “En wat zag je?” Ik fronste mijn wenkbrauwen. Moest ik nu echt de werking van een spiegel gaan uitleggen? Wat dacht ze dat ik zou zien? De buurvrouw? Ze hield vol: “Wat dacht je over hetgeen je zag?” Ik dacht heel even na. “Ik dacht eigenlijk: Goh, de viagra van gisteravond is nog niet helemaal uitgewerkt!” Ik kon het niet helpen, brilslangen brengen het slechtste in mij boven.
Maar brilslangen hebben geen humor. Dus ze keek niet blij. Ik probeerde het te vergoelijken: “Maar zodra ik u zag, was dat over, hoor!” Mis. Ik kreeg een vernietigende blik.
“U neemt uw probleem niet echt serieussss, volgens mij” siste de slang. Ik probeerde maar weer mee te werken.
Volgens haar moest ik meer bewegen en anders gaan eten.
Ik kreeg een pot met één of ander poeder mee, als vervanging voor mijn overdadige maaltijden. Toevallig handelde de gratenbaal in dit spul. Het had me meer verbaasd als ze in moorkoppen had gehandeld. En als het spul beviel, mocht ik het zelf gaan verkopen, zo kon ik mijn eten zelf terugverdienen! Ik zou het dan bij haar kunnen inkopen. Jaja….
Ze werd nu erg enthousiast. Ik wat minder. Ik zag mezelf niet als dealer van het één of andere zwaar verslavend poeder. (Want zonder kunnen mensen immers niet in leven blijven?) Met mijn toekomstige hoofdmenu in een plastic tasje vertrok ik vertwijfeld huiswaarts.
Thuisgekomen maakte ik nieuwsgierig het gekochte blik open, pakte een lepel en nam een hap om te proeven. Getver, wat een droge zooi! Tot overmaat van ramp moest ik gelijk niesen. Heel de keuken was gelijk bedekt onder een laag roze stof. Aardbeiensmaak.
Na twee uur schoonmaken ben ik naar de friteskraam gegaan voor een lekkere zak patat. Op de fiets, want dan had ik in ieder geval nog bewogen.