Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn angst ziek te worden toen ik langs een verlaten voetbalcomplex reed. Er stond een oudere man triest voor zich uit te kijken dus ik parkeerde mijn auto en vroeg hem, op gepaste afstand, of ik hem ergens mee kon helpen. “Nee, meneer, aan deze crisis is weinig te doen”, zuchtte hij. “Maar ik mis het wel heel erg”, waarbij hij op de verlaten sportaccomodatie wees. Ik knikte, want het zag er inderdaad erg triest uit. Op een groot bord aan de kantine stond: ‘FC. Corona’. Ik keek verbaasd, hetgeen de brave borst zag. Hij zei verontschuldigend: “Ja, de naam is niet erg gelukkig in de huidige omstandigheden, meneer”. Ik stelde me voor zonder hem de hand te reiken. “Ik ben Harrie”, antwoordde hij. En hij legde uit: “De clubnaam komt van onze eerste voorzitter, Jan Bontenbal. Die rookte altijd grote Corona-sigaren. Een soort eerbetoon.” Het bleef even stil. Onder het grote bord met de naam van de club stond op een ingemetselde steen in de muur: ‘Eerste steen gelegd op 3-6-1963 door Jan in ’t Veld’ Ik wees erop: “En wie was dat dan?” De oude baas keek me even aan met een kop alsof ik wel erg dom moest zijn: “Onze eerste voorzitter natuurlijk!” “Maar die heette toch Jan Bontenbal?” De baas glimlachte. “Dat was zijn bijnaam sinds hij de kantinejuffrouw iets te vriendschappelijk benaderd had…”