Onze koffiezetter is overleden. Zijn prostaat. Eerst druppelde hij nog met moeite een bakkie troost, maar uiteindelijk was de boel hopeloos verstopt. We hebben de buroloog (Adrie) er nog bij gehaald, maar een hele avond filters doorprikken met acupunctuurnaalden, piemeltjes schoonragen met pijpenragers en slangetjes doorblazen met mondkracht, helemaal niets hielp. Uiteindelijk hebben we de stekker er maar uit getrokken. De buurman vertrok met gebogen hoofd zonder koffie te hebben kunnen drinken weer naar huis en wij bleven met de overledene en alleen cake achter.
Er moest dus een nieuw koffiezet-apparaat komen. Nou, dat viel nog niet mee. Elly ging zeer optimistisch een speciaal koffiezetapparatenwinkeltje (mooi woord voor galgje) binnen en werd direct overvallen met de vraag naar haar koffiebehoefte. “Ik houd helemaal niet van koffie, het is eigenlijk voor mijn man”, stamelde ze, waarop de verkoper licht teleurgesteld reageerde. “Waar houdt uw man van? Qua koffie, bedoel ik, natuurlijk!”. Elly keek verbaasd. De man ging nu helemaal los: “Het gaat hier om de koffiebeleving, en die is heel anders bij een pittige espresso dan bij een zachte cappucino!” Elly keek nog verbaasder. De man zuchtte. Hij liep naar een imposant uitziende machine en begon, eigenlijk tegen beter weten in, te verkopen: “Dit is de Rolls Royce onder de Barista-equipments”. Er klonk respect in zijn stem. “Je kunt er vrijwel alle soorten koffie mee maken. En dit..” Hij wees een onderdeel aan, “is de melkopschuim-unit, die allerlei leuke afbeeldingen in het schuim van uw man’s koffie kan toveren. Echt fantastisch, van de Nachtwacht tot een prachtige Taj Mahal! En dat in melkschuim”. Elly was niet onder de indruk. “Ik denk niet, dat mijn man zit te wachten op tien soorten koffie of een wereldwonder in zijn melkschuim”, zei ze slechts. “Wat kost die fabriek?” De verkoper keek zeer teleurgesteld. Was hij maar gewoon in de kast gebleven, dacht hij. “2395 euro”
Dat was duidelijk iets boven het door Elly gestelde budget. Die dacht meer in de richting van €239,50. Maar dat durfde ze niet hardop te zeggen. “Mijn man is niet zo veeleisend en proeft het verschil niet tussen een winterwortel en een spruitje, maar hij wil gewoon een bakkie koffie. Heeft u niet iets goedkopers?” De verkoper zuchtte en liep teleurgesteld naar het ‘instapmodel’ van zijn collectie. Niet lang daarna stond mijn lief buiten. Zonder koffiezet-apparaat.
Die avond werd ergens een oud senseootje vandaan gehaald en ik mocht niet klagen…
Auteursarchief: Ype
proefkamperen
Vroeger, toen de kinderen nog klein waren, gingen we met onze caravan op vakantie. Dat was vooral voor de meiden leuk. Voor mij soms wat minder. Er ging vaak wat kapot aan die kartonnen doos op wielen. Gewoon omdat het begrip ‘degelijk’ bij caravans nogal betrekkelijk is. De scharniertjes zijn van plastic, de tafel van gefineerd bordkarton, de kranen van plastic, want het mag niets wegen. En mijn omvang behoeft wat meer kwaliteit, zullen we maar zeggen.
