Opa Arie

De volgende dag stak ik net mijn pijp op toen ome Arie naast me kwam zitten. Op gepaste afstand. “Meneer Ype”, groette hij. “Ome Arie”, pafte ik. Het was weer prachtig weer en hij leek het erg naar de zin te hebben. Ook hij stopte zijn pijp. Een knul van een jaar of veertien op een plank met wielen kwam op ons af. “Hallo, opa Arie!” was zijn hartelijke groet. “Mijn favoriete kleinzoon”, zei ome Arie. “Boks, Sven!” “Sem, opa, Sem!” Was het antwoord terwijl hun vuisten elkaar raakten. “Ik heb dertien kleinkinderen”, verontschuldigde de oude baas zich, “en dit is mijn favoriet!” En samenzweerderig tegen de knul: “maar dit houden we vóór ons, jongen, anders worden de anderen jaloers.” 

De knul lachte. Hij wist net zo goed als ik, dat opa Arie dat tegen al zijn kleinkinderen zei. Ook tegen zijn Sven, zijn broer. 

“Opa, kunt u me helpen? Ik moet een online presentatie maken met als onderwerp: Win-Win. Maar ik moet een voorbeeld bedenken.”  Opa Arie stak rustig zijn pijp aan en herhaalde, heel langzaam: “Win-Win. Ja, ja.” Een rookwolk kronkelde de windstille lucht in. “Wat geven ze jullie toch vreemde opdrachten, jongen. Voor wat voor vak is dat?” “Maatschappijleer, Opa.” Het was even stil. “Ja, ja”, zei Arie weer. De knul keek verwachtingsvol. En ook ik was nieuwsgierig wat er komen zou. 

“Kijk, jongen, je oma en ik kijken vaak natuurfilms. Uiterst saai natuurlijk, en vaak behoorlijk walgelijk, maar om het een beetje spannend en zodoende voor mezelf dragelijker te maken ga ik weddenschappen met je oma aan…” Hij zweeg even om een trekje aan zijn pijp te nemen, daar deze dreigde uit te gaan. Wij keken waarschijnlijk nogal dom, want nadat er weer een grote rookwolk was geproduceerd, ging hij met een glimlach verder: “Bijvoorbeeld: Een kleine Gazelle werd vanmorgen  achterna gezeten door een leeuw, en dan wed ik met je oma om twee Bossche bollen, dat dat kinderfietsje het niet gaat redden!” De kleinzoon keek nu nog dommer dan ik. “We zitten dan allebei hardop onze favoriet aan te moedigen, en om niet te worden beïnvloed door die irritante achtergrondstem hebben we het geluid uitgezet.” De knul keek mij aan en ik keek de knul aan, en we schoten in de lach, want we zagen in gedachten het tafereel voor ons. “Wie heeft gewonnen, opa?” “Ik heb je oma natuurlijk laten winnen, want ik had het einde van die uitzending vanmorgen vroeg al stiekem bekeken en gezien, dat de kleine gazelle net op tijd de kudde van zijn moeder haalde. De leeuw gaf het toen op.” “Maar opa, wat heeft dat met win-win te maken?” “Er is geen verliezer, jongen. Je oma voelt zich de morele winnaar omdat ze de weddenschap heeft gewonnen en ik heb gebak bij de koffie.  Wanneer ik haar gewoon had voorgesteld Bossche Bollen te halen, had ze dat nooit goed gevonden, omdat ze me te dik vindt…”  Hij blies tevreden een rookwolk uit. “Als je even tijd hebt voor een bakkie, knul, halen we er gelijk drie!” Ik moest lachen, terwijl de twee op weg gingen naar de bakker..

