sleutel

Bij de feestelijke opening van het ‘pannaveldje’ bij de Zinkwegse Boys moest ik even denken aan Piet de Groot, aan wie het veldje is opgedragen. Zou hij weten, wat een pannaveldje eigenlijk is? Toen ik die naam onlangs voor het eerst hoorde dacht ik aan een Italiaans nagerecht of koffie. Maar het bleek een Surinaams begrip te zijn. Het was net zoiets als ‘poorten’ in het Nederlands, maar dan met een kokosnoot en met behoud van balbezit. Of zoiets. Mocht ik ooit in dezelfde hemel als Piet komen, zal ik het hem gaan uitleggen. Waarschijnlijk zal hij lachen en zeggen, dat wij vroeger dergelijke luxe trapveldjes niet hadden. Maar dat is de tijd.
Op het bankje, tijdens de toespraken van allemaal hele interessante mensen, moest ik terugdenken aan het parkeerterrein, waar wij altijd voetbalden. Ik heb er eerder over verteld. Twee jassen als doelpaal en soms met een lekke bal, wanneer er al een tijdje niemand meer jarig geweest was. En als er een ruitje ingeschopt werd ging de getroffene altijd naar de vader van Arnold. Want Arnold had rood haar en werd altijd gezien, wanneer we wegrenden. Arnold was een sleutelkind, want zijn moeder ging na vieren de school schoonmaken en zijn vader nam na vijven altijd zijn werkdag nog even door met zijn maten in cafe Eikendonck.
Op een dag was Arnold zijn rond zijn nek bungelende sleutel helemaal zat en wilde deze op een jas gooien, die als doelpaal diende. Op dat moment kwam de wijkagent de hoek omfietsen. De eigenaar van de jas griste het kledingstuk, dat op een put lag, weg en smeerde hem. De sleutel met touwtje van Arnold was nog onderweg van Arnolds’ nek naar die jas, maar kwam net te laat. Als een rode doek van een toreador was de jas verdwenen. “OlĂ©”, riep iemand nog lollig bij het wegrennen. ‘Plons’, deed de sleutel, toen hij door de spijlen van het putdeksel was geglipt. Arnold stond als aan de grond genageld te kijken, en vergat weg te rennen. En hij begon te huilen. Dikke tranen liepen over zijn wangen. De wijkagent stopte en stapte van zijn fiets. “Wat is er, Arnold?”, vroeg hij, terwijl hij vergat, dat hij eigenlijk was gekomen om de voetballende jeugd te verjagen. Hij kende het ventje, want door zijn rode haar had Arnold al regelmatig op het bureau gezeten.”Mijn sleutel”, snikte Arnold, wijzend naar de put. “Mijn moeder werkt, en wanneer mijn vader straks thuiskomt en ik sta nog buiten, omdat ik mijn sleutel kwijt ben. zwaait er wat”. Arnolds’ vader had nogal losse handjes.
De agent kreeg medelijden, want hij kende Arnolds’ pa. “Waar is die sleutel gevallen?”, vroeg hij, pakte een zaklamp uit zijn fietstas, boog voorover en scheen ermee door de spijlen van het putdeksel om te kijken. Arnold zat op zijn knieen, en zei: “volgens mij zie ik het touwtje”, en wees, voor zover hij kon wijzen, door de spijlen omlaag. De agent, ging nu ook op zijn knieen. “Misschien kunnen we hem weer pakken”, zei hij, en probeerde het deksel van de put op te tillen. Maar dat zat muurvast. Inmiddels waren wij schoorvoetend dichterbij gekomen, omdat onze nieuwsgierigheid sterker werd dan onze angst voor de wijkagent. “Ik heb een koevoetje of zoiets nodig”, zei deze. Henkie zei van een veilige afstand: “Die kan ik wel even halen”, en rende weg.
Niet veel later had de agent het putdeksel op kunnen tillen en lag Arnold op zijn buik naar het touwtje te graaien. Zijn armpjes waren echter nog iets tekort. Zuchtend deed Oom Agent zijn jasje uit en stroopte zijn mouw op. Hij ging voorover bij de put liggen en kon net bij het touwtje. Toen hij de natte sleutel aan Arnold overhandigde ging er een golf van waardering door onze hele groep. Die Juut was toch wel aardig. De agent fatsoeneerde zijn uniform en stapte op zijn fiets. “En jullie weten, dat je hier eigenlijk niet mag voetballen, toch, jongens?” “Ja, agent”, klonk het in koor, en we hebben zeker drie weken niet op het parkeerterrein gevoetbald.
“En hierbij verklaar ik het pannaveld geopend”, zei mevrouw de wethouder. Ik schrok wakker uit mijn verhaal. Gelukkig heeft het pannaveldje geen putje. Helaas zullen er nog wel steeds kinderen met een sleutel om hun nek rondlopen.