Toen we een keer gin…gen proefkamperen met onze gloednieuwe Wilk-caravan, die toch te boek staat als een van de degelijkere soorten, ging het al gauw hopeloos fout. Nadat we de sleurhut eindelijk waterpas hadden gezet en blij waren, dat er vrijwel niemand op de camping stond toen we voor de eerste keer met de volgens de verkoper uiterst gemakkelijk op te zetten voortent stonden te worstelen, liet ik me heerlijk in mijn bed vallen. Mis! Slechts een miniem krakje volgde en ik lag veel lager dan de juffrouw in de folder van ons nieuwe bezit. Door het bed gezakt! En daar werd ik dus niet echt vrolijk van. De meiden wel, die piesten zowat in hun bed van het lachen. Al mopperend kwam ik erachter, wat deze hilariteit had veroorzaakt: Het stripje, waar het bed inhing, was met een paar miniscule parkertjes onbegrijpelijk lullig aan de achterwand bevestigd. Uiteindelijk kon het bed met wat houten blokken, die ik altijd bij me had om de caravan op te zetten wanneer het kampeerterrein niet echt waterpas was, worden ondersteund. Ik had die nacht nachtmerries over in elkaar stortende kaartenhuizen op wielen.
De volgende dag was ik dus weer iets aan het repareren.
We hebben vorig jaar er nog eens over gedacht weer een caravan te kopen, maar terugdenkend aan dit soort voorvallen leek dat toch niet zo’n goed idee.
Bliksem
Kikker zat aan de bar met een bekertje koffie voor zich. Het was dinsdagavond en buiten was het herfstguur weer. Henk wordt al sinds de jeugd Kikker genoemd, omdat hij altijd als een kikkertje over het veld sprong. Hij was tien jaar toen ik leider was van zijn team. Een heerlijk joch.
Ik veegde mijn bril droog en ging naast hem zitten. Anja schonk ook voor mij koffie in. We waren de enigen in de toch nog gezellige kantine van mijn Zinkwegse Boys. Het was warm en de verlichting zacht. Na de gebruikelijke begroeting waren we even stil en dachten alle drie aan afgelopen zaterdag. Bij een wedstrijd van het jeugdteam, waar Kikker leider van is sloeg de bliksem in. Letterlijk. De bui leek over en de kinderen van Jo11 waren net weer begonnen, toen er een flits was en een klap. Ons keepstertje viel neer, haar moeder en een andere vader werden ook geraakt. Daarna even niks, maar toen volgden de gebeurtenissen snel; politie binnen twee minuten, twee ambulances binnen vijf. Later hoorden we, dat zelfs de traumahelikopter was opgestegen. Henk zorgde voor zijn team, troostte, bemoedigde en handelde. Hij belde ouders, regelde, dat de auto’s van de getroffen ouders naar huis werden gebracht, informeerde thuisgebleven ouders, informeerde de club. Kikker was, duidelijker dan ooit, een echte leider.
Er werd overlegd, want hetzelfde team zou die middag een voorwedstrijd bij het eerste spelen, met frietjes na. Daar hadden ze zich erg op verheugd. Wat te doen? Henk overlegde met de kinderen en de ouders. Er werd die middag gewoon gevoetbald en friet gegeten. Ik heb die voorwedstrijd gezien. De kinderen speelden de schrik van zich af. Ze begonnen wat timide, maar algauw werd er weer gelachen en gescoord.
Inmiddels gaat het wat beter met de getroffenen. Het keepstertje en haar moeder herstellen goed, de getroffen vader is klachtenvrij.
Henk zag er moe uit. Er was net een bijeenkomst geweest van alle kinderen en ouders van Jo11. Er was een vertrouwenspersoon en er konden vragen worden gesteld. De kinderen reageerden allen op hun eigen wijze. Tim was als zijn vader Henk, toen die zo oud was. Druk, je hoorde hem boven alles uit. Een meisje zat aan de bar met de handen voor haar oren. Henk maande tot rust en het werd rustig, want een echte leider wordt gerespecteerd. En een echte leider bewees Henk te zijn in deze moeilijke dagen.
Toch blijf ik hem gewoon Kikker noemen, anders gaat’ie misschien naast zijn schoenen lopen….
zeepdispenser
Per (werk-)dag was ik zo’n twintig keer mijn handen. Een gewoon stukje zeep bleek niet echt handig, want dat floepte regelmatig in de afwasbak met gloeiend water om daar vervolgens versneld op te lossen. Dus gezocht naar een andere oplossing. Dat werd de zeepdispenser, zo’n plastic flesje met zeep met daarop een pompje. Nadeel: het laatste beetje zeep blijft ongebruikt, omdat het pompje niet meer functioneert, wanneer het lucht hapt. Zonde!
In een vlaag van bezuinigingsdrift had ik bedacht, dat ik meer zeep uit een zeepdispensertje kon krijgen door het flesje, vlak vóórdat het leeg zou geraken, bij te vullen met een beetje water. De zeepemulsie werd dan wel wat dunner, maar het slangetje van het pompje bleef dan wel onder het schoonmaakmiddelniveau. Geniaal.
Tevreden gaf ik de eerstvolgende keer, dat ik mijn handen wilde wassen een enthousiaste klap op het pompje. Ik had echter niet bedacht, dat de zeepemulsie door de veranderde consistentie nu niet als een traag kloddertje uit het kraantje zou komen, maar met volle snelheid zou ejaculeren. De zeepstraal miste de rand van de wasbak en eindigde op mijn broek, juist naast de onderzijde van mijn gulp, en vormde een schuimende natte plek, suggererend, dat ik behalve rechtsdragend ook nog incontinent was. “Shit”, zei ik en probeerde de boel te drogen. De vlek lachte me schuimend uit. Er moest water bij om dat schuimen tegen te gaan, maar dat zou leiden tot een nog grotere schaamplek.
Uiteindelijk liep ik dus de rest van de middag steeds hulpvaardig met een handdoek in mijn hand (en voor mijn gulp) om patiënten mee af te dekken, of het nou nodig was of niet, me schamend voor mijn zuinigheid.
Godsamme
Een vriendin van me kreeg een ongeluk. Been in de prak, hoofd gedeukt en haar auto onder het bloed. Ze werd per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Een christelijk ziekenhuis in de Randstad. Het leek heel ernstig, voor het behoud van haar onderbeen werd gevreesd. Ze was behoorlijk aangeslagen, ook, omdat ze zichzelf verwijten maakte over het ontstaan van het ongeluk. Een verkeerde beslissing op een verkeerd moment. (Er waren gelukkig geen anderen bij betrokken.)
In het ziekenhuis lag ze met een bebloed hoofd te wachten op een dokter om haar te helpen. “Godsamme, dat mij dat nu moet overkomen”, zei ze steeds, helemaal in de war, in shock. Een verpleegmuts vond het nodig haar te wijzen op haar onchristelijke taalgebruik: “Het is niet voor mezelf, hoor, maar er zijn collega’s, die aanstoot nemen aan uw taalgebruik”. (Die Farizeeër had nog niet eens het lef om te zeggen, dat het wel voor haarzelf was!) Daar lag ze dan, met een bebloed hoofd en een verschrikkelijk pijnlijk been, en werd als een klein kind bestraffend toegesproken over haar taalgebruik! Hoe kleinerend kan iemand zijn. Wat had ze moeten zeggen? “Rododendron, grote grutjes nog an toe, nou ga ik toch mogelijk mijn onderbeen moeten missen. Hoe ongemakkelijk nu toch…”?
Gelukkig was ik er niet bij, want dan had ik wellicht die verpleegbrilslang even apart genomen om haar te adviseren rap om te scholen en ander werk te zoeken (Begrafenisondernemer? Die klanten vloeken niet…) wegens gebrek aan empathie. Want wanneer je op de afdeling Eerste Hulp je druk gaat maken om het onchristelijke taalgebruik van je patiënten, ben je absoluut ongeschikt om te werken in die zorg!
Invalidenparkeerkaart
Sinds vrijdag heb ik een invalidenparkeerkaart. Na lang aandringen van mijn naaste omgeving ben ik enige maanden geleden overstag gegaan en heb zo’n ding aangevraagd. Om in aanmerking te komen moest mijn handicap worden beoordeeld door een arts. Dat vond ik wel logisch. Dus na enig heen en weer gebel werd er een afspraak gemaakt. (“O, u werkt nog?” werd er verbaasd gereageerd op mijn antwoord, dat het niet op de eerstvolgende dinsdag kon, omdat ik dan helemaal volgepland stond…)
Op een vrijdag, inmiddels een tijdje later, vanwege vakanties e.d. verscheen er een enorme Mercedes op de dijk. De keuringsarts. Ik liet de beste man even voor de deur wachten om hem niet de indruk te geven, dat ik snel overeind kon komen en naar de voordeur kon rennen met mijn versleten heup.
Na wat formaliteiten vroeg de beste man: “Waarom laat u zich niet gewoon opereren aan die heup?” Deze logische vraag had ik wel verwacht. “Vanwege mijn gewicht wil kliniek Zestienhoven me niet opereren”, was mijn antwoord. “Waarom probeert u dan niet wat af te vallen?”, was de logische vervolgvraag, waar ik dus ook al op gerekend had. “Ik kan nergens parkeren bij mijn diëtiste, daar heb ik die invalidenparkeerkaart dus voor nodig!”
Case closed, kat in het bakkie, geregeld. De beste man knikte, draaide voor de vorm nog even aan mijn rechter achterpoot en zei: “U krijgt de kaart voor 5 jaar, want daarna kunt u zich wellicht laten opereren”, en deed zijn koffertje weer dicht. Een redelijk voorstel, dus ik schudde hem tevreden de hand en hompelde voor hem uit naar de voordeur om deze voor hem open te houden op weg naar zijn Mercedes.
Zaterdag heb ik bij mijn Zinkwegse Boys voor het eerst mijn invalidenparkeerkaart gebruikt. Ik had nog wel wat moeite met enige gewetensvragen. Wat als er nou iemand ná mij komt, die veel meer gehandicapt is? Mijn auto toch maar op een ‘gewone’ plek zetten? Maar wanneer ik mijn auto op een gewone plek zet, en er komt iemand, die geen invalidenkaart heeft, en dus wel zou kunnen parkeren, wanneer ik wel op de gehandicaptenplek was gaan staan? Zo’n kaart brengt een enorme verantwoordelijkheid met zich mee.
korte lontjes
De wedstrijd Zinkwegse Boys 2 tegen Strijen 4 was bijna afgelopen. Nog 5 minuutjes. De clubscheidsrechter van de Zinkweg, een korte wat gezette man met een vriendelijk gezicht, die vrijwel wekelijks voor zijn plezier als vrijwilliger wedstrijden leidt, geeft een penalty aan de thuisclub. De Strijenaren zijn het er niet mee eens en stappen van het veld. Jongens, die hun mond vol hebben over respect blijken de betekenis van dit woord niet goed te begrijpen. Na een korte afkoelperiode is de scheids zelfs bereid weer verder te gaan, maar de gasten weigeren.
Was die wedstrijd dan zo gewelddadig en werd er dan zo partijdig gefloten? Nee. Deze volwassen mannen hebben gewoon korte lontjes, en dat moet tegenwoordig gerespecteerd worden. Nou, niet door mij dus. Dat je het niet altijd eens bent met een beslissing van een scheidsrechter is begrijpelijk, maar wellicht moet je dan zelf eens een wedstrijd gaan leiden. En alle verwensingen, die je naar je hoofd krijgt gewoon slikken, omdat die jongens nou eenmaal korte lontjes hebben. Dat lijkt me de beste straf voor dit team: Een seizoen lang in plaats van voetballen scheidsrechter zijn. Op het laagste niveau. Dan verdien je dat respect!
Goudswaard uit
Ik denk niet, dat ik ooit nog zal meemaken, dat het op 13 oktober 25 graden en zonnig is, Nederland met 3-0 van Duitsland wint en mijn Zinkwegse Boys ‘op Goudswaard’ 3 punten binnenhaalt. Uitgesloten. Gisteren was uniek. De stemming voor de wedstrijd in Goudswaard was al uitzonderlijk goed. Vos was er, Daan en Tineke, de Mop moest vlaggen (wat hij trouwens prima deed) en good-old Adrie Vink werd een beetje geplaagd, waar hij, zoals altijd, quasi-boos op reageerde. (Al lachend) Het was net of er ‘op Goudswaard’ meer Zinkweggers dan Goudswaarders waren. Waarbij opgemerkt, dat de gastvrijheid van Goudswaard zeker meehielp aan de sfeer. Veel bekenden schudden elkaar de hand.
