“I’m a very good swimmer, I SINK” is waarschijnlijk de slechtste openingszin ooit. Uitgesproken door Jan-Kees, die met zijn ouders en wat kennissen op vakantie in VenetiĆ« was. Mijn ouders en mijn zus waren daar ook. Laatstgenoemde schoot in de lach bij deze zoveelste onbeholpen poging van superlul Jan-Kees, die, staande in zee, in zijn beste steenkool-Engels probeerde met een meisje in gesprek te komen. Sorry, maar een betere kwalificatie dan ‘superlul’ kan ik niet bedenken. Hij was het enige kind van een paar oude mensen, die bevriend waren met mijn ouders. En hij was daarom volgens mijn moeder een beetje zielig, dus wij mochten hem niet pesten. Dat was een moeilijke opgave. Vooral omdat Jan-Kees er gewoon om vroeg, met zijn brilletje en zijn poedelhaar. Volgens ons ging hij niet naar de kapper maar naar de hondentrimster. Een blanke met een Afro kapsel. Maar, zoals gezegd, wij mochten Jan-Kees niet plagen.
In die tijd luisterde je nog (zoveel mogelijk) naar je ouders, dus wij hielden ons erg in, wanneer Jan-Kees met zijn ouders bij ons op visite was, of wij gedwongen waren met onze ouders mee te gaan op visite bij hen. Ondanks de vele provocaties van onze superlul moesten wij ons inhouden. We probeerden hem dan ook zoveel mogelijk te mijden, want wanneer we hem pestten kregen we straf. Hij bezat een in mijn ogen prachtige zeilboot, een mahoniehouten Schakel, maar zeilde daar nooit mee, omdat hij het niet alleen durfde. De eikel. Hij moest altijd een fokkenmaat meehebben. Het ergste wat mijn ouders me aan konden doen, was me mee te sturen met Jan-Kees als fokkenmaat. Jan-Kees misbruikte zijn eigendom van de Schakel om mij dan rond te commanderen.
Tijdens een verjaardag bij ons thuis ging het mis. Behalve de superlul en zijn ouders waren er ook andere buren, met Onbereikbare Ellen. Onbereikbare Ellen keek vanuit een onmetelijke hoogte minzaam glimlachend op ons neer. Ook letterlijk, want ze was erg lang. Ze basketbalde en had een mooi sportief lijf.. Jan-Kees probeerde Onbereikbare Ellen mee te krijgen in zijn Schakel. Logischerwijze had deze daar weinig trek in. Toen moest ik zo nodig bijdehand doen: “Leuk, joh, Ellen, samen met Jan-Kees zeilen! En dan ergens in de Biesbosch een mooi plekje zoeken om te zwemmen…” Ellen zat te gruwelen bij het idee. “Gezellig, zo samen met Jan-Kees”, plaagde ik verder, “Heb je wel eens een poedel naakt gezien?” Ellen schoot in de lach, de visite keek nu vernietigend mijn kant op. Fout. Mijn moeder reageerde heel koeltjes: “Ik denk, dat Ellen daar geen zin in heeft. Ik denk ook, dat het een goed idee is, dat jij met Jan-Kees gaat zeilen.” En het gewone gekeuvel werd hervat.
Dus ik moest mee. Vreselijk. Die Schakel lag voorover van de troep in het vooronder. Er lag zelfs een gasstelletje met gasflesje en een keteltje om thee te zetten. Thee! Ik was toen 17 jaar. Ik was al een paar jaar zeilinstructeur, die op de zeilschool alleen bij het ontbijt thee dronk tegen de droge bek van het drankgebruik van de vorige nacht. Waarom had die eikel niet gewoon een krat bier in het vooronder? We voeren over het Wantij richting Ottersluis, kwamen daar, ondanks het geschutter van onze poedelschipper, schadevrij doorheen, en hesen de zeilen op de Nieuwe Merwede. Ik hoopte maar, dat ik niet gezien zou worden door bekenden, want de zeilen stonden er beroerd bij. Jan-Kees had het helemaal naar zijn zin en commandeerde er lustig op los. Ik nam mijn straf gelaten, en deed net of ik het ook geweldig vond. Die mooie boot, die arme mooie boot, zo misbruikt!
Na een paar uur zag ik achter de Moerdijkbrug donkere wolken. Hele donkere wolken, in de vorm van een aambeeld boven de horizon. “Heb je die bui daar gezien?” vroeg ik aan de schipper. “Huh, bui?” klonk het, “Welke bui?” Hij keek op mijn wijzen richting brug. “O, dat is ver weg, dat waait wel over” Hij had geen idee, wat er te komen stond. Het transistorradiootje van onze superlul begon inmiddels verschrikkelijk te kraken. De poedel begon wat aan knopjes te draaien, omdat hij geen idee had, wat de oorzaak van het gekraak was. Ik wel. Ik wist nu zeker, dat er onweer op komst was. “Ik weet hier vlakbij een mooi haventje, zullen we een lekker warm kopje thee zetten?” vroeg ik met mijn vriendelijkste stem. “O, dat is wel een goed idee!” antwoordde onze zeildweil. “Zal ik het roer even overnemen, ik weet precies waar dat haventje is” zei ik. Het lukte, hij trapte er in. De bui kwam al behoorlijk snel onze kant op, dus snel handelen was geboden. Jan-Kees streek de zeilen, terwijl ik de buitenboordmotor startte en vol gas naar de vlakbij gelegen vluchthaven voer. We waren net op tijd. Het theewater was nog niet eens opgezet, toen er een gigantisch noodweer losbarstte. Op de Merwede sloegen veel boten om, braken masten af en liepen schepen op strekdammen. Jan-Kees zat met een bleek bekkie een beetje besodemieterd te kijken met zijn fluitketeltje in zijn hand. Door de regen was zijn poedelkapsel volledig over zijn ogen gezakt.
Toen ik ’s avonds thuiskwam, zat mijn vader rustig zijn krantje te lezen. “Het was zelfs op het nieuws”, zei hij, al verder lezend. “Maakte u zich dan geen zorgen?”, vroeg ik, wij spraken onze ouders altijd met U aan. “Welnee, ik wist toch, dat jij erbij was”. Ik was even stil. Beetje trots. Geen idee, dat die ouwe zoveel vertrouwen in me had. “We zijn een vluchthaven ingegaan om thee te drinken” zei ik. Die ouwe keek me nu even over zijn krant heen aan. “Thee? Jij drinkt toch nooit thee?” “Het was de enige manier om die poedel naar de kant te krijgen”, zei ik. De krant schudde zachtjes. Mijn vader zat stiekem te lachen.