Wanneer ik het terras voor de kantine oploop, begint Bertus wat heviger te vegen. Hij is boos op me omdat ik in een vorig stukje de draak gestoken heb met zijn spraakprobleem. Hij heeft gelijk, dat weet ik. Ik ga me bij hem verontschuldigen. Ik had het niet zo mogen doen, maar was me niet bewust van de gevoeligheid van dit onderwerp bij hem. Bertus accepteert mijn excuus en wil graag weer een biertje van me aannemen. Gelukkig. Bertus gaat verder met het aanvegen van het terras voor de kantine, zachtjes brommend over de peuken, die daar overal liggen. Er zijn speciale asbakken, maar die worden niet altijd gezien.
Na het vredesakkoord ga ik even naar het toilet. Daar ik wat ouder ben, plas ik tegenwoordig zittend. Hier zijn lange discussies met mijn echtgenote aan voorafgegaan. Volgens haar is mijn brandspuit veranderd in een douchekoppie. En dat geeft gespetter op de vloer. Ik heb uiteindelijk maar toegegeven.
Op de bril van het herentoilet zit poep. Dat wordt dus geen zittend gezeik. In de diepte drijft een klein drolletje. Een F-drolletje. (Of heet dat tegenwoordig een JO9-drolletje?) De brilpoep is waarschijnlijk van hetzelfde F-je. Ik glimlach, en maak een wc-papiertje nat om de bril schoon te maken, me bedenkend, dat er mensen zijn, die wekelijks de wc’s schoonmaken en kleedkamers aanvegen. Die verdienen veel respect. Tevreden ga ik de kantine weer in, en voel me een beetje Zinkwegger; met elkaar ruimen we alle shit op, al is het maar een F-drolletje. Even later drink ik samen met Bertus het beloofde biertje aan de bar en zitten we het allebei weer naar onze zin te hebben.