Met veel moeite had ik de kantine van GOZ in Mijnsheerenland bereikt. Deze bevond zich bovenaan een hoge stenen trap die mijn versleten heup behoorlijk op de proef stelde. Ik moest die trap op om de sleutel voor de speciaal voor mensen die moeilijk ter been zijn aanwezige lift te halen. De oude man achter de bar overhandigde mij de sleutel met een trotse glimlach en het verzoek de sleutel na gebruik en het weer op slot doen van de lift weer in te leveren. Dus wanneer ik de kantine weer wilde verlaten…. Inderdaad!
Het traplopen had me hongerig gemaakt, dus ik besloot iets te eten te bestellen. Voor de bar stond een enorm schoolbord waarop met grote letters: ERWTENSOEP €2,00. De gedachte aan een kom snert deed mij het water in de mond lopen. Dus ik bestelde de lekkernij bij de barbejaarde. Deze was nou niet bepaald van de vlotte soort. “Erwtensoep,” mompelde hij, en bij de computerkassa nog eens: “Erwtensoep?” Hij slofte vervolgens naar de keuken en er volgde een trage discussie. “Hebben we erwtensoep?” Ik had hem nog op het schoolbord gewezen, maar dat leek hij niet te willen zien. Het antwoord was niet verstaanbaar, maar moet wel haast bevestigend zijn geweest. De oude baas slofte terug. “Één Erwtensoep?” “Één Erwtensoep!” bevestigde ik, en wees op het schoolbord. Einstein draaide zich naar de kassa, schudde het hoofd en slofte weer naar de keuken, mij in verbijstering achterlatend, en vroeg aan de kok: “Wat kost de erwtensoep?” Na het antwoord slofte hij terug richting kassa, binnensmonds mompelend: “twee eurootjes…” Hij sloeg het gewenste bedrag aan op de kassa. Ik vreesde het ergste, want ik had weinig contant geld bij me, dus wilde het liefst pinnen. Dat ging gelukkig goed. Na zo’n tien minuten kreeg ik een behoorlijk grote bak groen spul aangereikt. Na de eerste hap legde ik mijn lepel uiterst langzaam weer neer en besloot tot een gebed. Wat was dit smakeloos! “Dit lijkt op het opgewarmde resultaat van drie weken verkoudheid met een paar plakjes rookworst!” zei ik tegen Arne Vos, die naast me een broodje rookworst zat te eten. “Ik zit te eten, dus bespaar me de details!” mopperde deze. (Het broodje rookworst bleek wel van behoorlijke kwaliteit, dat heb ik later geprobeerd.)
Bij het hervatten van mijn soep moest ik terugdenken aan de uiterst smakelijke zelfgemaakte erwtensoep (Robert Straver) bij onze Zinkwegse Boys. Maar ik bedacht ook, dat deze poging eveneens moest zijn gedaan door een goedwillende vrijwilliger. Dus ik at de soep gewoon op en klaagde niet verder. Want je beklag doen over vrijwilligers, die zich wellicht al vele jaren belangeloos inzetten voor hun club: Dát is pas smakeloos.