Ome Arie

“Ach meneer, het valt allemaal niet mee.” zei de oude baas, en hij nam licht kreunend plaats op de andere uiterste punt van mijn favoriete bankje bij de haven. Hij zat duidelijk om een praatje verlegen. Ik keek opzij en glimlachte beamend. Een middelbare man fietste voorbij en groette: “Ome Arie…” De baas tilde zijn hand op ter begroeting. “Het is geen echte neef. Iedereen noemt me zo”, zei hij bijna verontschuldigend. “Ik ben Ype”, zei ik. “Fries, zeker?” Stelde hij de standaardvraag. Ik knikte. “Uit een ver verleden.” Het standaardantwoord. We keken weer voor ons uit de haven in. Er was geen beweging. Het water kabbelde wat. Er zat altijd wat onrust in door de sterke stroming in het Spui. Hij stopte een pijp en keek verbaasd opzij toen ik zijn voorbeeld volgde. “De laatsten der Mohikanen”, zei hij, toen hij er de brand in stak, hetgeen gepaard ging met enorme rookwolken. “Inclusief de rooksignalen…” grapte ik, maar hij leek er de lol niet van in te zien. “Kijk, meneer Ype,” pafte hij, “Ze werkt soms op mijn zenuwen.” Ik keek niet begrijpend. “Riek, mijn vrouw.” verduidelijkte hij. “Het begon vanmorgen al.” Ik ging er eens goed voor zitten. “Ze houdt van een ander soort natuurfilms dan waar ik van houd, als u begrijpt wat ik bedoel. Wilde ik vanmorgen dus net, heel voorzichtig, want die dingen breken nogal gemakkelijk, in mijn ontbijt-beschuitje met kersenjam bijten, is op ons grote televisiescherm te zien, hoe een leeuw een antilope gaat zitten slopen, walgelijk…” Ik kon me er iets bij voorstellen. “Ik kon geen hap meer door mijn keel krijgen heb de fiets gepakt en ben vertrokken…” Het bleef even stil. We bliezen allebei geurige rookwolkjes uit en begrepen elkaar. 

“Vroeger ging ik ‘s ochtends vroeg de koeien melken en had de rest van de dag altijd wel genoeg te doen. Zij deed het huishouden en alles was helder.” Een rookwolkje verliet zijn pijp. “We hebben de boerderij overgedaan aan mijn zoon en wonen in een appartement. Nu klaagt ze steeds, dat ik niks doe en alleen maar in de weg zit. En dat is natuurlijk ook zo. Wij zijn allebei onze vrijheid kwijt. Bij mooi weer kan ik hier mijn pijpje roken. maar als het regent zit ik naar de gruwelen van de Serengeti te kijken.” Ik kreeg medelijden. “Maar hebt u dan zelf geen programma’s, die u leuk vindt?” Hij dacht even na. 

“De natuurfilms, die ik mooi vind, wil zij niet zien. En voetballen ook niet.” Hij zuchtte. “En met die Corona-ellende is er ook weinig sport, dus er blijft voor mij niet veel over.” Er fietste een mooie jongedame met een hond aan de lijn langs. “Mooie hond,” zei ik met een knipoog. “Zeg dat wel,” zei ome Arie die opstond, het vrouwelijk schoon helemaal  nakijkend.  Hij klopte zijn pijp uit en stapte glimlachend op zijn fiets, zei: “Ziet er toch veel aantrekkelijker uit dan een schijtend nijlpaard?!” En fietste weg, de rug wat krom en zijn pet een beetje scheef op zijn grijze krullen.

AH-heldin

Bij gebrek aan terrasjes keek ik nu vanuit mijn auto naar het voorbijgaande leven terwijl mijn lief boodschappen deed. Mensen kijken is fascinerend. Een chagrijnige dame met een erg diep uitgesneden truitje blubberde voorbij. ‘Dril-colleté,’ dacht ik. Naast haar liep haar lijfwacht; een even chagrijnig kijkende spierbundel met zijn armen een beetje wijd. Alsof hij zijn oksels geschoren had en daar prikkende aftershave op had gespoten. “Wanneer ga je eens een stukkie over mij schrijven?” Naast mijn auto stond een grijze grijns in een blauw Albert Hein-jasje. Ik kende haar nog van vroeger. Met haar altijd lachende gezicht ondanks de nodige tegenslag. Ik moest denken aan een bekend liedje van Herman van Veen. Kletsnatte clowns: “De vrouw van de bakker verbergt haar blauwe plekken…” Ze leest altijd mijn stukjes. Een fan. Ik glimlachte terug, opende mijn raampje en maakte een praatje verwarmd door een heerlijk zonnetje.Lachend zwaaide ze naar me en ging weer winkelwagentjes duwen. Een eindeloze rij kwam moeizaam op gang door het geduw van de grijze heldin van de winkel. Ze had gewoon gewerkt tijdens de crisis. Want ze moest toch voor brood op de plank zorgen voor zichzelf en haar kinderen. Het Dril-colleté kwam terug. Ze keek nog steeds niet blij. “Nog een week wachten voordat er plek is in die nagelstudio! Die klote-corona… ” De spierbundel slofte een beetje achter haar aan. En verbeeldde ik het me en slofte hij ook een beetje wijdbeens? De tweede eindeloze rij winkelwagentjes ratelde voorbij, geduwd door heldinnen met ruwe nagels van het werken. Corona of geen Corona.

