Polen

Polen
Bertus vertelde trots, dat hij een nieuwe auto had gekocht. Het kwam er wat moeizaam uit, want hij had een paar ‘sappies’ gedronken. “Wat voor merk, Bertus?” vroeg ik belangstellend. “Alles zit erop en eraan”, probeerde de beste man mijn vraag nog te ontwijken, maar ik hield vol: “Leuk, Bertus, maar wat voor merk is het?” Bertus keek me nu iets minder gelukkig aan en probeerde antwoord te geven: “een SUSUSU….” Een ander wilde helpen: “Een stoomlocomotief, Bertus?” Gelach, “Een Suzuki!” Opgelucht nam de autobezitter een slok uit zijn flesje bier.
Het was zaterdagmiddag en prachtig weer. We zaten voor de kantine van de Zinkwegse boys te genieten van het vooruitzicht op een nieuw seizoen. Het veld lag er nog ongeschonden bij. Er stonden zelfs nog geen krijtlijnen op. Op de steigerhouten tafel stond een leeg krat bier. Het tweede had getraind en de één na de ander ging huiswaarts. Een klein groepje bleef over. Er werd gepraat over koetjes en kalfjes. Niet vreemd bij een plattelandsclub als de Zinkweg.
Er kwamen steeds nieuwe drankjes, iedereen wilde zijn rondje geven om niet gierig te lijken. En de sterke verhalen verdrongen de koetjes en de kalfjes.
Over de reizen van een groepje zinkweggers naar Polen. Verhalen, die je steeds opnieuw kunt horen en die nooit vervelen.
Ze waren er diverse keren geweest, met een groep van zo’n zeven man, zij het niet steeds in dezelfde samenstelling.
Kwajongens waren het, maar aardige kwajongens.
Na een week trokken ze dan weer huiswaarts, sommigen naar moeder de vrouw en hun kinderen.
De thuisreis ving altijd aan om 08.00 uur. Vos was daar heel strikt in, want die wilde op tijd weer thuis zijn. Het maakte niet uit, hoe dronken zijn passagiers de avond ervoor waren geweest, hij vertrok op tijd.
Zo ook die keer. Ze hadden de laatste passagier met moeite zijn nest uit- en de auto in-gekregen en vertrokken om 08.03. Vos was daardoor al een tikkie sjagrijnig en gaf vol gas.
De schone slaper had geen tijd gekregen voor een bak koffie en was licht kankerend weer in slaap gevallen. Na een uurtje werd hij wakker. “Ik moet schijten” klonk het een beetje benauwd.
De chauffeur reageerde niet. “Ik moet echt schijten” klonk het weer, nu wat dringender. Weer geen reactie. “Anders doe ik het hier in de auto, en ìk heb geen last van die stank, hoor!” Nu reageerde Vos wel. “Piep” (Vloeken heb ik maar even door een ‘piep’ vervangen) Hij draaide de eerstvolgende parkeerplaats op.
De kakker wachtte niet eens af tot de auto helemaal stilstond, griste het gehaakte hoge hoedje, waar een wc-rol in zat, van de hoedenplank en rende de dichtstbijzijnde bosjes is.
Het duurde even, want de ongelukkige ging niet echt gemakkelijk af, maar na een kwartier veegde hij zijn achterwerk af met het gehaakte hoedje en vervoegde zich met de wc-rol in zijn hand weer bij het reisgezelschap. “Waar is dat hoedje?” gromde de eigenaar van de auto, “Dat heeft mijn oma nog speciaal voor mij gehaakt in de kleuren van de Zinkwegse boys!” Dat deden oma’s in die tijd nog: hoedjes haken waarin een wc-rol paste om op de hoedenplank van een auto te zetten. “Eh, dat wil je niet terug” mompelde de bospoeper, “Jij hebt zelf gezegd, dat dat hoedje was voor sanitaire noodgevallen! Ik moest de inhoud eruit halen en weer mee terugnemen.” Het was even stil. “Maar met een gehaakt hoedje kun je toch ‘piep’ je kont niet.afvegen, dombo!” “Nee, dat heb ik ook gemerkt, gelukkig zat dat wc-papier erin om mijn hand schoon te maken”. “Jij hebt ‘Piep’ bij het uitdelen van de hersens ook niet vooraan in de rij gestaan, idioot! Waar dacht je dat dat wc-papier dan voor diende?” “Sorry, dat het wc-papier was, zag ik pas later, toen ik iets zocht om mijn hand mee schoon te krijgen. Komt zeker door die Wodka van gisteravond…”
Vanuit de inmiddels gearriveerde tweede wagen met zinkweggers werd het gesprek gierend van het lachen gevolgd.. De mestauto zette zich, gevolgd door deze gierkar, weer in beweging. De stemming in de voorste auto was er niet beter op geworden.
Na drie kilometer begon onze milieuvervuiler met zijn kont te schuiven. Vos keek in zijn spiegel. Hij zag een benauwde kop. “Ik geloof, dat ik daarnet in een mierenhoop ben gaan zitten”
“Dat is je straf” zei de chauffeur. De Mop, die naast de bestuurder zat, zat met een grijns van oor tot oor.
Het geschuif en gekrab hield niet op. De medepassagiers werden er gek van, dus bij de volgende benzinepomp werd er weer gestopt. Vos parkeerde zorgvuldig naast een bus Poolse nonnen. De ongelukkige vloog de auto uit en verwijderde met zijn broek op zijn enkels de kriebelbeesten uit zijn ondergoed, Hij stond voorovergebogen met zijn rug naar de touringcar, van waar uit de pinguins een goed uitzicht hadden op zijn harige blanke billen met daartussen zijn carillon. Sommigen zaten met de snaveltjes open toe te kijken, anderen sloegen een kruisje en keken de andere kant op.
Na de striptease ging het beter met onze brave borst. Hij viel weer in een diepe slaap en werd pas halverwege Duitsland weer wakker. .
Dit verhaal is natuurlijk sterker dan de waarheid. Anders was er weinig te vertellen geweest. Want dat de heren ook naar Polen gingen om een arme weduwe te helpen, die in een hok woonde met een zootje kinderen, vertellen ze natuurlijk niet.
Laat de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet.