zeepdispenser

Per (werk-)dag was ik zo’n twintig keer mijn handen. Een gewoon stukje zeep bleek niet echt handig, want dat floepte regelmatig in de afwasbak met gloeiend water om daar vervolgens versneld op te lossen. Dus gezocht naar een andere oplossing. Dat werd de zeepdispenser, zo’n plastic flesje met zeep met daarop een pompje. Nadeel: het laatste beetje zeep blijft ongebruikt, omdat het pompje niet meer functioneert, wanneer het lucht hapt. Zonde!
In een vlaag van bezuinigingsdrift had ik bedacht, dat ik meer zeep uit een zeepdispensertje kon krijgen door het flesje, vlak vóórdat het leeg zou geraken, bij te vullen met een beetje water. De zeepemulsie werd dan wel wat dunner, maar het slangetje van het pompje bleef dan wel onder het schoonmaakmiddelniveau. Geniaal.
Tevreden gaf ik de eerstvolgende keer, dat ik mijn handen wilde wassen een enthousiaste klap op het pompje. Ik had echter niet bedacht, dat de zeepemulsie door de veranderde consistentie nu niet als een traag kloddertje uit het kraantje zou komen, maar met volle snelheid zou ejaculeren. De zeepstraal miste de rand van de wasbak en eindigde op mijn broek, juist naast de onderzijde van mijn gulp, en vormde een schuimende natte plek, suggererend, dat ik behalve rechtsdragend ook nog incontinent was. “Shit”, zei ik en probeerde de boel te drogen. De vlek lachte me schuimend uit. Er moest water bij om dat schuimen tegen te gaan, maar dat zou leiden tot een nog grotere schaamplek.
Uiteindelijk liep ik dus de rest van de middag steeds hulpvaardig met een handdoek in mijn hand (en voor mijn gulp) om patiënten mee af te dekken, of het nou nodig was of niet, me schamend voor mijn zuinigheid.