Garantie 2

“Goedemorgen, mijnheer, ik bel vanwege uw brief over de aanstaande bevalling van uw vrouw. Gefeliciteerd, trouwens!”
“…”
“U schreef ons gisteren, dat u vreesde, dat uw vrouw zich vanwege onze garantiebepalingen genoodzaakt zag af te zien van een thuisbevalling. Dat klopt toch?”
“…”
“Wij vonden dit een erg triest verhaal, vandaar, dat ik zo snel reageer om u mede te delen, dat onze technische staf de belasting/belastbaarheids balans-tabellen van onze bedden nog eens goed heeft bestudeerd en ik mag u meedelen, dat ze, na rijp beraad een aantal oplossingen voor deze uitzonderlijke situatie hebben bedacht!”
“…”
“Allereerst bleek er in de belastbaarheidsberekening een marge te zijn opgenomen van 10%. Dat wil zeggen, dat er zonder grote problemen sprake kan zijn van een belasting van 104,5kg! En u gaf aan, dat ze momenteel daar met 104kg juist onder zit.” 
“…”
“Dus wanneer uw vrouw de komende weken een beetje op haar gewicht let moet de thuisbevalling toch mogelijk zijn. Wij zijn bereid de garantievoorwaarden in uw geval daartoe iets op te rekken.”
“…”
“Uw vrouw is inmiddels 105kg? Oei, dat is jammer.”
“…”
“Hoe lang is uw vrouw?”
“….”
“1.56? Dat is geweldig, want uit uw gegevens begreep ik, dat de totale breedte van uw aan elkaar geschoven bedden 1,60 is, klopt dat?”
“…”
“En onze mechanica-expert heeft bedacht, dat uw vrouw dan wellicht overdwars kan bevallen.”
“…!?”
“Inderdaad, want wanneer uw vrouw dwars over de twee bedden gaat liggen, mag de belasting 190kg. worden, want dan wordt het gewicht verdeeld. Ik neem aan, dat dat wel voldoende zal zijn. U moet er dan natuurlijk wel voor zorgen, dat de bedden tijdens de bevalling niet uit elkaar kunnen schuiven.”
“…”
“Inderdaad, even de vergrendeling goed controleren.”
“…”
“En mocht dit niet mogelijk blijken wijs ik u nog op onze recycle-producten”
“???”
“Judomatten! Deze blijken uitermate geschikt voor het werpen van mensen….”
“XXXX”
“Hallo, meneer, hallo?, bent u er nog, hallo?”

Garantie

Beste mijnheer (of is het mevrouw?) Auping,

Onlangs kreeg ik van u het verzoek u te melden hoe het onlangs door ons aangeschafte Auping bed bevalt. Helaas kan ik u hier nog geen antwoord op geven. Mijn vrouw is pas over drie weken uitgerekend. En gezien haar huidige gewicht (104kg) vraag ik me af of ik ooit een eerlijk antwoord op uw vraag kan geven daar ze niet op uw product zal kunnen bevallen. Oorspronkelijk was het wel de bedoeling, dat de bevalling thuis zou plaatsvinden, maar uw garantiebepalingen gooiden helaas roet in het eten. Hierin staat, dat er slechts garantie kan worden gegeven, wanneer er sprake is van ‘normaal’ gebruik en een maximaal gewicht van 95 kg. Onder ‘normaal’ gebruik verstaat u ‘liggen, zitten en slapen’. Dus geen ‘bevallen’. En ook een tweede kind is door deze bepaling uitgesloten, want ‘sex’ wordt door uw firma niet gezien als ‘normaal’ gebruik van een bed. Maar natuurlijk ook vanwege de gewichtsbeperking. (We overschrijden wanneer we onze gewichten op één bed stapelen het maximaal toegestane gewicht ruimschoots.) Van intimiteit zal derhalve op uw product helaas geen sprake kunnen zijn. (Wij hebben een dubbel bed, dus dat zijn twee eenpersoons bedden tegen elkaar.) Mijn vrouw wil geen ‘laag-bij-de-grondse’ sex, dus rest wellicht de keukentafel. Deze is van massief eiken, stevig, maar helaas nogal oncomfortabel.Tot zover mijn antwoord op uw verzoek. Ik stel het zeer op prijs, dat u in uw reclames aangeeft, dat uw producten zo milieuvriendelijk te recyclen zijn. Dan zijn ze nog ergens goed voor.