Ik volgde de wedstrijd vanaf een zitbalk langs het veld. Het deed een beetje denken aan een kerkbank, maar dat is in Goudswaard wellicht niet vreemd. Naast me zaten, behalve mijn Elly en vriendin Tineke, een deel van het gezin Reedijk. Zoon Tim kon net over het reclamebord kijken. Het mannetje zat met open mond te kijken naar de keeper van Goudswaard, die met een uittrap zowat het andere strafschopgebied bereikte. “Zooo!”, riep hij uit, “Die kan ver schieten!!” Hij was vol bewondering. “Ik kan niet zo hard schieten”, zei hij vervolgens, een beetje triest. Zijn moeder aaide even over zijn bol en zei: “Maar jij bent heel snel. Vanmorgen heb jij de tegenstanders helemaal gek gemaakt, omdat je constant in de weg liep, en ze je steeds weer tegenkwamen.” Hij glom. “Je bent gewoon nog niet zo sterk in je benen, maar je traint zo goed, dat dat vanzelf goed komt.” Het glimmen hield aan. Ik zat te smelten op de balk. Toen even later Mike de bal uit een vrije trap schitterend in de verste hoek krulde, kon mijn dag eigenlijk al niet meer stuk. Zelfs niet als Nederland had verloren.
sleutel
Bij de feestelijke opening van het ‘pannaveldje’ bij de Zinkwegse Boys moest ik even denken aan Piet de Groot, aan wie het veldje is opgedragen. Zou hij weten, wat een pannaveldje eigenlijk is? Toen ik die naam onlangs voor het eerst hoorde dacht ik aan een Italiaans nagerecht of koffie. Maar het bleek een Surinaams begrip te zijn. Het was net zoiets als ‘poorten’ in het Nederlands, maar dan met een kokosnoot en met behoud van balbezit. Of zoiets. Mocht ik ooit in dezelfde hemel als Piet komen, zal ik het hem gaan uitleggen. Waarschijnlijk zal hij lachen en zeggen, dat wij vroeger dergelijke luxe trapveldjes niet hadden. Maar dat is de tijd.
Op het bankje, tijdens de toespraken van allemaal hele interessante mensen, moest ik terugdenken aan het parkeerterrein, waar wij altijd voetbalden. Ik heb er eerder over verteld. Twee jassen als doelpaal en soms met een lekke bal, wanneer er al een tijdje niemand meer jarig geweest was. En als er een ruitje ingeschopt werd ging de getroffene altijd naar de vader van Arnold. Want Arnold had rood haar en werd altijd gezien, wanneer we wegrenden. Arnold was een sleutelkind, want zijn moeder ging na vieren de school schoonmaken en zijn vader nam na vijven altijd zijn werkdag nog even door met zijn maten in cafe Eikendonck.
Op een dag was Arnold zijn rond zijn nek bungelende sleutel helemaal zat en wilde deze op een jas gooien, die als doelpaal diende. Op dat moment kwam de wijkagent de hoek omfietsen. De eigenaar van de jas griste het kledingstuk, dat op een put lag, weg en smeerde hem. De sleutel met touwtje van Arnold was nog onderweg van Arnolds’ nek naar die jas, maar kwam net te laat. Als een rode doek van een toreador was de jas verdwenen. “Olé”, riep iemand nog lollig bij het wegrennen. ‘Plons’, deed de sleutel, toen hij door de spijlen van het putdeksel was geglipt. Arnold stond als aan de grond genageld te kijken, en vergat weg te rennen. En hij begon te huilen. Dikke tranen liepen over zijn wangen. De wijkagent stopte en stapte van zijn fiets. “Wat is er, Arnold?”, vroeg hij, terwijl hij vergat, dat hij eigenlijk was gekomen om de voetballende jeugd te verjagen. Hij kende het ventje, want door zijn rode haar had Arnold al regelmatig op het bureau gezeten.”Mijn sleutel”, snikte Arnold, wijzend naar de put. “Mijn moeder werkt, en wanneer mijn vader straks thuiskomt en ik sta nog buiten, omdat ik mijn sleutel kwijt ben. zwaait er wat”. Arnolds’ vader had nogal losse handjes.
