FC. Corona 2
Het was even stil. Op het lege voetbalveld vóór ons waren een stel ganzen geland. Ze waggelden over de middellijn onze kant op. “Buitenspel!” grapte Harrie. Ik glimlachte. “Heb je zelf hier ook gevoetbald?” Hij schudde zijn hoofd. “Nee, ik heb ergens anders bij de jeugd gevoetbald, maar dat was geen succes. Toen ben ik gaan fluiten. Dat was mooi!” Hij wees op het veld: “Ik heb hier mijn laatste wedstrijd geblazen.” Uit zijn jaszak kwam het geluid van een mekkerende geit. “O, sorry,” verontschuldigde hij zich, “Mijn vrouw, die moet ik even nemen, anders zwaait er wat!” Ik knikte en liep even een stukje weg om hem zijn privacy te gunnen. Niet dat hij veel te vertellen leek te hebben. Meer dan: “Ja, lieve! Nee, lieve! Ja schat! Nee, schat!” kwam er niet uit. Het duurde een ‘stief kwartiertje’; de tijd dat de ganzen nodig hadden om de zestien-meter-lijn te bereiken, tot hij met een zucht zijn telefoon weer in zijn jas liet zakken.
“Mijn vrouw”, zei hij, nogmaals. “Vooral daarom mis ik de voetbalzaterdagen zo.” Ik was hem weer tot op anderhalve meter genaderd. “Die ringtoon is wel grappig, maar daar weet ze zeker niks van?” Ik keek opzij. Hij lachte veelbetekenend. “Wanneer ze bij me is, belt ze me niet, dus ze heeft het nooit gehoord.” Ik kon er wel om lachen. “Gak, gak,” deden zelfs de ganzen mee.
“Waar die voorste gans nu staat was het ongeveer. Het einde van mijn carrière als scheidsrechter.” Ik keek weer naar het veld. De bedoelde vogel waggelde het strafschopgebied in. “Daar liet die homo van fc. Regenboog zich vallen in de hoop een penalty te krijgen.” Even was hij stil. “Een regelrechte schwalbe. Met dat aanstellerige geschreeuw en doorrollen, zodat hij in de zestien kwam te liggen.” Hij wees. “Daar waar die gans nu loopt bleef hij liggen. Die knul stond er om bekend en ik had speciaal voor hem een kaart door mijn kleindochter laten kleuren. Roze!” Hij moest er weer om lachen. “Dus ik grijp in mijn achterzak en houd hem de roze kaart voor! En die gozer blijft maar doorkermen. Iedereen lachen natuurlijk!” Ik zag de gans rechtsomkeert maken. “Maar waarom was dat het einde van je carrière als fluitist, dan?” Hij zuchtte, “Daarna moest ik de wedstrijd stilleggen, en pas nadat de ambulance die theatermaker van het veld had gehaald konden we doorgaan, maar niemand had er nog zin in, dus zijn we maar gestopt.” “De ambulance?”, zei ik verbaasd, “Waarvoor dan?” “Gebroken poot.” Er viel een stilte. “Ik heb daarna geen wedstrijden meer toegewezen gekregen. Ik begreep dat wel. Die grap van die roze kaart ging echt te ver. Regels zijn regels. Ik had gewoon geel moeten geven.” Hij had een traan in zijn rechteroog. “Of zelfs rood…”