Moederdag

We hebben vanmorgen ontbijtjes rondgebracht voor de ‘Open Waard’. Die konden daar worden besteld. De lijst is niet zo lang, maar soms duurt het afgeven even. Vanwege de verhalen. Verhalen, die we vaker gehoord hebben, maar wanneer je daar staat met je tasje met ontbijt grijpt het je toch aan. Een keurige dame met een stiekeme traan. Haar man zit in de ‘Open Waard’. Zij zit alleen thuis en mag vanwege de Corona niet bij hem op bezoek. Ik ken hem. Hij was ooit patiënt bij me. Een gepensioneerd onderwijzer met de ziekte van Parkinson. Een vriendelijke man, die moeite deed zijn waardigheid te behouden. Dat is lastig, wanneer je knoeit met je koffie, knoeit met je eten en moeilijk uit je woorden kunt komen. Uiteindelijk moest hij zijn lief verlaten, omdat ze het samen niet meer konden bolwerken. Hoe graag zij dat ook had gewild. En nu krijgt zij een eenzaam ontbijtje, hoe goed bedoeld ook. In een papieren zak afgegeven door mijn Elly, die gelukkig de tijd neemt om even haar verdriet aan te horen. 
De oude onderwijzer zit ondertussen met een slab voor te ontbijten bij fantastische mensen, die hem verplegen, maar niet zijn waardigheid van vroeger kennen. 
Voor het rondbrengen krijgen wij ook een ontbijt van de ‘open waard’. Het is heel goed verzorgd. Een geweldig idee ook. 
We eten het zwijgend op. Samen. En denken aan dat echtpaar.

Corona-Griek

Het ziet er vreemd uit. De stoelen staan op hun kop op de tafels. Het doet me denken aan dieren die geruimd moeten worden en dood in de stal liggen met vier poten omhoog, klaar om gevoelloos in klaarstaande vrachtwagens te worden gesmeten. Maar ons favoriete griekse restaurant mag absoluut niet vergeleken worden met een stal, want is uiterst schoon. Bij twee tafels, ver uit elkaar, staan een paar stoeltjes nog gewoon op hun pootjes. Aan één van deze twee ’tafels van hoop’ wachten we op onze afhaalmaaltijd; een Santorinischotel en een klein portie Gyros. De altijd vriendelijke Griek, die steeds bij binnenkomst onze jassen aannam, ons de hand schudde en mijn Elly vaak zelfs welkom kuste, staat nu met het water op zijn bovenlip te zweten in de keuken. Even een blik van herkenning. Zodra we zitten brengt de serveerster, ondanks haar veranderde rol in het restaurant, ons een klein glaasje ouzo. Net als altijd. Net als vroeger en net als het weer zal worden in de toekomst. Want we gaan gewoon heel vaak onze Santorinischotel en ons kleine portie Gyros halen bij Poseidon, om onze God in een zee van Corona-tranen een beetje te steunen. Hou vol, proosten we, en slaan het ouzootje in één keer achterover, zodat we de griekse warmte goed omlaag voelen glijden.

FC. Corona 2

FC. Corona 2
Het was even stil. Op het lege voetbalveld vóór ons waren een stel ganzen geland. Ze waggelden over de middellijn onze kant op. “Buitenspel!” grapte Harrie. Ik glimlachte. “Heb je zelf hier ook gevoetbald?” Hij schudde zijn hoofd. “Nee, ik heb ergens anders bij de jeugd gevoetbald, maar dat was geen succes. Toen ben ik gaan fluiten. Dat was mooi!” Hij wees op het veld: “Ik heb hier mijn laatste wedstrijd geblazen.” Uit zijn jaszak kwam het geluid van een mekkerende geit. “O, sorry,” verontschuldigde hij zich, “Mijn vrouw, die moet ik even nemen, anders zwaait er wat!” Ik knikte en liep even een stukje weg om hem zijn privacy te gunnen. Niet dat hij veel te vertellen leek te hebben. Meer dan: “Ja, lieve! Nee, lieve! Ja schat! Nee, schat!” kwam er niet uit. Het duurde een ‘stief kwartiertje’; de tijd dat de ganzen nodig hadden om de zestien-meter-lijn te bereiken, tot hij met een zucht zijn telefoon weer in zijn jas liet zakken. 
“Mijn vrouw”, zei hij, nogmaals. “Vooral daarom mis ik de voetbalzaterdagen zo.” Ik was hem weer tot op anderhalve meter genaderd. “Die ringtoon is wel grappig, maar daar weet ze zeker niks van?” Ik keek opzij. Hij lachte veelbetekenend. “Wanneer ze bij me is, belt ze me niet, dus ze heeft het nooit gehoord.” Ik kon er wel om lachen. “Gak, gak,” deden zelfs de ganzen mee. 
“Waar die voorste gans nu staat was het ongeveer. Het einde van mijn carrière als scheidsrechter.” Ik keek weer naar het veld. De bedoelde vogel waggelde het strafschopgebied in. “Daar liet die homo van fc. Regenboog zich vallen in de hoop een penalty te krijgen.” Even was hij stil. “Een regelrechte schwalbe. Met dat aanstellerige geschreeuw en doorrollen, zodat hij in de zestien kwam te liggen.” Hij wees. “Daar waar die gans nu loopt bleef hij liggen. Die knul stond er om bekend en ik had speciaal voor hem een kaart door mijn kleindochter laten kleuren. Roze!” Hij moest er weer om lachen. “Dus ik grijp in mijn achterzak en houd hem de roze kaart voor! En die gozer blijft maar doorkermen. Iedereen lachen natuurlijk!” Ik zag de gans rechtsomkeert maken. “Maar waarom was dat het einde van je carrière als fluitist, dan?” Hij zuchtte, “Daarna moest ik de wedstrijd stilleggen, en pas nadat de ambulance die theatermaker van het veld had gehaald konden we doorgaan, maar niemand had er nog zin in, dus zijn we maar gestopt.” “De ambulance?”, zei ik verbaasd, “Waarvoor dan?” “Gebroken poot.” Er viel een stilte. “Ik heb daarna geen wedstrijden meer toegewezen gekregen. Ik begreep dat wel. Die grap van die roze kaart ging echt te ver. Regels zijn regels. Ik had gewoon geel moeten geven.” Hij had een traan in zijn rechteroog. “Of zelfs rood…”

FC. Corona

Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst ziek te worden toen ik langs een verlaten voetbalcomplex reed. Er stond een oudere man triest voor zich uit te kijken dus ik parkeerde mijn auto en vroeg hem, op gepaste afstand, of ik hem ergens mee kon helpen. “Nee, meneer, aan deze crisis is weinig te doen”, zuchtte hij. “Maar ik mis het wel heel erg”, waarbij hij op de verlaten sportaccomodatie wees. Ik knikte, want het zag er inderdaad erg triest uit. Op een groot bord aan de kantine stond: ‘FC. Corona’. Ik keek verbaasd, hetgeen de brave borst zag. Hij zei verontschuldigend: “Ja, de naam is niet erg gelukkig in de huidige omstandigheden, meneer”. Ik stelde me voor zonder hem de hand te reiken. “Ik ben Harrie”, antwoordde hij. En hij legde uit: “De clubnaam komt van onze eerste voorzitter, Jan Bontenbal. Die rookte altijd grote Corona-sigaren. Een soort eerbetoon.” Het bleef even stil. Onder het grote bord met de naam van de club stond op een ingemetselde steen in de muur: ‘Eerste steen gelegd op 3-6-1963 door Jan in ’t Veld’ Ik wees erop: “En wie was dat dan?” De oude baas keek me even aan met een kop alsof ik wel erg dom moest zijn: “Onze eerste voorzitter natuurlijk!” “Maar die heette toch Jan Bontenbal?” De baas glimlachte. “Dat was zijn bijnaam sinds hij de kantinejuffrouw iets te vriendschappelijk benaderd had…”