De agent kreeg medelijden, want hij kende Arnolds’ pa. “Waar is die sleutel gevallen?”, vroeg hij, pakte een zaklamp uit zijn fietstas, boog voorover en scheen ermee door de spijlen van het putdeksel om te kijken. Arnold zat op zijn knieen, en zei: “volgens mij zie ik het touwtje”, en wees, voor zover hij kon wijzen, door de spijlen omlaag. De agent, ging nu ook op zijn knieen. “Misschien kunnen we hem weer pakken”, zei hij, en probeerde het deksel van de put op te tillen. Maar dat zat muurvast. Inmiddels waren wij schoorvoetend dichterbij gekomen, omdat onze nieuwsgierigheid sterker werd dan onze angst voor de wijkagent. “Ik heb een koevoetje of zoiets nodig”, zei deze. Henkie zei van een veilige afstand: “Die kan ik wel even halen”, en rende weg.
Niet veel later had de agent het putdeksel op kunnen tillen en lag Arnold op zijn buik naar het touwtje te graaien. Zijn armpjes waren echter nog iets tekort. Zuchtend deed Oom Agent zijn jasje uit en stroopte zijn mouw op. Hij ging voorover bij de put liggen en kon net bij het touwtje. Toen hij de natte sleutel aan Arnold overhandigde ging er een golf van waardering door onze hele groep. Die Juut was toch wel aardig. De agent fatsoeneerde zijn uniform en stapte op zijn fiets. “En jullie weten, dat je hier eigenlijk niet mag voetballen, toch, jongens?” “Ja, agent”, klonk het in koor, en we hebben zeker drie weken niet op het parkeerterrein gevoetbald.
“En hierbij verklaar ik het pannaveld geopend”, zei mevrouw de wethouder. Ik schrok wakker uit mijn verhaal. Gelukkig heeft het pannaveldje geen putje. Helaas zullen er nog wel steeds kinderen met een sleutel om hun nek rondlopen.
schoentje
Hij keek zijn opa aan met zijn allergrootste eerlijke ogen en zei, dat ‘een jongetje’ zijn schoentje had afgepakt en weggegooid. Toen opa aan zijn kleinzoon van zo’n jaar of drie vroeg, waar dat gebeurd was, keken die oogjes heel wanhopig, maar ozo eerlijk, en het mannetje zei, dat hij dat niet meer wist. Ook was zijn toch jonge geheugen niet in staat zich te herinneren, hoe ‘dat jongetje’ er dan wel uitgezien had.
We hadden het ventje al in de rust van de voetbalwedstrijd BZC ’97-Zinkwegse Boys voorbij zien lopen op één schoentje en ons er al over verbaasd, maar opa had het te druk met zijn vrienden en zijn biertje om het gemis aan schoeisel op te merken. Hij had het grootste woord over onze geweldige keeper, want die had zijn ploeg toch diverse keren van het scoren afgehouden. En zo huppelde kleinzoon vrolijk verder op één heel mooi nieuw sneakertje. Pas na de door de BZC nipt gewonnen wedstrijd en het uitbundig vieren daarvan, ging opa zijn kleinzoon zoeken en volgde de bovenstaande ondervraging. Het resultaat was nihil. Opa zocht met kleinzoon het hele complex af, droeg hem door de bosjes, al vragend of het geheugen al tekenen van herkenning begon te geven (“was het hier, of meer daar?”), maar zijn kleinzoon gaf geen krimp en genoot stiekem van alle aandacht.
Uiteindelijk liep opa met kleinzoon, die wat hompelde door het beenlengteverschil, aan zijn hand naast zich naar de auto. Hij had het opgegeven en aan zijn gezicht kon je de zorgen zien over wat volgen zou, wanneer hij bij zijn dochter moest uitleggen, hoe het kleintje met slechts één schoen weer werd ingeleverd. Ik denk, dat hij haar met zijn allergrootste eerlijke ogen zou aankijken en zou, zeggen, dat hij het mannetje, zoals beloofd, de hele tijd goed in de gaten had gehouden, en alleen heel even weg geweest was om een plas te doen. En dat er toen ‘een jongetje’ was geweest….