Een vriendin van me kreeg een ongeluk. Been in de prak, hoofd gedeukt en haar auto onder het bloed. Ze werd per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Een christelijk ziekenhuis in de Randstad. Het leek heel ernstig, voor het behoud van haar onderbeen werd gevreesd. Ze was behoorlijk aangeslagen, ook, omdat ze zichzelf verwijten maakte over het ontstaan van het ongeluk. Een verkeerde beslissing op een verkeerd moment. (Er waren gelukkig geen anderen bij betrokken.)
In het ziekenhuis lag ze met een bebloed hoofd te wachten op een dokter om haar te helpen. “Godsamme, dat mij dat nu moet overkomen”, zei ze steeds, helemaal in de war, in shock. Een verpleegmuts vond het nodig haar te wijzen op haar onchristelijke taalgebruik: “Het is niet voor mezelf, hoor, maar er zijn collega’s, die aanstoot nemen aan uw taalgebruik”. (Die Farizeeër had nog niet eens het lef om te zeggen, dat het wel voor haarzelf was!) Daar lag ze dan, met een bebloed hoofd en een verschrikkelijk pijnlijk been, en werd als een klein kind bestraffend toegesproken over haar taalgebruik! Hoe kleinerend kan iemand zijn. Wat had ze moeten zeggen? “Rododendron, grote grutjes nog an toe, nou ga ik toch mogelijk mijn onderbeen moeten missen. Hoe ongemakkelijk nu toch…”?
Gelukkig was ik er niet bij, want dan had ik wellicht die verpleegbrilslang even apart genomen om haar te adviseren rap om te scholen en ander werk te zoeken (Begrafenisondernemer? Die klanten vloeken niet…) wegens gebrek aan empathie. Want wanneer je op de afdeling Eerste Hulp je druk gaat maken om het onchristelijke taalgebruik van je patiënten, ben je absoluut ongeschikt om te werken in die zorg!