De begrafenis van Fifi

Na lang zoeken had ik eindelijk een kamer gevonden in Rotterdam. Het was in de Vierambachtstraat, hoog boven een bakkerswinkel. Een klein zolderkamertje met een los butagaskacheltje en koud stromend water. Voor het kapotte raampje was een caravandakluikje getimmerd. Deze tochtige oplossing had de huisbaas jaren geleden zelf bedacht. Dat stuk caravan had hij nog ergens liggen, vertelde zijn weduwe, mijn hospita. Zij was een zeer volslanke, ietwat morsige dame van rond de 70. Ze had een jurk aan, die mijn vader zou omschrijven als ‘een bloemetjesgordijn’ en dikke steunkousen. Voorts krulspelden in haar vlassige haar in een ultieme poging om twee dagen per week (in het weekend) met een mooie golvend kapsel door het leven te kunnen gaan. Daar ik in de weekenden naar huis ging heb ik haar nooit zonder die krulspelden gezien. Een peuk completeerde het nogal slonzige geheel.Toen ik voor de kamer kwam kijken maakte ik ook kennis met Fifi. Een klein roodachtig ranzig poedeltje met gemene kraaloogjes. Het beest begroette me vanuit haar mandje met zacht gegrom en ontblote tandjes. Ik besloot haar op gepaste afstand te houden. Op een mooie lenteavond liep ik de trap op richting mijn ’torenkamer’, toen de deur van de woonkamer van mijn hospita openging. Ze was in tranen. Met horten en stoten vertelde ze dat haar Fifi naar de Grote Sint Bernard was. En of ik even binnen wilde komen voor een kopje koffie. Het leek me erg ongevoelig om haar uitnodiging af te slaan dus ik volgde haar de rokerige woonkamer in. Aan de tafel bij het raam zat een jonge man met een roze sjaaltje gezellig mee te snotteren. “Dat is René, mijn zoon,” zei mijn hospita. Ik schudde zijn slappe handje. Een rilling trok over mijn rug. (In die tijd was homoseksualiteit nog niet erg geaccepteerd en ik begreep er vrij weinig van…)In de hoek naast de gaskachel lag Fifi in haar mandje. Gewikkeld in een grote handdoek lag ze erg dood te wezen. Het was geen fijn gezicht. Ik kreeg, heel toepasselijk, een plakje cake bij mijn koffie. Ik nuttigde het rouwzaalgebak met lange tanden, vanuit de mand aangestaard door het dooie poedeltje. “We willen je om een gunst vragen”, zei de hospita, terwijl ze een nieuwe peuk aanstak. Daar was ik al bang voor. “Zou jij met René mee willen gaan naar het Kralingse bos om Fifi te begraven?” “Het Kralingse bos?” vroeg ik. “Fifi ging daar ieder weekend met René wandelen, en dat vond ze altijd zo fijn!” snotterde het bloemetjesgordijn tussen twee hoestbuien door. “En René durft Fifi niet in deze toestand op te tillen en ik blijf liever thuis. Ik kan dat echt niet aan.” Het sjaaltje zat met zijn handen voor zijn ogen. Dus na een dramatisch afscheid van het in mijn armen liggende hoopje poedel, reden we in het oude Dafje van René naar het Kralingse bos. Ik had het raampje een beetje opengedraaid, want Fifi rook niet bepaald fris. Ook maakte ik me zorgen, dat ze door het handdoekje heen zou gaan lekken, en was blij toen we eindelijk een parkeerterrein bij Rotterdams’ grootste park hadden bereikt. Het had even geduurd, want we moesten ook nog ergens een spade gaan lenen. We vonden niet ver van de auto een geschikte plek om te dienen als laatste rustplaats voor Fifi. René stond handenwringend toe te kijken hoe ik een gat groef, het beest in haar grafje legde en het gat weer dicht gooide, maar pas nadat ik hem gevraagd had, of hij nog iets wilde zeggen. “Schiet nou maar op”, zei hij terwijl hij nogal nerveus om zich heen keek. “Straks ziet iemand ons!” Toen ik klaar was, stonden we heel even stil bij de plek. Achter ons hoorden we een auto op de parkeerplaats stoppen. “Kom, wegwezen hier”, zei mijn gezelschap en hij trok me aan mijn arm mee richting Dafje. Hij wilde duidelijk niet gezien worden. “Kogellagertje, wat doe jij hier? Je bent hier toch nooit op een donderdagavond?” En, met een nichterig vingertje wees een rossige reus naar mij: “En wat heb je daar aan je arm?” Hier ging iets niet goed. “Kogellagertje?” herhaalde ik verbaasd. “Vanwege zijn aambeien, maar daar zal jij natuurlijk niets van weten!” Ik werd licht misselijk. “Het is niet wat het lijkt, lieverd”, probeerde René, maar dat zinnetje alleen al leek een bekentenis. Hij stond te beven als een riet, dus besloot ik hem maar te helpen. “Fifi is dood en ik hielp hem haar te begraven.” Ik kreeg een vernietigende blik. “En ik moet dat geloven, slet?” Afijn, er zat niets anders op dan Fifi weer op te graven. Als bewijs.In het Dafje op weg naar huis was het nogal stil. Vlak bij huis snotterde René: “Moeder weet van niets. Wil jij alsjeblieft niks over, eh, jeweetwel, vertellen?” Hij keek me aan met betraande ogen. Ik had diep medelijden met hem en beloofde het.