De begrafenis van Fifi

Na lang zoeken had ik eindelijk een kamer gevonden in Rotterdam. Het was in de Vierambachtstraat, hoog boven een bakkerswinkel. Een klein zolderkamertje met een los butagaskacheltje en koud stromend water. Voor het kapotte raampje was een caravandakluikje getimmerd. Deze tochtige oplossing had de huisbaas jaren geleden zelf bedacht. Dat stuk caravan had hij nog ergens liggen, vertelde zijn weduwe, mijn hospita. Zij was een zeer volslanke, ietwat morsige dame van rond de 70. Ze had een jurk aan, die mijn vader zou omschrijven als ‘een bloemetjesgordijn’ en dikke steunkousen. Voorts krulspelden in haar vlassige haar in een ultieme poging om twee dagen per week (in het weekend) met een mooie golvend kapsel door het leven te kunnen gaan. Daar ik in de weekenden naar huis ging heb ik haar nooit zonder die krulspelden gezien. Een peuk completeerde het nogal slonzige geheel.Toen ik voor de kamer kwam kijken maakte ik ook kennis met Fifi. Een klein roodachtig ranzig poedeltje met gemene kraaloogjes. Het beest begroette me vanuit haar mandje met zacht gegrom en ontblote tandjes. Ik besloot haar op gepaste afstand te houden. Op een mooie lenteavond liep ik de trap op richting mijn ’torenkamer’, toen de deur van de woonkamer van mijn hospita openging. Ze was in tranen. Met horten en stoten vertelde ze dat haar Fifi naar de Grote Sint Bernard was. En of ik even binnen wilde komen voor een kopje koffie. Het leek me erg ongevoelig om haar uitnodiging af te slaan dus ik volgde haar de rokerige woonkamer in. Aan de tafel bij het raam zat een jonge man met een roze sjaaltje gezellig mee te snotteren. “Dat is René, mijn zoon,” zei mijn hospita. Ik schudde zijn slappe handje. Een rilling trok over mijn rug. (In die tijd was homoseksualiteit nog niet erg geaccepteerd en ik begreep er vrij weinig van…)In de hoek naast de gaskachel lag Fifi in haar mandje. Gewikkeld in een grote handdoek lag ze erg dood te wezen. Het was geen fijn gezicht. Ik kreeg, heel toepasselijk, een plakje cake bij mijn koffie. Ik nuttigde het rouwzaalgebak met lange tanden, vanuit de mand aangestaard door het dooie poedeltje. “We willen je om een gunst vragen”, zei de hospita, terwijl ze een nieuwe peuk aanstak. Daar was ik al bang voor. “Zou jij met René mee willen gaan naar het Kralingse bos om Fifi te begraven?” “Het Kralingse bos?” vroeg ik. “Fifi ging daar ieder weekend met René wandelen, en dat vond ze altijd zo fijn!” snotterde het bloemetjesgordijn tussen twee hoestbuien door. “En René durft Fifi niet in deze toestand op te tillen en ik blijf liever thuis. Ik kan dat echt niet aan.” Het sjaaltje zat met zijn handen voor zijn ogen. Dus na een dramatisch afscheid van het in mijn armen liggende hoopje poedel, reden we in het oude Dafje van René naar het Kralingse bos. Ik had het raampje een beetje opengedraaid, want Fifi rook niet bepaald fris. Ook maakte ik me zorgen, dat ze door het handdoekje heen zou gaan lekken, en was blij toen we eindelijk een parkeerterrein bij Rotterdams’ grootste park hadden bereikt. Het had even geduurd, want we moesten ook nog ergens een spade gaan lenen. We vonden niet ver van de auto een geschikte plek om te dienen als laatste rustplaats voor Fifi. René stond handenwringend toe te kijken hoe ik een gat groef, het beest in haar grafje legde en het gat weer dicht gooide, maar pas nadat ik hem gevraagd had, of hij nog iets wilde zeggen. “Schiet nou maar op”, zei hij terwijl hij nogal nerveus om zich heen keek. “Straks ziet iemand ons!” Toen ik klaar was, stonden we heel even stil bij de plek. Achter ons hoorden we een auto op de parkeerplaats stoppen. “Kom, wegwezen hier”, zei mijn gezelschap en hij trok me aan mijn arm mee richting Dafje. Hij wilde duidelijk niet gezien worden. “Kogellagertje, wat doe jij hier? Je bent hier toch nooit op een donderdagavond?” En, met een nichterig vingertje wees een rossige reus naar mij: “En wat heb je daar aan je arm?” Hier ging iets niet goed. “Kogellagertje?” herhaalde ik verbaasd. “Vanwege zijn aambeien, maar daar zal jij natuurlijk niets van weten!” Ik werd licht misselijk. “Het is niet wat het lijkt, lieverd”, probeerde René, maar dat zinnetje alleen al leek een bekentenis. Hij stond te beven als een riet, dus besloot ik hem maar te helpen. “Fifi is dood en ik hielp hem haar te begraven.” Ik kreeg een vernietigende blik. “En ik moet dat geloven, slet?” Afijn, er zat niets anders op dan Fifi weer op te graven. Als bewijs.In het Dafje op weg naar huis was het nogal stil. Vlak bij huis snotterde René: “Moeder weet van niets. Wil jij alsjeblieft niks over, eh, jeweetwel, vertellen?” Hij keek me aan met betraande ogen. Ik had diep medelijden met hem en beloofde het.